Dramatische werken

Chapter 25

Chapter 253,929 wordsPublic domain

BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat geloof ik graag! Een lid van het gemeentebestuur, een overheidspersoon!...

DR. STOCKMANN. Nou, dan een gewoon groothandelaar! Zoo een verteert wel ik weet niet hoeveel maal zooveel als ik.

BURGEM. STOCKMANN. Ja, dat brengt hun positie nu zoo mee.

DR. STOCKMANN. Overigens doe ik heelemaal geen onnoodige uitgaven, Peter! Maar ik kan mij toch niet het groote genoegen ontzeggen om menschen bij mij te zien. Dat heb ik noodig, zie je. Ik, die zoolang in verbanning geleefd heb;... voor mij is het een levensbehoefte om met jonge, frissche, moedige jonge menschen, vrijzinnige, ondernemende jonge menschen;... en dat zijn ze, die allemaal, die daarbinnen zoo lekker zitten te eten. Ik wou dat je Hovstad wat nader leerde kennen....

BURGEM. STOCKMANN. Ja, Hovstad ... dat is waar, hij vertelde mij, dat hij weer een artikel van je zou opnemen in zijn courant.

DR. STOCKMANN. Een artikel van mij?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, over de badinrichting. Een artikel dat je van den winter al geschreven hadt.

DR. STOCKMANN. O dat, ja!... Neen, maar dat wil ik nu vooreerst niet geplaatst hebben.

BURGEM. STOCKMANN. Niet? Ik vind toch dat het juist nu de beste tijd er voor is.

DR. STOCKMANN. Ja, daar kan je wel gelijk in hebben, in gewone omstandigheden.... (_loopt door de kamer_)

BURGEM. STOCKMANN (_volgt hem met de oogen_). Wat zijn er dan nu voor ongewone omstandigheden?

DR. STOCKMANN (_blijft staan_). Ja, Peter, dat kan ik je op het oogenblik heusch nog niet zeggen, in elk geval van avond niet. Misschien is er heel veel ongewoons in de omstandigheden, of misschien ook heelemaal niets. Het kan heel goed zijn dat het maar verbeelding is.

BURGEM. STOCKMANN. Ik moet bekennen dat dit uiterst raadselachtig klinkt. Is er iets aan de hand? Iets waar ik buiten gehouden moet worden? Ik zou toch meenen, dat ik, als president van het bestuur der badinrichting....

DR. STOCKMANN. En ik zou toch meenen dat ik ... neen, laten we elkaar niet in het haar vliegen, Peter.

BURGEM. STOCKMANN. De Hemel bewaar me; 't is mijn gewoonte niet om iemand in het haar te vliegen, zooals je zegt. Maar ik moet er heel beslist op aandringen dat alle maatregelen langs officieelen weg en door de wettig daarvoor aangestelde machten behandeld worden. Ik kan niet toestaan dat men langs kronkelpaden of achterwegen gaat.

DR. STOCKMANN. Ben _ik_ gewoon langs kronkelpaden of achterwegen te gaan?

BURGEM. STOCKMANN. Je hebt in elk geval een ingeboren neiging om je _eigen_ weg te gaan. En dat is in een goed geregelde maatschappij al haast evenmin toe te laten.... De eenling moet zich volstrekt aan de meerderheid onderwerpen of, juister gezegd, aan de gestelde machten die te waken hebben over het algemeen welzijn.

DR. STOCKMANN. Dat mag waar zijn. Maar wat drommel gaat mij dat aan?

BURGEM. STOCKMANN. Omdat je dat maar nooit schijnt te kunnen leeren, mijn goede Thomas. Maar pas op; je zult daar nog eens leergeld voor moeten betalen; vroeg of laat. Nu, ik heb je gewaarschuwd. Adieu.

DR. STOCKMANN. Maar ben je nu stapelgek? Je bent het spoor heelemaal bijster....

BURGEM. STOCKMANN. Dat overkomt mij toch anders niet dikwijls. Overigens moet ik je verzoeken.... (_groet naar de eetkamer_). Adieu, Katrine. Adieu, heeren (_gaat weg_).

MEVR. STOCKMANN (_komt in de huiskamer_). Is hij weg?

DR. STOCKMANN. Ja, zeg; en zoo nijdig als een spin.

MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas-lief, wat heb je hem dan nu weer gedaan?

