Dramatische werken

Chapter 21

Chapter 214,019 wordsPublic domain

MEVR. ALVING (_langzaam en met zelfbeheersching_). Nu heeft u gesproken, dominee; en morgen zal u openlijk spreken om mijn man te gedenken. Ik zal morgen niet spreken. Maar nu wil ik eens even tot u spreken, zooals u tot mij gesproken heeft.

DOM. MANDERS. Natuurlijk; u wil verontschuldigingen aanvoeren voor uwe handelwijze....

MEVR. ALVING. Neen. Ik wil alleen maar vertellen.

DOM. MANDERS. Nu...?

MEVR. ALVING. Alles wat u zooeven hier zei, van mij en mijn man en ons samenleven, nadat u, zooals u het noemde, mij op den weg van den plicht had teruggevoerd ... van dat alles weet u door eigen waarneming, volstrekt niets. Van dat oogenblik af zette u, onze dagelijksche huisvriend,... nooit meer een voet in ons huis.

DOM. MANDERS. U heeft immers, onmiddellijk daarop, met uw man de stad verlaten.

MEVR. ALVING. Ja, en hier buiten is u zoo lang mijn man leefde nooit bij ons gekomen. Het zijn zaken geweest die u dwongen mij op te zoeken, toen u in de kwestie van het gesticht is betrokken geworden.

DOM. MANDERS. Helene ... als dat een verwijt moet zijn, dan verzoek ik u wel te overwegen....

MEVR. ALVING. ... alles wat u aan uw positie verschuldigd was; jawel. En ook dat ik een van haar man weggeloopen vrouw was. Men kan nooit terughoudend genoeg zijn tegenover zulke roekelooze vrouwen.

DOM. MANDERS. Lieve ... mevrouw dat is nu wel ontzettend overdreven....

MEVR. ALVING. Ja, ja, ja ... dat kan wel zijn. Ik wou alleen maar zeggen dat toen u een oordeel uitsprak over mijn huwelijksleven, u eenvoudig steunde op de algemeen gangbare opvatting.

DOM. MANDERS. Nu ja; en wat zou dat?

MEVR. ALVING. Maar Manders, nu zal ik u de waarheid eens zeggen. Ik heb het mijzelf plechtig beloofd dat u het eenmaal weten zou. U alleen!

DOM. MANDERS. En wat is dan de waarheid?

MEVR. ALVING. De waarheid is, dat mijn man net zoo gedepraveerd stierf als hij altijd geleefd had.

DOM. MANDERS (_grijpt naar een stoel_). Wàt zegt u?

MEVR. ALVING. Na een negentienjarig huwelijk nog even gedepraveerd ... in zijn zinnelijke lusten althans ... als hij was vóór u ons trouwde.

DOM. MANDERS. En deze jeugd-afdwalingen,... deze ongeregeldheden,... uitspattingen, als u wil, noemt u gedepraveerdheid!

MEVR. ALVING. Onze huisdokter gebruikte die uitdrukking.

DOM. MANDERS. Nu begrijp ik u niet.

MEVR. ALVING. Dat hoeft ook niet.

DOM. MANDERS. 't Begint mij haast te duizelen. Uw heele huwelijk,... het heele veeljarige samenleven met uw man zou niets anders zijn dan een overdekte afgrond!

MEVR. ALVING. Absoluut niets anders. Nu weet u het.

DOM. MANDERS. Daar ... daar kan ik nog niet bij. Ik kan het niet in me opnemen! Niet vasthouden! Maar hoe was het dan mogelijk dat...? Hoe heeft zoo iets verborgen kunnen blijven?

MEVR. ALVING. Dat is juist mijn voortdurende dagelijksche strijd geweest. Toen Oswald geboren was, meende ik dat het wat beter ging met Alving. Maar dat duurde niet lang. En nu moest ik dubbel strijden, strijden op leven en dood, dat maar niemand zou te weten komen, wat voor een mensch de vader van mijn kind was. En u weet wel hoe innemend Alving was. Niemand scheen ooit iets anders dan goeds van hem te kunnen gelooven. Hij was een van die menschen, wiens reputatie er niet onder lijdt, hoe hij ook leeft. Maar toen, Manders,... dat moet u óók weten ... toen kwam het afschuwelijkste van alles.

DOM. MANDERS. Iets nog afschuwelijker dan dat!

