Dramatische werken

Chapter 26

Chapter 263,940 wordsPublic domain

M. KIIL. Maar nooit in der eeuwigheid maak je zoo iets den burgemeester wijs.

DR. STOCKMANN. Nu, dat zullen wij nog eens zien.

M. KIIL. Denk je dat hij zóó gek zou zijn?

DR. STOCKMANN. Ik hoop dat de heele stad zoo gek zal zijn.

M. KIIL. De heele stad! Ja, dat kan voor den donder wel zijn. Maar dat is net goed voor dat volk. Die willen immers zoo veel wijzer zijn dan wij oude lui. Zij hebben mij als een hond uit den gemeenteraad gejaagd met hun tegenstemmen. Ja, dat hebben ze ... me er uitgejaagd als een hond. Maar nu krijgen ze hun trekken thuis. Houd die maar voor den gek, Stockmann.

DR. STOCKMANN. Maar schoonpapa....

M. KIIL. Houd ze voor den gek, zeg ik (_staat op_). Als je 't zoo ver brengen kunt dat de burgemeester en zijn vrienden er in vliegen, dan geef ik dadelijk, op slag, honderd kronen voor de armen.

DR. STOCKMANN. Kijk, dat zou nog eens aardig van u zijn.

M. KIIL. Nou, zoo dik zit het er bij mij ook niet aan, zooals je weet; maar krijg je ze zoover, dan geef ik met Kerstmis vijftig kronen aan de armen.

(_Hovstad komt uit de voorkamer_).

HOVSTAD. Goeden morgen! (_blijft staan_). O, pardon....

DR. STOCKMANN. Neen kom maar; kom maar....

M. KIIL (_lacht weer als voren_). Hij! Is hij er ook bij?

HOVSTAD. Wat bedoelt u?

DR. STOCKMANN. Ja zeker is hij er bij.

M. KIIL. Dat kon ik ook haast wel denken! Het moet in de couranten komen. Nou, jij bent me wel de ware, Stockmann. Overlegt nu maar eens goed samen; nu ga ik weg.

DR. STOCKMANN. O neen, blijf nog wat schoonpapa.

M. KIIL. Neen, nu ga ik weg. En bedenk maar eens goed hoe je hen het best er in laat vliegen. Je moet dat toch voor den duivel niet voor niets gedaan hebben. (_Hij gaat weg; mevr. Stockmann gaat met hem mee_).

DR. STOCKMANN (_lacht_). Stel u voor, die oude gelooft geen woord van die zaak met de waterleiding.

HOVSTAD. O was het dáárover...?

DR. STOCKMANN. Ja, daarover hadden wij het. En u komt misschien ook wel voor die zaak?

HOVSTAD. Ja juist. Heeft u een oogenblik tijd, dokter?

DR. STOCKMANN. Zoo lang u maar wil, mijn waarde.

HOVSTAD. Heeft u al iets gehoord van den burgemeester?

DR. STOCKMANN. Nog niet. Hij komt straks hier.

HOVSTAD. Ik heb veel over die zaak nagedacht sedert gisteren avond.

DR. STOCKMANN. Zoo? Ja?

HOVSTAD. Voor u als dokter en als man van de wetenschap, staat dit geval met de waterleiding geheel op zich zelf. Ik bedoel, dat u er niet bij bedenkt hoe dit met veel andere dingen samenhangt.

DR. STOCKMANN. Ja, hoe zoo...? Laat ons gaan zitten.... Neen, daar op de canapé.

(_Hovstad gaat op de canapé zitten, de dokter in een fauteuil aan den anderen kant van de tafel_).

DR. STOCKMANN. U denkt dus...?

HOVSTAD. U zei gisteren dat het water bedorven werd door verontreiniging van den grond.

DR. STOCKMANN. Ja, het komt zonder twijfel uit dat giftige moeras daarboven in het Molendal.

HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik geloof dat het uit een heel ander moeras komt.

DR. STOCKMANN. Wat voor een moeras zou dat dan moeten zijn?

HOVSTAD. Het moeras waarin ons heele communale leven wortelt en verteert.

DR. STOCKMANN. Maar voor den drommel, mijnheer Hovstad, wat zijn dat nu voor praatjes?

HOVSTAD. Al de stadsaangelegenheden zijn zachtjes aan in handen gekomen van een bende ambtenaren....

