Dramatische werken

Chapter 20

Chapter 204,044 wordsPublic domain

DOM. MANDERS. Allemaal. En alles in orde. U kan gerust gelooven dat het moeite gekost heeft om ze op tijd in handen te krijgen. De ambtenaren zijn haast pijnlijk nauwgezet in het afdoen van zulke zaken. Maar hier hebben wij ze dan toch (_bladert in de massa_). Ziet u, hier is de in het grondboek ingeschreven akte van schenking, voor het deel van het goed Solvik, behoorend tot het landgoed Rozenheuvel, met de daarop zich bevindende nieuwopgetrokken gebouwen van woonhuizen, schoollokalen, onderwijzerswoning en kapel. En hier is het bewijs van het legaat en van de statuten der stichting. Hier, ziet u maar alsjeblieft.... (_leest voor_). De statuten van Het Tehuis voor Kinderen "Kapitein Alving's Stichting"....

MEVR. ALVING (_kijkt op het papier_). Dat is het dus.

DOM. MANDERS. Ik heb den titel kapitein gekozen en niet kamerheer. Kapitein staat eenvoudiger.

MEVR. ALVING. Ja, ja; net als u goed vindt.

DOM. MANDERS. En hier heeft u het spaarbankboekje van het te beleggen kapitaal, dat uitgezet is om de bedrijfskosten van het gesticht te bestrijden.

MEVR. ALVING. Dank u, maar wees zoo vriendelijk dat voor het gemak maar te bewaren.

DOM. MANDERS. Heel gaarne. Mij dunkt wij moesten het geld voorloopig op de spaarbank laten. De rentevoet is wel niet erg uitlokkend, vier procent met halfjarige opzegging. Als wij er later een solide hypotheek voor konden krijgen.... Het zou natuurlijk een eerste en in alle opzichten sekure moeten zijn ... dan konden wij er nog eens verder over spreken.

MEVR. ALVING. Ja, ja, dominee; van al die dingen heeft u veel meer verstand dan ik.

DOM. MANDERS. Ik zal in elk geval wel eens goed uit mijn oogen kijken.... Maar dan is er nog iets wat ik al meermalen heb willen vragen.

MEVR. ALVING. En wat is dat dan?

DOM. MANDERS. Moeten de gebouwen geassureerd worden of niet?

MEVR. ALVING. Ja, natuurlijk moeten ze geassureerd worden.

DOM. MANDERS. Ja, wacht eens even, mevrouw. Laat ons die zaak nog eens nader beschouwen.

MEVR. ALVING. Bij mij is alles geassureerd, de gebouwen, de roerende goederen, de oogst en het vee.

DOM. MANDERS. Natuurlijk. Op uw eigen landgoed. Dat doe ik ook,... dat spreekt van zelf. Maar hier, ziet u, is het een heel andere zaak. Het gesticht zal toch als het ware gewijd worden tot een hoogere levensroeping.

MEVR. ALVING. Ja, maar omdat....

DOM. MANDERS. Wat mij persoonlijk betreft, zou ik er zeer zeker in de verte niets aanstootelijks in vinden om ons tegen alle mogelijkheden te verzekeren....

MEVR. ALVING. Neen, dat dunkt mij ook.

DOM. MANDERS. ... Maar hoe staat het met den geest van de menschen hier in den omtrek. Dat weet u stellig beter dan ik.

MEVR. ALVING. Hm, de geest....

DOM. MANDERS. Zijn hier betrekkelijk nog al veel menschen, met wier opinie werkelijk rekening moet gehouden worden, die er aanstoot aan zouden kunnen nemen?

MEVR. ALVING. Wat verstaat u eigenlijk onder menschen met wier opinie rekening moet gehouden worden?

DOM. MANDERS. Wel, ik denk in de eerste plaats aan mannen die in zoover onafhankelijk en invloedrijk genoeg zijn, dat men moeilijk nalaten kan eenige rekening te houden met hunne opinie.

MEVR. ALVING. Van die zijn er hier verscheidene, aan wie het misschien wel aanstoot zou kunnen geven, indien....

DOM. MANDERS. Nu, ziet u nu wel! Bij ons in de stad zijn er heel wat van dat slag. Denk maar eens aan al de volgelingen van mijn ambtsbroeder! Men zou er waarlijk licht toe kunnen komen het op te vatten alsof noch u noch ik, het ware vertrouwen op een hoogere bestiering bezat.