MEVR. ALVING. Ik had alles verdragen, hoewel ik zeer goed wist wat er in het geheim buitenshuis gebeurde. Maar toen het schandaal binnen onze eigen vier muren begon....

DOM. MANDERS. Wat zegt u! Hier!

MEVR. ALVING. Ja, hier in ons eigen huis. Daar, (_zij wijst naar de eerste deur rechts_) in de eetkamer was het, dat ik het 't eerst merkte. Ik had iets te doen in die kamer en de deur stond áán. Toen hoorde ik ons kamermeisje de tuintrap opkomen met water voor de bloemen daarginds.

DOM. MANDERS. Ja, en...?

MEVR. ALVING. Even daarna hoorde ik dat Alving ook kwam. Ik hoorde dat hij zachtjes iets tegen haar zei. En toen hoorde ik (_met een kort lachje_). O, het klinkt mij nog altijd zoo schrijnend en toch zoo belachelijk ook;... toen hoorde ik mijn eigen dienstmeisje fluisteren: Laat me los, mijnheer! Laat mij met rust!

DOM. MANDERS. Wat een ongepaste lichtzinnigheid van hem! O, maar meer dan lichtzinnigheid was dat niet, mevrouw. Geloof wat ik u zeg.

MEVR. ALVING. Ik kwam gauw genoeg te weten wat ik er van gelooven moest. Mijn man kreeg gedaan wat hij wou van het meisje,... en die relatie had gevolgen dominee.

DOM. MANDERS (_als versteend_). En dat alles hier in huis! Hier in huis!

MEVR. ALVING. Ik had al veel uitgestaan in dit huis. Want om hem 's avonds thuis te houden ... en 's nachts ... moest ik meedoen met zijn geheime drinkpartijen boven op zijn kamer. Daar heb ik moeten zitten, alléén met hem, met hem moeten klinken en drinken, zijn vuile dronkemanspraat moeten aanhooren, en met hem moeten worstelen om hem eindelijk in bed te krijgen....

DOM. MANDERS (_geschokt_). Dat u dat alles heeft kunnen uithouden!

MEVR. ALVING. Ik had mijn kleinen jongen voor wien ik het uithield. Maar toen die laatste beleediging er bij kwam; toen mijn eigen dienstmeisje ... toen beloofde ik mij zelf dat er een eind aan komen zou! En toen nam ik het gezag in handen in huis ... geheel en al ... over hem en over al het verdere. Want nu had ik een wapen tegen hem, ziet u; hij durfde niet meer kikken. Toen was het dat ik Oswald van huis wegzond. Hij werd haast zeven jaar en begon op te merken en te vragen, zooals kinderen dat doen. Dat kon ik niet meer dragen, Manders. 't Leek mij of het kind vergiftigd worden moest alleen maar door te ademen in dit bezoedelde huis. Daarom zond ik hem weg. En nu begrijpt u ook waarom hij nooit een voet in huis heeft gehad zoo lang zijn vader leefde. Niemand weet wat mij dat gekost heeft.

DOM. MANDERS. U heeft in waarheid het leven leeren kennen.

MEVR. ALVING. Ik zou het nooit hebben uitgehouden als ik mijn werk niet gehad had. Ja, want ik mag wel zeggen dat ik gewerkt heb! Al deze vermeerderingen van ons grondbezit, alle verbeteringen, al die practische inrichtingen, waarvoor Alving geprezen en geroemd werd,... denkt u dat _hij_ daarvoor energie had? _Hij_, die den heelen dag op de canapé lag te lezen in een ouden staatsalmanak! Neen; nu zal ik u dàt ook vertellen; _ik_ was het die hem dien weg opdreef, wanneer hij nu en dan zijn heldere oogenblikken had; _ik_ was het die den heelen last moest voortslepen, wanneer hij weer begon met zijn uitspattingen of in elkaar zakte in jammer en ellende.

DOM. MANDERS. En voor dien man richt u een gedenkteeken op!

MEVR. ALVING. Daarin ziet u de macht van het kwade geweten....

DOM. MANDERS. Het kwade geweten? Hoe meent u dat?

MEVR. ALVING. Het stond mij altijd voor den geest dat het onmogelijk anders kon, of de waarheid _moest_ eens uitkomen en geloofd worden. Daarom moest het gesticht als het ware alle geruchten te niet doen en allen twijfel op zij zetten.

