Dramatische werken

Chapter 19

Chapter 193,927 wordsPublic domain

HELMER. Maar je bent toch mijn vrouw, zoowel nu als later.

NORA. Hoor eens, Torwald;... wanneer een vrouw het huis van haar man verlaat zóó als ik nu doe, dan is hij, heb ik gehoord, volgens de wet ontslagen van alle verplichtingen jegens haar. Je mag je in niets meer gebonden voelen, evenmin als ik het zijn zal. Er moet volle vrijheid zijn aan beide kanten. Hier heb je je ring terug. Geef mij nu ook den mijnen.

HELMER. Ook dat nog?

NORA. Ook dat.

HELMER. Daar heb je hem.

NORA. Zoo. Dus nu is alles voorbij. De sleutels leg ik dáár neer. De meiden weten alles wat het huishouden betreft ... beter dan ik. Morgen als ik weg ben zal Kristine hier komen om in te pakken wat ik van thuis heb meegebracht. Dat moet mij opgezonden worden.

HELMER. Voorbij ... voorbij! Nora, zal je nooit meer aan mij denken?

NORA. Ik zal wel heel dikwijls nog denken aan jou en de kinderen en dit huis.

HELMER. Mag ik je schrijven, Nora?

NORA. Neen ... nooit. Dat sta ik je niet toe.

HELMER. Maar, ik mag je toch zenden....

NORA. Niets ... niets.

HELMER. ... je helpen als je het noodig mocht hebben.

NORA. Neen ... zeg ik. Ik neem niets aan van vreemden.

HELMER. Nora ... kan ik dan nooit iets meer dan een vreemde voor je worden?

NORA (_neemt haar valies op_). Och Torwald, dan zou het allerwonderheerlijkste moeten gebeuren....

HELMER. Noem mij dat wonderheerlijkste!

NORA. Dan zouden wij beiden, jij zoowel als ik, zooveel veranderd moeten zijn dat.... Och Torwald, ik geloof niet meer aan iets wonderheerlijks.

HELMER. Maar ik wil er aan gelooven. Noem het! Zooveel veranderd zijn dat...?

NORA. Dat ons samenleven een huwelijk kon worden. Vaarwel. (_Zij gaat weg door het portaal_).

HELMER (_valt neer op een stoel bij de deur en bedekt zijn gezicht met de handen_). Nora! Nora! (_Kijkt om zich heen en staat op_). Weg. Zij is weg. (_Met een straal van hoop_). Het wonderheerlijkste...?

(_Beneden hoort men met een bons een deur in het slot vallen_).

EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.

* * * * *

SPOKEN

EEN FAMILIE-DRAMA

IN DRIE BEDRIJVEN

* * * * *

PERSONEN:

Mevrouw HELENE ALVING, weduwe van den heer Alving, in leven kapitein en kamerheer. OSWALD ALVING, haar zoon, schilder. Dominee MANDERS. ENGSTRAND, schrijnwerker. REGINE ENGSTRAND, bij Mevr. Alving in huis wonend. Het stuk speelt op het landgoed van Mevr. Alving, aan een groote fjord in westelijk Noorwegen.

* * * * *

EERSTE BEDRIJF.

Een ruime kamer met een deur in den linker zijmuur en twee deuren in den muur rechts. Midden in de kamer een ronde tafel met stoelen er omheen; op de tafel liggen boeken, tijdschriften en couranten. Op den voorgrond links een raam en daarbij een klein canapé met een werktafeltje er voor. Achter de kamer een glazen serre met bloemen en planten, iets smaller dan de kamer. Aan de rechterkant daarvan een deur die naar den tuin leidt. Door de glazen wanden heen ziet men een somber fjord-landschap, omsluierd door een dichten regen.

Engstrand staat bij den tuindeur. Zijn linkerbeen is een beetje verdraaid; onder den hak van zijn laars heeft hij een houten klos. Regine met een leeg gietertje in de hand, houdt hem tegen als hij de serre binnenkomen wil.

* * * * *

REGINE (_met gedempte stem_). Wat kom je hier doen? Blijf daar staan. Je druipt van den regen.

ENGSTRAND. 't Is de regen van Onze Lieve Heertje, kindlief.