MEVR. ALVING. Maar wat u betreft, waarde dominee, weet u althans voor u zelf dat....

DOM. MANDERS. Ja, ik weet; ik weet;... ik heb mijn overtuiging; dat is waar. Maar wij zouden toch niet kunnen verhinderen dat er een verkeerden en ongewenschten uitleg aan gegeven werd. En die zou dan weer allicht een belemmerenden invloed uitoefenen op de heele stichting.

MEVR. ALVING. Ja, als dat het gevolg zou zijn, dan....

DOM. MANDERS. Ik kan ook niet geheel uit het oog verliezen de moeilijke,... ja, ik mag wel zeggen pijnlijke verhouding, waarin ik misschien geraken zou. In de toonaangevende kringen van de stad, houdt men zich veel bezig met de gestichtskwestie. Het gesticht is immers voor een deel ook opgericht ten bate van de stad, en het is te hopen dat het in niet geringe mate onze gemeentelijke armenlasten zal verlichten. Maar daar ik nu uw raadsman ben geweest en het practische deel van de zaak beheerd heb, moet ik vreezen dat de benijders in de allereerste plaats zich op mij zullen werpen....

MEVR. ALVING. Neen, daaraan mag u zich niet blootstellen....

DOM. MANDERS. ... Om nog niet eens te spreken van de aanvallen, die zeer stellig op mij gericht zullen worden in zekere bladen en tijdschriften, die....

MEVR. ALVING. Al genoeg dominee; deze laatste overweging is al ruim voldoende.

DOM. MANDERS. U wil dus dat het geassureerd worden zal?

MEVR. ALVING. Neen, wij zullen het dan maar laten.

DOM. MANDERS (_leunt achterover in zijn stoel_). Maar als er nu eens een ongeluk gebeurde? Men kan toch nooit weten.... Zou u dan de schade weer kunnen vergoeden?

MEVR. ALVING. Neen; dat zeg ik ronduit, dat zou ik zeer stellig niet doen.

DOM. MANDERS. Ja, maar ... dan is het toch een bedenkelijke verantwoordelijkheid, die wij op ons nemen.

MEVR. ALVING. Maar vindt u dan dat wij anders _kunnen_?

DOM. MANDERS. Neen; dat is het juist; we _kunnen_ eigenlijk niet anders. Wij mogen ons toch niet blootstellen aan een verkeerd oordeel; en het is ons volstrekt niet geoorloofd ergernis te verwekken in de gemeente.

MEVR. ALVING. U, als dominee, in elk geval niet.

DOM. MANDERS. En ik vind dan toch werkelijk ook, dat wij er op moeten vertrouwen dat op zulk een stichting zegen zal rusten,... ja zelfs, dat die onder bizondere bescherming staat.

MEVR. ALVING. Laat ons dat hopen, dominee.

DOM. MANDERS. Zullen wij het er dus maar bij laten?

MEVR. ALVING. Ja, zeker.

DOM. MANDERS. Best. Zooals u wil (_noteert_). Dus ... niet assureeren.

MEVR. ALVING. 't Is anders wonderlijk dat u daar juist van daag over komt spreken....

DOM. MANDERS. Ik heb er al dikwijls over gedacht het u te vragen....

MEVR. ALVING. ... want gisteren hadden wij daarginder bijna brand gehad.

DOM. MANDERS. Wat zegt u!

MEVR. ALVING. Nu, het had overigens niets te beteekenen. Een hoop houtkrullen had vuur gevat in de timmermanswerkplaats.

DOM. MANDERS. Waar Engstrand werkt?

MEVR. ALVING. Ja. Hij moet dikwijls heel onvoorzichtig zijn met lucifers, zeggen ze.

DOM. MANDERS. Hij heeft zooveel aan zijn hoofd, die man ... zoo velerlei verzoekingen. Goddank legt hij er zich nu op toe een onberispelijk leven te leiden, naar ik hoor.

MEVR. ALVING. Zoo? Wie zegt dat?

DOM. MANDERS. Dat heeft hij mij zelf verzekerd. En een knap werkman is hij toch ook.

MEVR. ALVING. O ja, zoo lang hij nuchter is....