DOM. MANDERS. Daarin heeft u zeer zeker uw doel niet gemist, mevrouw.

MEVR. ALVING. En ik had nog een andere reden. Ik wou niet dat Oswald, mijn eigen jongen, iets hoegenaamd van zijn vader zou erven.

DOM. MANDERS. Het is dus Alving's vermogen, dat...?

MEVR. ALVING. Ja. De sommen die ik jaar op jaar aan het gesticht geschonken heb, overtreffen het fortuin, ik heb het nauwkeurig uitgerekend ... dat in zijn tijd luitenant Alving tot een goede partij maakte.

DOM. MANDERS. Ik begrijp u....

MEVR. ALVING. Dat was de koopsom.... Ik wil niet dat dat geld in Oswald's handen zal overgaan. Mijn zoon moet alles van mij alleen hebben.

(_Oswald komt door de tweede deur rechts; van hoed en overjas heeft hij zich ontdaan_).

MEVR. ALVING (_hem tegemoet gaand_). Ben je daar al terug? mijn beste lieve jongen!

OSWALD. Ja, wat moet je buiten uitvoeren in dien eeuwigdurenden regen? Maar ik hoor dat wij aan tafel zullen gaan. Dat is uitstekend!

REGINE (_met een pakje uit de eetkamer komend_). Er is een pakje voor mevrouw gekomen (_reikt het haar over_).

MEVR. ALVING (_met een blik op dominee Manders_). De feestzangen voor morgen waarschijnlijk.

DOM. MANDERS. Hm....

REGINE. En er is opgedaan.

MEVR. ALVING. Goed; wij komen dadelijk; ik wil maar even.... (_begint het pakje open te maken_).

REGINE (_tegen Oswald_). Verlangt mijnheer witte of roode port?

OSWALD. Allebei, alsjeblieft.

REGINE. Bien...; heel goed mijnheer (_zij gaat de eetkamer binnen_).

OSWALD. Ik zal wel eens even helpen met het opentrekken van de flesschen (_gaat de eetkamer in waarvan de deur weer halfopen glijdt achter hem_).

MEVR. ALVING (_die het pakje geopend heeft_). Jawel, juist; hier hebben we de feestzangen, dominee.

DOM. MANDERS (_met gevouwen handen_). Hoe ik morgen met een opgewekt gemoed mijn toespraak zal kunnen houden, dat...!

MEVR. ALVING. Och, dat zal wel gaan.

DOM. MANDERS (_zachtjes om niet in de eetkamer gehoord te worden_). Ja, schandaal mogen wij toch niet verwekken.

MEVR. ALVING. Neen. Maar dàn is ook dit lange leelijke comediespel uit. Van overmorgen af, zal het voor mij zijn alsof de doode nooit in dit huis geleefd had. Hier zal niemand meer zijn dan mijn jongen en zijn moeder.

(_Men hoort in de eetkamer leven van een stoel die omvalt; tegelijkertijd hoort men_:)

REGINE's stem (_duidelijk maar fluisterend_). Maar Oswald! Ben je gek? Laat me los!

MEVR. ALVING (_schrikt hevig_). Ah...!

(_Zij staart als verbijsterd naar de halfopen deur. Men hoort Oswald hoesten en neurieën daarbinnen. Een flesch wordt opengetrokken_).

DOM. MANDERS (_verontwaardigd_). Maar wat _is_ dat toch? Wat gebeurt daar toch! mevrouw?

MEVR. ALVING (_heesch_). Spoken. Het paar uit de serre waart daar weer om.

DOM. MANDERS. Wat zegt u! Regine...? Is _zij_...?

MEVR. ALVING. Ja. Kom. Geen woord...!

(_Zij grijpt den arm van dominee Manders en gaat wankelend de eetkamer binnen_).

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.

* * * * *

TWEEDE BEDRIJF

Zelfde kamer. Een mist van regen ligt nog altijd dicht over het heele landschap.

Dominee Manders en mevrouw Alving komen uit de eetkamer.

* * * * *

MEVR. ALVING (_nog in de deur_). Wel mag het u bekomen, dominee (_spreekt in de eetkamer_). Kom je niet bij ons, Oswald?

OSWALD (_binnen_). Dankje, neen; ik denk dat ik een eindje uitga.

