Dramatische werken

Chapter 24

Chapter 243,859 wordsPublic domain

OSWALD (_ongeduldig_). Nou ja, vader ... vader.... Ik heb vader immers nooit gekend. Ik herinner mij niets anders van hem, dan dat hij mij eens aan het braken heeft gemaakt.

MEVR. ALVING. Dat is toch een vreeselijke gedachte! Moet een kind dan niet in elk geval liefde voelen voor zijn vader?

OSWALD. Als een kind zijn vader niets te danken heeft? Hem nooit heeft gekend? Hecht je heusch nog aan dat oude bijgeloof, jij, die overigens zoo verlicht bent?

MEVR. ALVING. Zou dat dan enkel maar bijgeloof zijn...!

OSWALD. Ja, dat moet je toch wel inzien, moeder. Dat is zoo een van die opvattingen die nu eenmaal in de wereld gangbaar zijn en dus....

MEVR. ALVING (_geschokt_). Spoken!

OSWALD (_loopt heen en weer_). Ja, je kunt ze gerust spoken noemen.

MEVR. ALVING (_uitbarstend_). Oswald,... dan hou je ook niet van mij!

OSWALD. Jou ken ik ten minste toch....

MEVR. ALVING. Je kent me ... maar is dat alles!

OSWALD. En ik weet immers hoeveel je van mij houdt, en daarvoor moet ik je toch dankbaar zijn. En nu ik ziek ben kan je zoo veel voor mij doen.

MEVR. ALVING. Ja, niet waar, Oswald! O ik zou haast je ziek-zijn kunnen zegenen, omdat het je naar mij toe gedreven heeft. Want ik zie het wel; je bent nog niet van mij; je moet gewonnen worden.

OSWALD (_ongeduldig_). Jawel, jawel. Dat zijn nu maar allemaal van die zeggetjes. Je moet niet vergeten dat ik een zieke ben, moeder. Ik kan mij niet zooveel bezig houden met anderen; ik heb genoeg te denken over mezelf.

MEVR. ALVING (_zachtjes_). Ik zal tevreden en geduldig zijn.

OSWALD. En vroolijk, moeder!

MEVR. ALVING. Ja, mijn jongen, je hebt gelijk (_gaat naar hem toe_). Heb ik nu alle wroeging en zelfverwijt van je afgenomen?

OSWALD. Ja, dat heb je. Maar wie neemt nu den angst weg?

MEVR. ALVING. Den angst?

OSWALD (_loopt heen en weer_). Regine zou het gedaan hebben voor een goed woord.

MEVR. ALVING. Ik begrijp je niet. Wat is dat van dien angst ... en van Regine?

OSWALD. Is het al erg laat in den nacht, moeder?

MEVR. ALVING. Het is al vroeg in den morgen (_kijkt uit de serre naar buiten_). Het wordt al licht boven op de bergen. En het wordt een heldere dag, Oswald! Straks zal je de zon zien.

OSWALD. Daar verheug ik mij op. O, er kan nog veel en velerlei zijn om mij over te verheugen en voor te leven....

MEVR. ALVING. Dat zou ik denken!

OSWALD. Al kan ik dan niet werken, dan....

MEVR. ALVING. O, je zult wel gauw weer kunnen werken, jongen-lief. Nu heb je immers niet meer al die kwellende en drukkende gedachten om over te tobben.

OSWALD. Neen, het was goed dat je al die verkeerde voorstellingen van mij hebt afgenomen. En als ik nu dat ééne nog maar te boven ben.... (_gaat op de canapé zitten_). Nu gaan we een beetje babbelen, moeder.

MEVR. ALVING. Ja, laat ons dat doen (_zij schuift een makkelijken stoel bij de canapé en gaat dicht naast hem zitten_).

OSWALD. ... en intusschen komt de zon op. En dan weet je het. En dan heb ik niet langer dien angst.

MEVR. ALVING. Wàt weet ik dan, zeg je?

OSWALD (_zonder naar haar te luisteren_). Moeder, heb je niet daar straks gezegd, dat er niets was wat je niet voor mij doen zoudt, als ik het je vroeg?

MEVR. ALVING. Ja, zeker, dat heb ik gezegd!

OSWALD. En blijf je daarbij, moeder?

MEVR. ALVING. Daar kan je op vertrouwen, jij mijn lieve, eenige jongen. Ik leef immers voor niets anders dan voor jou alleen.

