Chapter 23
OSWALD. Als het alleen maar die ziekte was, dan bleef ik wel bij je, moeder. Want je bent de beste vriend dien ik heb.
MEVR. ALVING. Ja, niet waar, Oswald, dat ben ik?
OSWALD (_loopt onrustig rond_). Maar het is al die ellende ... iets ... berouw ... en dan die ontzettende angst!
MEVR. ALVING (_gaat hem na_). Angst? Wat voor angst? Wat meen je?
OSWALD. O, je moet me niets meer vragen. Ik weet het niet. Ik kan het je niet beschrijven.
MEVR. ALVING (_gaat naar rechts en trekt aan de bel_).
OSWALD. Wat wil je gaan doen?
MEVR. ALVING. Ik wil dat mijn jongen vroolijk zal zijn, dat wil ik. Hij mag niet zoo tobben (_tegen Regine die binnen komt_). Meer champagne. Een heele flesch.
(_Regine af_).
OSWALD. Moeder!
MEVR. ALVING. Denk je dat wij hier buiten ook niet weten te leven?
OSWALD. Is zij niet prachtig om te zien? En zoo mooi gebouwd! En zoo door-en-door gezond!
MEVR. ALVING (_gaat aan de tafel zitten_). Ga zitten, Oswald, en laat ons eens rustig praten.
OSWALD (_gaat zitten_). Je weet nog niet, moeder, dat ik iets goed te maken heb aan Regine.
MEVR. ALVING. Jij?
OSWALD. O, maar een kleine onbezonnenheid, als je het zoo noemen wilt. Trouwens iets heel onschuldigs. Toen ik den laatsten keer thuis was....
MEVR. ALVING. Ja?
OSWALD. ... vroeg zij mij zoo dikwijls naar Parijs, en ik vertelde haar het een-en-ander van daarginder. En ik herinner mij dat ik er eens toe kwam om te zeggen: zou je zelf geen lust hebben daar eens heen te gaan?
MEVR. ALVING. En?
OSWALD. Ik zag dat zij tot over haar ooren kleurde en toen zei zij: ja, daar heb ik zeker wel lust in. Nou ja, antwoordde ik, dat kan misschien nog wel eens gebeuren ... of zoo iets.
MEVR. ALVING. En verder?
OSWALD. Ik had natuurlijk de heele zaak vergeten; maar toen ik haar eergisteren vroeg of zij niet blij was dat ik nu zoo lang thuis zou blijven....
MEVR. ALVING. Ja?
OSWALD. ... toen keek ze mij zoo wonderlijk aan, en vroeg toen: maar wat komt er dan van mijn reis naar Parijs?
MEVR. ALVING. Haar reis?
OSWALD. En toen kreeg ik het er uit, dat zij het voor ernst had opgenomen, en aldoor aan mij gedacht had en Fransch had geleerd....
MEVR. ALVING. Daarvoor dus....
OSWALD. Moeder,... toen ik dat mooie, prachtige, frissche meisje daar voor mij zag staan ... vroeger had ik nooit zoo op haar gelet ... maar nu, toen zij daar als met open armen voor mij stond, bereid om mij er in op te nemen....
MEVR. ALVING. Oswald!
OSWALD. ... toen werd het mij duidelijk dat er bij haar redding was; want ik zag dat in haar levensblijheid leeft.
MEVR. ALVING (_verschrikt_). Levensblijheid...? Kan die je redding zijn?
REGINE (_uit de eetkamer met een flesch champagne_). Ik vraag excuus dat ik zoo lang weg bleef; maar ik moest er voor in den kelder gaan.... (_zet de flesch op tafel_).
OSWALD. En haal nog een glas.
REGINE (_kijkt hem verwonderd aan_). Daar staat mevrouws glas, mijnheer.
OSWALD. Ja maar, haal er een voor jezelf, Regine.
REGINE (_schrikt hevig en werpt snel van ter zijde een blik naar Mevr. Alving_).
OSWALD. Nou?
REGINE (_zacht en aarzelend_). Als mevrouw er niet tegen heeft...?
MEVR. ALVING. Ga een glas halen, Regine.
OSWALD (_kijkt haar na_). Heb je op haar gang gelet? Zoo flink en elastisch.
MEVR. ALVING. Dat gebeurt niet, Oswald!
OSWALD. Het is een uitgemaakte zaak, dat zie je immers. Daar helpt geen tegenstribbelen aan.