DR. STOCKMANN. Nu, het zijn niet allemaal ambtenaren.

HOVSTAD. Neen, maar die geen ambtenaren zijn, zijn toch ten minste vrienden en aanhangers van die ambtenaren; dat zijn al de rijken, al die, met hun oude geachte namen in de stad; die zijn het die ons regeeren en besturen.

DR. STOCKMANN. Ja, maar die menschen bezitten ook inderdaad bekwaamheid en juist inzicht.

HOVSTAD. Gaven zij een bewijs van juist inzicht en bekwaamheid, toen zij de waterleiding aanlegden daar waar die nu ligt?

DR. STOCKMANN. Neen, dat was natuurlijk een groote domheid van hen. Maar die zal nu wel goedgemaakt worden.

HOVSTAD. Denkt u dat dat zoo glad gaan zal?

DR. STOCKMANN. Glad of niet ... gaan zal het in elk geval.

HOVSTAD. Ja, indien de pers er zich mee bemoeit.

DR. STOCKMANN. Zal heelemaal niet noodig zijn, mijn waarde.

HOVSTAD. Pardon, dokter, maar ik wil zeggen dat ik van plan ben, zelf die zaak te behandelen.

DR. STOCKMANN. In de courant?

HOVSTAD. Ja. Toen ik de "Volksbode" overnam, was het mijn doel dezen ring van oude eigenzinnige wijsneuzen die hier overal inzaten, te verbreken.

DR. STOCKMANN. Maar u heeft mij toch zelf verteld hoe dat afliep; het blad was er bijna mee op de flesch gegaan.

HOVSTAD. Ja, toen moesten wij de vlag strijken; dat is volkomen waar. Want er dreigde gevaar dat de badinrichting niet tot stand zou komen, als die mannen vielen. Maar nu staat die er en nu kunnen wij de groote heeren missen.

DR. STOCKMANN. Missen, ja; maar we hebben toch veel aan hen te danken.

HOVSTAD. Dat zal ook naar behooren erkend worden; maar een journalist van mijn richting kan een gelegenheid als deze niet voorbij laten gaan. De fabel der onfeilbaarheid der vroede mannen moet eens een duw hebben. Dergelijke dingen moeten net zoo goed uitgeroeid worden als ander bijgeloof.

DR. STOCKMANN. Daarin ben ik het van ganscher harte met u eens, mijnheer Hovstad; is iets een bijgeloof, dan weg er mee!

HOVSTAD. Den burgemeester zou ik niet graag hard aanpakken, omdat hij uw broer is. Maar u vindt toch zeker, evenals ik, dat de waarheid boven alle andere overwegingen gaan moet.

DR. STOCKMANN. Dat spreekt vanzel.... (_Opgewonden_). Ja maar...! Maar...!

HOVSTAD. U moet mij niet verkeerd beoordeelen. Ik ben niet egoïster of eergieriger dan de meeste menschen.

DR. STOCKMANN. Maar mijn waarde, wie zegt dat dan?

HOVSTAD. Ik ben maar van geringe afkomst, zooals u weet; en ik heb voldoende gelegenheid gehad om te zien, wat in de lagere klassen der maatschappij het meest noodig is. En dat is: deel te nemen aan de leiding der algemeene zaken, dokter. Dat is het wat bekwaamheid en kennis en gevoel van eigenwaarde ontwikkelt....

DR. STOCKMANN. Dat kan ik mij heel goed voorstellen....

HOVSTAD. Daarom vind ik dat een journalist een groote verantwoordelijkheid op zich neemt, wanneer hij een gunstige gelegenheid verzuimt tot vrijmaking van de menigte, de geringen, de onderdrukten. Ik weet wel, in het kamp der groote heeren zullen zij dat frazen en opgeschroefde taal noemen; maar dat moeten ze dan maar doen als ze er lust in hebben. Als ik mijn geweten maar zuiver voel, dan....

DR. STOCKMANN. Juist, ja juist! Mijnheer Hovstad. Maar toch ... duivels.... (_er wordt geklopt_). Binnen!

(_Aslaksen in de voorkamer deur. Hij is uiterst eenvoudig maar fatsoenlijk gekleed, in 't zwart, met een witte, een beetje verkreukte das, handschoenen en vilten hoed in de hand_).