REGINE. Zeg liever dat het de regen van den duivel is.

ENGSTRAND. Jesses Regine, wat een praat (_komt een paar stappen vooruit_). Maar wat ik je nou zeggen wou....

REGINE. Stamp toch zoo niet, mensch! De jonge mijnheer ligt boven te slapen.

ENGSTRAND. Ligt hij te slapen? Op klaarlichten dag?

REGINE. Dat gaat jou niet aan.

ENGSTRAND. Ik ben aan de zwier geweest gisterenavond....

REGINE. Dat geloof ik graag.

ENGSTRAND. Och ja, wij zijn maar zwakke schepsels, kindlief....

REGINE. Ja, dat zijn wij wel.

ENGSTRAND. ... en de verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, zie je...; maar toch was ik, zoo waar als God, om half zes van morgen vroeg al weer aan het werk.

REGINE. Nou ja, 't is goed; maak nu maar dat je wegkomt. Ik wil hier geen rendez-vous-tjes met je hebben.

ENGSTRAND. Wat wil je niet hebben, zeg je?

REGINE. Ik wil niet dat iemand je hier zien zal. Kom, ga nu heen.

ENGSTRAND (_een paar passen dichterbij_). Neen, om de bliksem, ik ga niet weg vóór ik met je gesproken heb. Van middag kom ik klaar met het werk daarginder in het schoolgebouw, en dan ga ik van nacht met de stoomboot naar de stad terug.

REGINE (_mompelt_). Goede reis!

ENGSTRAND. Dank je wel, kind. Morgen zal het gesticht immers ingewijd worden en dan zal het hier waarschijnlijk een groote herrie worden met veel drinken, zie je. En niemand moet van Jakob Engstrand kunnen zeggen dat hij zich niet onthouden kan als de verleiding komt.

REGINE. Ho!

ENGSTRAND. Want morgen komen er hier zooveel van de grootheid bij elkaar. En dominee Manders wordt ook verwacht.

REGINE. Die komt van daag al.

ENGSTRAND. Zoo waarlijk. En ik wil om de bliksem niet dat hij iets op me te zeggen zal kunnen hebben, begrijp je.

REGINE. O zoo, is dat de zaak!

ENGSTRAND. Is wat de zaak?

REGINE (_kijkt hem strak aan_). Waarvoor moet je dominee Manders nou weer in de luren leggen?

ENGSTRAND. Stil, stil; ben je gek? Zou ik dominee Manders in de luren willen leggen? O, neen, dominee Manders is veel te vriendelijk tegen mij voor zoo iets. Maar waar ik nu eigenlijk over spreken wou is dit, zie je, dat ik dus van nacht weer naar huis terug ga.

REGINE. Vertrek hoe eer hoe liever wat mij betreft.

ENGSTRAND. Ja, maar ik wil dat jij meegaat, Regine.

REGINE (_met open mond_). Dat ik meega...? Wat zeg je nòu?

ENGSTRAND. Ja, ik wil dat je mee naar huis gaat, zeg ik.

REGINE (_honend_). Nooit in der eeuwigheid krijg je mij mee naar huis.

ENGSTRAND. Dat zullen we eens zien.

REGINE. Ja, dat zal je net eens zien. _Ik_, die opgegroeid ben bij mevrouw Alving, de vrouw van een kamerheer...? _Ik_, die hier bijna als kind in huis ben.... Zou _ik_ met _jou_ naar huis gaan? Naar zóó'n huis. Dank je lekker!

ENGSTRAND. Wat bliksem is dat? Wou jij opstaan tegen je vader, deern?

REGINE (_zonder hem aan te zien, bromt_). Je hebt dikwijls genoeg gezegd dat ik je niks aanging.

ENGSTRAND. Nou, wat kan je dát schelen....

REGINE. Heb je me niet dikwijls uitgescholden voor een...? Fi donc!

ENGSTRAND. Neen, zoo waarachtig als God, zoo'n leelijk woord heb ik nooit gebruikt.

REGINE. O, ik weet heel goed wat voor een woord je gebruikte.

ENGSTRAND. Nou ja, dat was alleen maar als ik wat aangeschoten was ... hm. De verleidingen zijn menigvuldig in deze wereld, Regine.

REGINE. Bah!