DR. STOCKMANN. Niemendal. Hij kan toch niet verlangen dat ik hem rekenschap zal afleggen vóór de tijd daar is.

MEVR. STOCKMANN. Waarvan moest je hem rekenschap geven?

DR. STOCKMANN. Hm; niet naar vragen, Katrine.... Vreemd dat de post nog niet komt.

(_Hovstad, Billing en Horster zijn van tafel opgestaan en komen in de huiskamer. Ejlif en Morten komen even daarna_).

BILLING (_rekt zich uit_). Hè, na zoo'n souper voel je je goddome een ander mensch.

HOVSTAD. De burgemeester was niet erg in zijn knollen-tuin vandaag.

DR. STOCKMANN. Dat komt van zijn maag. Hij lijdt aan slechte spijsvertering.

HOVSTAD. Ik denk dat voornamelijk wij, van de "Volksbode", hem wat zwaar in de maag liggen.

MEVR. STOCKMANN. U is er toch nog al goed afgekomen bij hem, dunkt me.

HOVSTAD. O jawel, maar dat is maar een soort van wapenstilstand.

BILLING. Dát is het! Dat woord teekent den toestand.

DR. STOCKMANN. Wij moeten bedenken dat Peter een eenzaam levend mensch is, de stakkerd! Hij heeft geen eigen thuis waar hij het gezellig hebben kan; hij heeft altijd maar zaken, zaken. En al die verdomde slappe thee, waar hij zich mee vol giet. Komt jongens, schuift toch stoelen bij de tafel! Katrine, krijgen we nu de grog?

MEVR. STOCKMANN (_naar de eetkamer gaande_). Ik zal ze je dadelijk geven.

DR. STOCKMANN. En gaat u nu op de canapé zitten, kapitein. Een zeldzame gast als u.... Alsjeblieft, neemt plaats, vrienden.

(_De heeren gaan om de tafel zitten. Mevr. Stockmann brengt een blad met een bouilloir, glazen, karaffen enz_).

MEVR. STOCKMANN. Ziedaar; hier is arak, en dit is rhum; en hier staat cognac. Nu moet ieder zich zelf maar bedienen.

DR. STOCKMANN (_neemt een glas_). Ja, dat zullen we hebben (_terwijl de grog gemengd wordt_). En dan de sigaren. Ejlif, jij weet wel waar het kistje staat. En jij, Morten, moest mijn pijp eens halen (_de jongens gaan in de kamer rechts_). Ik verdenk Ejlif dat hij wel eens een sigaar kaapt nu en dan, maar ik doe alsof ik niets merk (_roept_). En ook mijn kalotje, Morten! Katrine, kan jij hem niet eens zeggen waar ik het heb neergelegd. O, hij heeft het al! (_de jongens brengen het verlangde_). Asjeblieft, vrienden. Ik hou mij bij mijn pijp zooals je weet. Die heeft al heel wat tochten in stormweer met mij meegemaakt, daarginder in 't Noorden (_klinkt_). Op je welzijn! Jongens, het is toch heel wat beter om hier warm en rustig te zitten, hoor!

MEVR. STOCKMANN (_breiend_). Zeilt u al gauw weer uit, kapitein?

HORSTER. In de volgende week denk ik hier klaar te komen.

MEVR. STOCKMANN. En dan gaat u immers naar Amerika?

HORSTER. Ja, dat is het plan.

BILLING. Maar dan kan u niet meedoen aan de nieuwe verkiezingen.

HORSTER. Zijn hier dan nieuwe verkiezingen aanstaande?

BILLING. Weet u dat niet?

HORSTER. Neen, ik bemoei mij niet met die dingen.

BILLING. Maar u stelt toch belang in de publieke zaak?

HORSTER. Neen, daar heb ik geen verstand van.

BILLING. Enfin; maar iemand moet toch in elk geval stemmen.

HORSTER. Die er niets van begrijpen ook?

BILLING. Er niets van begrijpen? Wat meent u daar eigenlijk mee? De maatschappij is als een schip; alle mannen moeten meehelpen aan het roer.

HORSTER. Dat kan misschien goed zijn aan land; maar aan boord zou dat niet best gaan.

HOVSTAD. 't Is vreemd dat de meeste zeelui zich zoo weinig interesseeren voor de zaken aan land.

BILLING. Heel merkwaardig.

