Chapter 22
DOM. MANDERS (_loopt op en neer_). Hm; zoo? Wou je mij spreken? Inderdaad?
ENGSTRAND. Ja, ik zou zoo heel graag....
DOM. MANDERS (_blijft vóór hem staan_). Nu; mag ik eens vragen waarover dan?
ENGSTRAND. Jawel dominee; het was dit: er wordt daarginder nu afrekening gehouden. Wel bedankt, mevrouw!... En nu zijn wij met alles klaar; en nu dacht ik dat het zoo mooi en gepast zou zijn als wij, die zoo braaf samen gewerkt hebben al dien tijd,... nu dacht ik moesten wij dat besluiten met een kleine geestelijke bijeenkomst van avond.
DOM. MANDERS. Een bijeenkomst? Daarginder in het gesticht?
ENGSTRAND. Ja, vindt dominee dat misschien niet gepast, dan....
DOM. MANDERS. Ja zeker vind ik dat, maar ... hm....
ENGSTRAND. Ik heb gewoonlijk 's avonds zoo'n kleine bijeenkomst gehouden....
MEVR. ALVING. Zoo?
ENGSTRAND. Ja, zoo nu en dan; om zoo te zeggen een kleine godsdienstoefening. Maar ik ben maar een geringe burgerman en bezit er, God helpe mij, niet de ware gave voor, en daarom dacht ik, omdat dominee Manders nu toch juist hier is.
DOM. MANDERS. Ja, zie je, Engstrand, ik moet je eerst eens een vraag doen. Ben je wel in de ware stemming voor zulk een bijeenkomst? Voel je je geweten wel vrij en zuiver?
ENGSTRAND. Och lieve God, het is toch niet de moeite waard om over mijn geweten te spreken, dominee.
DOM. MANDERS. Jawel, het is juist daarover dat ik je spreken wil. Wat heb je daarop te antwoorden?
ENGSTRAND. Ja, dat geweten ... dat kan leelijk genoeg opspelen soms.
DOM. MANDERS. Zoo, dus dat erken je althans. Maar wil je mij dan eens zonder omwegen zeggen ... hoe zit die zaak met Regine?
MEVR. ALVING (_snel_). Dominee Manders!
DOM. MANDERS (_geruststellend_). Laat u mij maar begaan....
ENGSTRAND. Met Regine! Jesses, wat doet u mij daar schrikken! (_kijkt naar mevrouw Alving_). Er is toch niets met Regine gebeurd?
DOM. MANDERS. Dat willen wij hopen. Maar ik bedoel, hoe zit dat met jou en Regine? Je gaat immers door voor haar vader. Niet?
ENGSTRAND (_onzeker_). Ja ... hm ... dominee weet toch wel van mij en van Johanne zaliger....
DOM. MANDERS. Geen verdraaien van de waarheid nu meer. Je overleden vrouw heeft aan mevrouw Alving verteld hoe de zaak in elkaar zit, vóór zij haar dienst verliet.
ENGSTRAND. Nou dan moest zij...! Deed zij dat dan toch?
DOM. MANDERS. Je bent dus ontmaskerd Engstrand.
ENGSTRAND. En zij die zwoer en vloekte bij hoog en laag....
DOM. MANDERS. Vloekte zij?
ENGSTRAND. Neen, zij zwoer alleen maar, maar toch zoo oprecht en van harte.
DOM. MANDERS. En al die jaren lang heb je de waarheid voor mij verborgen gehouden. Die voor _mij_ verborgen, die je volkomen in alles vertrouwd heb.
ENGSTRAND. Ja, helaas, dat heb ik gedaan.
DOM. MANDERS. Heb ik dat aan je verdiend, Engstrand? Ben ik niet altijd bereid geweest om je met raad en daad bij te staan, zoover het in mijn macht stond? Antwoord mij! Is dat zoo niet?
ENGSTRAND. Het had er maar dikwijls slecht voor mij uitgezien, als ik dominee Manders niet gehad had.
DOM. MANDERS. En dan beloon je mij op die manier. Maakt dat ik onjuistheden inschrijf in het kerkelijk register, en onthoudt mij daarna nog jaren lang de ophelderingen die je mij en de waarheid verschuldigd bent. Je handelwijze is ten eenenmale onverantwoordelijk geweest, Engstrand; en van nu af is het uit tusschen ons.
ENGSTRAND (_met een zucht_). Ja, dat zal wel ... dat begrijp ik.