REGINE (_komt terug met een leeg glas in de hand_).
OSWALD. Ga zitten, Regine.
REGINE (_kijkt mevr. Alving aan_).
MEVR. ALVING. Ga maar zitten.
REGINE (_gaat zitten op een stoel bij de deur van de eetkamer en houdt voortdurend het leege glas in de hand_).
MEVR. ALVING. Oswald, wat was dat wat je zei over levensblijheid?
OSWALD. Ja, levensblijheid, moeder,... daar weten ze hier in ons land niet veel van. Ik heb er nooit iets van gemerkt.
MEVR. ALVING. Ook niet als je bij mij bent?
OSWALD. Niet als ik hier thuis ben. Maar dat begrijp je zoo niet.
MEVR. ALVING. Jawel, ik geloof haast dat ik het wel begrijp ... nu.
OSWALD. Levensblijheid ... en dan het genot van werken. Ja, in den grond is dat wel hetzelfde. Maar daarvan weten ze hier ook niets.
MEVR. ALVING. Dat kan wel waar zijn, vertel er eens wat meer van.
OSWALD. Ja, ik wil er dit mee zeggen, dat hier aan de menschen wordt geleerd te gelooven dat werken een vloek is en een straf voor hun zonden, en dat het leven iets jammerlijks is, waar wij hoe eer hoe liever maar van verlost moeten worden.
MEVR. ALVING. Een jammerdal, ja. En dat maken wij er dan oprecht en eerlijk ook van.
OSWALD. Maar van zoo iets willen de menschen in het buitenland niets weten. Daar gelooft geen mensch meer in ernst aan zulke leerstellingen. Daar voel je het als iets jubelend gelukzaligs alleen maar dat je leeft. Moeder, heb je niet opgemerkt, dat alles wat ik geschilderd heb, op levensblijheid betrekking had? Altijd en voortdurend op levensblijheid. Er is licht en zonneschijn en zondagslucht ... en vroolijke stralende menschengezichten. Daarom ben ik bang om hier bij jou thuis te blijven.
MEVR. ALVING. Bang? Waarom ben je bang hier bij mij?
OSWALD. Ik ben bang dat alles wat er in mij woelt hier tot iets leelijks ontaarden zal.
MEVR. ALVING (_kijkt hem vast aan_). Geloof je dat dat gebeuren zou?
OSWALD. Ik weet het heel zeker. En al leefde je hier hetzelfde leven als daarginder, dan zou het toch niet hetzelfde zijn.
MEVR. ALVING (_die in spanning heeft geluisterd, staat op met groote ernstige oogen en zegt_). Nu zie ik het verband.
OSWALD. Wat zie je?
MEVR. ALVING. Nu zie ik het voor het allereerst. En nu kan ik spreken.
OSWALD (_staat op_). Moeder ik begrijp je niet.
REGINE (_die ook is opgestaan_). Zal ik misschien weggaan?
MEVR. ALVING. Neen, blijf hier. Nu kan ik spreken. Nu, mijn jongen, zal je alles weten. En dan kan je kiezen. Oswald! Regine!
OSWALD. Stil. De dominee....
DOM. MANDERS (_komt door de voorkamer binnen_). Ziezoo; wij hebben een hartverheffend uurtje doorgebracht.
OSWALD. Wij ook.
DOM. MANDERS. Engstrand moet geholpen worden met dat asyl voor zeelui. Regine moet met hem meegaan om hem behulpzaam te zijn....
REGINE. Neen, dank u, dominee.
DOM. MANDERS (_bemerkt haar nu pas_). Wat...? Hier...? En met een glas in de hand?
REGINE (_zet snel haar glas neer_). Pardon...!
OSWALD. Regine gaat met mij mee, dominee.
DOM. MANDERS. Mee! Met u!
OSWALD. Ja, als mijn vrouw,... als zij wil.
DOM. MANDERS. Genadige Hemel...!
REGINE. Ik kan het niet helpen, dominee.
OSWALD. Of zij blijft hier, als ik blijf.
REGINE (_onwillekeurig_). Hier?
DOM. MANDERS. Ik sta verstomd over u, mevrouw.
MEVR. ALVING. Noch het een noch het ander zal gebeuren; want nu kan ik vrij uit spreken.
DOM. MANDERS. Maar dat zal u toch niet doen! Neen, neen, neen!
MEVR. ALVING. Jawel; ik zal en ik kan het doen. En toch zullen er geen idealen omlaag gehaald worden.