DR. STOCKMANN. Zeelui zijn als trekvogels; die voelen zich zoowel in het zuiden als in het noorden thuis. Maar daarom moeten wij hier zooveel te meer doen, mijnheer Hovstad. Komt er morgen iets van algemeen belang in de "Volksbode"?

HOVSTAD. Niets over plaatselijke aangelegenheden. Maar overmorgen dacht ik uw artikel te plaatsen....

DR. STOCKMANN. Ja, bliksems, dat artikel! Neen, hoor, daar moet u nog mee wachten.

HOVSTAD. Zoo? Wij hebben er nu net zoo goed plaats voor, en mij dunkt het is nu juist de gunstigste tijd....

DR. STOCKMANN. Jawel, dat kan wel waar zijn; maar u moet er toch mee wachten. Ik zal u later wel ophelderen....

(_Petra, met hoed en mantel en een pak schriften onder haar arm, komt uit de voorkamer_).

PETRA. Goeden avond.

DR. STOCKMANN. Goeden avond, Petra, ben je daar? (_wederzijdsche begroetingen; Petra legt hoed en mantel op een stoel bij de deur_).

PETRA. En daar zitten ze zich hier maar te goed te doen, terwijl ik mij buiten afbeul!

DR. STOCKMANN. Nou, doe jij je dan ook maar eens te goed.

BILLING. Zal ik u een glaasje klaar maken?

PETRA (_gaat naar de tafel_), Dank u; dat doe ik liever zelf; u maakt het altijd veel te sterk. Maar 't is waar ook, vader, ik heb een brief voor je (_gaat naar den stoel waar haar hoed ligt_).

DR. STOCKMANN. Een brief? Van wie?

PETRA (_zoekt in den zak van haar mantel_). De brievenbesteller gaf hem mij juist toen ik uit ging....

DR. STOCKMANN (_staat op en gaat naar haar toe_). En breng je mij dien nu pas!

PETRA. Ik had heusch geen tijd om er weer mee terug te gaan. Alsjeblieft.

DR. STOCKMANN (_grijpt den brief_). Laat zien, laat zien, kind! (_kijkt naar het adres_). Ja juist, juist...!

MEVR. STOCKMANN. Is het dat waar je zoo lang op gewacht hebt, Thomas?

DR. STOCKMANN. Ja juist; nu moet ik dadelijk naar mijn kamer.... Waar vind ik een licht, Katrine? Er is al weer geen lamp in mijn kamer!

MEVR. STOCKMANN. Jawel, de lamp staat aangestoken op je schrijftafel.

DR. STOCKMANN. Goed; best. Excuseert mij een oogenblik.... (_gaat in zijn kamer rechts_).

PETRA. Wat zou dat kunnen zijn, moeder?

MEVR. STOCKMANN. Ik weet 't niet; in de laatste dagen heeft hij zoo dikwijls naar den brievenbesteller gevraagd.

BILLING. Vermoedelijk een patiënt buiten de stad.

PETRA. Arme vader; hij krijgt haast al te veel te doen (_maakt een glas grog klaar_). Hè, dat zal smaken!

HOVSTAD. Heeft u van daag ook les gegeven in de avondschool?

PETRA (_proeft van haar grog_). Twee uur.

BILLING. En in den voormiddag vier uur in het instituut....

PETRA (_gaat bij de tafel zitten_). Vijf uur.

MEVR. STOCKMANN. En van avond heb je nog schriften te corrigeeren, zie ik.

PETRA. Ja, een heele vracht.

HORSTER. U heeft ook heel wat te doen, naar 't schijnt.

PETRA. Ja, maar dat is heerlijk. Dan ben je naderhand zoo verrukkelijk moe.

BILLING. Vindt u dat heerlijk?

PETRA. Ja; dan slaap je zoo lekker.

MORTEN. Zeg, Petra, jij moet wel erg zondig zijn.

PETRA. Zondig?

MORTEN. Ja, als je zooveel werkt. Mijnheer Rörlund zegt dat werken een straf is voor onze zonden.

EJLIF (_fluit_). Poeh! Wat ben jij dom om zoo iets te gelooven.

MEVR. STOCKMANN. Nou, nou, Ejlif!

BILLING (_lacht_). Neen, die is prachtig!

HOVSTAD. Zou jij niet graag zooveel willen werken, Morten?

MORTEN. Neen, daar heb ik niks geen lust in.

HOVSTAD. Ja, maar, wat wil je dan worden mettertijd?

MORTEN. _Ik_ zou 't liefst viking worden.