ASLAKSEN (_buigt_). Neem me niet kwalijk, dokter, dat ik zoo vrij ben....

DR. STOCKMANN (_staat op_). Kijk eens aan,... daar hebben wij mijnheer Aslaksen!

ASLAKSEN. Jawel, dokter.

HOVSTAD (_staat op_). Moet je mij hebben, Aslaksen?

ASLAKSEN. Neen mijnheer; ik wist niet dat ik u hier zou aantreffen. Neen, het was de dokter zelf....

DR. STOCKMANN. Zoo? Wat is er van uw dienst?

ASLAKSEN. Is het waar wat ik van mijnheer Billing hoorde, dat de dokter er over denkt ons een betere waterleiding te bezorgen?

DR. STOCKMANN. Ja, voor de badinrichting.

ASLAKSEN. Jawel, dat begrijp ik wel. Nu, dan kom ik om te zeggen dat ik die zaak steunen zal naar mijn beste krachten.

HOVSTAD (_tegen Stockmann_). Ziet u!

DR. STOCKMANN. Daarvoor zeg ik u van harte dank, maar....

ASLAKSEN. Want het zou misschien toch goed kunnen zijn als u ons, kleine luiden, had om u te steunen. Wij maken om zoo te zeggen een compacte meerderheid uit;... als wij ernstig _willen_. En het is altijd goed om de meerderheid op zijn hand te hebben.

DR. STOCKMANN. Dat is onloochenbaar waar; ik kan alleen maar niet begrijpen dat dergelijke maatregelen hier noodig zouden kunnen zijn. Mij dunkt zoo'n duidelijke en eenvoudige zaak....

ASLAKSEN. O ja, maar dat zou toch geen kwaad kunnen; ik ken de lokale autoriteiten maar al te goed; de hooge heeren zijn niet heel toegankelijk voor voorstellen die van anderen uitgaan. En daarom dacht ik, dat het misschien niet ongewenscht zijn zou als wij een kleine demonstratie op touw zetten.

HOVSTAD. Jawel, zeer juist.

DR. STOCKMANN. Een demonstratie zegt u? En op welke manier zou u dat dan eigenlijk willen doen?

ASLAKSEN. Natuurlijk in zeer gematigden vorm, dokter. Ik leg er mij altijd op toe maat te houden, want maathouden is de eerste deugd van een staatsburger,... naar _mijn_ opvatting althans.

DR. STOCKMANN. Daarvoor staat u ook wel bekend.

ASLAKSEN. Ja, dat mag ik geloof ik wel zeggen. En die zaak van de waterleiding, die is van zoo groot gewicht voor ons kleine burgers. Het badhuis belooft als 't ware een goudmijntje voor de stad te worden. Van dat badhuis moeten wij allemaal bestaan, en 't allermeest wij huiseigenaren. Daarom willen wij dus graag de badinrichting zooveel wij kunnen steunen. En omdat ik nu president ben van den Bond van Huiseigenaren....

DR. STOCKMANN. Wel...?

ASLAKSEN. ... en daar ik bovendien agent ben van het Matigheidsgenootschap ... ja, dokter weet immers wel dat ik werk voor de matigheidszaak?

DR. STOCKMANN. Jawel; jawel.

ASLAKSEN. Nu, ... dan begrijpt u wel dat ik met een heelen boel menschen in aanraking kom. En daar ik bekend sta als een ordelijk en goedgezind burger, zooals dokter zelf zegt, heb ik een zekeren invloed in de stad,... een kleine overmacht ... al zeg ik het zelf.

DR. STOCKMANN. Dat is mij wel bekend, mijnheer Aslaksen.

ASLAKSEN. Ja, ziet u ... daarom zou het voor mij een kleinigheid zijn om een adres op te stellen, als het noodig mocht zijn.

DR. STOCKMANN. Een adres, zegt u?

ASLAKSEN. Ja, een soort van dankadres van de stadsburgers, omdat u die voor allen zoo gewichtige zaak aan het licht heeft gebracht. Het spreekt van zelf dat dat met de noodige bezadigdheid zou moeten opgesteld worden, zoo, dat de autoriteiten en zij die de macht in handen hebben er geen aanstoot aan kunnen nemen. En als wij daar maar op passen, dan kan toch niemand het ons kwalijk nemen, dunkt mij.