OSWALD. Moeder, wat wordt er hier voor mij verborgen gehouden?
REGINE (_luisterend_). Mevrouw! Hoor eens! Er staan menschen buiten te schreeuwen. (_Zij gaat in de serre en kijkt naar buiten_).
OSWALD (_bij het raam links_). Wat is er te doen? Waar komt die gloed vandaan?
REGINE (_roept_). Er is brand in het gesticht!
MEVR. ALVING (_bij het raam_). Brand!
DOM. MANDERS. Brand? Onmogelijk. Ik kom er net vandaan.
OSWALD. Waar is mijn hoed? Nou, dat doet er ook niet toe.... Vaders gesticht...! (_hij loopt naar buiten door de tuindeur_).
MEVR. ALVING. Mijn doek, Regine! 't Staat in lichtelaaie!
DOM. MANDERS. Ontzettend! Mevrouw Alving, daar licht het oordeel over dit huis van ongerechtigheid!
MEVR. ALVING. Jawel ... zeker. Kom Regine. (_Zij en Regine gaan haastig weg door de voorkamer_).
DOM. MANDERS (_slaat de handen in elkaar_). En niet geassureerd! (_gaat weg langs denzelfden weg_).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
* * * * *
DERDE BEDRIJF.
Zelfde kamer. Alle deuren staan open. De lamp brandt nog steeds op tafel. Buiten is het donker, alleen een zwakke lichtschijn op den achtergrond.
Mevr. Alving met een grooten doek om haar hoofd, staat in de serre en kijkt naar buiten. Regine, ook met een doek om, staat een beetje achter haar.
* * * * *
MEVR. ALVING. Alles verbrand. Tot den grond toe.
REGINE. 't Brandt nog in de kelders.
MEVR. ALVING. Dat Oswald nog niet terug komt. Er is toch niets meer te redden.
REGINE. Zal ik hem misschien zijn hoed gaan brengen?
MEVR. ALVING. Heeft hij niet eens zijn hoed op?
REGINE (_wijst naar de voorkamer_). Neen; daar hangt hij.
MEVR. ALVING. Laat hem dan maar hangen. Hij zal nu toch wel gauw komen. Ik zal zelf even gaan zien (_zij gaat de tuindeur uit_).
DOM. MANDERS (_komt uit de voorkamer_). Is mevrouw niet hier?
REGINE. Mevrouw is net den tuin in gegaan.
DOM. MANDERS. Dit is de verschrikkelijkste nacht dien ik ooit beleefd heb.
REGINE. Ja, wat een ontzettend ongeluk, dominee!
DOM. MANDERS. O, spreek er niet van! Ik durf er ter nauwernood aan denken.
REGINE. Maar hoe is het toch aangekomen?
DOM. MANDERS. Vraag mij niets, Regine! Hoe kan ik dat weten? Wil jij misschien ook...? Is het niet genoeg dat je vader...?
REGINE. Wat is er met hem?
DOM. MANDERS. Hij maakt mij nog krankzinnig!
ENGSTRAND (_komt door de voorkamer_). Dominee!
DOM. MANDERS (_keert zich verschrikt om_). Volg je mij hier ook al?
ENGSTRAND. Ja bliksem nog toe...! Jesses! dat is toch al te vreeselijk, dominee!
DOM. MANDERS (_loopt heen en weer_). Helaas! helaas!
REGINE. Wat is er toch?
ENGSTRAND. Och, het kwam door die bijeenkomst, zie je (_zachtjes_). Nu heb ik hem aan den haak, kindlief! (_luid_). En dat ik nu de schuld moest zijn, dat dominee zoo'n ongeluk moest overkomen!
DOM. MANDERS. Maar ik verzeker je, Engstrand....
ENGSTRAND. Maar er is toch niemand anders dan dominee bezig geweest met licht daarginder.
DOM. MANDERS (_blijft staan_). Ja, dat beweer jij. Maar ik kan mij volstrekt niet herinneren een kaars in mijn hand te hebben gehad.
ENGSTRAND. Maar ik heb het toch heel duidelijk gezien dat dominee de kaars opnam en ze met zijn vingers snoot en de afgebrande pit in de krullen gooide.
DOM. MANDERS. Heb jij dat gezien?
ENGSTRAND. Ja, dat heb ik duidelijk gezien.