ENGSTRAND. En dat was dan als je moeder onhandelbaar was. Iets moest ik dan toch zoeken om haar te pesten. Ze deed altijd zoo fijn en voornaam (_nabootsend_). "Laat me los, Engstrand! Laat me met rust! Ik heb drie jaar gediend bij mijnheer Alving, den kamerheer, op Rozenheuvel, hoor!" (_lacht_). Jesses, ja, ze kon maar nooit vergeten dat de kapitein kamerheer geworden was terwijl zij daar diende.

REGINE. Arme moeder;... die heb je gauw genoeg in het graf geholpen.

ENGSTRAND (_zich oprichtend_). O ja, dat spreekt, ik ben natuurlijk de schuld van alles.

REGINE (_afgewend, halfluid_). Ajakkes! en dan dat been.

ENGSTRAND. Wat zeg je, kindlief?

REGINE. Pied de mouton.

ENGSTRAND. Is dat Engelsch?

REGINE. Ja.

ENGSTRAND. Ja ... ja; geleerdheid heb je hier opgedaan, en dat kan je nu goed te pas komen, Regine.

REGINE (_na even zwijgen_). En waarvoor wou je me dan eigenlijk mee naar de stad hebben?

ENGSTRAND. Kan je nog vragen waarom een vader zijn eenig kind thuis hebben wil? Ben ik geen eenzame verlaten weduwnaar?

REGINE. Och, kom mij toch niet met zulke praatjes aan boord. Waarvoor wil je mij thuis hebben?

ENGSTRAND. Dat zal ik je zeggen. Ik dacht er over wat nieuws te beginnen.

REGINE. Dat heb je al zoo dikwijls geprobeerd; maar 't ging toch altijd weer mis.

ENGSTRAND. Ja, maar dezen keer zal je eens wat zien, Regine!... De duivel haal me....

REGINE (_stampvoetend_). Schei toch uit met dat gevloek!

ENGSTRAND. Nou ja, nou ja; daar heb je groot gelijk in kindlief! Ik wou alleen maar zeggen ... ik heb nog al een aardig duitje op zij gelegd van het werk in het nieuwe gesticht.

REGINE. Zoo, heb je? Nou, dat tref je dan.

ENGSTRAND. Waaraan zal een mensch ook zijn geld uitgeven hier buiten?

REGINE. Nou, en dan?

ENGSTRAND. Wel, zie je, zoo kwam ik er over te denken om het ergens in te steken dat wat opbrengen kon. Ik dacht zoo iets van een soort logement voor zeelui....

REGINE. Ajakkes!

ENGSTRAND. Een echt fijn logement, zie je;... niet zoo'n gewoon smerig ding voor matrozen. Neen, wat bliksem,... het zou iets moeten zijn voor scheepskapiteins en stuurlui en ... en echt nette menschen, zie je.

REGINE. En dan zou ik...?

ENGSTRAND. Jij zou mij daarbij moeten helpen, ja. Alleen zoo maar voor den schijn, dat begrijp je wel. Je zult het waarachtig niet moeilijk hebben, kindlief. Je kunt het net zoo goed hebben als je maar wilt.

REGINE. Jawel ... o ja!

ENGSTRAND. Maar vrouwen moeten er in huis zijn, dat is zoo klaar als de dag. Want 's avonds zullen wij het een beetje prettig maken met zingen en dansen en zoowat meer. Je moet denken, het zijn zeelui die rondzwalken op alle zeeën (_dichterbij_). Wees nou niet dom, en gooi je eigen glazen niet in, Regine. Wat zal er hier buiten van je worden? Zal je er hier iets aan hebben, dat mevrouw je van alles heeft laten leeren? Je hebt niet veel lust om op de kinderen te passen in het nieuwe gesticht, hoor ik. Is dat dan ook iets voor jou, om je af te beulen voor die smerige kinderen?

REGINE. Neen, als het ging zoo als ik 't graag wou, dan.... Nou, dat kan nog komen. Dat kan nog komen!

ENGSTRAND. Wat kan nog komen?

REGINE. Bemoei je daar maar niet mee.... Heb je hier veel geld verdiend?

ENGSTRAND. Alles bij elkaar kan het wel een zeven of achthonderd kronen zijn.