EJLIF. Maar dan zou je toch een heiden moeten zijn.

MORTEN. Nou, dan zou ik een heiden kunnen worden.

BILLING. Dat ben ik met je eens, Morten. Dat is net wat ik óók zeg.

MEVR. STOCKMANN (_maakt teekens_). Welneen, mijnheer Billing, dat meent u niet.

BILLING. Jawel, goddome...! Ik bèn een heiden, en daar ben ik trotsch op. Let u maar eens op, binnen kort worden wij allemaal heidenen.

MORTEN. En mogen we dan alles doen wat we willen?

BILLING. Ja, kijk eens, Morten....

MEVR. STOCKMANN. Kom jongens, vooruit, naar binnen. Je hebt zeker nog wel schoolwerk te maken voor morgen.

EJLIF. _Ik_ kon toch nog best een beetje hier blijven....

MEVR. STOCKMANN. Neen, jij ook niet. Gaat nu allebei weg.

(_De jongens zeggen goeden nacht en gaan de kamer links binnen_).

HOVSTAD. Gelooft u heusch dat het niet goed is voor de jongens dat ze zulke dingen hooren?

MEVR. STOCKMANN. Och, ik weet het niet; maar ik heb het niet graag.

PETRA. Ja maar, moeder, dat lijkt mij toch heel verkeerd.

MEVR. STOCKMANN. Ja, dat kan nu wel zijn; maar ik heb het niet graag; niet hier in huis.

PETRA. Er is zooveel onwaarheid in huis en op school. Thuis moet er gezwegen worden en op school moeten we de kinderen wat voorliegen.

HORSTER. Wat voorliegen?

PETRA. Ja, denkt u niet dat wij met heel wat voor den dag moeten komen, waar wij zelf niets van gelooven?

BILLING. Ja, dat is maar al te waar.

PETRA. Had ik er het geld maar voor, dan zou ik zelf een school beginnen en daar zou het anders toegaan.

BILLING. Och wat, geld....

HORSTER. Ja, als u daarover denkt, juffrouw Stockmann, dan kan ik u wel aan een lokaal helpen. Het groote oude huis van mijn overleden vader staat zoo goed als leeg; daar is beneden een heel groote eetzaal....

PETRA (_lacht_). O, dank u, het is heel vriendelijk van u; maar daar komt toch niets van.

HOVSTAD. Welneen, juffrouw Petra zal wel overgaan tot de journalistiek, denk ik. O ja, dat 's waar ... heeft u al tijd gehad om dat Engelsche verhaal eens in te kijken dat u voor ons vertalen zou?

PETRA. Neen, nog niet; maar u zal het heusch op tijd hebben.

(_Dr. Stockmann komt uit zijn kamer met den geopenden brief in de hand_).

Dr. Stockmann (_zwaait met den brief_). Hoort eens hier ... nu zal de stad wat nieuws te hooren krijgen.

BILLING. Nieuws?

MEVR. STOCKMANN. Wat is dat voor nieuws?

DR. STOCKMANN. Een groote ontdekking, Katrine!

HOVSTAD. Zoo?

MEVR. STOCKMANN. Die jij gedaan hebt?

DR. STOCKMANN. Ja, ik zelf (_loopt heen en weer_). Laat ze nu maar komen en zeggen, zooals gewoonlijk, dat het hersenschimmen en inbeeldingen zijn van een gek! Maar ze zullen het wel laten! Haha! ze zullen het wel uit hun hart laten, zeg ik.

PETRA. Maar vader, zeg dan eens wat het is?

DR. STOCKMANN. Jawel, laat me maar den tijd, dan zal jullie allemaal het weten. Had ik Peter nu maar eens hier! Nu kan je eens zien, hoe wij menschen hier rondloopen en oordeelen als blinde mollen....

HOVSTAD. Wat bedoelt u daarmee, dokter?

DR. STOCKMANN (_blijft bij de tafel staan_). Is het niet de algemeene opinie dat onze stad een gezond plekje is?

HOVSTAD. Ja, natuurlijk.

DR. STOCKMANN. Een heel buitengewoon gezond plekje zelfs,... een plekje dat verdient heel warm aanbevolen te worden zoowel voor zieke als gezonde menschen....

MEVR. STOCKMANN. Ja maar, Thomas-lief....