DOM. MANDERS. Dat kan ik mij toch niet begrijpen. 't Is toch nooit mijn gewoonte om een kaars met mijn vingers te snuiten.
ENGSTRAND. Ja, het stond ook, met verlof, erg ongemanierd, dat deed het. Maar zou het erg voor u kunnen worden, dominee?
DOM. MANDERS (_onrustig heen en weer loopend_). O, vraag er mij toch niet naar!
ENGSTRAND (_met hem meeloopend_). En dominee heeft ook niet geassureerd?
DOM. MANDERS (_aldoor loopend_). Neen ... neen ... neen; dat hoor je immers.
ENGSTRAND (_achter hem aan_). Niet geassureerd. En stil de kamer uit te gaan en den boel in brand te steken. Jesses, jesses, wat een ongeluk!
DOM. MANDERS (_droogt zijn voorhoofd af_). Ja, dat mag je wel zeggen, Engstrand.
ENGSTRAND. En dat zoo iets gebeuren moet met een weldadige inrichting, die nuttig zou geweest zijn voor stad en land, zooals ze zeggen. De couranten zullen dominee ook niet zachtjes aanpakken, vrees ik.
DOM. MANDERS. Daarover loop ik juist te denken. Dat is haast het ergste van alles. Al die hatelijke aanvallen en beschuldigingen...! O, het is vreeselijk daaraan te denken!
MEVR. ALVING (_komt uit den tuin_). Hij is niet te bewegen om van het blusschen weg te gaan.
DOM. MANDERS. O, is u daar, mevrouw.
MEVR. ALVING. Nu komt u toch nog van uw feestrede af, dominee.
DOM. MANDERS. O, ik had met het grootste genoegen....
MEVR. ALVING (_gedempt_). 't Is het beste dat het maar ging zoo als het ging. Dit gesticht had toch geen zegen aangebracht.
DOM. MANDERS. Zou u denken?
MEVR. ALVING. Denkt u dat dan niet?
DOM. MANDERS. Maar het was toch een ontzettend ongeluk.
MEVR. ALVING. Wij zullen er maar kort en goed over praten als over een zaak.... Wacht je op dominee, Engstrand?
ENGSTRAND (_bij de deur van de voorkamer_). Ja, mevrouw.
MEVR. ALVING. Ga dan zoo lang zitten.
ENGSTRAND. Dank u; ik kan hier wel blijven staan.
MEVR. ALVING (_tegen Dom. Manders_). U gaat waarschijnlijk straks met de boot weg?
DOM. MANDERS. Ja; over een uur vertrekt die.
MEVR. ALVING. Wees dan zoo goed al de papieren weer mee te nemen. Ik wil geen woord meer over die zaak hooren. Ik heb andere dingen aan mijn hoofd....
DOM. MANDERS. Mevrouw....
MEVR. ALVING. Later zal ik u volmacht zenden om alles te regelen zooals u zelf wil.
DOM. MANDERS. Dat neem ik van harte gaarne op mij. De oorspronkelijke bestemming van het legaat moet nu helaas geheel veranderd worden.
MEVR. ALVING. Dat spreekt van zelf.
DOM. MANDERS. Ja, dan denk ik het voorloopig zoo te regelen dat de hoeve Solvik aan het distrikt komt. Den grond kan men toch niet waardeloos noemen. Een of andere nuttige bestemming is daar altijd toch wel aan te geven. En de renten van het geld dat op de spaarbank staat, zou ik misschien als meest passend kunnen gebruiken om een of andere onderneming te steunen, die gezegd worden kan de stad ten goede te komen.
MEVR. ALVING. Net zooals u wil. De heele zaak is mij nu absoluut onverschillig.
ENGSTRAND. Denk aan mijn tehuis voor zeelui, dominee!
DOM. MANDERS. Ja, zeker ... daar zeg je zoo wat. Nu, dat moeten wij nog eens nader overleggen.
ENGSTRAND. Neen, wat duivel, niet overleggen.... Jesses dan toch!
DOM. MANDERS (_met een zucht_). Ik weet helaas ook niet, hoe lang ik nog die zaken in handen hebben zal. Of de publieke opinie mij niet zal noodzaken mij terug te trekken. Dat hangt heelemaal van het gerechtelijk onderzoek af.
MEVR. ALVING. Wat zegt u daar?
DOM. MANDERS. En van den uitslag daarvan kan men vooruit volstrekt niets met zekerheid zeggen.