OSWALD. Ja, ja. Hoor nu eens.... Jij, moeder, hebt een sterke, moedige ziel, dat weet ik. Je moet heel rustig blijven zitten, als je het hoort.

MEVR. ALVING. Maar wat is er dan voor vreeselijks...!

OSWALD. Je moet niet gillen, hoor je? Beloof je mij dat? Wij zullen er heel kalm over praten. Beloof je mij dat, moeder?

MEVR. ALVING. Ja, ja, ik beloof het je; maar zeg het dan...!

OSWALD. Nou; dan zal ik je zeggen dat die moeheid,... en dat ik er niet aan denken kan te werken,... dat dat alles niet mijn eigenlijke ziekte is....

MEVR. ALVING. Wat is dan je ziekte?

OSWALD. Mijn ziekte, die ik als erfstuk heb gekregen, die ... (_wijst op zijn voorhoofd en voegt er heel zachtjes bij_) zit hier.

MEVR. ALVING (_bijna sprakeloos_). Oswald! neen ... neen!

OSWALD. Niet gillen. Dat kan ik niet verdragen. Ja, moeder, die zit daarbinnen en ligt op de loer. En die kan ieder oogenblik uitbreken.

MEVR. ALVING. O, hoe ontzettend...!

OSWALD. Kalm nu maar. Zoo staat het nu met mij....

MEVR. ALVING (_springt op_). Dat is niet waar, Oswald! Dat is onmogelijk! Dat kán niet waar zijn!

OSWALD. In Parijs heb ik één aanval gehad. Die ging gauw weer over. Maar toen ik hoorde hoe het met mij geweest was, toen kwam er zoo'n razende angst over mij; en toen reisde ik naar huis, naar jou toe, zoo gauw ik kon.

MEVR. ALVING. Dat is dus die angst...!

OSWALD. Ja, want dat is niet-te-zeggen afschuwelijk, zie je. O, als het maar een gewone doodelijke ziekte was geweest ... want ik ben niet zoo bang om dood te gaan, al wil ik graag zoo lang mogelijk blijven leven.

MEVR. ALVING. Ja, zeker, Oswald, dat moet je ook.

OSWALD. Maar dat is zoo vreeselijk afschuwelijk om als 't ware weer een bakerkind te worden; om gevoed te moeten worden, en.... O,... dat is niet te zèggen!

MEVR. ALVING. 't Kind heeft zijn moeder om hem te verzorgen.

OSWALD (_springt op_). Neen, dat nooit; dat is het juist wat ik niet wil! Ik kan er niet aan denken dat ik misschien jarenlang zoo zou moeten liggen,... en oud en grijs worden. En dan kon jij nog wel vóór mij dood gaan in dien tijd. (_Gaat in mevrouws stoel zitten_). Want het behoeft niet dadelijk doodelijk te zijn, zei de dokter. Hij noemde het een soort van hersenverweeking ... of zoo iets. (_glimlacht droevig_). Ik vind dat dat zoo mooi klinkt. Ik moet dan altijd denken aan kersroode zijfluweelen draperieën,... iets dat zacht is om langs te strijken met je hand.

MEVR. ALVING (_roept_). Oswald!

OSWALD (_springt weer op en loopt door de kamer_). En nu heb je mij Regine afgenomen...! Had ik haar maar gehad. Zij zou mij wel geholpen hebben.

MEVR. ALVING (_gaat naar hem toe_). Wat meen je daarmee, mijn lieveling? Is er dan iets ter wereld waarmee ik je niet zou willen helpen?

OSWALD. Toen ik te Parijs weer van dien aanval hersteld was, zei de dokter mij, dat als het weer terug kwam ... en het komt terug ... dat er dan geen hoop meer was.

MEVR. ALVING. En hij was zoo onbarmhartig om je....

OSWALD. Ik eischte het van hem. Ik zei hem dat ik beschikkingen te maken had.... (_glimlacht listig_). En dat had ik ook..., (_haalt een doosje uit zijn borstzak_). Moeder, zie je dat?

MEVR. ALVING. Wat is dat?

OSWALD. Morfinepoeders.

MEVR. ALVING (_kijkt hem verschrikt aan_). Oswald,... mijn jongen?

OSWALD. Ik heb twaalf capsules opgespaard.

MEVR. ALVING (_grijpt er naar_). Geef mij dat doosje, Oswald!