REGINE. Dat is nog zoo kwaad niet.

ENGSTRAND. Het is genoeg om mee op gang te komen, kindlief.

REGINE. Zou je er niet eens over denken mij wat van dat geld te geven?

ENGSTRAND. Neen, waarachtig niet, daar denk ik niet over.

REGINE. Zou je mij niet eens wat zenden voor één armzalig japonnetje?

ENGSTRAND. Kom maar bij mij in de stad wonen, zeg, dan kan je japonnetjes genoeg krijgen.

REGINE. Poeh! Dat kan ik op mijn eigen houtje ook wel, als ik er lust in heb.

ENGSTRAND. Neen, aan een leidende vaderhand gaat dat beter, Regine. Nu kan ik een mooi huis krijgen in de Kleine Havenstraat. Veel contanten zijn daar niet voor noodig; en dáár konden wij dan een soort van tehuis voor zeelui van maken, zie je.

REGINE. Maar ik _wil_ niet met je mee! Ik heb niets met je te maken. Ruk uit!

ENGSTRAND. Je zoudt waarachtig niet lang bij mij blijven, kindlief. Dat kan zoo lang niet duren. Als je 't maar handig aanlegt. Zoo'n knappe meid als jij in de paar laatste jaren geworden bent....

REGINE. Nou?...

ENGSTRAND. 't Zou zoo lang niet duren vóór er een stuurman kwam,... of misschien een kapitein....

REGINE. Ik dank je om met zoo'n vent te trouwen. Zeelui hebben geen savoir-vivre.

ENGSTRAND. Wat hebben ze niet?

REGINE. Ik zeg dat ik weet wat zeelui zijn. Dat zijn geen menschen om mee te trouwen.

ENGSTRAND. Dan trouw je ze niet. 't Kan toch nog wel de moeite waard zijn (_vertrouwelijker_). Hij ... die Engelschman ... die met zijn pleizierjacht ... hij gaf wel driehonderd thalers ... en zij was niks mooier dan jij, zeg.

REGINE (_op hem toeloopend_). Er uit, zeg ik je!

ENGSTRAND (_wijkt terug_). Nou, nou; jij zal me toch niet gaan slaan, hé?

REGINE. Jawel! Als je nog iets van moeder zegt, dan sla ik je. Er uit, zeg ik je! (_dringt hem naar de tuindeur_). En sla niet met de deuren; de jonge mijnheer Alving....

ENGSTRAND. ... die slaapt, jawel. Je bent verbazend bezorgd voor den jongen mijnheer Alving.... (_zachter_). Oho; is _hij_ 't misschien die...?

REGINE. Er uit, en maak dat je wegkomt! Je bent niet goed snik mensch! Neen, niet dien kant. Daar komt dominee Manders aan. Gauw de keukentrap af!

ENGSTRAND (_naar rechts_). Ja, ja, ik ga al. Maar praat eens met hem die daar aankomt. _Hij_ is de man die je zeggen zal wat een kind zijn vader verschuldigd is. Want ik ben toch je vader, zie je, dat kan ik bewijzen uit je geboorteakte.

(_Hij gaat weg door de tweede deur, die Regine heeft opengedaan en weer achter hem sluit_).

(_Regine kijkt gauw even in den spiegel, waait zich met haar zakdoek en trekt haar halsboordje wat recht; dan doet zij of ze bezig is met de bloemen_).

(_Dominee Manders, in overjas en met een parapluie en een klein reistaschje met een riem over zijn schouders, komt door de tuindeur in de serre_).

DOM. MANDERS. Dag Regine.

REGINE (_keert zich blij verrast om_). Neen maar!... Dag dominee! Is de boot al aan?

DOM. MANDERS. Net aangekomen (_gaat de tuinkamer binnen_). Wat een vreeselijken regen hebben wij deze laatste dagen.

REGINE (_volgt hem_). 't Is zulk gezegend weer voor de boeren, dominee.

DOM. MANDERS. Ja, daar heb je wel gelijk in. Daar denken wij stadsmenschen zoo weinig aan. (_Hij begint zijn overjas uit te doen_).

REGINE. O, mag ik u even helpen?... Ziezoo. Neen maar wat is die nat! Ik zal uw jas maar wat uithangen in de voorkamer. En uw parapluie...; die zal ik uitzetten, dan droogt die beter.