DR. STOCKMANN. En aanbevolen en aangeprezen hebben wij het dan ook. Ik heb er herhaaldelijk over geschreven zoowel in de "Volksbode" als in vlugschriften.

HOVSTAD. Jawel ... en?

DR. STOCKMANN. Die badinrichting, die men de slagader der stad en de levenszenuw der stad en ... de duivel weet wat al meer noemt....

BILLING. "Het kloppende hart van de stad" heb ik mij eens in een feestelijk moment veroorloofd te....

DR. STOCKMANN. O ja, dat ook al. Maar weet u nu wat die in werkelijkheid is, die groote, prachtige, veelgeprezen badgelegenheid, die zooveel geld gekost heeft ... weet u wat die is?

HOVSTAD. Neen, wat is ze dan?

DR. STOCKMANN. De heele badplaats is een pesthol.

PETRA. De badplaats, vader!

MEVR. STOCKMANN (_tegelijkertijd_). Onze badplaats!

HOVSTAD (_evenzoo_). Maar, dokter....

BILLING. Ongelooflijk!

DR. STOCKMANN. De heele badinrichting is een gepleisterd vergiftig graf, zeg ik. Gevaarlijk voor de gezondheid in den allerhoogsten graad! Al het vuil boven in het Molendal,... alles wat daar zoo geweldig stinkt,... dat alles infecteert het water in de aanvoerbuizen van het brongebouw, en die zelfde vervloekte, vergiftige smeerboel siepelt ook door naar het strand....

HORSTER. Daar waar de zeebaden gebruikt worden?

DR. STOCKMANN. Precies daar.

HOVSTAD. Waardoor weet u dat alles zoo zeker, dokter?

DR. STOCKMANN. Ik heb dat alles zoo nauwgezet mogelijk onderzocht. O, ik had al lang een vermoeden van zoo iets. Verleden jaar hadden wij hier een aantal opvallende ziektegevallen onder de badgasten,... zoowel typheuse als gastrische koortsen....

MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is waar.

DR. STOCKMANN. Wij dachten toen dat de vreemdelingen de besmetting overgebracht hadden; later evenwel,... van den winter ... kwam ik tot andere gedachten; ik ging het water onderzoeken zoo goed als het ging.

MEVR. STOCKMANN. Dus daarmee heb je het zoo druk gehad!

DR. STOCKMANN. Ja, je mag wel zeggen dat ik het druk had, Katrine! Maar hier ontbraken mij toch de noodige wetenschappelijke hulpmiddelen, en dus zond ik proeven op van het drinkwater en van het zeewater aan de universiteit om er een juiste chemische analyse van te krijgen.

HOVSTAD. En die heeft u nu gekregen?

DR. STOCKMANN (_wijst op den brief_). Hier heb ik die! Het aanwezig zijn van verrotte organische stoffen in het water is uitgemaakt ... bacterieën in massa's. Het is absoluut schadelijk voor de gezondheid, zoowel voor uit- als inwendig gebruik.

MEVR. STOCKMANN. Het is een waar geluk dat je daar nog bijtijds achter gekomen bent.

DR. STOCKMANN. Ja, dat mag je wel zeggen.

HOVSTAD. En wat denkt u nu te doen, dokter?

DR. STOCKMANN. Natuurlijk zien den boel te veranderen.

HOVSTAD. Zou dat te doen zijn?

DR. STOCKMANN. Dat moet te doen zijn. Anders is de heele badinrichting onbruikbaar,... geruïneerd. Maar dat heeft geen nood. Ik weet voor mijzelf heel goed wat er gedaan moet worden.

MEVR. STOCKMANN. Maar, beste Thomas, dat je dat alles zoo geheim gehouden hebt.

DR. STOCKMANN. Wel ja, ik had zeker de heele stad moeten rondloopen en er over babbelen vóór ik volle zekerheid had? Neen, dank je; zóó gek ben ik niet.

PETRA. Nou maar, tegen ons hier in huis....

DR. STOCKMANN. Tegen geen levende ziel. Maar morgen mag je naar den "das" loopen....

MEVR. STOCKMANN. Maar, Thomas...!

DR. STOCKMANN. Nou ja, naar grootvader dan. Dan zal hij wat hebben om zich over te verbazen, de oude; hij gelooft immers dat ik krankzinnig ben.... O ja, er zijn er wel meer die dat gelooven, heb ik gemerkt. Maar nu zullen de heeren dan zien...; nu zullen ze eens zien...; (_loopt rond en wrijft zich de handen_). Dat zal hier in de stad een opstootje geven, Katrine! Daar kan je je geen voorstelling van maken. De heele waterleiding moet verlegd worden.

