Dramatische werken

Chapter 18

Chapter 184,226 wordsPublic domain

HELMER. Ja, bepaald. Wie kan dat zijn? Ik kan toch niet denken dat de meiden...? Hier ligt een afgebroken haarspeld. Die is van jou Nora....

NORA (_snel_). Dan moeten de kinderen 't gedaan hebben....

HELMER. Dat moet je hun dan toch heusch afleeren. Hm; hm;... ha, daar heb ik 't toch open (_neemt den inhoud er uit en roept in de keuken_). Helene!... Helene! doe het licht uit op het portaal (_hij komt de kamer binnen en sluit de deur naar het portaal_).

HELMER (_met de brieven in zijn hand_). Kijk eens hier, wil je eens zien hoe zich dat opgehoopt heeft? (_kijkt ze na_). Wat is dat?

NORA (_bij het raam_). De brief! O neen, neen, Torwald!

HELMER. Twee visitekaartjes ... van Rank.

NORA. Van dokter Rank?

HELMER (_bekijkt ze_). Doctor medicinae Rank. Die lagen boven op; hij moet ze er in gestoken hebben toen hij wegging.

NORA. Staat er iets op?

HELMER. Er staat een zwart kruis boven zijn naam. Kijk. Dat is toch een sombere aardigheid. 't Is net of hij zijn eigen doodsbericht zendt.

NORA. Dat doet hij ook.

HELMER. Wat? Weet jij er van? Heeft hij je er iets van gezegd?

NORA. Ja, wanneer wij die kaartjes ontvingen, had hij afscheid van ons genomen. Hij wil zich opsluiten om te sterven.

HELMER. Mijn arme vriend! Ik wist wel dat ik hem niet lang meer houden zou. Maar zoo gauw.... En nu verstopt hij zich als een gewond dier!

NORA. Als het toch gebeuren moet, is het maar het best het zonder veel woorden te doen. Vind je ook niet Torwald?

HELMER (_loopt op en neer_). Hij was zoo samengegroeid met ons. Ik zal mij niet kunnen voorstellen dat hij weg is. Hij, met zijn lijden en zijn eenzaamheid maakte als 't ware den donkeren achtergrond uit, waartegen ons zonnig geluk zoo helder uitkwam. Ja, het is misschien toch zoo het beste. Voor hem althans. (_Blijft staan_). En misschien voor ons, Nora. Nu zijn wij beiden heel alleen voor elkander (_slaat zijn armen om haar heen_). O, jij, mijn lieve, lieve vrouw, 't is mij of ik je niet stevig genoeg vasthouden kan. Weet je, Nora ... dikwijls wensch ik dat een onmiddellijk gevaar je mocht dreigen, om alles, mijn leven, mijn goed en bloed en alles voor je op het spel te kunnen zetten.

NORA (_maakt zich los en zegt vast en besloten_). Nu moet je je brieven gaan lezen, Torwald.

HELMER. Neen, neen ... van nacht niet. Van nacht wil ik bij jou blijven, mijn lieve vrouwtje!

NORA. Met doodsgedachten aan je vriend?

HELMER. Je hebt gelijk; dat heeft ons beiden geschokt. Er is iets storends tusschen ons gekomen ... gedachten aan dood en verwording. Daar moeten wij ons van zoeken te bevrijden. Tot zoo lang ... zullen wij ieder naar onze eigen kamer gaan.

NORA (_aan zijn hals hangend_). Torwald,... goeden nacht! Goeden nacht!

HELMER (_kust haar op het voorhoofd_). Goeden nacht, mijn zangvogeltje. Slaap wel, Nora. Nu ga ik de brieven doorlezen. (_Hij gaat met het pak in zijn kamer en sluit de deur achter zich_).

NORA (_loopt door de kamer met verwilderde oogen--grijpt Helmer's domino, slaat die om, en fluistert haastig, heesch en afgebroken_): Hem nooit meer zien. Nooit. Nooit. Nooit. (_Gooit haar châle over haar hoofd_). De kinderen ook nooit meer zien. Hen óók niet. Nooit, nooit.... O, dat koude donkere water! O, die ijzige diepte!... Die.... O, was het maar voorbij!... Nu heeft hij den brief ... nu leest hij hem.... O, neen ... neen... nog niet. Torwald, vaarwel ... vaarwel mijn kleintjes! (_Zij wil de deur uitstormen ... op hetzelfde oogenblik rukt Helmer de zijne open met een open brief in de handen_).