OSWALD. Nog niet, moeder, (_hij stopt het weer in zijn zak_).

MEVR. ALVING. Dat overleef ik niet!

OSWALD. Je moet het overleven. Had ik Regine nu maar hier gehad, dan had ik haar gezegd hoe het met mij stond ... en haar om dien laatsten dienst gevraagd. Zij zou mij wel geholpen hebben; daar ben ik zeker van.

[Illustratie: Mevr. W. Schwab-Welman en de Heer E.P. Erfmann Jr. als Mevr. Alving en Oswald in "Spoken" (3e Bedrijf)]

MEVR. ALVING. Nooit.

OSWALD. Als het vreeselijke gekomen was en zij mij hier hulpeloos zag liggen, als een klein kind, opgegeven, verloren, hopeloos,... niet meer te redden....

MEVR. ALVING. Nooit van haar leven had Regine dat gedaan!

OSWALD. Regine had het wèl gedaan. Regine was zoo heerlijk luchthartig. En het zou haar ook gauw verveeld hebben zoo'n zieke als ik ben op te passen.

MEVR. ALVING. Dan dank ik den Hemel dat Regine er niet meer is!

OSWALD. Ja, nu moet jij mij dus dien dienst bewijzen, moeder.

MEVR. ALVING (_gilt_). Ik!

OSWALD. Wie is er nader aan toe dan jij?

MEVR. ALVING. Ik! Je moeder!

OSWALD. Juist daarom.

MEVR. ALVING. Ik, die je het leven gegeven heb!

OSWALD. Ik heb je niet om dat leven gevraagd! En wat is dat voor een leven dat je mij gegeven hebt? Ik wil het niet hebben! Je moet het terug nemen!

MEVR. ALVING. Help! Help! (_zij loopt naar de voorkamer_).

OSWALD (_haar achterna_). Loop niet van mij weg! Waar wil je heen?

MEVR. ALVING (_in de voorkamer_). Den dokter voor je halen, Oswald! Laat mij er uit!

OSWALD (_ook daar_). Je gaat er niet uit. En hier komt niemand binnen. (_Er wordt een sleutel omgedraaid_).

MEVR. ALVING (_komt terug_). Oswald! Oswald,... mijn kind!

OSWALD (_komt achter haar_). En jij wilt zeggen dat je mij als een moeder lief hebt ... jij, die mij al dien onzegbaren angst kunt zien lijden!

MEVR. ALVING. (_Na een oogenblik stilte, zegt met groote zelfbeheersching_). Hier heb je mijn hand er op.

OSWALD. Wil je...?

MEVR. ALVING. Als het noodig mocht worden. Maar het zal niet noodig zijn. Neen, neen, dat zal 't nooit worden!

OSWALD. Ja, laat ons dat hopen. En laat ons zoo lang bij elkaar blijven als we kunnen. Dankje, moeder.

(_Hij gaat in den grooten stoel zitten dien mevr. bij de canapé geschoven heeft. De dag komt aan; de lamp blijft branden op de tafel_).

MEVR. ALVING (_komt voorzichtig bij hem_). Voel je je nu rustig?

OSWALD. Ja.

MEVR. ALVING (_over hem heengebogen_). Dat is een vreeselijke voorstelling van je geweest, Oswald. Niets dan verbeelding. Al die emoties heb je niet kunnen verdragen. Maar nu moet je uitrusten, thuis bij je eigen moeder, jij mijn hartekind! Alles waar je maar naar wijst, zal je hebben, net als toen je een klein kindje was.... Ziezoo. Nu is de aanval voorbij. Zie je wel, hoe gemakkelijk het over ging? O, dat wist ik ook wel.... En kijk eens, Oswald, wat een mooien dag wij krijgen? Heerlijke zonneschijn! Nu kan je je land pas goed zien. (_Zij gaat naar de tafel en draait de lamp uit. Zonsopgang. De gletscher en de bergtoppen op den achtergrond liggen in het stralende morgenlicht_).

OSWALD (_zit in den stoel met zijn rug naar den achtergrond, zonder zich te bewegen. Plotseling zegt hij_): Moeder, geef mij de zon.

MEVR. ALVING (_bij de tafel ziet hem verschrikt aan_). Wat zeg je?

OSWALD (_herhaalt dof en toonloos_). De zon. De zon.