DOM. MANDERS. Ja, want hoe zou je je wel kunnen rechtvaardigen?
ENGSTRAND. Maar had zij zich dan nog meer moeten vertramponeeren door er over te babbelen? Als dominee zich nu eens wil voorstellen dat hij in hetzelfde geval verkeerde als Johanne zaliger....
DOM. MANDERS. Ik!
ENGSTRAND. Jesses, jesses, ik meen nu niet zoo precies eender. Ik bedoel maar dat dominee iets zou hebben om zich over te schamen tegenover de menschen, zooals ze zeggen. Wij manspersonen moeten toch een arme vrouw niet al te streng veroordeelen, dominee.
DOM. MANDERS. Maar dàt doe ik ook niet. Ik verwijt jou je onoprechtheid.
ENGSTRAND. Zou ik dominee eens een klein vraagje mogen doen?
DOM. MANDERS. Jawel, vraag maar.
ENGSTRAND. Is het niet goed en braaf van een man, als hij de gevallen vrouw opricht?
DOM. MANDERS. Ja, dat spreekt.
ENGSTRAND. En is een man niet verplicht eerlijk zijn woord te houden?
DOM. MANDERS. Ja natuurlijk, maar....
ENGSTRAND. Toen Johanne ongelukkig was gemaakt door dien Engelschman ... of misschien was het een Amerikaander of een Russer, zooals ze ze noemen ... nou, toen kwam zij naar de stad. Het arme schepsel had mij vroeger al een paar keer den bons gegeven, want ze keek alleen maar naar de mooiigheid toen en ik had immers dat mankement aan mijn been. Ja, dominee zal zich nog wel herinneren dat ik eens een keer een danshuis binnen gegaan ben, waar matrozen en andere zeelui in dronkenschap en gemeenheid herrie maakten om zoo te zeggen. En toen ik hen vermanen wou om zich tot een nieuw leven te bekeeren....
MEVR. ALVING (_bij het raam_). Hm....
DOM. MANDERS. Ik weet het Engstrand, die ruwe menschen gooiden je van de trappen. Dat voorval heb je mij vroeger al eens meegedeeld. Je draagt je ongemak met eere.
ENGSTRAND. Ik verhoovaardig er mij niet op, dominee. Maar wat ik vertellen wou, is dit, dat zij bij mij kwam en mij alles huilend en tandenklapperend toevertrouwde. Ik moet zeggen, dominee, het deed mij zoo innig leed om dat aan te hooren.
DOM. MANDERS. Zoo, deed je dat leed Engstrand. Nu, en toen?
ENGSTRAND. Nou, toen zei ik zoo tegen haar: die Amerikaander, die zwalkt op de groote zee rond. En jij, Johanne, zeg ik, je hebt gezondigd en bent een gevallen schepsel. Maar Jakob Engstrand, zeg ik, die staat op twee flinke beenen;... ja, dat bedoelde ik maar zoo bij wijze van gelijkenis weet u, dominee.
DOM. MANDERS. Dat begrijp ik wel. Ga maar voort.
ENGSTRAND. Ja ... en toen richtte ik haar weer op en liet mij eerlijk met haar trouwen, opdat de menschen niet te weten zouden komen dat zij zich met vreemden had afgegeven.
DOM. MANDERS. Dat was alles heel braaf van je gehandeld. Ik kan alleen niet goedkeuren dat je dat geld wou aannemen....
ENGSTRAND. Geld? Ik? Geen roode duit.
DOM. MANDERS (_vragend mevrouw Alving aanziend_). Maar...!
ENGSTRAND. O ja,... wacht eens; nu weet ik wat u meent. Johanne had toch wel een paar centen. Maar daar wou ik niets van weten. Foei, zei ik, Mammon, dat is der zonde loon; dat armzalige goud ... of bankpapiertjes of wat het mag geweest zijn ... dat gooien wij dien Amerikaander weer in zijn gezicht, zei ik. Maar hij was weg en verdwenen, ver over de wilde zee, dominee.
DOM. MANDERS. Zoo, was hij weg, mijn brave Engstrand?
ENGSTRAND. Ja. En toen besloten Johanne en ik, dat het geld gebruikt zou worden voor de opvoeding van het kind. En dat gebeurde dan ook; en ik kan van iedere cent rekenschap afleggen.
DOM. MANDERS. Dat verandert de zaak zeker aanmerkelijk.