ENGSTRAND (_dichtbij_). O welzeker kan men dat. Want hier staat Jakob Engstrand ook nog.
DOM. MANDERS. Ja ... ja ... maar...?
ENGSTRAND. En Jakob Engstrand is niet de man die een waardigen weldoener in den steek laat als de nood aan den man komt, zooals ze zeggen.
DOM. MANDERS. Ja, maar, mijn waarde ... hoe...?
ENGSTRAND. Jakob Engstrand is om zoo te zeggen te vergelijken bij een reddenden engel, dominee!
DOM. MANDERS. Neen, neen, dat kan ik toch waarlijk niet aannemen.
ENGSTRAND. Och, dat moet u toch maar doen. Ik ken iemand die nòg eens de schuld van een ander op zich genomen heeft ... wat?
DOM. MANDERS. Jakob! (_drukt hem de hand_). Je bent een zeldzaam mensch. Nu, je zult je asyl voor zeelui hebben, hoor.... Daar kan je op aan.
ENGSTRAND (_wil bedanken, maar kan niet van aandoening_).
DOM. MANDERS (_hangt zijn reistaschje over zijn schouders_). En nu weg. Wij reizen samen.
ENGSTRAND (_bij de eetkamerdeur zachtjes tegen Regine_). Ga met me mee, meid! Je zult een leventje hebben als een prinses.
REGINE (_werpt het hoofd in den nek_). Merci! (_zij gaat naar de voorkamer en haalt dominee's hoed_).
DOM. MANDERS. Vaarwel, mevrouw. En moge de geest van orde en wet spoedig zijn intocht houden in deze woning.
MEVR. ALVING. Vaarwel Manders! (_zij gaat naar de serre, terwijl zij Oswald door de tuindeur ziet binnenkomen_).
ENGSTRAND (_terwijl hij en Regine den dominee aan zijn jas helpen_). Vaarwel, kindlief. En als er 't een of ander gebeuren mocht, dan weet je waar Jakob Engstrand te vinden is (_zachtjes_) Kleine Havenstraat, hm...! (_tegen Mevr. Alving en Oswald_). En het huis voor de zwervende zeelui zal heeten "Kamerheer Alvings Tehuis". En als ik het huis naar mijn goedvinden besturen mag, dan durf ik beloven, dat het den kamerheer zaliger waardig worden zal.
DOM. MANDERS (_in de deur_). Hm ... hm! Kom nu, mijn waarde Engstrand. Vaarwel, vaarwel! (_hij en Engstrand gaan weg door de voorkamerdeur_).
OSWALD (_gaat naar de tafel_). Wat is dat voor een huis waar hij van sprak?
MEVR. ALVING. Dat is een soort asyl dat hij en dominee Manders willen oprichten.
OSWALD. Dat zal ook afbranden, net als dit hier.
Mevr. Alving. Hoe kom je daarbij?
OSWALD. Alles zal verbranden. Er zal niets meer overblijven dat aan vader herinnert. Ik verbrand immers ook.
REGINE (_kijkt hem verschrikt aan_).
MEVR. ALVING. Oswald! Je had niet zoolang daarginder moeten blijven, mijn arme jongen.
OSWALD (_gaat aan de tafel zitten_). Ik geloof haast dat je gelijk hebt.
MEVR. ALVING. Laat mij je gezicht afdrogen, Oswald; je bent heelemaal nat (_droogt zijn gezicht af met haar zakdoek_).
OSWALD (_kijkt onverschillig voor zich uit_). Dankje moeder.
MEVR. ALVING. Ben je niet moe, Oswald? Wil je misschien gaan slapen?
OSWALD (_angstig_). Neen, neen ... niet slapen! Ik slaap nooit; ik houd me maar zoo (_bedroefd_). Dat komt gauw genoeg.
MEVR. ALVING (_kijkt hem bezorgd aan_). Ja, je bent toch heusch wel ziek, mijn lieveling.
REGINE (_in spanning_). Is mijnheer ziek?
OSWALD (_ongeduldig_). Doe de deuren toch dicht! Die doodelijke angst....
MEVR. ALVING. Doe ze dicht, Regine.
(_Regine sluit de deuren en blijft staan bij de voorkamer deur. Mevr. Alving doet haar doek af. Regine eveneens_).
MEVR. ALVING (_schuift een stoel bij Oswald en gaat bij hem zitten_). Ziezoo, nu kom ik bij je zitten....