MEVR. ALVING. Ja, dat is goed; 't is nu net een beetje droog (_sluit de deur van de eetkamer en gaat naar de deur van de voorkamer. Roept_:) Regine!

REGINE (_buiten_). Ja mevrouw?

MEVR. ALVING. Ga naar beneden in de strijkkamer aan de kransen meehelpen.

REGINE. Ja mevrouw.

MEVR. ALVING (_vergewist zich dat Regine weggaat, daarna sluit zij de deur_).

DOM. MANDERS. Hij kan daarginder toch niets hooren?

MEVR. ALVING. Niet als de deur dicht is. En hij gaat bovendien uit.

DOM. MANDERS. Ik ben er nog ontsteld van. Ik begrijp niet hoe ik nog een stuk van uw lekker diner door mijn keel heb kunnen krijgen.

MEVR. ALVING (_haar onrust beheerschend loopt op en neer_). Ik ook niet. Maar wat is er aan te doen?

DOM. MANDERS. Ja, wat is er aan te doen? Ik weet het waarlijk niet; ik ben zoo volstrekt onervaren in dergelijke gevallen.

MEVR. ALVING. Ik ben overtuigd dat er nog geen ongeluk gebeurd is.

DOM. MANDERS. Neen, dat verhoede de Hemel! Maar een ongepaste verhouding is het toch zeer zeker.

MEVR. ALVING. De heele geschiedenis is maar een losse inval van Oswald; daar kan u zeker van zijn.

DOM. MANDERS. Ja, ik ben, zooals gezegd, niet op de hoogte van dergelijke dingen; maar ik vind toch met uw verlof....

MEVR. ALVING. Zij moet natuurlijk het huis uit. En wel dadelijk. Dat is zoo klaar als de dag....

DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt.

MEVR. ALVING. Maar waarheen? Wij kunnen het niet verantwoorden dat....

DOM. MANDERS. Waarheen? Natuurlijk naar huis, naar haar vader.

MEVR. ALVING. Naar wien, zei u?

DOM. MANDERS. Naar haar.... Maar neen, Engstrand, is niet haar.... Maar Heer in den Hemel, mevrouw, hoe is dat mogelijk? U moet u daarin toch vergissen.

MEVR. ALVING. Helaas, ik vergis mij in geen enkel opzicht, Johanne moest het mij wel bekennen,... en Alving kon het niet loochenen. Dus bleef er niets anders te doen over dan de zaak te smoren.

DOM. MANDERS. Ja, dat was het eenig mogelijke.

MEVR. ALVING. Het meisje moest terstond uit haar dienst en kreeg een tamelijk groote som geld om tot nader orde te zwijgen. Voor de rest zorgde zij zelf toen zij in de stad kwam. Zij knoopte de oude kennis met Engstrand weer aan, liet er wel iets van verluiden, denk ik, dat zij zooveel geld had, en maakte hem zoowat wijs van den een of anderen vreemdeling, die hier met een pleizierjacht gelegen had in den zomer. Zoo werden zij en Engstrand in der haast getrouwd. Ja, u heeft hen immers zelf ingezegend.

DOM. MANDERS. Maar hoe moet ik mij dan verklaren...? Ik herinner mij duidelijk dat Engstrand kwam om over de inzegening te spreken. Hij was zoo vol bitter berouw, en betreurde zoo oprecht de lichtzinnigheid waaraan hij en zijn verloofde zich hadden schuldig gemaakt.

MEVR. ALVING. Ja, hij moest toch de schuld op zich nemen.

DOM. MANDERS. Maar zulk een onoprechtheid van hem! En dat tegenover _mij_! Dat had ik met verlof niet van Jakob Engstrand gedacht. Nu, ik zal hem eens ernstig onderhanden nemen; daar kan hij op rekenen.... En dan die onzedelijkheid van zoo'n vereeniging! Om het geld!... Hoe groot was het bedrag waarover het meisje te beschikken had?

MEVR. ALVING. Drie honderd thaler.

DOM. MANDERS. Verbeeld u toch,... voor een armzalige driehonderd thaler zich te laten trouwen met een gevallen vrouw!

MEVR. ALVING. Wat zegt u dan wel van mij, die zich liet trouwen met een gevallen man?

DOM. MANDERS. Maar de Hemel beware ons! Wat zegt u nu? Een gevallen man!