MEVR. ALVING (_vlakbij hem_). Oswald, hoe is het met je?

OSWALD (_schijnt in den stoel in elkaar te zakken; alle spieren worden slap; zijn gezicht verliest alle uitdrukking; de oogen staren wezenloos voor zich uit_).

MEVR. ALVING (_bevend van angst_). Wat is dat (_gilt_) Oswald! Wat is er! (_valt op de knieën bij hem neer en schudt hem_) Oswald! Oswald! Kijk me aan! Ken je mij niet?

OSWALD (_toonloos als voren_). De zon. De zon.

MEVR. ALVING (_springt wanhopig op, grijpt met beide handen in haar haren en roept_): Dat kan ik niet dragen! (_fluistert als verstijfd van schrik_). Dat kan ik niet dragen! Nooit! (_plotseling_). Waar heeft hij ze gelaten? (_voelt pijlsnel op zijn borst_). Hier! (_wijkt een paar stappen terug en gilt_). Neen, neen! (_zij staat een paar passen van hem af, de handen in het haar en staart hem in sprakelooze ontzetting aan_).

OSWALD (_zit onbeweeglijk als te voren en zegt_) De zon. De zon.

EINDE VAN HET DERDE OF LAATSTE BEDRIJF.

* * * * *

EEN VIJAND DES VOLKS

TOONEELSPEL IN VIJF BEDRIJVEN

* * * * *

PERSONEN:

DOKTER THOMAS STOCKMANN, baddokter. MEVROUW STOCKMANN, zijn vrouw. PETRA, hunne dochter, onderwijzeres. EJLIF en MORTEN, hun zonen, dertien en tien jaar oud. PETER STOCKMANN, oudere broeder van den dokter, burgemeester, hoofd van de politie en president van het Bestuur der Badinrichting, enz. MORTEN KUL, leerlooier, pleegvader van Mevr. Stockmann. HOVSTAD, redacteur van de "Volksbode". BILLING, medewerker aan dat blad. HORSTER, scheepskapitein. ASLAKSEN, boekdrukker.

Het stuk speelt in een kustplaats in Zuidelijk Noorwegen.

* * * * *

EERSTE BEDRIJF.

De huiskamer van den dokter. Het is avond. De kamer is netjes maar heel eenvoudig ingericht en gemeubileerd. In den zijwand rechts zijn twee deuren, waarvan de achterste naar de voorkamer leidt en de voorste naar de werkkamer van den dokter. In den tegenovergestelden wand, vlak tegenover de deur naar de voorkamer, is een deur die naar de overige vertrekken van het gezin leidt. Midden in dien zelfden wand staat de kachel, en meer op den voorgrond een canapé, met een spiegel er boven en een ovale tafel met kleed, er voor. Op de tafel een brandende lamp met kap. Op den achtergrond een open deur naar de eetkamer. Daarbinnen is gedekt voor het avondeten; lamp op tafel.

Billing zit in de eetkamer met een servet onder zijn kin. Mevr. Stockmann staat bij de tafel en reikt hem een schotel aan met een groot stuk gebraden vleesch. De overige plaatsen om de tafel zijn onbezet; op de tafel staat alles in wanorde als na het einde van een maaltijd.

* * * * *

MEVR. STOCKMANN. Ja, als u een uur te laat komt, mijnheer Billing, moet u tevreden zijn met koud eten.

BILLING (_etend_). Het smaakt uitstekend,... heerlijk zelfs.

MEVR. STOCKMANN. U weet wel dat Stockmann erg precies is op zijn etensuren....

BILLING. Dat kan mij heelemaal niet schelen. Ik geloof haast dat het nog beter smaakt als ik zoo heel alleen en ongestoord eten kan.

MEVR. STOCKMANN. Nu, goed; als 't u maar smaakt, dan.... (_luistert naar de voorkamer_) Daar komt Hovstad zeker ook.

BILLING. Misschien wel.

(_Burgemeester Stockmann komt binnen, in overjas en met zijn uniformpet op; zijn stok in de hand_).

BURGEM. STOCKMANN. Goeden avond, waarde schoonzuster.

MEVR. STOCKMANN (_gaat naar de huiskamer_). Kijk eens aan, is u daar? Goeden avond. Dat is aardig van u dat u eens bij ons komt.