DOM. MANDERS. Ja, die treurige zwakheid; maar hij is er dikwijls toe genoodzaakt voor dat akelige been, zegt hij. Den laatsten keer dat hij in de stad was, deed hij mij waarlijk aan. Hij kwam bij mij en bedankte mij zoo hartelijk omdat ik hem hier werk verschaft had, zoodat hij nu met Regine samen kon zijn.

MEVR. ALVING. Hij merkt anders niet veel van haar.

DOM. MANDERS. Jawel, hij spreekt haar iederen dag, dat vertelde hij mij zelf.

MEVR. ALVING. Nu ja ... dat kan ook wel zijn.

DOM. MANDERS. Hij voelt zoo goed dat hij behoefte heeft aan iemand die hem terughouden kan als de verleiding nabij is. Dat is het beminnelijke in Jakob Engstrand, dat hij zoo volslagen hulpeloos bij iemand komt en zich aanklaagt en zijn eigen zwakheid bekent. Laatst was hij bij mij en sprak met mij.... Hoor eens, mevrouw, als het hem een hartsbehoef te zijn zou om Regine bij zich thuis te hebben....

MEVR. ALVING (_staat snel op_). Regine!

DOM. MANDERS. ... dan moet u zich daar niet tegen verzetten.

MEVR. ALVING. Jawel, daar zal ik mij zeer zeker tegen verzetten. En bovendien,... Regine krijgt immers een betrekking in het gesticht.

DOM. MANDERS. Maar denk toch eens aan, hij is toch haar vader....

MEVR. ALVING. O, ik weet best wat voor soort van een vader hij voor haar geweest is. Neen, naar hem zal zij nooit teruggaan met mijn goedvinden.

DOM. MANDERS (_staat op_). Maar lieve mevrouw, wind u daarover toch niet zoo op. Het is bedroevend zoo als u Engstrand miskent. Het is of ik u een schrik op het lijf jaag....

MEVR. ALVING. Dat doet er niet toe. Ik heb Regine tot mij genomen, en bij mij zal zij blijven (_luistert_). Sst, dominee, spreek daar nu niet meer over. (_Haar gezicht verheldert_). Hoor! Daar komt Oswald de trap af. Nu houden wij ons verder alleen met hem bezig.

(_Oswald Alving in een overjas, met zijn hoed in de hand en rookend uit een groote meerschuimen pijp, komt binnen door de deur links_).

OSWALD (_blijft in de deur staan_). O pardon ... ik dacht dat u in het kantoor zat (_komt naderbij_). Goeden dag, dominee.

DOM. MANDERS. Ah...! Dat is merkwaardig....

MEVR. ALVING. Wel, wat zegt u nu van hem, dominee?

DOM. MANDERS. Ik zeg ... ik zeg.... Neen maar, is dat nu waarlijk...?

OSWALD. Jawel, het is heusch de verloren zoon, dominee.

DOM. MANDERS. Maar, mijn waarde jonge vriend....

OSWALD. Nou, dan de teruggekomen zoon.

MEVR. ALVING. Oswald denkt er aan dat u er toen zooveel tegen had dat hij schilder werd.

DOM. MANDERS. Voor menschelijke oogen kan menige stap in het leven bedenkelijk schijnen, die toch later.... (_schudt hem de hand_). Nu, welkom, welkom! Neen, mijn waarde Oswald.... Ja, mag ik je nog wel bij je voornaam noemen?

OSWALD. Hoe zou u mij dan anders noemen?

DOM. MANDERS. Heel goed. 't Was dit dat ik zeggen wilde, mijn waarde Oswald,... je moet niet denken dat ik onvoorwaardelijk den kunstenaarsstand veroordeel. Ik neem aan dat er velen zijn, die hun innerlijk wezen onbedorven bewaren kunnen ook in dien stand.

OSWALD. Dat zullen wij moeten hopen.

MEVR. ALVING (_stralend van vreugde_). Ik ken er een die zoowel zijn innerlijke als zijn uiterlijke wezen onbedorven bewaard heeft. Kijk hem maar eens aan, dominee.

OSWALD (_loopt heen en weer_). Ja, ja, moederlief, laat dat nu maar rusten.