HOVSTAD (_staat op_). De heele waterleiding...?

DR. STOCKMANN. Ja, dat spreekt. De prise d'eau ligt te laag; die moet verlegd worden naar een veel hooger gelegen punt.

PETRA. Dus had je toch gelijk?

DR. STOCKMANN. Ja, weet je dat nog, Petra? Ik heb er tegen geschreven toen zij met den aanleg zouden beginnen. Maar toen was er niemand die naar mij luisteren wou. Nou, je kunt begrijpen dat ik hun de volle laag geven zal; want ik heb natuurlijk een uitvoerige uiteenzetting aan het bestuur der badinrichting opgemaakt; die ligt al de heele week klaar; ik heb alleen hierop gewacht (_wijst op den brief_). Maar nu moet die ook onmiddellijk weg (_gaat in zijn kamer en komt terug met een pak papieren_). Kijk eens hier! Vier heele dichtbeschreven vellen vol! En den brief zal ik er bij voegen. Een courant, Katrine! Geef mij eens iets om dit in te pakken. Goed. Ziezoo. Geef dit aan ... aan.... (_stampvoetend_). Hoe duivel heet ze nu ook weer? Nou, geef het aan de meid en zeg dat zij het terstond bij den burgemeester brengen moet.

(_Mevr. Stockmann gaat met het pak naar de eetkamer_).

PETRA. Wat denk je dat oom Peter er van zeggen zal, vader?

DR. STOCKMANN. Wat zou hij er wel van kunnen zeggen? Hij moet toch op zijn minst wel blij zijn dat zoo'n belangrijke waarheid aan het licht gekomen is, denk ik.

HOVSTAD. Zou ik met een enkel woord van uwe ontdekking in de "Volksbode" mogen gewagen?

DR. STOCKMANN. Ja, daarvoor zou ik u heel dankbaar zijn.

HOVSTAD. Het is toch ook wenschelijk dat het publiek hoe eer hoe beter ingelicht wordt.

DR. STOCKMANN. Ja zeker.

MEVR. STOCKMANN (_komt terug_). Zij is er al mee weg.

BILLING. U wordt ... goddome ... de eerste man van de stad, dokter.

DR. STOCKMANN. Och wat; ik heb immers eigenlijk niets meer dan mijn plicht gedaan. Ik ben een gelukkig schatgraver geweest; dat is alles, maar toch....

BILLING. Hovstad, wat dunkt je, moest de stad den dokter geen serenade brengen?

HOVSTAD. Ik zal er in elk geval werk van maken.

BILLING. En ik zal er met Aslaksen over spreken.

DR. STOCKMANN. Neen, beste vrienden, laat zulke grappen maar achterwege; ik wil niets van dergelijke dingen weten. En als het bestuur van de badinrichting er misschien over denken mocht mij een geldelijke toelage te geven, dan neem ik die niet aan. Katrine, dat zeg ik je,... ik neem die niet aan.

MEVR. STOCKMANN. Daar heb je gelijk in, Thomas.

PETRA (_heft haar glas op_). Vader!

HOVSTAD en BILLING. Prosit, prosit, dokter!

HORSTER (_klinkt met den dokter_). Moge u alleen genoegen beleven van die zaak!

DR. STOCKMANN. Dank, dank, beste vrienden! Ik ben zoo innig blij ... o, het is toch heerlijk te weten dat je je verdienstelijk gemaakt hebt jegens je geboorteplaats en je medeburgers. Hoera, Katrine!

(_Hij pakt haar met beide handen om den hals en draait met haar in de rondte. Mevr. Stockmann gilt en stribbelt tegen. Lachen, handgeklap en hoera-geroep voor den dokter. De jongens komen om de deur kijken_).

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.

* * * * *

TWEEDE BEDRIJF.

Huiskamer van den dokter. De deur naar de eetkamer is gesloten. Voormiddag.

* * * * *

MEVR. STOCKMANN (_komt met een verzegelden brief uit de eetkamer, gaat naar de voorste deur rechts en kijkt naar binnen_). Ben je thuis, Thomas?

DR. STOCKMANN (_in de kamer_). Ja, ik kom net thuis. (_komt binnen_). Is er iets?