BURGEM. STOCKMANN. Ik kwam juist voorbij en toen.... (_met een blik naar de eetkamer_) O, maar u heeft bezoek, naar 't schijnt.

MEVR. STOCKMANN (_een beetje verlegen_). O, neen, volstrekt niet, dat is maar toevallig (_snel_). Wil u niet ook een stukje mee eten?

BURGEM. STOCKMANN. Ik! Dank u wel; Godbewaarme warm eten 's avonds; dat gedoogt mijn spijsvertering niet.

MEVR. STOCKMANN. O, maar, voor een enkelen keer....

BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je wel. Ik hou me aan een kopje thee en een boterhammetje. Dat is toch gezonder op den duur,... en ook wel wat goedkooper.

MEVR. STOCKMANN (_glimlacht_). U moet niet denken dat Thomas en ik het ook zoo over den balk gooien.

BURGEM. STOCKMANN. U niet, schoonzuster; dat zij verre van mij (_wijst naar de werkkamer van den dokter_). Is hij soms niet thuis?

MEVR. STOCKMANN. Neen, hij is nog een eindje omgegaan na het eten ... hij en de jongens.

BURGEM. STOCKMANN. Of dat nu wel gezond is? (_luistert_). Daar komt hij geloof ik.

MEVR. STOCKMANN. Neen, dat zal hij nog niet zijn (_er wordt geklopt_). Binnen! (_Hovstad komt uit de voorkamer_).

MEVR. STOCKMANN. O, is u dat, mijnheer Hovstad...?

HOVSTAD. Ja, ik maak u mijn excuses; maar ik werd opgehouden in de drukkerij. Goeden avond, burgemeester.

BURGEM. STOCKMANN (_groet een beetje stijf_). Mijnheer Hovstad. U komt zeker voor zaken.

HOVSTAD. Gedeeltelijk. 't Is voor iets dat in ons blad komen moet.

BURGEM. STOCKMANN. Dat kan ik mij voorstellen. Mijn broer moet een bizonder vruchtbaar medewerker van de "Volksbode" zijn, naar ik hoor.

HOVSTAD. Ja, hij permitteert zich in de "Volksbode" te schrijven, wanneer hij over het een of ander de waarheid zeggen wil.

MEVR. STOCKMANN (_tegen Hovstad_). Maar wil u niet...? (_wijst naar de eetkamer_).

BURGEM. STOCKMANN. O, ik neem het hem volstrekt niet kwalijk, dat hij schrijft voor den kring van lezers bij wie hij de meeste instemming kan verwachten. Overigens heb ik persoonlijk geen reden om iets tegen uw blad te hebben, mijnheer Hovstad.

HOVSTAD. Neen, dat dunkt mij ook.

BURGEM. STOCKMANN. Over het geheel genomen heerscht er een mooie geest van verdraagzaamheid in onze stad;... een waarlijk goede gemeenschapsgeest. En dat komt daar vandaan dat wij ons om een groot algemeen belang vereenigen kunnen,... een belang dat in gelijke mate alle rechtschapen burgers aangaat....

HOVSTAD. De badinrichting, ja.

BURGEM. STOCKMANN. Juist. Wij hebben allen onze groote, nieuwe, prachtige badinrichting. Let op! De baden worden hier nog de voornaamste bron van inkomsten voor de stad, mijnheer Hovstad. Zonder eenigen twijfel!

MEVR. STOCKMANN. Dat zegt Thomas ook.

BURGEM. STOCKMANN. Wat is de plaats niet reusachtig vooruitgegaan deze laatste paar jaren! Er is geld onder de menschen gekomen; leven en beweging. Gebouwen en grondeigendommen stijgen iederen dag in waarde.

HOVSTAD. En de werkeloosheid vermindert.

BURGEM. STOCKMANN. Dat ook, ja. De armenlasten zijn voor de bezittende klasse in verblijdende mate verminderd, en dat zal nog beter worden, als wij dit jaar maar een mooien zomer krijgen;... een massa vreemdelingen en veel zieken waardoor de inrichting bekend wordt....

HOVSTAD. En daar is wel uitzicht op, hoor ik.

BURGEM. STOCKMANN. Het ziet er veelbelovend uit. Iederen dag komen er al aanvragen om woningen en zoo al meer.

HOVSTAD. Nu, dan komt het artikel van den dokter juist van pas.

BURGEM. STOCKMANN. Heeft hij nu weer wat geschreven?