MEVR. ALVING. Denkt u misschien dat Alving reiner was, toen ik met hem naar het altaar ging, dan Johanne was, toen Engstrand zich met haar liet trouwen?

DOM. MANDERS. Ja, maar dat is toch een hemelsbreed verschil....

MEVR. ALVING. Volstrekt niet. Er was wel een groot verschil in den prijs,... een armzalige driehonderd thaler en een heel fortuin.

DOM. MANDERS. Maar hoe kan u nu twee zoo ongelijke gevallen vergelijken. U was toch te rade gegaan met uw hart en met uw bloedverwanten.

MEVR. ALVING (_ziet hem niet aan_). Ik meende dat u begreep waarheen dat, wat u mijn hart noemt, toen verdwaald was.

DOM. MANDERS (_koud_). Indien ik zoo iets begrepen had, zou ik nooit een dagelijksche gast in het huis van uw man geworden zijn.

MEVR. ALVING. Nu, zooveel is althans zeker, dat ik met mijzelf in waarheid niet te rade ging.

DOM. MANDERS. Nu, maar dan toch met wie u het naast bestonden; zooals voorgeschreven is; met uw moeder en uw beide tantes.

MEVR. ALVING. Ja, dat is waar. Die drie maakten de rekening voor mij op! O het is ongelooflijk hoe precies zij uitmaakten dat het gewoon krankzinnigheid zou zijn om een dergelijk aanzoek af te wijzen. Als mijn moeder nu nog eens kon zien waar al die heerlijkheid heen geleid had!

DOM. MANDERS. Voor de uitkomst kan niemand aansprakelijk gesteld worden. Maar dat staat althans vast, dat uw huwelijk gesloten werd overeenkomstig met de wet en de openbare orde.

MEVR. ALVING (_bij het raam_). Ja, die wet en die orde! Ik denk dikwijls dat juist _die_ alle onheil in de wereld stichten.

DOM. MANDERS. Mevrouw Alving, nu bezondigt u zich.

MEVR. ALVING. Ja, dat kan wel zijn. Maar ik stoor mij niet langer aan al die banden en conventies. Ik kan 't niet meer! Ik moet mij vrij maken.

DOM. MANDERS. Wat bedoelt u daarmee?

MEVR. ALVING (_trommelt op de ruiten_). Ik moest nooit iets van Alvings leven verborgen gehouden hebben. Maar ik durfde toen niet anders,... zelfs niet om mijn zelfs wil. Zoo laf was ik.

DOM. MANDERS. Laf?

MEVR. ALVING. Als de menschen wat te weten waren gekomen, zouden zij gezegd hebben: arme man, het is natuurlijk dat hij uit den band springt, hij, die een vrouw heeft die van hem wegloopt.

DOM. MANDERS. Met eenig recht kon men zoo iets ook wel zeggen.

MEVR. ALVING (_ziet hem strak aan_). Als ik was wie ik zijn moest, dan riep ik Oswald bij mij en zei: hoor eens mijn jongen, je vader was een diepgevallen mensch....

DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel!...

MEVR. ALVING. ... en dan vertelde ik hem alles wat ik u verteld heb,... alles, haarfijn!

DOM. MANDERS. Ik ben haast verontwaardigd over u, mevrouw.

MEVR. ALVING. Ja, dat weet ik. Ik weet het immers wel! Ik kom zelf in opstand tegen die gedachte (_gaat weg van het raam_). Zoo laf ben ik.

DOM. MANDERS. En dat noemt u lafheid, als u eenvoudig uw verschuldigden plicht betracht? Heeft u vergeten dat een kind zijn vader en moeder moet achten en liefhebben?

MEVR. ALVING. Laat ons het niet zoo in het algemeen nemen. Laat ons de vraag stellen: moet Oswald den kamerheer Alving achten en liefhebben?

DOM. MANDERS. Is er dan geen stem in uw moederhart die u verbiedt de idealen van uw zoon omlaag te halen?

MEVR. ALVING. En de waarheid dan?

DOM. MANDERS. En de idealen dan?

MEVR. ALVING. Och ... idealen, idealen! Als ik maar niet zoo laf was als ik ben!