ENGSTRAND. Zoo zit het in elkaar, dominee. En ik durf wel zeggen dat ik een goede vader voor Regine geweest ben,... zoover mijn krachten reikten altijd ... want ik ben maar een zwak mensch, helaas.
DOM. MANDERS. Kom, kom, mijn waarde Engstrand....
ENGSTRAND. Maar dat durf ik wel zeggen, dat ik het kind heb opgevoed en in liefde geleefd heb met Johanne zaliger, en eerbaar, zooals er geschreven staat. Maar nooit is het in mij opgekomen naar dominee Manders toe te gaan en mij te verhoovaardigen en er mij iets op te laten voorstaan dat ik eens een goede daad gedaan had. Neen, als Jakob Engstrand zoo iets overkomt, dan zwijgt hij er over. 't Komt helaas ook niet zoo dikwijls voor. En wanneer ik bij dominee Manders kom, heb ik altijd al zooveel te praten over al wat er verkeerd en gebrekkig in mij is. Want ik zeg, wat ik daar straks al zei ... dat geweten kan soms leelijk genoeg opspelen.
DOM. MANDERS. Geef mij je hand, Jakob Engstrand.
ENGSTRAND. Jesses, dominee....
DOM. MANDERS. Geen complimenten (_drukt hem de hand_). Ziezoo!
ENGSTRAND. En als ik dominee nu heel vriendelijk om vergeving vroeg....
DOM. MANDERS. Jij? Neen, integendeel ... ik ben het die jou vergeving vraag ...
ENGSTRAND. Och heerejé, neen!
DOM. MANDERS. Jawel ... zeker. En ik doe het van ganscher harte. Vergeef mij dat ik je zoo kon miskennen. En ik wou dat ik je op de eene of andere manier een bewijs kon geven van mijn oprecht berouw en mijn goeden wil om je te helpen....
ENGSTRAND. Zou dominee dat waarlijk willen?
DOM. MANDERS. Met het grootste genoegen.
ENGSTRAND. Ja, daarvoor zou nu juist een mooie gelegenheid zijn. Met het geluksgeld dat ik hier heb kunnen overleggen, dacht ik een soort van tehuis voor zeelui op te richten in de stad.
MEVR. ALVING. Jij?
ENGSTRAND. Ja, dat zou om zoo te zeggen een soort van asyl moeten worden. De verleidingen zijn zoo menigvuldig voor den zeeman, als hij aan land vertoeft. Maar in dat huis bij mij zou hij dan kunnen zijn als onder vaderlijk toezicht, dacht ik zoo.
DOM. MANDERS. Wat zegt u dáárvan, mevrouw!
ENGSTRAND. Het is wel niet bar veel wat ik heb om mee te beginnen, God beter 't; maar als nu maar een weldadige hand mij helpen wou, dan....
DOM. MANDERS. Nu ja, wij zullen die zaak nog eens nader overwegen. Je plan lacht mij buitengewoon toe. Maar ga nu vast vooruit en maak alles in orde en steek licht aan, dat het er een beetje feestelijk uitziet, en dan zullen wij een stichtelijk uurtje samen doorbrengen, mijn waarde Engstrand, want nu ben je, geloof ik, wel in de ware stemming.
ENGSTRAND. Ja, dat geloof ik ook. Vaarwel dan, mevrouw, en dank voor alles: En blijf u maar goed op Regine passen, alsjeblieft, (_veegt een traan weg_). 't Kind van Johanne zaliger ... hm, het is wonderlijk ... maar het is net alsof ze mij zoo aan het hart vast gegroeid is. Ja, waarachtig, zoo is het (_groet en gaat weg door de voorkamer_).
DOM. MANDERS. Wel, wat zegt u nu van den man, mevrouw? Dát was een heel andere verklaring die wij daar kregen.
MEVR. ALVING. Ja, dat was het wèl.
DOM. MANDERS. Daar ziet u nu alweer, hoe uitermate voorzichtig men zijn moet in het veroordeelen van zijn medemenschen. Maar het is toch ook een ware vreugde des harten te zien, dat men zich vergist heeft. Wat zegt u er van?
MEVR. ALVING. Ik zeg dat je bent en blijft een groot kind, Manders.
DOM. MANDERS. Ik?
MEVR. ALVING (_legt beide handen op zijn schouders_). En ik zeg dat ik lust zou hebben mijn beide armen om je hals te slaan.