DOM. MANDERS. Nu, met verlof ... dat kan niet ontkend worden. En je bent al begonnen naam te maken ook. In de dagbladen is er dikwijls over je gesproken, en wel buitengewoon gunstig ook. Hoewel ... ik moet zeggen ... in den laatsten tijd heb ik er zooveel niet meer van gezien.

OSWALD (_in de serre_). In den laatsten tijd heb ik niet zoo veel meer geschilderd.

MEVR. ALVING. Een schilder moet tusschenbeiden ook eens wat rust nemen.

DOM. MANDERS. Dat kan ik begrijpen. En dan bereidt men zich voor en verzamelt kracht voor iets groots.

OSWALD. Ja.--Moeder, gaan wij nog niet haast eten?

MEVR. ALVING. Over een klein half uurtje. Eetlust heeft hij gelukkig.

DOM. MANDERS. En de tabak smaakt hem ook.

OSWALD. Ik vond papa's pijp boven op de kamer, en zoo....

DOM. MANDERS. Aha, dàt was het dus!

MEVR. ALVING. Wat?

DOM. MANDERS. Toen Oswald daar de deur in kwam met de pijp in den mond, was het of ik zijn vader in levenden lijve zag.

OSWALD. Och kom?

MEVR. ALVING. O, hoe kan u het zeggen! Oswald lijkt toch op mij.

DOM. MANDERS. Ja; maar er is een trek om de mondhoeken, iets om de lippen, dat zoo eigenaardig aan Alving herinnert ... althans nu hij rookt.

MEVR. ALVING. Heelemaal niet. Oswald heeft eerder iets van een geestelijke om den mond, vind ik.

DOM. MANDERS. O ja, o ja, verscheidene van mijn ambtsbroeders hebben een dergelijken trek.

MEVR. ALVING. Maar leg je pijp liever weg, mijn jongen; ik heb hier niet graag tabaksrook.

OSWALD. Met genoegen. Ik wou die pijp alleen maar eens probeeren, omdat ik als kind er eens uit gerookt heb.

MEVR. ALVING. Jij?

OSWALD. Ja. Ik was toen nog heel klein. Maar ik herinner mij dat ik boven bij papa op de kamer kwam op een avond, en hij zoo vroolijk en jolig was.

MEVR. ALVING. Och kom, je herinnert je niets meer van die jaren.

OSWALD. Jawel, ik herinner mij duidelijk dat hij mij op zijn knieën zette en liet rooken uit zijn pijp. Rook, jongen, zei hij ... flink rooken, jongen! En ik rookte wat ik kon, totdat ik voelde dat ik heelemaal bleek werd en het zweet in groote droppels op mijn voorhoofd stond. Toen lachte hij dat hij schaterde....

DOM. MANDERS. Dat was toch al heel vreemd.

MEVR. ALVING. Och dominee, dat heeft Oswald gedroomd!

OSWALD. Neen, moeder, ik heb het volstrekt niet gedroomd. Want ... herinner je je dat dan niet meer ... toen kwam jij binnen en droeg me naar de kinderkamer. Daar werd ik toen onpasselijk en zag ik dat je huilde.... Haalde papa dikwijls zulke grappen uit?

DOM. MANDERS. In zijn jeugd was hij een bizonder levenslustig mensch....

OSWALD. ... en heeft toch nog zooveel gedaan in de wereld. Zooveel goeds en nuttigs tot stand gebracht; en was toch nog jong toen hij stierf.

DOM. MANDERS. Ja, je hebt in waarheid den naam van een werkzaam en bekwaam man geërfd, mijn waarde Oswald. Nu, dat zal, naar wij hopen, je een spoorslag zijn....

OSWALD. Dat behoorde het ten minste te zijn, ja.

DOM. MANDERS. Het is in elk geval mooi van je dat je thuis komt voor zijn eere-dag.

OSWALD. Minder kon ik al niet voor papa doen.

MEVR. ALVING. En dat ik hem zoo lang mag houden ... dat is nu nog het allermooiste van hem.

DOM. MANDERS. Ja, je blijft den heelen winter hier, hoor ik.

OSWALD. Ik blijf thuis voor onbepaalden tijd, dominee.... O, het is toch zoo heerlijk om weer bij moeder thuis te zijn!

MEVR. ALVING (_stralend_). Ja, hè, mijn jongen?

DOM. MANDERS (_kijkt hem deelnemend aan_). Je bent al vroeg de wijde wereld ingegaan, mijn waarde Oswald.