DOM. MANDERS. Gooi de idealen niet weg, mevrouw,... want dat wreekt zich bitter. En dan vooral Oswald. Oswald heeft helaas toch al niet zoo heel veel idealen. Maar zooveel heb ik wel kunnen merken, dat zijn vader wel voor hem staat als zulk een ideaal.

MEVR. ALVING. Daarin heeft u gelijk.

DOM. MANDERS. En die voorstellingen heeft u zelf gewekt en gevoed bij hem door uw brieven.

MEVR. ALVING. Ja; ik ging gebukt onder plichten en conventies, daarom loog ik mijn jongen wat voor, jaar in jaar uit. O, hoe laf ... hoe laf ben ik geweest!

DOM. MANDERS. U heeft een gelukkige illusie bij uw zoon doen ontstaan, mevrouw,... en daar mag u waarlijk niet geringschattend over denken.

MEVR. ALVING. Hm; wie weet of dat nu juist wel zoo goed was.... Maar van scharrelen met Regine wil ik in elk geval niets weten. Hij zal mij dat arme kind niet ongelukkig maken.

DOM. MANDERS. Neen, goede God, dat zou iets vreeselijks zijn.

MEVR. ALVING. Als ik wist dat hij het ernstig met haar meende en het tot zijn geluk zijn zou....

DOM. MANDERS. Wat? Wat dan?

MEVR. ALVING. Maar dat zou het niet zijn; want Regine is er helaas het meisje niet naar.

DOM. MANDERS. Wel, wàt toch? Wat bedoelt u?

MEVR. ALVING. Als ik niet zoo godsjammerlijk laf was als ik ben, dan zou ik tegen hem zeggen: trouw met haar, of ga met haar leven zooals je wilt; maar laat er geen geknoei zijn....

DOM. MANDERS. Maar genadige Hemel! Een wettig huwelijk dus! Zoo iets verschrikkelijks!--Zoo iets ongehoords...!

MEVR. ALVING. Zei u iets ongehoords? Met de hand op het hart, dominee Manders, gelooft u niet dat er rondom in het land verscheidene echtparen te vinden zouden zijn, die elkaar even na in het bloed bestaan?

DOM. MANDERS. Ik begrijp u heelemaal niet.

MEVR. ALVING. Och jawel, dat doet u wel.

DOM. MANDERS. Nu ja, u stelt u het mogelijke geval voor dat.... Ja, helaas, het huwelijksleven is zeker niet altijd zoo rein als het behoorde te wezen. Maar zoo iets als waarop u doelt, kan men toch nooit weten,... althans niet met zekerheid. Hier daarentegen ... dat u, een moeder, zou kunnen toestaan dat uw zoon...!

MEVR. ALVING. Maar ik wil het immers niet. Ik zou het niet willen toestaan, om niets ter wereld; dat is juist wat ik zeg.

DOM. MANDERS. Neen, omdat u laf is, zooals u het uitdrukt. Maar als u dus niet laf was.... Och lieve Heer ... zulk een stuitende verbintenis!

MEVR. ALVING. Nu ja, we stammen overigens allemaal van zulk soort verbintenissen af, zegt men. En wie is het die het in de wereld zoo heeft ingericht, dominee?

DOM. MANDERS. Op zulke vragen ga ik met u niet in, mevrouw. Daartoe bezit u in de verte niet den waren geest. Maar dat u durft zeggen dat het laf van u is...!

MEVR. ALVING. Nu zal ik u eens uitleggen hoe ik dat meen. Ik ben bang en schuw, omdat er in mij iets van dat spookachtige zit, dat ik nooit geheel kan afschudden.

DOM. MANDERS. Hoe noemde u dat?

MEVR. ALVING. Spookachtig. Toen ik Regine en Oswald daarbinnen hoorde, was het of ik spoken vóór mij zag. Maar ik geloof haast dat wij allemaal spoken zijn, dominee. Het is niet alleen dat, wat wij van vader en moeder geërfd hebben dat in ons spookt. Het zijn allerhande oude afgestorven opvattingen en allerlei oud dood geloof en zulke dingen meer. Het is niet levend in ons; maar het zit er toch en wij kunnen het niet kwijt raken. Als ik alleen maar een courant opneem en er in lees, is het net of ik spoken tusschen de regels zie sluipen. Er moeten overal spoken leven in het heele land. Zij moeten er in massa zijn, als het zand der zee, dunkt mij. En dan zijn wij zoo godsjammerlijk lichtschuw allemaal....