MEVR. STOCKMANN. Een brief van je broer (_reikt hem dien over_).

DR. STOCKMANN. Aha, laat eens zien (_maakt het couvert open en leest_). "Het toegezonden manuscript zend ik u hierbij terug...." (_leest prevelend verder_). Hm....

MEVR. STOCKMANN. Wat zegt hij er van?

DR. STOCKMANN (_steekt de papieren in zijn zak_). Niets; hij schrijft alleen dat hij van middag zelf hier komen zal.

MEVR. STOCKMANN. Dan mag je er wel aan denken dat je thuis blijft.

DR. STOCKMANN. Ja, dat kan ook best; ik ben klaar met mijn ochtendvisites.

MEVR. STOCKMANN. Ik ben erg nieuwsgierig om te weten hoe hij het opneemt.

DR. STOCKMANN. Je zult zien dat hij het niet goed vindt dat _ik_ het ben en _hij_ het niet is die die ontdekking gedaan heeft.

MEVR. STOCKMANN. Ja, ben jij daar ook niet bang voor?

DR. STOCKMANN. Nou, in zijn hart moet hij er toch blij over zijn, dat begrijp je wel. Maar toch.... Peter is zoo vervloekt bang dat iemand anders dan hij iets ten bate van de stad doen zou.

MEVR. STOCKMANN. Maar Thomas,... weet je wat ... dan moest je zoo lief zijn de eer met hem te deelen. Kon je het niet zoo inkleeden dat hij 't was die je op het spoor gebracht heeft?

DR. STOCKMANN. Ja, wat mij betreft, graag. Als ik de zaak maar in orde krijg, dan....

De oude Morten Kiil (_steekt zijn hoofd door de voorkamerdeur, kijkt spiedend rond, lacht stil en vraagt sluw_). Is het ... is het waar?

MEVR. STOCKMANN (_gaat naar hem toe_). Vader,... is u het?

DR. STOCKMANN. Kijk eens aan, schoonpapa; morgen, morgen!

MEVR. STOCKMANN. Maar kom toch binnen.

M. KIIL. Ja, als het waar is, want anders ga ik weer heen.

DR. STOCKMANN. Als wát waar is?

M. KIIL. Die gekheid met de waterleiding. Is dat heusch waar?

DR. STOCKMANN. Ja zeker is het waar. Maar hoe is u daar achter gekomen?

M. KIIL (_komt binnen_). Petra liep even op toen zij naar school ging....

DR. STOCKMANN. Zoo?

M. KIIL. Jaha: en toen vertelde zij het.... Ik dacht dat zij mij maar voor den gek houden wou; maar dat lijkt niet op Petra.

DR. STOCKMANN. Hoe kon u dat nu denken!

M. KIIL. O, je moet nooit iemand vertrouwen; je kunt om den tuin geleid worden eer je het weet. Maar dus is het toch waar?

DR. STOCKMANN. Ja, zeer zeker. Ga toch even zitten, schoonpapa. (_dwingt hem zachtjes op de canapé_). En is het niet een waar geluk voor de stad...?

M. KIIL (_heeft moeite zijn lachen te bedwingen_). Een geluk voor de stad?

DR. STOCKMANN. Dat ik dit nog bijtijds ontdekt heb.

M. KIIL (_als voren_). Jawel, jawel!... Maar ik had nooit gedacht dat je je eigen vleeschelijken broer er zoo zou laten inloopen.

DR. STOCKMANN. Er laten inloopen?

MEVR. STOCKMANN. Neen maar, vader-lief....

M. KIIL (_rust met zijn kin op zijn handen die hij op den knop van zijn stok samengevouwen heeft en knipoogt sluw tegen den dokter_). Hoe was het ook weer. Was het niet dat er dieren in de waterleidingbuizen gekomen waren?

DR. STOCKMANN. O ja, infusiediertjes.

M. KIIL. En er zouden een heeleboel van die dieren daarin gekomen zijn, zei Petra. Een reusachtige massa.

DR. STOCKMANN. Ja zeker; er kunnen er wel honderdduizenden in zijn.

M. KIIL. Maar niemand kan ze zien,... niet waar?

DR. STOCKMANN. Neen, zien kan je ze niet.

M. KIIL (_met een stillen klokkenden lach_). De duivel hale mij! Dit is nog het mooiste dat ik ooit van je gehoord heb.

DR. STOCKMANN. Hoe meent u dat?