OSWALD. Dat is zoo. Soms denk ik wel eens of het niet wat àl te vroeg was.

MEVR. ALVING. O, wel neen, volstrekt niet. Dat is juist goed voor een flinken jongen. En vooral voor een eenig kind. Die moet niet thuis aan moeders rokken blijven hangen om zich te laten bederven.

DOM. MANDERS. Dat is een bewering die wel voor tegenspraak vatbaar is, mevrouw. Het ouderlijk huis is en blijft toch de ware plaats voor een kind.

OSWALD. Daarin ben ik het geheel met den dominee eens.

DOM. MANDERS. Zie nu maar eens naar uw eigen zoon. Wij kunnen er gerust over spreken in zijn bijzijn. Wat zijn voor hem de gevolgen geweest? Hij is zes-zeven-en-twintig jaar oud geworden en heeft nooit gelegenheid gehad een geregeld tehuis te leeren kennen.

OSWALD. Pardon, dominee,... dat heeft u glad mis.

DOM. MANDERS. Zoo? Ik dacht toch dat je zoo goed als uitsluitend in kunstenaarskringen verkeerd had.

OSWALD. Dat heb ik ook.

DOM. MANDERS. En meest onder jongere artisten.

OSWALD. Jawel.

DOM. MANDERS. Maar ik dacht dat de meesten van die luitjes geen middelen hadden om een huishouden op te zetten en zich te vestigen.

OSWALD. Er zijn er velen onder hen die geen middelen genoeg hebben om te trouwen, dominee.

DOM. MANDERS. Nu ja, dat is net wat ik zeg.

OSWALD. Maar daarom kunnen zij toch wel een tehuis hebben. En dat hèbben dan ook sommigen; en dat is een heel geregeld en een heel gezellig tehuis.

MEVR. ALVING (_volgt in spanning het gesprek ... knikt, maar zegt niets_).

DOM. MANDERS. Maar ik spreek niet van een jonggezellen-tehuis. Onder een tehuis versta ik een huisgezin, waar een man leeft met zijn vrouw en kinderen.

OSWALD. Jawel; of met zijn kinderen en de moeder van zijn kinderen.

DOM. MANDERS (_schrikt ... slaat de handen in elkaar_). Genadige Hemel!

OSWALD. Wel?

DOM. MANDERS. Leven met ... de moeder van zijn kinderen...!

OSWALD. Zou u dan liever willen dat hij de moeder van zijn kinderen verstiet?

DOM. MANDERS. Het is dus van onwettige verhoudingen dat je spreekt! Over een zoogenaamd leven in wilden echt!

OSWALD. Ik heb nooit iets bizonder wilds opgemerkt in het samenleven van die lui.

DOM. MANDERS. Maar hoe is het mogelijk dat een ... een maar eenigszins welopgevoed man of een jonge vrouw, er zich in schikken kan op die manier te leven ... zoo maar voor het oog van iedereen!

OSWALD. Maar wat moeten ze dàn doen? Een arm jong artiste,... een arm jong meisje.... Trouwen kost een boel geld. Wat moeten ze dan doen?

DOM. MANDERS. Wat ze moeten doen? Wel, mijnheer Alving, ik zal u zeggen wat zij moeten doen. Zij moesten van 't begin af aan elkaar vermeden hebben,... dàt moesten ze!

OSWALD. Met zulke praatjes komt u niet ver bij jonge, warmbloedige, verliefde menschen!

MEVR. ALVING. Neen, daar komt u niet ver mee!

DOM. MANDERS (_voortgaand_). En dat de overheid zoo iets duldt! Dat zoo iets openlijk geschieden mag! (_Tot mevr. Alving gewend_). Had ik dus geen reden om in mijn hart bekommerd te zijn over uw zoon? In kringen waar de onverhulde onzedelijkheid in zwang is en als het ware recht van bestaan gekregen heeft....

OSWALD. Ik zal u eens iets zeggen, dominee. Ik ben een vaste zondagsgast geweest in een paar dergelijke ongeregelde huisgezinnen....

DOM. MANDERS. En dat op zondag!

OSWALD. Ja, dat is de dag waarop men zich amuseert. Maar nooit heb ik een aanstootelijk woord gehoord, en nog minder ben ik getuige geweest van iets dat men onzedelijk zou kunnen noemen. Neen, weet u wanneer en waar ik onzedelijkheid heb aangetroffen in de artistenkringen?