DOM. MANDERS. Aha, ... daar hebben wij dus de uitwerking van uwe lektuur. Mooie vruchten inderdaad! O, die afschuwelijke, oproerige vrijdenkers-geschriften!

MEVR. ALVING. U vergist zich, dominee. U is zelf de man die mij aanzette tot nadenken; en daar ben ik u heel dankbaar voor.

DOM. MANDERS. Ik?

MEVR. ALVING. Ja, toen u mij dwong terug te keeren tot dat wat u mijn plicht noemde; toen u prees als waar en goed dat, waartegen heel mijn wezen in opstand kwam, als tegen iets afschuwelijks. Toen was het dat ik begon uw leeringen op de keper te beschouwen. Ik wilde alleen maar een enkelen knoop losmaken, maar toen ik dien éénen los had, viel alles uit elkaar. En toen zag ik dat het machinenaaisel was.

DOM. MANDERS (_stil, geschokt_). Zou dat zijn wat ik met den zwaarsten strijd mijns levens gewonnen had?

MEVR. ALVING. Noem het liever uw treurigste nederlaag.

DOM. MANDERS. Het was de grootste overwinning van mijn leven, Helene; de overwinning op mijn eigen ik.

MEVR. ALVING. Het was een misdaad jegens ons beiden.

DOM. MANDERS. Dat ik u gebood en zei: vrouw, ga terug naar uw wettigen echtgenoot, toen u als een verdoolde bij mij kwam en riep: hier ben ik; neem mij!... Was dat een misdaad?

MEVR. ALVING. Ja, ik beschouw het als zoodanig.

DOM. MANDERS. Wij begrijpen elkaar niet.

MEVR. ALVING. Nu althans niet meer.

DOM. MANDERS. Nooit,... nooit in mijn geheimste gedachten zelfs, heb ik u anders gezien dan als de vrouw van een ander.

MEVR. ALVING. Ja?... gelooft u?

DOM. MANDERS. Helene...!

MEVR. ALVING. Men vergeet zoo licht hoe men vroeger was.

DOM. MANDERS. Ik niet. Ik ben dezelfde die ik altijd geweest ben.

MEVR. ALVING (_verandert van toon_). Jawel, jawel ... laat ons maar niet meer over dien ouden tijd praten. U zit nu tot over de ooren in commissies en besturen; en ik loop hier te vechten met spoken, in mij zoowel als buiten mij.

DOM. MANDERS. Van die buiten u rondwaren wil ik u afhelpen. Na alles wat ik van daag met ontzetting van u gehoord heb, kan ik het voor mijn geweten niet verantwoorden een jong alleenstaand meisje in uw huis te laten blijven.

MEVR. ALVING. Gelooft u ook niet dat het 't beste zou zijn als wij haar goed bezorgd konden krijgen? Ik bedoel ... goed getrouwd.

DOM. MANDERS. Ongetwijfeld. Ik geloof dat dat in alle opzichten wenschelijk voor haar zijn zou. Regine is immers op een leeftijd dat ... ja, ik heb daar zoo geen verstand van, maar....

MEVR. ALVING. Regine was al heel vroeg volwassen.

DOM. MANDERS. Ja, niet waar? Er ligt mij iets van bij dat zij lichaamlijk al opvallend sterk ontwikkeld was, toen ik haar voor haar belijdenis voorbereidde. Maar voorloopig moet zij in elk geval naar huis, onder de hoede van haar vader.... Och neen, Engstrand is niet.... Dat hij,... _hij_ zóó de waarheid voor mij kon verbergen!

(_Er wordt geklopt aan de deur van de voorkamer_).

MEVR. ALVING. Wie kan dat zijn? Binnen!

ENGSTRAND (_in zijn zondagspak ... in de deur_). Ik vraag wel excuus, maar....

DOM. MANDERS. Aha! Hm....

MEVR. ALVING. Ben jij het Engstrand?

ENGSTRAND. ... er was geen een van de dienstmeisjes bij de hand, en toen was ik maar zoo vrij en brutaal om te kloppen.

MEVR. ALVING. Nou ja ... kom maar binnen. Wou je mij spreken?

ENGSTRAND (_komt binnen_). Neen ... dank u vriendelijk. Maar ik zou wel graag even den dominee willen spreken.