HELMER. Nora!

NORA (_gilt_). Ah...!

HELMER. Wat is dat? Weet je wat er in dezen brief staat?

NORA. Ja, ik weet het. Laat mij gaan! Laat mij er uit!

HELMER (_houdt haar tegen_). Waar wil je heen?

NORA (_tracht zich los te rukken_). Je màg mij niet redden, Torwald!

HELMER (_tuimelt terug_). Waar dus! Is het waar, wat hij schrijft? Neen, neen; dat kan onmogelijk waar zijn...!

NORA. Het is waar. Ik heb je lief gehad boven _alles_ in de wereld.

HELMER. O, kom mij niet aan boord met zulke armzalige uitvluchten.

NORA (_doet een stap naar hem toe_). Torwald...!

HELMER. Jij rampzalige ... wat heb je gedaan?

NORA. Laat mij weggaan. Jij mag er niet voor boeten. Jij mag het niet op je nemen.

HELMER. Geen comedie-vertooningen alsjeblieft. (_Sluit de deur af_). Hier zal je blijven en mij rekenschap geven. Begrijp je wat je gedaan hebt? Antwoord me! Heb je er eenig begrip van?

NORA (_kijkt hem onafgebroken aan en zegt met een uitdrukking van verstarring_): Ja, nu begin ik het pas goed te begrijpen.

HELMER (_loopt op en neer_). O, wat een vreeselijk ontwaken! Al deze acht jaren lang ... zij, die mijn vreugd en mijn trots was ... een huichelaarster, een leugenaarster ... erger, erger nog ... een misdadigster! O, hoe niet-in-te-denken afschuwelijk is dat alles!... Foei! Foei!

NORA (_zwijgt en kijkt hem maar steeds onafgewend aan_).

HELMER (_blijft vlak voor haar staan_). Ik had moeten bedenken dat zoo iets gebeuren kon. Ik had het moeten voorzien. Al de lichtzinnige opvattingen van je vader.... Zwijg! Al de lichtzinnige opvattingen van je vader heb jij geërfd. Geen godsdienst, geen moraal, geen plichtgevoel.... O, wat word ik er voor gestraft dat ik zijn tekortkomingen door de vingers zag. Voor jou deed ik het, en zóó beloon je er mij voor.

NORA. Ja ... zóó.

HELMER. Mijn heele geluk heb je nu verwoest. Mijn heele toekomst heb je bedorven. O, het is ontzettend daaraan te denken. Een gewetenlooze kerel heeft mij in zijn macht; hij kan met mij doen wat hij wil; alles van mij eischen, over mij bevelen en heerschen naar zijn goedvinden ... en ik durf niet te kikken. En zoo jammerlijk diep moet ik zinken en te gronde gaan door de schuld van een lichtzinnige vrouw!

NORA. Als ik uit de wereld ben, dan ben je vrij.

HELMER. Och, verkoop geen kunsten. Zulke mooie praatjes had je vader ook altijd bij de hand. Wat zou het mij helpen of jij al uit de wereld was, zooals je zegt? Dat helpt mij hoegenaamd niets! Hij kan de zaak immers toch bekend maken; en doet hij dat dan word ik misschien nog wel verdacht van de hand in jouw misdadig spel gehad te hebben. Misschien zullen de menschen nog denken dat ik er achter zat ... dat ik je er toe aangezet heb! En dat alles heb ik aan jou te danken, aan jou, die ik op de handen heb gedragen zoolang wij getrouwd zijn. Begrijp je nu wat je mij aangedaan hebt?

NORA (_koel en kalm_). Ja.