DOM. MANDERS. Neen, Goddank!

OSWALD. Nu, dan zal ik mij permitteeren het u te vertellen. Ik heb die aangetroffen, wanneer een-of-ander van onze modelechtgenooten of huisvaders daarginder kwam, om eens een beetje op zijn eigen houtje rond te kijken ... en dan artisten de eer aandeed hen op te zoeken in hun armzalige café's. Daar werden wij behoorlijk ingelicht. Die heeren wisten ons te vertellen van plaatsen en dingen waar wij nog nooit van gedroomd hadden.

DOM. MANDERS. Wat? Wil u beweren dat eerbare mannen uit ons land zouden...?

OSWALD. En als dergelijke eerbare mannen weer thuiskwamen ... heeft u hen dan nooit hooren uitpakken over de hand-over-hand toenemende onzedelijkheid in het buitenland?

DOM. MANDERS. Jawel, natuurlijk....

MEVR. ALVING. Dat heb ik ook wel gehoord.

OSWALD. Nou, u kan hen gerust op hun woord gelooven. Daar zijn menschen onder die van die zaken op de hoogte zijn (_grijpt naar zijn hoofd_). O ... dat het mooie, heerlijke vrijheidsleven daarginder ... dat het zóó bezoedeld moet worden!

MEVR. ALVING. Je moet je niet zoo opwinden, Oswald; dat is niet goed voor je.

OSWALD. Neen, daarin heb je gelijk, moeder. Dat is niet gezond voor mij. Het is die vervloekte moeheid, zie je. Ik zal een klein eindje omloopen vóór wij aan tafel gaan. Neem mij niet kwalijk, dominee, u kan daar zoo niet in komen; maar het kwam zoo in mij op (_hij gaat weg door de tweede deur rechts_).

MEVR. ALVING. Mijn arme jongen ...!

DOM. MANDERS. Ja, dat mag u wèl zeggen. Zóó ver is het dus al met hem gekomen!

MEVR. ALVING (_kijkt hem aan en zwijgt_).

DOM. MANDERS (_loopt op en neer_). Hij noemde zich de verloren zoon. Ja, helaas ... helaas!

MEVR. ALVING (_kijkt hem steeds aan_).

DOM. MANDERS. En wat zegt u van dat alles?

MEVR. ALVING. Ik zeg dat Oswald gelijk had in ieder woord dat hij zei.

DOM. MANDERS (_blijft staan_). Gelijk? Gelijk? In zulke principes!

MEVR. ALVING. Hier in mijn eenzaamheid ben ik er toe gekomen er net eender over te denken, dominee. Maar ik heb nooit gewaagd het onderwerp aan te roeren. Nu, 't is goed; mijn jongen zal voor mij spreken.

DOM. MANDERS. U is een beklagenswaardige vrouw, mevrouw Alving. Maar nu wil ik eens een ernstig woord met u spreken. Nu is het niet meer uw zakenbeheerder en raadsman, die voor u staat. Het is de geestelijke, zooals hij voor u stond in het moeilijkste uur van uw leven.

MEVR. ALVING. En wat heeft de geestelijke mij te zeggen?

DOM. MANDERS. Eerst wil ik uw herinneringen wakker roepen, mevrouw. Het tijdstip is wèl gekozen. Morgen zal het tien jaar geleden zijn dat uw man gestorven is; morgen zal het gedenkteeken onthuld worden voor hem, die heengegaan is. Morgen zal ik spreken tot de heele verzamelde schare; maar heden wil ik spreken tot u alleen.

MEVR. ALVING. Goed, dominee; ga u gang!

DOM. MANDERS. Weet u nog, dat u, na ter nauwernood een jaar getrouwd te zijn geweest, aan den rand van den afgrond heeft gestaan? Dat u uw huis en haard verliet,... dat u wegliep van uw man;... ja mevrouw Alving wegliep, wegliep, en weigerde terug te keeren tot hem, hoezeer hij er ook om bad en smeekte?

MEVR. ALVING. Heeft u vergeten hoe grenzenloos ongelukkig ik mij gevoelde dat eerste jaar?