(_Zij gaat er mee de kamer uit door de tweede deur rechts. Dom. Manders doet het reistaschje af en legt het met zijn hoed op een stoel. In dien tijd komt Regine weer binnen_).

DOM. MANDERS. Hè, het doet iemand goed om weer binnen te zijn. En is alles wèl hier?

REGINE. Ja, dank u.

DOM. MANDERS. Maar erg druk, kan ik me zoo voorstellen, met het oog op morgen.

REGINE. O ja, er is hier heel wat te doen.

DOM. MANDERS. En mevrouw Alving is toch thuis hoop ik?

REGINE. Ja, natuurlijk! Zij is maar even boven om den jongen mijnheer zijn chocolade te geven.

DOM. MANDERS. Ja, dat is waar ... ik hoorde beneden aan de aanlegplaats dat Oswald gekomen was.

REGINE. Ja, hij is eergisteren gekomen. Wij hadden hem niet vóór vandaag verwacht.

DOM. MANDERS. En frisch en gezond hoop ik?

REGINE. Ja, dank u, dat wel. Maar vreeselijk vermoeid van de reis. Hij is in ééne rek doorgereden van Parijs...; ik bedoel hij heeft de heele route met één en denzelfden trein gemaakt. Ik geloof dat hij nu een beetje slaapt, daarom mogen wij wel een beetje zachtjes praten.

DOM. MANDERS. Ja, sst, we zullen doodstil zijn!

REGINE (_terwijl zij een gemakkelijken stoel bij de tafel schuift_). En gaat u zitten, alsjeblieft, dominee, en maak het u makkelijk. (_Hij gaat zitten; zij schuift een voetenbankje onder zijn voeten_). Zie zoo! Zit dominee nu goed?

DOM. MANDERS. Dank je, dank je, ik zit best (_bekijkt haar_). Hoor eens Regine, ik geloof dat je heusch gegroeid bent sedert ik je het laatst zag.

REGINE. Gelooft dominee dat? Mevrouw zegt dat ik wat gevulder ben geworden ook.

DOM. MANDERS. Gevulder? Ja, misschien ... een beetje ... net genoeg (_korte pauze_).

REGINE. Zal ik misschien mevrouw gaan roepen?

DOM. MANDERS. Dank je, dank je, dat heeft geen haast, kindlief. En vertel mij nu eens, mijn goede Regine, hoe maakt het je vader hier buiten?

REGINE. Dank u, dominee, dat gaat nog al.

DOM. MANDERS. Hij was onlangs bij mij toen hij den laatsten keer in de stad was.

REGINE. Och ja? Was hij bij u? Hij is altijd zoo blij als hij dominee te spreken krijgen kan.

DOM. MANDERS. En je gaat zeker overdag nog al eens naar hem toe?

REGINE. Ik? Jawel; als ik eens een oogenblikje tijd heb....

DOM. MANDERS. Je vader is geen krachtige persoonlijkheid, Regine. Hij heeft erg behoefte aan een leidende hand.

REGINE. Och ja, dat kan misschien wel zijn.

DOM. MANDERS. Hij heeft behoefte om iemand om zich heen te hebben, van wie hij houden kan, en aan wier oordeel hij hechten kan. Hij erkende dat zelf zoo trouwhartig, toen hij laatst bij mij was.

REGINE. Ja, hij heeft mij ook over zoo iets gesproken. Maar ik weet niet of mevrouw Alving mij missen wil,... vooral nù, nu wij zooveel te doen krijgen met het nieuwe gesticht. En ik zou het ook vreeselijk naar vinden om van mevrouw Alving weg te gaan, want zij is toch altijd zoo lief voor mij geweest.

DOM. MANDERS. Maar je plicht als dochter, meisjelief.... Natuurlijk zouden wij eerst de toestemming van je mevrouw moeten vragen.

REGINE. Maar ik weet ook niet of het wel passend voor mij is, op mijn leeftijd, het huis van een ongetrouwd man te bestieren.

DOM. MANDERS. Wat! Maar mijn lieve Regine, het is toch je eigen vader van wien hier sprake is!