HELMER. Het is zoo ongelooflijk, dat ik 't nog niet in me opnemen kan. Maar wij moeten zien hoe wij er ons uitredden. Doe dien doek af. Dien doek af, zeg ik. Ik moet zien dat ik hem op de een andere manier tevreden stel. De zaak moet in de doos, hoe dan ook.... En wat jou en mij betreft, moet uiterlijk alles maar blijven zooals vroeger. Maar natuurlijk alleen voor het oog van de wereld. Je blijft dus hier in huis, dat spreekt van zelf. Maar de kinderen mag je niet opvoeden, die durf ik je niet toevertrouwen.... O, dat te moeten zeggen tegen háár, die ik zoo lief gehad heb en nog...! Nou ... dat moet nu uit zijn. Van geluk is voortaan geen kwestie meer; alleen moeten we trachten de restjes, den schijn nog te redden. (_Er wordt buiten gebeld_).

HELMER (_schrikt_). Wat is dat? Zoo laat nog. Zou het vreeselijkste...? Zou hij...? Verberg je Nora! Zeg dat je ziek bent.

(_Nora blijft onbewegelijk staan. Helmer gaat de voordeur open doen_).

DIENSTMEISJE (_half ontkleed in het portaal_). Een brief voor mevrouw.

HELMER. Geef mij dien (_grijpt den brief en sluit de deur_). Ja, dat is van hem. Jij krijgt hem niet; ik zal hem zelf lezen.

NORA. Lees jij maar.

HELMER (_bij de lamp_). Ik heb er haast geen moed toe. Misschien zijn we wel verloren, jij en ik allebei. Neen, ik _moet_ 't toch weten (_breekt den brief open; kijkt enkele regels door bekijkt een inliggend papier; een vreugdekreet_). Nora!

NORA (_ziet hem vragend aan_).

HELMER. Nora!... Neen, ik moet het nog eens overlezen.... Ja, ja ... het is zoo. We zijn gered! Nora, ik ben gered!

NORA. En ik?

HELMER. Jij ook, natuurlijk; we zijn allebei gered. Kijk maar. Hij stuurt je je schuldbekentenis terug. Hij schrijft dat hij het betreurt en berouw heeft ... dat een gelukkige omkeer in zijn leven ... och, wat kan het ons schelen wat hij schrijft! wij zijn gered, Nora! Niemand kan je meer iets doen. O, Nora, Nora! Neen, eerst moet al die ellende de wereld uit. Laat mij eens zien.... (_kijkt even naar de onderteekening_). Och neen; ik wil 't liever niet zien; alles moet maar als een droom voor mij geweest zijn (_scheurt de schuldbekentenis en beide brieven in stukken, gooit alles in de kachel en kijkt er naar terwijl het verbrandt_). Ziezoo; nu is het weg.... Hij schreef dat jij sedert Kerstavond.... O, dat moeten drie vreeselijke dagen voor je geweest zijn, Nora.

NORA. Ik heb een hevigen strijd gestreden deze drie laatste dagen.

HELMER. En je hebt je ellendig gevoeld en geen anderen uitweg gezien dan.... Neen, wij willen niet meer denken aan al die afschuwelijke dingen. Wij willen alleen maar juichen en herhalen: het is voorbij! Luister toch eens naar me Nora, het is of je het nog niet recht begrijpt: het is voorbij! wat is er toch ... dat je gezicht zoo strak staat? Och, mijn arme kleine Nora, ik begrijp het wel; je kunt nog niet gelooven dat ik 't je vergeven heb. Maar dat heb ik heusch, Nora; ik zweer 't je: ik heb je alles vergeven. Ik weet immers wel dat wat je deedt dat deedt je uit liefde voor mij.

NORA. Dat is waar.

HELMER. Je hebt van mij gehouden zooals een vrouw van haar man houden moest. Je hadt alleen geen voldoende inzicht in de keus van de middelen. Maar denk je dat je mij minder lief bent omdat je niet in staat bent zelfstandig te handelen? Neen, hoor. Steun maar op mij; ik zal je wel raden en leiden. Ik zou geen man moeten zijn als juist die vrouwelijke hulpeloosheid je niet nog dubbel aantrekkelijk maakte in mijn oogen. Je moet je de harde woorden die ik zei in mijn eersten schrik, toen ik dacht dat alles boven mijn hoofd instortte, maar niet aantrekken. Ik heb je vergeven Nora; ik zweer je dat ik je vergeven heb.

NORA. Ik dank je voor je vergiffenis (_zij gaat weg door de deur rechts_).

HELMER. Neen, blijf nu.... (_kijkt naar binnen_). Wat ga je in de slaapkamer doen?