OSWALD. Ja, doe dat. En Regine moet ook binnen blijven. Regine moet altijd om me heen zijn. Je wilt mij wel behulpzaam zijn, niet waar, Regine?
REGINE. Ik begrijp u niet....
MEVR. ALVING. Behulpzaam zijn?
OSWALD. Ja, als het noodig mocht worden.
MEVR. ALVING. Oswald, heb je dan je moeder niet om je behulpzaam te zijn?
OSWALD. Jij? (_glimlacht_). Neen, moeder, daarmee kan jij me niet helpen (_lacht droevig_). Jij! Haha! (_kijkt haar ernstig aan_). Hoewel, eigenlijk was jij er wel het naaste aan toe (_driftig_). Waarom kan je geen je tegen mij zeggen, Regine? Waarom noem je mij niet Oswald?
REGINE (_zachtjes_). Ik geloof niet dat mevrouw dat goed zou vinden.
MEVR. ALVING. Wacht nog maar even, straks mag je het doen. En kom jij ook hier bij ons zitten.
REGINE (_gaat bescheiden en aarzelend aan den anderen kant van de tafel zitten_).
MEVR. ALVING. En nu, mijn arme geplaagde jongen, nu zal ik den last van je ziel afnemen....
OSWALD. Jij, moeder?
MEVR. ALVING ... alles wat je gewetenswroeging en berouw en zelfverwijt noemt....
OSWALD. En geloof je dat je dàt kunt?
MEVR. ALVING. Ja, nu kan ik het, Oswald. Daar straks sprak je over levensblijheid; en toen ging er als het ware een nieuw licht op over alle dingen van mijn heele leven.
OSWALD (_schudt het hoofd_). Daar begrijp ik niets van.
MEVR. ALVING. Je moest je vader gekend hebben, toen hij nog heel jong luitenant was. _Hij_ was vol levensblijheid!
OSWALD. Ja, dat weet ik.
MEVR. ALVING. Het was als zondagsweer alleen maar om hem te zien. En dan die onstuimige kracht en levensvolheid die in hem waren!
OSWALD. En dan...?
MEVR. ALVING. Nu, toen moest zoo'n levensblij kind,... want hij was nog net een kind toen--toen moest hij hier gaan wonen in een provinciestad die geen vreugde te bieden had, alleen maar wat amusementen. Moest hier rondloopen, waar hij geen levensdoel had, alleen maar een betrekking. Geen werk waaraan hij zich met zijn heele ziel kon wijden,... hij had alleen maar bezigheden. Geen enkelen kameraad die in staat was te voelen wat levensblijheid is;... alleen maar boemelaars en drinkebroers....
OSWALD. Moeder...!
MEVR. ALVING. En zoo ging het dan zoo als het wel gaan moest.
OSWALD. En hoe moest het dan gaan?
MEVR. ALVING. Je zei zelf van avond hoe het met jou gaan zou als je thuisbleef.
OSWALD. Wil je daarmee zeggen dat papa...?
MEVR. ALVING. Je arme vader vond nooit een uitweg voor de overvloeiende levensblijheid die in hem was. Ik bracht ook geen zondagsweer in huis.
OSWALD. Ook jij niet?
MEVR. ALVING. Ze hadden mij wat geleerd van plichten en dergelijke dingen, waaraan ik langen tijd geloofd heb. Alles liep uit op plichten,... _mijn_ plichten en _zijn_ plichten en.... Ik vrees, Oswald, dat ik je armen vader zijn thuis onhoudbaar gemaakt heb.
OSWALD. Waarom heb je mij nooit iets daarover geschreven?
MEVR. ALVING. Ik heb het vroeger nooit zóó ingezien dat ik tegen jou, zijn zoon, het onderwerp kon aanroeren.
OSWALD. En hoe zag je het dan?
MEVR. ALVING (_langzaam_). Ik zag alleen dit ééne maar, dat je vader een verwoest gestel had, vóór jij nog geboren was.
OSWALD (_gedempt_). Ah...! (_hij staat op en gaat naar het raam_).
MEVR. ALVING. En dan vervolgde mij dag in dag uit, die ééne gedachte, dat Regine eigenlijk hier even goed thuis hoorde ... als mijn eigen jongen.
OSWALD (_keert zich plotseling om_). Regine!
REGINE (_komt overeind en vraagt gedempt_). Ik....
MEVR. ALVING. Ja, nu weet je het allebei.