HOVSTAD. Nu, zelfs al beviel het hun nu niet zoo heel erg....

ASLAKSEN. Neen, neen, neen, niet de overheid krenken, mijnheer Hovstad. Geen oppositie tegen menschen die ons zoo dicht op de hielen zitten. Daar heb ik genoeg van gezien in mijn leven; en daar komt ook nooit iets goeds van. Maar de verstandige en vrijmoedige uitingen van een staatsburger daar kan niemand iets tegen hebben.

DR. STOCKMANN (_schudt hem de hand_). Ik kan u niet zeggen, waarde heer Aslaksen, hoe hartelijk het mij verheugt zooveel instemming bij mijne medeburgers te vinden. Ik ben zoo blij ... zoo blij!... Hoor eens ... wil u niet een glaasje sherry ... wat?

ASLAKSEN. Neen, dank u wel; ik gebruik nooit iets van dien aard.

DR. STOCKMANN. Nou, een glas bier dan ... wat zegt u daarvan?

ASLAKSEN. Dank u, ook niet; ik gebruik nooit iets zoo vroeg op den dag. Maar nu zal ik de stad ingaan om eens te praten met eenige huiseigenaren en de stemming voor te bereiden.

DR. STOCKMANN. Het is allervriendelijkst van u, mijnheer Aslaksen; maar het wil er bij mij nog maar niet in, dat al die maatregelen noodig zouden zijn; mij dunkt die zaak moet geheel van zelf kunnen gaan.

ASLAKSEN. De autoriteiten werken een beetje zwaarwichtig, dokter. Nu, lieve Hemel, ik zeg dat niet om hun een lak op te leggen....

HOVSTAD. Morgen zullen wij ze een beetje opzweepen in ons blad, Aslaksen.

ASLAKSEN. Maar toch vooral niet te hardhandig, mijnheer Hovstad. Ga zachtjes te werk en met beleid, anders krijgt u ze niet van de plaats. U kan gerust aannemen wat ik u zeg; ik heb ondervinding opgedaan in de school des levens.... Nu, dan neem ik dus afscheid. U weet nu dat wij kleine burgers in elk geval achter u staan als een muur. U heeft de compacte meerderheid op uw hand, dokter.

DR. STOCKMANN. Mijn hartelijken dank (_reikt hem de hand_). Adieu, adieu!

ASLAKSEN. Gaat u mee naar de drukkerij, mijnheer Hovstad?

HOVSTAD. Ik kom aanstonds, ik heb nog iets af te doen.

ASLAKSEN. Best, best.

(_Hij groet en gaat heen; Dr. Stockmann gaat met hem mee naar de voorkamer_).

HOVSTAD (_terwijl de dokter weer binnen komt_). Wel, wat zegt u er van, dokter? Vindt u niet dat het tijd wordt hier eens wat versche lucht binnen te laten en al die slapheid en halfheid en lafheid eens door elkander te schudden?

DR. STOCKMANN. Doelt u daarmee op Aslaksen?

HOVSTAD. Ja. Hij is een van die lui die in het moeras wortelen ... al is hij overigens nog zoo'n brave man. En zoo zijn de meesten hier bij ons; zij zwaaien en zwenken naar beide kanten; door al hun overwegingen en bedenkingen durven zij nooit een heelen stap te doen.

DR. STOCKMANN. Maar Aslaksen schijnt mij toch een heel welgezind man te zijn.

HOVSTAD. Er is iets dat ik nog hooger stel; en dat is een onafhankelijk en zelfbewust man te zijn.

DR. STOCKMANN. Dat moet ik u volkomen toegeven.

HOVSTAD. Daarom wil ik nu de gelegenheid aangrijpen en beproeven, of ik de wel gezinden er niet toe zou kunnen krijgen zich eens ferm aan te pakken. Die autoriteiten-vereering moet hier in de stad uitgeroeid worden. Over dezen onverantwoordelijken misgreep met de waterleiding moeten alle stemgerechtigde burgers ingelicht worden.

DR. STOCKMANN. Goed; wanneer u meent dat het voor het algemeen welzijn is, dan moet dat gebeuren; maar niet vóór ik met mijn broer gesproken heb.

HOVSTAD. Ik schrijf in elk geval al vast een hoofdartikel. En als dan de burgemeester niet voor de zaak te vinden is....