NORA. Mijn maskeradepak uit doen.

HELMER (_bij de open deur_). Ja, dat is goed; tracht tot rust en weer in evenwicht te komen, mijn arm verschrikt zangvogeltje. Rust maar eens lekker uit; ik heb breede vleugels om je mee te dekken (_loopt rond dichtbij de deur blijvend_). O, wat is ons huis toch gezellig en mooi, Nora. Hier ben je veilig; hier zal ik je houden als een opgejaagde duif, die ik ongedeerd uit de klauwen van een havik heb gered; ik zal je arm kloppend hartje wel tot kalmte brengen. Zoo zachtjes aan, Nora, geloof me maar. Morgen zal je alles al in een heel ander licht zien; al gauw zal alles weer net zijn als vroeger; ik zal je niet dikwijls meer behoeven te herhalen dat ik je vergeven heb; je zult zelf wel heel goed voelen dat ik het gedaan heb. Hoe ben je toch op het idee gekomen dat ik je verstooten zou of je ook maar iets verwijten? Och Noraatje, je kent het hart van een echten man nog niet. Er is voor een man zoo iets onbeschrijfelijk zoets en bevredigends in het gevoel dat hij zijn vrouw vergiffenis geschonken heeft, zoo van ganscher harte, zie je. Zij is daarmee om zoo te zeggen dubbel zijn eigendom geworden; hij heeft haar als 't ware op nieuw haar plaats in de wereld gegeven; zij is in zekeren zin nu zoowel zijn kind als zijn vrouw geworden. Zóó zal jij voortaan voor mij zijn, jij mijn klein hulpeloos wezentje. Wees maar niet bang, Nora, wees alleen maar openhartig tegen mij; ik zal zoowel je wil als je geweten zijn.... Wat is dat nu? Ben je niet naar bed gegaan? Heb je je verkleed?

NORA (_in haar daagsche japon_). Ja, Torwald, ik heb mij verkleed.

HELMER. Maar waarom, nu nog zoo laat?...

NORA. Ik ga van nacht niet slapen.

HELMER. Maar, lieve Nora....

NORA (_kijkt op de klok_). Het is nog niet zoo heel laat. Ga hier eens zitten, Torwald; wij hebben een heelen boel te bespreken (_zij gaat zitten aan den eenen kant van de tafel_).

HELMER. Nora,... wat beteekent dat? Dat strakke gezicht....

NORA. Ga er bij zitten ... het zal lang duren. Ik heb veel met je te bepraten.

HELMER (_gaat tegenover haar aan de tafel zitten_). Je maakt me angstig, Nora. En ik begrijp je niet.

NORA. Neen, dat is het juist. Je begrijpt mij niet. En ik heb jou ook nooit begrepen ... vóór van avond. Neen, je moet mij niet in de rede vallen. Je moet alleen maar luisteren. Dit is een afrekening, Torwald.

HELMER. Hoe bedoel je dat?

NORA (_na een kort zwijgen_). Is er niet iets dat je opvalt nu wij hier zoo zitten?

HELMER. En wat zou dat dan moeten zijn?

NORA. Wij zijn nu acht jaar getrouwd. Treft het je niet, dat het de eerste keer is dat wij beiden, jij en ik, man en vrouw, ernstig samen spreken?

HELMER. Ja ... ernstig ... wat bedoel je daarmee?

NORA. In volle acht jaren ... ja langer nog ... van onze eerste kennismaking af, hebben wij nooit een ernstig woord over ernstige dingen gewisseld.

HELMER. Moest ik je dan, zonder noodzaak, altijd in wijden in moeilijkheden die je mij toch niet kon helpen dragen?

NORA. Ik spreek niet van moeilijkheden. Ik zeg dat wij nooit eens ernstig bij elkaar gezeten hebben om iets grondig te bespreken.

HELMER. Maar, liefste Nora, zou dat dan iets voor jou geweest zijn?

NORA. Dat is nu juist de zaak. Je hebt me nooit begrepen.... Er is mij groot onrecht aangedaan, Torwald. Eerst door Papa en later door jou.

HELMER. Wat! Door ons beiden ... ons beiden ... die meer van jou gehouden hebben dan van iemand ter wereld?