OSWALD. Regine!
REGINE (_in zich zelf_). Dus was moeder van den lichten kant!
MEVR. ALVING. Je moeder was braaf in veel opzichten, Regine.
REGINE. Ja maar, zij was dan toch van den lichten kant. Ja, soms heb ik het wel eens gedacht, maar.... Ja, mevrouw, permitteert u mij dan dat ik maar terstond weg ga...?
MEVR. ALVING. Meen je dat heusch, Regine?
REGINE. Ja, zeker meen ik dat.
MEVR. ALVING. Je bent natuurlijk vrij om te doen zoo als je wilt,... maar....
OSWALD (_gaat naar Regine toe_). Ga je nu weg? Hier hoor je immers thuis.
REGINE. Merci, mijnheer Alving;... ja, nu kan ik ook wel Oswald tegen je zeggen. Maar ik had mij niet voorgesteld dat het op die manier zou zijn....
MEVR. ALVING. Regine, ik ben niet openhartig tegen je geweest....
REGINE. Neen, en dat is schandelijk genoeg! Had ik geweten dat Oswald ziekelijk was, dan.... En nu er dan toch niets van komen kan tusschen ons.... Neen, ik kan heusch niet hier buiten blijven en me afbeulen voor zieke menschen.
OSWALD. Zelfs niet voor iemand die je zoo na bestaat?
REGINE. Neen, waarlijk dat kan ik niet. Een arm meisje moet van haar jeugd profiteeren, want anders zit je op zwart zaad vóór je het weet. En ik heb ook levensblijheid in me, mevrouw!
MEVR. ALVING. Ja, helaas; maar gooi je niet weg, Regine.
REGINE. O, als dat gebeurt, dan zal het wel zoo moeten wezen. Als Oswald naar zijn vader aardt, dan zal ik wel naar mijn moeder aarden, denk ik.... Mag ik vragen, mevrouw, of dominee Manders weet van dit geval met mij?
MEVR. ALVING. Dominee Manders weet er alles van.
REGINE (_druk bezig met haar doek om te doen_). Ja, dan moet ik maar zien zoo gauw mogelijk met de boot weg te komen. Dominee Manders is zoo'n lieve man om iets van gedaan te krijgen; en ik vind eigenlijk dat ik evenveel recht heb op een beetje van dat geld als die akelige schrijnwerker.
MEVR. ALVING. Dat is je van harte gegund, Regine.
REGINE (_kijkt haar strak aan_). Mevrouw had mij wel kunnen opvoeden als een grootelui's kind; dat was gepaster geweest voor mij (_werpt het hoofd in den nek_). Maar wat kan het mij ook schelen! (_met een nijdigen blik op de ongeopende flesch_). Ik zal toch nog wel eens champagne drinken met deftige lui!
MEVR. ALVING. En als je behoefte voelt aan een thuis, Regine, kom dan bij mij.
REGINE. Neen, dank u wel, mevrouw. Dan zal dominee Manders zich wel over mij ontfermen. En als het heelemaal mis gaat met me, dan weet ik immers nu een plek waar ik thuis hoor.
MEVR. ALVING. Waar dan?
REGINE. In kamerheer Alvings Asyl.
MEVR. ALVING. Regine,... nu zie ik het,... jij loopt in je verderf!
REGINE. Och wat! Adieu (_zij groet en gaat door de voorkamer weg_).
OSWALD (_staat bij het raam en kijkt naar buiten_). Is ze weg?
MEVR. ALVING. Ja.
OSWALD (_mompelt in zich zelf_). Dat is een gekke geschiedenis.
MEVR. ALVING (_komt achter hem staan en legt haar handen op zijn schouders_). Oswald, mijn jongen, heeft het je erg geschokt?
OSWALD (_keert haar zijn gezicht toe_). Dat van Papa, bedoel je?
MEVR. ALVING. Van je ongelukkigen vader, ja. Ik ben zoo bang dat het je te veel heeft aangedaan.
OSWALD. Hoe kom je er bij? Ja, 't kwam mij wel heel onverwacht; maar eigenlijk kan het mij heel weinig schelen.
MEVR. ALVING (_neemt haar handen weg_). Kan het je niet schelen dat je vader zoo vreeselijk ongelukkig was?
OSWALD. Natuurlijk kan ik medelijden met hem voelen zoo als met ieder ander, maar....
MEVR. ALVING. Niets anders dan dat! Voor je eigen vader!