DOM. MANDERS (_trekt zich haastig terug_). Neen, neen, God zegen u...; zulke begeerten....
MEVR. ALVING (_glimlachend_). O, u hoeft niet bang voor mij te zijn.
DOM. MANDERS (_bij de tafel_). U heeft soms zoo'n overdreven manier om u uit te drukken. Nu zal ik eerst de stukken bij elkaar zoeken en ze in mijn taschje bergen (_doet aldus_). Ziezoo. En nu, tot straks. Let goed op als Oswald terug komt. Ik zie u dan nog wel even (_hij neemt zijn hoed en gaat heen door de voorkamer_).
MEVR. ALVING (_zucht, kijkt een oogenblik uit het raam, ruimt wat op in de kamer, en wil de eetkamer in gaan, maar blijft met een gesmoorden uitroep in de deur staan_). Oswald, zit je nog aan tafel!
OSWALD (_in de eetkamer_). Ik rook maar even mijn sigaar uit.
MEVR. ALVING. Ik dacht dat je een eindje was gaan loopen.
OSWALD. In dat weer?
(_Men hoort een glas klinken. Mevr. Alving laat de deur open en gaat met haar breiwerk op de canapé zitten bij het raam_).
OSWALD (_binnen_). Was het dominee Manders niet die daar wegging?
MEVR. ALVING. Ja, hij ging naar het gesticht.
OSWALD. Hm. (_Men hoort weer een glas en karaf klinken_).
MEVR. ALVING. Lieve Oswald, je moet een beetje voorzichtig zijn met die likeur. Die is erg sterk.
OSWALD. Die is goed tegen de vochtigheid.
OSWALD. Wil je niet liever hier bij mij komen zitten?
OSWALD. Ik mag daar immers niet rooken.
MEVR. ALVING. Een sigaar mag je hier wel rooken, dat weet je toch wel.
OSWALD. Nou ja, dan kom ik. Nog maar een enkel droppeltje.... Ziezoo (_hij komt met een sigaar de kamer in en sluit de deur achter zich. Even zwijgen_).
OSWALD. Waar is de dominee naar toe?
MEVR. ALVING. Dat zeg ik je daar net: hij ging naar het gesticht.
OSWALD. O ja, dat 's waar.
MEVR. ALVING. Je moet niet zoo lang aan tafel blijven zitten, Oswald.
OSWALD (_de sigaar achter zijn rug houdend_). Maar dat vind ik zoo gezellig, moedertje (_streelt en liefkoost haar_). Denk eens aan, wat dat voor mij is, weer thuis te zijn, aan moeders eigen tafel te zitten, in moeders kamer, en te eten van moeders lekkere schotels.
MEVR. ALVING. Mijn lieve, lieve jongen!
OSWALD (_een beetje ongedurig, loopt te rooken_). En wat zal ik anders uitvoeren hier. Ik kan niets doen....
MEVR. ALVING. Kan je niets doen?
OSWALD. Met zulk grauw weer? Zonder een enkelen zonnestraal den heelen dag? (_loopt heen en weer_). O dàt ... niet te kunnen werken...!
MEVR. ALVING. Misschien was het toch niet verstandig van je dat je naar huis kwam.
OSWALD. Jawel moeder; dat moest.
MEVR. ALVING. Want tienmaal liever zou ik mij het geluk van je bij mij te hebben ontzeggen, dan dat jij....
OSWALD (_blijft bij de tafel staan_). Zeg eens, moeder,... is het heusch zoo'n groot geluk voor je om mij thuis te hebben?
MEVR. ALVING. Of dat een geluk voor mij is!
OSWALD (_verfrommelt een courant_). Mij dunkt, het moet al haast hetzelfde voor je zijn, of ik er ben of niet.
MEVR. ALVING. Hoe kan je het over je hart verkrijgen dat tegen je moeder te zeggen, Oswald!
OSWALD. Maar je hebt toch altijd zoo goed zonder mij kunnen leven.
MEVR. ALVING. Ja; ik heb zonder je geleefd;... dat is waar.
(_Zwijgen. De schemering begint langzaam te vallen. Oswald loopt heen en weer. Zijn sigaar heeft hij weggelegd_).
OSWALD (_blijft bij mevr. Alving staan_). Moeder, mag ik bij je op de canapé komen zitten?
MEVR. ALVING (_maakt plaats voor hem_). Ja, graag, jongen-lief.