NORA (_schudt het hoofd_). Je hebt mij geen van beiden ooit liefgehad. Jij hebt het alleen prettig gevonden om op mij verliefd te zijn.

HELMER. Maar Nora, wat zijn dat voor woorden.

NORA. Ja, het is toch zoo, Torwald. Toen ik thuis was bij Papa, vertelde hij mij hoe hij over de dingen dacht, en dan vond ik dat alles ook zoo; of, als ik er anders over dacht, verborg ik het maar, want dat zou hij niet prettig gevonden hebben. Hij noemde mij zijn poppekind, en hij speelde met mij zooals ik met mijn poppen speelde. Toen ik in jouw huis kwam....

HELMER. Wat is dat nu voor een manier om over ons huwelijk te spreken?

NORA (_onverstoorbaar_). Ik bedoel: toen ik uit Papa's handen overging in de jouwe. Je richtte alles in naar jouw smaak, en zoo kreeg ik denzelfden smaak als jij; of ik hield mij maar zoo ... ik weet 't zelf niet goed ... ik geloof dat het zoowel het een als het ander was; nu eens dit dan eens dat. Als ik er nu op terug zie, komt het me voor alsof ik hier geleefd heb als een arm mensch ... levend van de hand in den tand.... Ik heb geleefd van kunsten-maken voor jou, Torwald. Maar jij wilde dat zoo. Jij en Papa hebben groote zonde aan mij begaan. Jij bent er schuld aan dat er niets van mij is terechtgekomen.

HELMER. Nora, wat ben je onbillijk en ondankbaar! Ben je hier dan niet gelukkig geweest?

NORA. Neen, dat ben ik nooit geweest. Ik dacht het te zijn; maar ik ben het nooit geweest.

HELMER. Niet ... niet gelukkig?

NORA. Neen; ik had alleen maar pret. En jij bent altijd zoo lief voor mij geweest. Maar ons huis is niets anders geweest dan een speelkamer. Ik ben je poppe-vrouwtje geweest net als ik thuis Papa's poppekind was. En de kinderen zijn weer mijn poppen geweest. Ik vond 't prettig als jij met mij speelde, net als de kinderen het prettig vinden als ik met hen speel. Dat is ons huwelijk geweest, Torwald.

HELMER. Er is wel iets waars in wat je zegt ... hoe overdreven en overspannen het dan ook zijn mag. Maar voortaan zal het anders worden. De tijd van spelen zal voorbij zijn; nu komt het opvoedingswerk.

NORA. De opvoeding van wie? Van mij of van de kinderen?

HELMER. Van allebei, mijn beste Nora, van jou en van de kinderen.

NORA. Och, Torwald, jij bent de man niet om mij op te voeden tot een echte vrouw voor je.

HELMER. En dat zegt jij?

NORA. En ik ... ben ik in staat kinderen op te voeden?

HELMER. Nora!

NORA. Zei je dat zelf niet daar straks ... dat werk durfde jij mij niet toevertrouwen.

HELMER. In een oogenblik van drift! Wil je daar nu aan hechten?

NORA. Ja zeker; want dat was heel juist gezegd. Die taak is te zwaar voor mij. Er is een andere taak, die eerst moet afgedaan worden. Ik moet mijzelf zien op te voeden. Jij bent niet de man die mij daarbij helpen kan. Daarvoor moet ik alleen zijn. En daarom ga ik nu van je weg.

HELMER (_springt op_). Wàt zeg je daar?

NORA. Ik moet geheel alleen zijn, als ik mijzelf en alle dingen buiten mij zal leeren zien, zoo als ze zijn. Daarom kan ik niet langer bij je blijven.

HELMER. Nora! Nora!

NORA. Ik ga nu dadelijk weg. Kristine zal mij voor van nacht wel logeeren....

HELMER. Je bent niet wijs! Ik permiteer het niet! Ik verbied het je!

NORA. Het helpt nu niet meer of je mij iets verbiedt. Ik zal meenemen wat van mij zelf is. Van jou wil ik niet hebben, noch nu noch later.

HELMER. Maar dat is krankzinnigheid!

NORA. Morgen ga ik naar huis ... ik bedoel mijn oude thuis. Daar zal het mij het gemakkelijkst vallen het een of ander te beginnen.