HOVSTAD. Het is iets dat hij verleden winter al schreef; een aanbeveling van de badinrichting, een uiteenzetting van den gunstigen gezondheidstoestand hier bij ons. Maar toen liet ik het stuk liggen.

BURGEM. STOCKMANN. Aha, dan was er zeker het een of ander niet in den haak?

HOVSTAD. Neen, dat niet; maar ik hield het voor beter er mee te wachten tot 't voorjaar; want nu beginnen de menschen voorbereidselen te maken en te denken over een zomerverblijf....

BURGEM. STOCKMANN. Zeer juist; buitengewoon juist gezien, mijnheer.

MEVR. STOCKMANN. Ja, Thomas is waarlijk onvermoeid waar het de badinrichting betreft.

BURGEM. STOCKMANN. Nu ja, hij is er dan ook bij aangesteld.

HOVSTAD. Ja, en dan is hij het toch ook, die er den eersten stoot aan heeft gegeven.

BURGEM. STOCKMANN. Is _hij_ dat? Zóó? Ja, ik hoor wel eens meer dat sommige menschen dat denken. Maar ik geloof toch wel dat _ik_ ook voor een bescheiden deel in die zaak betrokken was.

MEVR. STOCKMANN. Ja zeker; dat zegt Thomas ook altijd.

HOVSTAD. Maar wie ontkent dat dan, burgemeester? U heeft de zaak op gang geholpen en praktisch uitgevoerd; dat weten wij immers allemaal. Ik bedoelde alleen maar dat het idee oorspronkelijk van den dokter kwam.

BURGEM. STOCKMANN. Ja, idees heeft mijn broer zeker genoeg gehad, zijn leven lang ... helaas. Maar als er iets uitgevoerd moet worden is er een ander slag van mannen noodig, mijnheer Hovstad. En ik dacht eigenlijk dat men allerminst hier in huis....

MEVR. STOCKMANN. Maar waarde zwager....

HOVSTAD. Maar hoe kan burgemeester toch....

MEVR. STOCKMANN. Ga u toch binnen om wat te gebruiken, mijnheer Hovstad; mijn man zal in dien tusschentijd wel komen.

HOVSTAD. Dank u; een klein stukje wil ik wel.... (_gaat in de eetkamer_).

BURGEM. STOCKMANN (_gedempt_). 't Is toch vreemd met die lui die zoo regelrecht van boeren afstammen ... nooit kunnen zij die takteloosheid afleeren....

MEVR. STOCKMANN. Maar dat is toch niet de moeite waard om er over te denken? Kan u met Thomas die eer niet broederlijk deelen?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat zou je zoo zeggen; maar blijkbaar neemt niet iedereen genoegen met deelen.

MEVR. STOCKMANN. Och onzin! U en Thomas kunnen immers zoo uitstekend samen overweg (_luistert_). Daar komt hij, geloof ik (_gaat de deur van de voorkamer opendoen_).

DR. STOCKMANN (_lacht en stommelt_). Kijk eens Katrine, hier krijg je nog een gast. Jolig, hè? Alsjeblieft, kapitein Horster; hang uw jas maar aan den kapstok. O zoo, draagt u geen overjas? Verbeeld je, ik heb hem op straat opgevangen; hij was haast niet mee te krijgen.

KAPITEIN HORSTER (_komt binnen en begroet mevr. Stockmann_).

DR. STOCKMANN (_in de deur_). Naar binnen, jongens! Zeg, die rammelen alweer van den honger! Kom hier, kapitein, nu zal u eens een lekker stukje vleesch proeven.... (_hij drijft Horster de eetkamer in. Ejlif en Morten gaan die ook binnen_).

MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas, zie je dan niet...?

DR. STOCKMANN (_wendt zich om in de deur_). O, ben jij daar Peter! (_gaat hem de hand reiken_). Dat is alleraardigst.

BURGEM. STOCKMANN. Ja, maar ik moet helaas terstond weer weg.

DR. STOCKMANN. Praatjes! Aanstonds komt de grog op tafel. Je vergeet toch de grog niet, Katrine?

MEVR. STOCKMANN. Neen, zeker niet; het water kookt al (_af in de eetkamer_).

BURGEM. STOCKMANN. Grog ook al!...

DR. STOCKMANN. Ja. Ga nu toch zitten, dan maken wij het hier gezellig.