DR. STOCKMANN. O, maar hoe kan u zoo iets denken?

HOVSTAD. Dat zou nog zoo onmogelijk niet zijn. En dan ...?

DR. STOCKMANN. Ja, dan beloof ik u...; hoor eens,... dan kan u mijn rapport afdrukken ... en in zijn geheel opnemen.

HOVSTAD. Mag ik dat? Is dat een gegeven woord?

DR. STOCKMANN (_reikt hem het manuscript over_). Hier is het; neem het mee; het kan in elk geval geen kwaad dat u het eens doorleest; en dan geeft u het mij later terug.

HOVSTAD. Best; heel goed; dat zal ik doen. En nu adieu, dokter.

DR. STOCKMANN. Adieu, adieu. Maar u zal zien, mijnheer Hovstad, die zaak gaat glad,... van een leien dakje!

HOVSTAD. Hm;... wij zullen zien.

(_Hij groet en gaat weg door de voorkamer_).

DR. STOCKMANN (_gaat naar de eetkamer en kijkt naar binnen_). Katrine! Zoo, ben jij thuis gekomen, Petra?

PETRA (_komt binnen_). Ja, ik kom net van school.

MEVR. STOCKMANN (_komt ook_). Is hij er nog niet geweest?

DR. STOCKMANN. Peter? Neen. Maar ik heb een heel gesprek gehad met Hovstad. Hij is heelemaal vervuld van de ontdekking die ik gedaan heb. Ja, zie je, die reikt eigenlijk heel wat verder dan ik zelf eerst dacht. En daarom heeft hij mij zijn blad ter beschikking gesteld als het noodig mocht zijn.

MEVR. STOCKMANN. Maar denk je dat het noodig zijn zal?

DR. STOCKMANN. Volstrekt niet. Maar het is in elk geval een trotsch gevoel de onafhankelijke vrijzinnige pers op zijn hand te hebben. Ja, en verbeeld je, ook van den president van den Bond van Huiseigenaren heb ik een bezoek gehad.

MEVR. STOCKMANN. Zoo? En wat wou die?

DR. STOCKMANN. Mij ook steunen. Ze willen mij allemaal steunen in geval het spaak loopen mocht. Katrine,... weet je wat ik achter mij heb staan?

MEVR. STOCKMANN. Achter je? Neen, wat dan?

DR. STOCKMANN. De compacte meerderheid.

MEVR. STOCKMANN. Zoo zoo. Is dat goed voor je, Thomas?

DR. STOCKMANN. Nou, dat zou ik denken, dat het goed was! (_wrijft zich de handen en loopt op en neer_). Lieve God, wat is het toch heerlijk om zoo broederlijk vereend met je medeburgers te staan!

PETRA. En zooveel goeds en nuttigs te doen, vader!

DR. STOCKMANN. Ja, en dan nog wel voor je eigen geboorteplaats!

MEVR. STOCKMANN. Daar werd gebeld.

DR. STOCKMANN. Daar zal hij zijn.... (_Er wordt geklopt_). Binnen!

BURGEM. STOCKMANN (_komt uit de voorkamer_). Goeden morgen.

DR. STOCKMANN. Welkom, Peter!

MEVR. STOCKMANN. Goeden morgen. Hoe gaat het?

BURGEM. STOCKMANN. Dank je ... zoo zoo (_tegen den dokter_). Ik ontving gisteren, na kantoortijd, een rapport van je over het water in het badhuis.

DR. STOCKMANN. Ja. Heb je dat gelezen?

BURGEM. STOCKMANN. Ja.

DR. STOCKMANN. En wat zeg je wel van de zaak?

BURGEM. STOCKMANN (_met een zijdelingschenblik_). Hm....

MEVR. STOCKMANN. Kom, Petra (_zij en Petra gaan in de kamer links_).

BURGEM. STOCKMANN (_na een pauze_). Was het noodzakelijk dat je al die onderzoekingen achter mijn rug om deed?

DR. STOCKMANN. Ja; zoolang ik nog geen volstrekte zekerheid had....

BURGEM. STOCKMANN. En die meen je dus nu te hebben?

DR. STOCKMANN. Daar heb je je nu wel zelf van kunnen overtuigen.

BURGEM. STOCKMANN. Is het je plan dit stuk over te leggen aan het bestuur der badinrichting als een soort van officieel document?