REGINE. Ja, dat kan wel zijn, maar toch.... Ja, als het nu een goed huis was, bij een echten heer....

DOM. MANDERS. Maar, mijn goede Regine!

REGINE. ... zoo een, voor wien ik toewijding voelen en tegen wien ik opzien kon, en als 't ware de plaats van een dochter vervullen....

DOM. MANDERS. Ja maar, mijn lieve goede kind....

REGINE. ... dan zou ik wel graag naar de stad willen. Hier buiten is het erg eenzaam,... en dominee weet zelf ook wel wat het is om zoo alleen te staan in de wereld. En dat durf ik wel zeggen, dat ik handig en gewillig ben. Weet dominee niet zoo'n betrekking voor mij?

DOM. MANDERS. Ik? Neen, dat weet ik heusch niet.

REGINE. Maar lieve beste dominee ... denk in elk geval eens aan mij, als u soms....

DOM. MANDERS (_staat op_). Ja, dat zal ik, Regine.

REGINE. Ja, want als ik....

DOM. MANDERS. Zou je nu misschien zoo vriendelijk willen zijn mevrouw te gaan roepen?

REGINE. Die zal nu wel dadelijk komen, dominee (_zij gaat weg naar links_).

DOM. MANDERS (_loopt een paar maal de kamer op en neer; blijft een poosje op den achtergrond staan met de handen op den rug en kijkt uit in den tuin. Dan komt hij weer bij de tafel terug, neemt een boek op en kijkt naar den titel, schrikt en kijkt nog meer boeken in_). Hm,... zoo ... ja!

(_Mevrouw Alving komt binnen door de deur links, gevolgd door Regine, die dadelijk weer weg gaat door de voorste deur rechts_).

MEVR. ALVING (_reikt hem de hand_). Welkom dominee.

DOM. MANDERS. Goeden dag, mevrouw. Daar ben ik zooals ik u beloofde.

MEVR. ALVING. Altijd op klokslag.

DOM. MANDERS. Maar 't was moeilijk genoeg om weg te komen. Al die commissies en besturen waarin ik zit....

MEVR. ALVING. Des te vriendelijker van u dat u zoo vroeg komt. Nu kunnen wij onze zaken afdoen vóór wij aan tafel gaan. Maar waar is uw koffer?

DOM. MANDERS. (_snel_). Mijn goed staat in den winkel, beneden bij den steiger. Ik logeer daar van nacht.

MEVR. ALVING (_onderdrukt een glimlach_). Is u er waarlijk niet toe te bewegen bij mij te overnachten ... ook dezen keer niet?

DOM. MANDERS. Neen, neen, mevrouw; overigens zeer veel dank. Ik blijf maar daar beneden, zooals gewoonlijk. Dat is zoo gemakkelijk, als ik weer aan boord moet.

MEVR. ALVING. Nu, u moet doen zooals u wil. Maar ik zou anders wel denken dat wij twee oude menschen....

DOM. MANDERS. Och heertje ja, u maakt maar gekheid. Nu ja, u is natuurlijk van daag uitermate blij. Eerst het inwijdingsfeest morgen, en dan heeft u ook Oswald weer thuis, hoor ik.

MEVR. ALVING. Ja, verbeeld u, wat een geluk voor mij! Het is nu al meer dan twee jaar geleden dat hij het laatst thuis was. En nu heeft hij beloofd den heelen winter bij mij te zullen blijven.

DOM. MANDERS. Och ja, waarlijk? Dat is aardig en hartelijk van hem. Want het moet wel heel wat aantrekkelijker zijn om in Rome of Parijs te wonen, denk ik zoo.

MEVR. ALVING. Ja, maar hier thuis heeft hij zijn moeder, ziet u. Och, mijn eigen lieve jongen,... hij heeft nog wel hart voor zijn moeder!

DOM. MANDERS. Dat zou toch ook al te treurig zijn als afwezigheid en zich bezig houden met kunst, zulke natuurlijke gevoelens zou doen uitslijten.

MEVR. ALVING. Ja, dat mag u wel zeggen. Maar bij hem is daar waarlijk geen nood voor. 't Zal mij heusch benieuwen of u hem zal herkennen. Hij komt straks beneden; hij ligt nu boven wat te rusten op de canapé.... Maar ga toch zitten, waarde dominee.