BURGEM. STOCKMANN. Dank je, neen; ik doe nooit mee aan grog-fuiven.

DR. STOCKMANN. Nu maar dit is toch geen fuif.

BURGEM. STOCKMANN. Mij lijkt het toch zoo.... (_kijkt naar de eetkamer_). Het is merkwaardig wat die allemaal verslinden kunnen.

DR. STOCKMANN (_wrijft zich de handen_). Ja, is dat geen genot om jonge menschen te zien eten? Altijd eetlust, wat? Zoo moet het ook zijn. Eten moeten ze. Krachten opdoen! Zij zijn de menschen die de gistende toekomststoffen zullen omwoelen, Peter.

BURGEM. STOCKMANN. Mag ik vragen wat hier "om te woelen" is, zooals je je uitdrukt?

DR. STOCKMANN. Ja, daar moet je de jeugd maar naar vragen ... als de tijd daar is. Wij zien dat natuurlijk niet meer. Dat spreekt. Twee oude knullen, zooals jij en ik....

BURGEM. STOCKMANN. Nou, nou, zeg! Dat is toch een heel zonderlinge benaming....

DR. STOCKMANN. Ja, je moet 't maar zoo nauw niet met me nemen, Peter. Want ik ben zoo innig blij en in mijn schik, moet ik je zeggen. Ik voel me zoo onbeschrijflijk gelukkig midden in dit kiemende, uitbottende leven. Wat een heerlijke tijd is het toch waarin wij leven. Het is of er een heele nieuwe wereld rondom ons aan het opbloeien is.

BURGEM. STOCKMANN. Vindt je dat waarlijk?

DR. STOCKMANN. Jij kunt dat natuurlijk niet zoo zien als ik. Jij hebt je heele leven hier met dat alles meegeleefd; en dan stompt de indruk af. Maar ik die daar in mijn uithoek in het Noorden moest zitten al die jaren, haast nooit een vreemde zag die een opwekkend woord voor mij had,... op mij werkt dat alsof ik plotseling in het drukke leven van een wereldstad ben verplaatst.

BURGEM. STOCKMANN. Hm,... een wereldstad....

DR. STOCKMANN. Ja, ik weet wel dat de verhoudingen hier klein zijn in vergelijking met vele andere plaatsen. Maar hier is leven, belofte voor de toekomst, een aantal dingen om voor te werken en te strijden; en dát is de hoofdzaak (_roept_): Katrine, is de brievenbesteller er niet geweest?

MEVR. STOCKMANN. Neen, er is niemand geweest.

DR. STOCKMANN. En dan het goede leven hier, Peter! Dat is iets dat iemand leert waardeeren, als je, zooals wij, nagenoeg honger geleden hebt....

BURGEM. STOCKMANN. Lieve hemel!...

DR. STOCKMANN. Ja, ja, je kunt je wel begrijpen dat wij het menigmaal benauwd hadden, daar in het hooge Noorden. En nu als een heer te kunnen leven! Vandaag, bijvoorbeeld, hebben wij gebraden rundvleesch op tafel gehad; ja wij hebben er zelfs van avond ook nog van. Wil je niet eens een stukje proeven? Of zal ik het je ten minste even laten zien? Kom eens hier....

BURGEM. STOCKMANN. Neen, neen, dank je, stellig niet....

DR. STOCKMANN. Nou, kom dan toch maar eens hier. Kijk, wij hebben een tafelkleed gekregen.

BURGEM. STOCKMANN. Ja dat heb ik gezien.

DR. STOCKMANN. En een lampekap hebben we ook. Zie je? Dat heeft Katrine allemaal van gespaard geld aangeschaft. En dat maakt de kamer zoo gezellig. Vind je ook niet? Ga hier eens staan;... neen, neen, niet zoo. Zóó, ja? Zie je, als het licht er zoo geconcentreerd op valt.... Ik vind heusch dat het elegant staat. Hè?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, als men zich die weelde veroorloven kan....

DR. STOCKMANN. O ja, nu kan ik mij die wel veroorloven; Katrine zegt dat ik bijna zoo veel verdien als wij noodig hebben.

BURGEM. STOCKMANN. Bijna, ja...!

DR. STOCKMANN. Maar een man van de wetenschap dient toch ook een beetje voornaam te leven. Ik ben er zeker van dat een gewoon lid van het gemeentebestuur veel meer verteert in een jaar dan ik.