DR. STOCKMANN. Ja. Iets moet er aan de zaak gedaan worden; en wel terstond.

BURGEM. STOCKMANN. Je gebruikt, zooals gewoonlijk, krasse termen in je verslag. Je zegt o.a. dat dàt wat wij onzen badgasten aanbieden een permanente vergiftiging is.

DR. STOCKMANN. Kan men het dan anders noemen? Denk toch eens aan ... vergiftigd water voor in- en uitwendig gebruik! En dat voor arme zieke menschen, die te goeder trouw hun toevlucht tot ons nemen, en hun goede geld uitgeven om hun gezondheid terug te krijgen!

BURGEM. STOCKMANN. En zoo kom je in je deductie tot het resultaat, dat wij een riool aanleggen moeten om de onreinheden uit het Molendal af te voeren, en dat de waterleiding verlegd moet worden.

DR. STOCKMANN. Ja, weet jij een andere oplossing? Ik niet.

BURGEM. STOCKMANN. Ik verzon van ochtend een boodschap bij den stadsingenieur. En toen bracht ik ... zoo half en half in scherts ... deze maatregelen ter sprake, als iets dat wij in de toekomst misschien eens in overweging zouden moeten nemen.

DR. STOCKMANN. In de toekomst eens misschien!

BURGEM. STOCKMANN. Hij glimlachte om mijn vermeende extravagance ... natuurlijk. Heb je je de moeite gegeven eens te overdenken wat de voorgestelde veranderingen zouden kosten? Volgens de inlichtingen die ik ontving, zouden de uitgaven waarschijnlijk in de honderdduizenden loopen.

DR. STOCKMANN. Zou het zoo duur worden?

BURGEM. STOCKMANN. Ja. En dan komt nog het ergste. Dat werk zou minstens twee jaar tijd vorderen.

DR. STOCKMANN. Twee jaar, zeg je? Twee heele jaren?

BURGEM. STOCKMANN. Op zijn minst. En wat zullen we in dien tusschentijd met de badplaats doen? Moeten wij ze sluiten? Ja, daar zouden wij wel toe gedwongen worden, of denk je soms dat iemand nog hier bij ons komen zou, als het ruchtbaar werd dat het water schadelijk voor de gezondheid is?

DR. STOCKMANN. Ja maar, Peter, dat is toch zoo.

BURGEM. STOCKMANN. En dat alles nù ... juist nu, nu de inrichting in opkomst is. De omliggende steden bezitten ook wel enkele voordeelen die ze als badplaatsen gezocht kunnen maken. Geloof je niet dat die onmiddellijk alles in het werk zullen stellen om den heelen stroom van vreemdelingen tot zich te trekken? Dat spreekt immers van zelf. En daar zaten wij dan; waarschijnlijk konden wij dan de heele kostbare inrichting wel opruimen; en dan had jij je geboorteplaats geruïneerd.

DR. STOCKMANN. Geruïneerd ... ik...!

BURGEM. STOCKMANN. Het is enkel en alleen door het badhuis dat de stad een noemenswaardige toekomst voor zich heeft. Dat zie je toch zeker evengoed in als ik.

DR. STOCKMANN. Maar wat had je dan gedacht dat er gedaan moest worden?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb uit je rapport niet de overtuiging gekregen dat de toestand van het water zoo bedenkelijk is als jij dien voorstelt.

DR. STOCKMANN. Maar die is eerder nòg slechter! Of dat wordt hij althans in den zomer, als de warmte komt.

BURGEM. STOCKMANN. Zooals ik zei, ik geloof dat je erg overdrijft. Een knap dokter moet zijn maatregelen weten te nemen naar de omstandigheden;... hij moet schadelijke invloeden weten te voorkomen en ze te bestrijden wanneer zij zich zichtbaar doen gelden.

DR. STOCKMANN. En dus...? Wat verder...?

BURGEM. STOCKMANN. De bestaande watertoevoer van het badhuis is nu eenmaal een feit en daarmee moet natuurlijk rekening gehouden worden. Maar waarschijnlijk zal de directie te zijner tijd niet ongenegen zijn om in overweging te nemen, in hoeverre het met niet onoverkomelijke geldelijke offers mogelijk zou zijn, eenige verbeteringen te laten aanbrengen.