DOM. MANDERS. Dat is juist de echte geest van verzet die geluk eischt hier in het leven. Welk recht hebben wij menschen op geluk? Neen, wij moeten onzen plicht doen, mevrouw! En uw plicht was het te blijven bij den man, dien u eens gekozen had, en aan wien u verbonden was door heilige banden.

MEVR. ALVING. U weet best wat voor een leven Alving leidde in dien tijd; aan welke uitspattingen Bij zich schuldig maakte.

DOM. MANDERS. Ik weet heel goed welke geruchten er over hem rondgingen; en ik ben zeker de allerlaatste om zijn levenswandel in zijn jeugd goed te keuren, voor zoover die geruchten waarheid bevatten. Maar een vrouw is niet als rechter gesteld over haar man. Het was uw plicht geweest in nederigheid het kruis te dragen, dat een Hoogere Wil noodig voor u geacht had. Maar in plaats daarvan wierp u in arren moede uw kruis af, verliet den struikelende dien u had moeten steunen, zette uw goeden naam op het spel, en ... had bijna den naam van anderen er ook bij verspeeld.

MEVR. ALVING. Van anderen? Van een ander, bedoelt u zeker.

DOM. MANDERS. Het was ongehoord roekeloos van u om een toevlucht te zoeken bij _mij_.

MEVR. ALVING. Bij onzen geestelijke? Bij onzen huisvriend?

DOM. MANDERS. Juist.... Ja, dank uw Heer en God, dat ik de noodige kracht bezat, dat ik u kon afbrengen van uw overspannen voornemens en dat het mij vergund werd u op den weg van den plicht en tot uw wettigen echtgenoot terug te voeren.

MEVR. ALVING. Ja, dominee, dàt was inderdaad uw werk.

DOM. MANDERS. Ik was maar een zwak werktuig in de hand van een Hoogere Macht. En hoe is het u niet tot een grooten zegen geworden voor al uw latere levensdagen, dat ik u weer deed buigen onder plicht en gehoorzaamheid? Is het niet gegaan zooals ik u voorzegd had? Keerde Alving niet terug van zijn afdwalingen, zooals het een man betaamt? Leefde hij sedert niet in liefde en onberispelijk met u alle volgende jaren? Werd hij niet een weldoener voor deze streek, en hief hij u niet zóó tot zich op, dat u naderhand zijn medewerkster werd in alles wat hij ondernam? En wel een bekwame medewerkster;... o, ik weet het, mevrouw; _dien_ lof moet ik u geven. Maar nu kom ik tot den tweeden grooten misstap in uw leven.

MEVR. ALVING. Wat bedoelt u daarmee?

DOM. MANDERS. Evenals u eens de plichten der echtgenoote verzaakt heeft, zoo heeft u later die der moeder verzaakt.

MEVR. ALVING. Ah...!

DOM. MANDERS. U is uw levenlang beheerscht geworden door een onheilzwangeren geest van eigenzinnigheid. Al uw streven is daarheen gericht geweest u van dwang en wetten vrij te maken. Nooit heeft u eenigen knellenden band kunnen velen. Alles wat u in het leven bezwaarde, heeft u roekeloos en gewetenloos van u afgeworpen, als een last, waarover u zelf te beschikken had. Het behaagde u niet langer echtgenoote te zijn, en u verliet uw man. Het viel u lastig moeder te zijn, en u zond uw kind weg onder vreemden.

MEVR. ALVING. Ja, dat is waar; dat heb ik gedaan.

DOM. MANDERS. Maar daardoor is u ook een vreemde voor hem gebleven.

MEVR. ALVING. Neen, neen, dàt ben ik niet!

DOM. MANDERS. Dat is u wèl; dat _moet_ u wel zijn. En hoe heeft u hem nu terug gekregen! Bedenk het wel; mevrouw, u heeft veel gezondigd tegen uw man; ... dat erkent u door dat gedenkteeken daar beneden voor hem op te richten. Erken nu ook hoe u heeft gezondigd tegen uw zoon; het kan nog tijd zijn om hem van zijn dwaalweg terug te brengen. Keer zelf om; en richt op, wat er misschien nog in hem op te richten is. Want (_met opgeheven wijsvinger_) in waarheid, mevrouw Alving, u is een met schuld beladen moeder!... Ik heb het mijn plicht geacht u dat te zeggen.

(_Zwijgen_).