OSWALD (_gaat zitten_). Nu moet ik je iets zeggen, moeder.
MEVR. ALVING (_in spanning_). Wel?
OSWALD (_staart voor zich uit_). Want ik kan het niet langer uithouden.
MEVR. ALVING. Wat uithouden? Wat is er?
OSWALD (_als voren_). Ik heb er niet toe kunnen komen je er over te schrijven; en sedert ik weer thuis ben....
MEVR. ALVING (_grijpt zijn arm_). Oswald, wat is er?
OSWALD. Gisteren al en van daag heb ik getracht die gedachten van mij af te schudden ... mij er van los te maken. Maar het gaat niet.
MEVR. ALVING (_staat op_). Nu moet je eens ronduit zeggen wat er is, Oswald.
OSWALD (_trekt haar op de canapé terug_). Blijf zitten, dan zal ik probeeren het je te zeggen.... Ik heb zoo geklaagd over vermoeidheid na de reis....
MEVR. ALVING. Nu ja! En?...
OSWALD. Maar dat is het niet wat mij mankeert; niet een gewoon moe-zijn....
MEVR. ALVING (_wil opspringen_). Je bent toch niet ziek, Oswald!
OSWALD (_trekt haar weer terug_). Blijf zitten, moeder. Neem het maar kalm op. Ik ben ook niet eigenlijk ziek, niet wat men gewoonlijk ziek noemt (_slaat de handen samen om zijn hoofd_). Moeder ik ben geestelijk gebroken ... òp ... ik kan nooit meer werken! (_hij valt met de handen voor zijn gezicht in haar schoot en barst in snikken uit_).
MEVR. ALVING (_bleek en bevend_). Oswald, kijk mij eens aan! Neen, neen, dat is niet waar!
OSWALD (_kijkt op met wanhopende oogen_). Nooit meer te kunnen werken! Nooit meer ... nooit meer! Levend dood te zijn! Moeder, kan je je zoo iets vreeselijks voorstellen?
MEVR. ALVING. Mijn arme, ongelukkige jongen! Hoe is dat vreeselijke over je gekomen?
OSWALD (_gaat weer overeind zitten_). Ja, dat kan ik juist absoluut niet begrijpen of nagaan. Ik heb nooit zoo wild geleefd. In geen enkel opzicht. Dat moet je heusch niet van me denken, moeder! Dat heb ik nooit gedaan.
MEVR. ALVING. Dat denk ik ook niet, Oswald.
OSWALD. En toch is het gekomen! Dat verschrikkelijke ongeluk.
MEVR. ALVING. O, maar dat zal wel weer terechtkomen, mijn lieve, lieve jongen. Dat is niets dan overspanning. Dat kan je gerust aannemen.
OSWALD (_bedroefd_). Dat dacht ik ook in het begin; maar dat is niet zoo.
MEVR. ALVING. Vertel mij eens alles van A tot Z.
OSWALD. Ja, dat wou ik ook.
MEVR. ALVING. Wanneer heb je het 't eerst gemerkt?
OSWALD. Het was dadelijk nadat ik den vorigen keer thuis was geweest en weer in Parijs terug was. Het begon met afschuwelijke hoofdpijnen ... vooral in mijn achterhoofd, meende ik. Het was of er een ijzeren ring om mijn nek en daarboven werd dichtgeschroefd.
MEVR. ALVING. En dan?
OSWALD. In 't begin dacht ik dat 't niets anders was dan de gewone hoofdpijnen, die mij zoo geplaagd hadden in den tijd van mijn groei.
MEVR. ALVING. Ja, ja....
OSWALD. Maar dat was zoo niet; dat merkte ik al gauw. Ik kon niet meer werken. Ik wou een nieuw groot schilderij beginnen, maar het was of mijn kunst weg was; ik was als lamgeslagen; ik kon mij geen vaste voorstelling van iets meer maken; het duizelde voor mij ... alles draaide. O, dat was een vreeselijke toestand! Eindelijk zond ik om den dokter ... en van hem hoorde ik wat het was.
MEVR. ALVING. Hoe bedoel je?
OSWALD. Het was een van de eerste doktoren van Parijs. Ik moest hem toen vertellen wat en hoe ik het allemaal voelde. En toen begon hij mij allerlei vragen te doen, die naar mijn idee, niets met de zaak te maken hadden; ik begreep niet waar de man heen wou....