HELMER. O, jij verblind, onervaren schepsel!

NORA. Ik moet zien ervaring op te doen, Torwald.

HELMER. Je huis, je man en kinderen verlaten! En denk je er heelemaal niet aan wat de menschen daarvan zullen zeggen?

NORA. Daar kan ik mij niet aan storen. Ik weet alleen dat het voor mij noodzakelijk is.

HELMER. O, het is schandelijk. Dat je je zoo aan je heiligste plichten onttrekken kunt!

NORA. Wat noem jij mijn heiligste plichten?

HELMER. Moet ik je dat nog zeggen? Heb je geen plichten jegens je man en kinderen?

NORA. Ik heb nog andere even heilige plichten.

HELMER. Dat heb je niet. Wat zouden dat wel voor plichten zijn?

NORA. Plichten jegens mij zelf.

HELMER. In de eerste plaats ben je vrouw en moeder.

NORA. Daar geloof ik niet meer aan. Ik geloof dat ik in de eerste plaats mensch ben, ik, net zoo goed als jij ... of in elk geval zal ik trachten het te worden. Ik weet wel dat in elk geval zal trachten het te worden. Ik weet wel dat de meeste menschen jou gelijk geven, Torwald, en dat er iets dergelijks in de boeken staat. Maar ik kan mij niet langer tevreden stellen met wat de menschen zeggen en wat er in de boeken staat. Ik moet zèlf nadenken over de dingen en tot klaarheid zien te komen.

HELMER. Dus het zou je niet duidelijk zijn wat je positie in je eigen huis is? Heb je dan bij zoo'n gewetensvraag geen onfeilbaren gids? Heb je dan geen godsdienst?

NORA. Och, Torwald, ik weet immers niet eens goed wat godsdienst is.

HELMER. Wàt zeg je daar?

NORA. Ik weet niets anders dan wat dominé Hansen zei, toen ik voor mijn belijdenis leerde. Hij vertelde dat godsdienst was dìt en dàt. Wanneer ik hier vandaan ben, zal ik ook dat vraagstuk onderzoeken. Dan zal ik zien of het waar was wat dominé Hansen zei, of in elk geval of het waar is voor mij.

HELMER. Maar, dat is toch iets ongehoords van zoo'n jonge vrouw! Maar als de godsdienst je dan geen wegwijzer zijn kan, laat mij dan een beroep doen op je geweten. Want gevoel voor goed en kwaad heb je toch? Of ... heb je dat misschien ook niet?

NORA. Och, Torwald, daarop kan ik ik moeilijk antwoorden. Ik weet 't waarlijk niet! Ik ben heelemaal in de war met alles. Ik weet alleen dat ik een heel andere opvatting van die dingen heb dan jij. Ik heb nu ook gehoord dat de wet heel anders is dan ik dacht; maar dat die wet goed zou zijn, dat wil er bij mij maar niet in. Een vrouw heeft dus niet het recht haar ouden stervenden vader te ontzien, of het leven van haar man te redden! Zoo iets kan ik nog niet gelooven.

HELMER. Je praat als een kind. Je begrijpt niets van de maatschappij waarin je leeft!

NORA. Neen, dat doe ik ook niet. Maar nu wil ik die leeren kennen. Ik moet er achter zien te komen wie gelijk heeft, de maatschappij of ik.

HELMER. Je bent ziek, Nora; je hebt de koorts; ik geloof haast dat je hoofd een beetje in de war is.

NORA. Ik heb mij nog nooit zoo helder en zeker van mijzelf gevoeld als van nacht.

HELMER. En in klaarheid en zekerheid verlaat je je man en kinderen?

NORA. Ja, dat doe ik.

HELMER. Dan is er nog één verklaring mogelijk.

NORA. Welke dan?

HELMER. Dat je niet meer van me houdt.

NORA. Dat is het juist.

HELMER. Nora!... En dat zeg jij!

NORA. O, het doet mij zoo zéér, Torwald; want je bent altijd zoo lief voor mij geweest. Maar ik kan er niets aan doen. Ik houd niet meer van je.

HELMER (_met moeite zich bedwingend_). Ben je daar ook zoo vast en zeker van overtuigd?

NORA. Ja, volkomen vast en zeker. Dáárom wil ik niet langer hier blijven.