DR. STOCKMANN. En met zoo'n streek denk je mij te kunnen vangen?

BURGEM. STOCKMANN. Streek?

DR. STOCKMANN. Ja, dat zou een streek zijn,... een bedriegerij, een leugen, gewoon-weg een misdaad tegen het publiek, jegens de heele maatschappij!

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb, zooals ik al opmerkte, niet de overtuiging gekregen dat er eenig onmiddellijk gevaar bestaat.

DR. STOCKMANN. Dat heb je wél! Dat kan niet anders. Mijn uiteenzetting is afdoende en juist, dat _weet_ ik! En je begrijpt dat heel goed, Peter, maar je wilt het eenvoudig niet toegeven. Jij was het die het doordreef dat de gebouwen gezet werden en de waterleiding werd aangelegd op de plaats waar jij het aanwees; en de zaak is eenvoudig _dit_: dat je die vervloekte stommigheid niet bekennen wilt. Poeh!... denk je dat ik je niet doorzie?

BURGEM. STOCKMANN. En zelfs al was dat zoo? Indien ik misschien ietwat angstvallig vast houd aan mijn prestige, dan geschiedt dat ten bate van de stad. Zonder moreel overwicht kan ik de zaken niet zoo besturen en leiden als ik het dienstig acht ten beste van allen. Daarom ... en ook om verschillende andere redenen ... is er mij zeer veel aan gelegen dat je rapport niet aan de directie der badinrichting wordt ingeleverd. In het belang van het algemeen welzijn moet dat achtergehouden worden. Ik zal dan later de zaak in discussie brengen en wij zullen in alle stilte doen wat mogelijk is. Maar er mag niets ... geen enkel woord ... van deze fatale zaak openbaar gemaakt worden.

DR. STOCKMANN. Ja, dat zal je toch niet kunnen verhinderen, mijn waarde Peter.

BURGEM. STOCKMANN. Het moet en zal verhinderd worden.

DR. STOCKMANN. Dat gaat niet, zeg ik je. Er zijn er al te veel die er van weten.

BURGEM. STOCKMANN. Er van weten? Wie? Toch niet die heeren van de "Volksbode"?

DR. STOCKMANN. O ja, die ook. De vrijzinnige onafhankelijke pers zal er wel voor zorgen dat jullie je plicht doet.

BURGEM. STOCKMANN (_na een korte pauze_). Je bent toch een ongelooflijk onbesuisd mensch, Thomas. Heb je dan niet bedacht wat voor gevolgen dat zou kunnen hebben voor jou zelf?

DR. STOCKMANN. Gevolgen? Gevolgen voor mij?

BURGEM. STOCKMANN. Voor jou en je gezin....

DR. STOCKMANN. Wat duivel beteekent dat?

BURGEM. STOCKMANN. Ik geloof dat ik altijd een bereidwillige en behulpzame broer voor je geweest ben.

DR. STOCKMANN. Ja, dat ben je; en daarvoor zeg ik je dank.

BURGEM. STOCKMANN. Niet noodig. Voor een deel ben ik er ook genoodzaakt toe geweest om mijn zelfs wil. Ik heb altijd gehoopt dat ik je eenigermate in toom zou kunnen houden, als ik je hielp je financieele positie wat te verbeteren.

DR. STOCKMANN. Wat? Deed je dat dus alleen voor je zelf...?

BURGEM. STOCKMANN. Gedeeltelijk, zeg ik. Het is pijnlijk voor een ambtenaar als zijn naaste betrekkingen zich telkens weer compromitteeren.

DR. STOCKMANN. En je vindt dus dat ik dat doe?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, helaas, doe je dat, zonder dat je het weet. En dan je onzalige neiging om in 't openbaar over alle mogelijke en onmogelijke dingen te schrijven. Niet zoodra krijg je een inval,... of terstond moet je er een courantenartikel of een heele brochure over schrijven.

DR. STOCKMANN. Ja maar, is het dan niet de plicht van een staatsburger om het aan het publiek mee te deelen wanneer hij een nieuw idee heeft?

BURGEM. STOCKMANN. O, het publiek heeft heelemaal geen behoefte aan nieuwe idees. Het publiek vaart het beste bij de oude, goede, algemeen gangbare idees die het al bezit.

DR. STOCKMANN. En dat zeg je zoo maar ronduit!