MEVR. ALVING. En?
OSWALD. Ten slotte zei hij: er is van je geboorte af al iets wormstekigs in je geweest,... hij gebruikte letterlijk het woord "vermoulu".
MEVR. ALVING (_in spanning_). Wat meende hij daarmee?
OSWALD. Ik begreep het ook niet en verzocht hem zich nader te verklaren. En toen zei die oude cynicus.... (_balt de vuist_) O...!
MEVR. ALVING. Wat zei hij?
OSWALD. Hij zei: de zonden der vaderen worden bezocht aan de kinderen.
MEVR. ALVING (_staat langzaam op_). De zonden der vaderen...!
OSWALD. Ik had hem haast een slag in zijn gezicht gegeven....
MEVR. ALVING (_loopt heen en weer_). De zonden der vaderen....
OSWALD (_glimlacht droef_). Ja, hoe vind je 't? Natuurlijk verzekerde ik hem dat er van zoo iets geen sprake kon zijn. Maar denk je dat hij zich gewonnen gaf? Neen, hij bleef er bij; en pas toen ik je brieven voor den dag had gehaald en al de plaatsen waar je over vader schreef, vertaald had....
MEVR. ALVING. Toen...?
OSWALD. Ja, toen moest hij van zelf wel toegeven dat hij op een dwaalspoor was; en toen hoorde ik de waarheid! Dat heerlijke, gelukkige jonge leven dat ik geleid had met mijn kameraden had ik moeten mijden. Dat had te veel van mijn krachten gevergd. Eigen schuld dus!
MEVR. ALVING. Oswald! O neen, geloof dat niet!
OSWALD. Er is geen andere verklaring mogelijk, zei hij. Dat is het verschrikkelijke. Hopeloos verloren voor mijn heele leven ... door mijn eigen onbezonnenheid. Alles, wat ik had willen doen in de wereld,... daar niet meer aan te mogen denken,... er niet meer aan te kunnen denken. O, kon ik mijn leven nog maar eens overdoen,... het allemaal ongedaan maken! (_hij laat zich voorover vallen met het gezicht op de canapé_).
MEVR. ALVING (_wringt de handen en loopt in hevigen tweestrijd op en neer_).
OSWALD (_richt zich half op na een poosje; blijft met den elleboog op de canapé gesteund zitten_). Als het nog iets overgeërfds was,... iets dat je zelf niet helpen kon. Maar zoo! Op zoo'n schandelijke, onnadenkende, lichtzinnige manier je eigen geluk vergooid te hebben, je eigen gezondheid, alles, alles ... je toekomst, je leven....
MEVR. ALVING. Neen, neen, mijn eigen lieve jongen, dat is onmogelijk! (_buigt zich over hem heen_). Je bent er niet zoo wanhopig aan toe als je denkt.
OSWALD. O, je weet 't niet.... (_springt op_). En dan nog dat er bij, dat ik jou al dat verdriet bezorg! Dikwijls heb ik bijna gewenscht en gehoopt dat je minder van me zoudt houden.
MEVR. ALVING. Ik, Oswald, mijn eenige jongen! Het eenige wat ik in de wereld nog heb. Het eenige wat waarde voor mij heeft!
OSWALD (_grijpt haar beide handen en kust ze_). Ja, ja, ik zie het wel. Als ik thuis ben zie ik het immers wel. En juist dat is voor mij een van de ergste dingen er van.... Maar nu weet je het dus. En nu zullen wij er van daag niet meer over spreken. Ik kan er niet zoo lang achter elkaar over denken (_loopt heen en weer_). Geef mij wat te drinken, moeder!
MEVR. ALVING. Drinken? Wat wil je nu drinken?
OSWALD. Och, wat je hebt. Je hebt immers kouden punch in huis?
MEVR. ALVING. Ja, maar, mijn beste Oswald...!
OSWALD. Toe, weiger het me niet. Wees nu lief! Ik moet iets hebben om al die kwellende gedachten weg te spoelen (_gaat naar de serre_). En dan ... wat is het hier donker!
MEVR. ALVING (_trekt aan de bel rechts_).
OSWALD. En die onophoudelijke regen. Weken lang kan dat duren; maanden soms. Nooit een zonnestraal te zien. De keeren dat ik thuis geweest ben, herinner ik mij niet ooit de zon te hebben zien schijnen.
MEVR. ALVING. Oswald,... je denkt er over van mij weg te gaan.