HELMER. En zou je mij ook kunnen ophelderen waardoor ik je liefde verspeeld heb?

NORA. Ja, dat zal ik. Het was van avond, toen het wonderheerlijke niet kwam; want toen zag ik dat je niet de man was voor wien ik je gehouden had.

HELMER. Verklaar je nader, dat begrijp ik niet.

NORA. Ik heb acht jaar lang zoo geduldig gewacht; want och hemel, ik zag wel in dat het wonderheerlijke niet zoo iederen dag gebeurt. Toen kwam die ellende over mij, en toen was ik zoo vast overtuigd: nu zal het wonderheerlijke komen. Toen Krogstad's brief in de bus lag ... geen oogenblik kwam het in mij op, dat je buigen zoudt onder de voorwaarden van dien man. Ik was zoo vast overtuigd dat je tegen hem zeggen zoudt: maak de zaak maar bekend aan de heele wereld. En als dat gebeurd was....

HELMER. Ja, wat dan? Als ik mijn eigen vrouw had overgegeven aan schande en achterklap...!

NORA. Als dat gebeurd was, dan dacht ik vast en zeker, zou jij optreden en alles op je nemen en zeggen: ik ben de schuldige!

HELMER. Nora...!

NORA. Je bedoelt dat ik nooit zoo'n offer van je zou aangenomen hebben? Neen, natuurlijk niet. Maar wat zou mijn beweren waard zijn tegen het jouwe?... Dàt was het wonderheerlijke, waarop ik hoopte met vrees en beven. En om dat te verhinderen wou ik een einde aan mijn leven maken.

HELMER. Ik zou graag nacht en dag voor je werken, Nora,... zorgen en verdriet voor je op me nemen. Maar geen mensch offert zijn eer op voor iemand die hij liefheeft.

NORA. Dat hebben toch honderd-duizenden vrouwen gedaan.

HELMER. Och, je denkt en je praat als een onverstandig kind....

NORA. 't Kan zijn. Maar jij denkt noch spreekt als de man, aan wien ik mij moet kunnen verbinden. Toen je schrik over was... niet voor wat _mij_ dreigde, maar voor wat er voor jou uit voort vloeien kon, en toen alle gevaar voorbij was ... toen was het voor jou, alsof er niets gebeurd was. Ik was weer net als te voren je zangvogeltje, je pop, die je voortaan dubben voorzichtig op de handen dragen zoudt, omdat ze zoo teer en broos was. (_Staat op_). Torwald, op dat oogenblik werd het mij duidelijk, dat ik hier acht jaar lang geleefd had met een vreemden man, en dat ik drie kinderen bij hem gekregen had.... O, ik kan er niet aan denken! Ik zou mijzelf in stukken kunnen scheuren!

HELMER (_bedroefd_). Ik zie 't wel ... ik zie 't wel. Er is zeer zeker een diepe kloof tusschen ons ontstaan.... Maar Nora, zou die niet te overbruggen zijn?

NORA. Zóó als ik nù ben, kan ik je vrouw niet zijn.

HELMER. Ik heb de kracht om een ander mensch te worden.

NORA. Misschien ... als je pop je wordt afgenomen.

HELMER. O scheiden ... scheiden van jou! Neen, neen, Nora, die gedachte kan ik nog niet in mij opnemen.

NORA (_gaat de kamer rechts binnen_). Des te zekerder moet het gebeuren. (_Zij komt terug met hoed en mantel en een klein valies, dat zij op een stoel bij de tafel zet_).

HELMER. Nora! Nora! nog niet! Wacht tot morgen.

NORA (_doet haar mantel aan_). Ik kan niet den nacht overblijven in de kamers van een vreemden man.

HELMER. Maar kunnen wij hier dan niet samen wonen als broer en zuster...?

NORA (_zet haar hoed op_). Je weet heel goed dat dat niet lang zou duren.... Vaarwel, Torwald. Ik wil de kinderen niet meer zien. Ik weet dat ze in betere handen zijn dan bij mij. Zóó als ik nu ben, kan ik niets voor hen zijn.

HELMER. Maar later, Nora ... later...?

NORA. Hoe kan ik dat weten? Ik weet immers nog heelemaal niet wat er van mij worden zal.