DOM. MANDERS. Dank u. 't Schikt u dus nu wel...?

MEVR. ALVING. Welzeker. (_Zij gaat aan de tafel zitten_).

DOM. MANDERS. Best; dan zal ik het u laten zien.... (_gaat naar den stoel waar zijn reistaschje ligt, neemt er een pakje papieren uit, gaat aan de tafel tegenover haar zitten en zoekt een open plek voor zijn papieren_). Hier hebben we nu vooreerst.... (_afbrekend_). Zeg u mij toch eens, Mevrouw, hoe komen _die_ boeken hier?

MEVR. ALVING. Die boeken? Dat zijn boeken die ik lees.

DOM. MANDERS. Leest u dergelijke geschriften?

MEVR. ALVING. Ja zeker.

DOM. MANDERS. Voelt u dat u beter of gelukkiger wordt door die lektuur?

MEVR. ALVING. Ik vind dat het mij rust geeft.

DOM. MANDERS. Dat is opmerkelijk. Hoe dat zoo?

MEVR. ALVING. Ja, ik krijg er als 't ware de verklaring en de bevestiging door, van veel dat ik voor mijzelf heb uitgedacht. Want dat is het wonderlijke, dat er eigenlijk niets nieuws staat in die boeken. Er staat niets anders in dan dat, wat de meeste menschen denken en gelooven. Het is maar de zaak dat de meeste menschen er zich geen rekenschap van geven, of het niet willen weten.

DOM. MANDERS. Maar lieve Hemel! Gelooft u in vollen ernst dat de meeste menschen...?

MEVR. ALVING. Ja, dat geloof ik stellig.

DOM. MANDERS. Maar toch niet hier in ons land? Niet hier bij ons?

MEVR. ALVING. O ja, wel zeker, hier bij ons ook.

DOM. MANDERS. Neen, dan moet ik toch zeggen...!

MEVR. ALVING. Maar wat heeft u eigenlijk _tegen_ die boeken?

DOM. MANDERS. Er tegen? U gelooft toch niet dat ik mij bezig houd met het doorsnuffelen van dergelijke producten?

MEVR. ALVING. Dat wil zeggen dat u heelemaal niet kent wàt u veroordeelt.

DOM. MANDERS. Ik heb genoeg _over_ deze geschriften gelezen om ze af te keuren.

MEVR. ALVING. Ja, maar uw eigen oordeel....

DOM. MANDERS. Lieve mevrouw, er komt velerlei in het leven voor waarin men zich moet verlaten op anderen. Dat is nu eenmaal zoo in de wereld; en dat is ook goed. Wat zou er anders terechtkomen van de maatschappij?

MEVR. ALVING. Jawel, daarin kan u gelijk hebben.

DOM. MANDERS. Overigens ontken ik natuurlijk niet dat er veel aantrekkelijks in deze boeken zijn kan. En ik kan er u ook geen verwijt van maken dat u op de hoogte wenscht te blijven van de geestelijke stroomingen, die zooals men zegt, in de groote buitenwereld omgaan,... waar u uw zoon zoo langen tijd heeft laten rondtrekken. Maar....

MEVR. ALVING. Maar...?

DOM. MANDERS (_zachter sprekend_). Maar men spreekt er niet over, mevrouw. Men behoeft toch waarlijk niet Jan-en-alleman rekenschap te geven van wat men leest en wat men denkt binnen zijn eigen vier muren.

MEVR. ALVING. Neen, natuurlijk niet; dat zou ik ook denken.

DOM. MANDERS. Maar bedenk nu alleen maar eens wat u verplicht is tegenover dat gesticht, dat u besloot op te richten in een tijd, toen uwe zienswijze in geestelijke dingen nog zoo heel anders was dan nu;... zoover ik althans kan nagaan.

MEVR. ALVING. Ja, ja, dat geef ik volmaakt toe. Maar wij zouden over het gesticht....

DOM. MANDERS. Wij zouden over het gesticht spreken, ja. Dus ... voorzichtig zijn, lieve mevrouw! En nu gaan wij over tot de zaken (_opent de portefeuille en neemt er eenige papieren uit_). Ziet u deze papieren?

MEVR. ALVING. De stukken?