OSWALD. Hm.... (_ademt zwaar_). Ik denk over niets. Kàn aan niets denken! (_zachtjes_). Dat zal ik wel laten.
REGINE (_uit de eetkamer_). Heeft mevrouw gebeld?
MEVR. ALVING. Ja, breng de lamp eens binnen.
REGINE. Dadelijk mevrouw. Ze is al aangestoken (_gaat weg_).
MEVR. ALVING (_gaat naar Oswald toe_). Oswald, wees niet gesloten tegenover mij.
OSWALD. Dat ben ik ook niet, moeder (_gaat naar de tafel_). Mij dunkt dat ik je zoo veel gezegd heb.
REGINE (_brengt de lamp en zet die op tafel_).
MEVR. ALVING. Hoor eens, Regine, je moet eens een halve flesch champagne brengen.
REGINE. Jawel, mevrouw (_gaat weer heen_).
OSWALD (_neemt haar hoofd tusschen zijn handen_). Zoo is het goed. Ik wist wel dat moeder haar jongen geen dorst zou laten lijden.
MEVR. ALVING. Jou? mijn arme lieve Oswald; hoe zou ik jou nu iets kunnen weigeren?
OSWALD (_levendig_). Is dat waar, moeder? Meen je dat?
MEVR. ALVING. Hoe zoo? Wat?
OSWALD. Dat je me niets zoudt kunnen weigeren?
MEVR. ALVING. Maar Oswald-lief....
OSWALD. Sst!
REGINE (_brengt een blaadje met een halve flesch champagne en twee glazen, dat zij op tafel zet_). Zal ik de flesch openmaken?
OSWALD. Neen, dankje, dat zal ik zelf wel doen. (_Regine gaat weer weg_).
MEVR. ALVING (_gaat bij de tafel zitten_). Wat bedoelde je daar straks ... dat ik je niet moest weigeren?
OSWALD (_bezig de flesch open te maken_). Eerst een glas ... of twee.
(_De kurk springt er af; hij schenkt een glas in en wil ook een tweede inschenken_).
MEVR. ALVING. (_houdt haar hand er op_). Dankje ... voor mij niet.
OSWALD. Nou voor mij dan!
(_Hij drinkt het glas uit, vult het opnieuw en drinkt het weer uit; dan gaat hij bij de tafel zitten_).
MEVR. ALVING (_afwachtend_). Nu dan?
OSWALD (_zonder haar aan te zien_). Hoor eens, moeder ... 't leek mij dat jij en dominee Manders zoo vreemd ... hm, zoo stil waart aan tafel.
MEVR. ALVING. Heb je dat opgemerkt?
OSWALD. Ja. Hm.... (_na even zwijgen_). Zeg eens ... hoe vind je Regine?
MEVR. ALVING. Hoe ik haar vind?
OSWALD. Ja, is zij niet prachtig?
MEVR. ALVING. Beste Oswald, jij kent haar niet zoo goed als ik....
OSWALD. Wel?
MEVR. ALVING. Regine is helaas, veel te lang thuis gebleven. Ik had haar vroeger bij mij moeten nemen.
OSWALD. Ja, maar, is zij niet prachtig om te zien, moeder? (_vult zijn glas_).
MEVR. ALVING. Regine heeft vele en groote gebreken....
OSWALD. Nou ja, wat doet dat er toe? (_hij drinkt weer_).
MEVR. ALVING. Maar ik hou toch van haar; en ik ben voor haar verantwoordelijk. Ik wou voor niets ter wereld dat er iets met haar gebeurde.
OSWALD (_springt op_). Moeder, Regine is de eenige die mij redden kan!
MEVR. ALVING (_staat op_). Wat bedoel je daarmee?
OSWALD. Ik kan al die ellende op den duur niet alleen dragen.
MEVR. ALVING. Heb je je moeder dan niet om je te helpen die te dragen?
OSWALD. Jawel, dat dacht ik, en daarom ben ik ook naar huis terug gekomen. Maar het gaat zoo niet. Ik zie 't wel; het gaat niet. Ik hou het leven hier niet uit!
MEVR. ALVING. Oswald!
OSWALD. Ik moet anders leven, moeder. Daarom moet ik van je weg. Ik wil niet dat je dat altijd zult moeten aanzien.
MEVR. ALVING. Mijn arme jongen! Maar Oswald, zoolang je zoo ziek bent als nu....