Chapter 27
BURGEM. STOCKMANN. Ja, één keer moet ik toch eens ronduit met je spreken. Tot nu toe heb ik getracht het te vermijden, omdat ik weet hoe prikkelbaar je bent; maar nu moet ik je de waarheid eens zeggen, Thomas. Je kunt je niet voorstellen hoeveel kwaad je jezelf doet met je overijling. Je beklaagt je over de autoriteiten, ja zelfs over de regeering,... valt die zelfs heftig aan ... houdt vol dat je op zij gezet en vervolgd wordt. Maar kan je dan iets anders verwachten,... zoo'n lastig mensch als jij bent.
DR. STOCKMANN. Wat nou ... ben ik lastig ook al?
BURGEM. STOCKMANN. Ja, Thomas, je bent een heel lastig mensch om mee samen te werken. Dat heb ik ondervonden. Je stapt over alle consideraties heen; je schijnt heelemaal te vergeten, dat ik het ben aan wien je je betrekking als baddokter te danken hebt....
DR. STOCKMANN. Dat kwam mij alléén toe! Mij en geen ander! Ik was de eerste die inzag dat de stad een bloeiende badplaats worden kon; en ik was de éénige die dat toen inzag. Ik stond alleen en streed voor dat denkbeeld vele jaren lang, en ik schreef ... schreef....
BURGEM. STOCKMANN. Volkomen waar. Maar toen was het goede oogenblik nog niet gekomen. Nu, dat kon je daarginder in je uithoek niet beoordeelen. Maar toen dan eindelijk het geschikte moment gekomen was, toen nam ik ... met de anderen ... de zaak in handen....
DR. STOCKMANN. Ja, en toen verknoeiden jullie mijn heele prachtige plan. O ja, nu blijkt pas goed wat voor geslepen kerels jullie waart!
BURGEM. STOCKMANN. Naar mijn idee blijkt alleen dat jij weer behoefte hebt aan een veiligheidsklep voor je strijdlust. Je wilt je superieuren te lijf;... ouder gewoonte. Je kunt geen macht boven je dulden; je kijkt een ieder, die een hoogere betrekking heeft, met schele oogen aan; je beschouwt hem als je persoonlijken vijand,... en terstond is ieder wapen tegen hem je welkom. Maar nu heb ik je er op attent gemaakt, welke belangen er voor de stad op het spel staan, en dientengevolge ook voor mij. En daarom zeg ik, Thomas, dat ik onverbiddelijk ben in den eisch dien ik van plan ben je nu te stellen.
DR. STOCKMANN. En wat is dat dan voor een eisch?
BURGEM. STOCKMANN. Daar je je mond niet hebt kunnen houden over deze netelige zaak, tegen menschen die er niets mee te maken hebben, hoewel je het als een bestuursgeheim vóór je hadt moeten houden, kunnen wij de zaak natuurlijk niet meer smoren. Allerhande geruchten zullen in omloop komen en de slechtgezinden onder ons zullen die met allerlei toevoegsels aandikken. Daarom zal het noodig zijn dat jij deze geruchten openlijk tegenspreekt.
DR. STOCKMANN. Ik? Wat meen je? Ik begrijp je niet.
BURGEM. STOCKMANN. Men zou kunnen verwachten dat jij, bij een hernieuwd onderzoek, tot het resultaat komt, dat de zaak op verre na niet zoo gevaarlijk en bedenkelijk is, als je je in het eerste oogenblik verbeeldde.
DR. STOCKMANN. Aha ... dàt verwacht je dus van me!
BURGEM. STOCKMANN. En verder verwacht men, dat je vertrouwt ... en dat openlijk uitspreekt ... dat het bestuur grondig en nauwgezet het noodige in het werk stellen zal om mogelijke misstanden te verhelpen.
DR. STOCKMANN. Maar dat zal je nooit in der eeuwigheid kunnen doen, zoo lang je je behelpt met knoei- en lapwerk. Dit zeg ik je, Peter, en dat is mijn eerlijke en vaste overtuiging...!
BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar is het je niet geoorloofd een aparte overtuiging te hebben.
DR. STOCKMANN (_ontsteld_). Niet geoorloofd om een...?
BURGEM. STOCKMANN. Als ondergeschikt ambtenaar, zeg ik. Als particulier,... ja, dat is heel wat anders. Maar als ondergeschikte, in dienst van de badinrichting is het je niet geoorloofd een overtuiging uit te spreken, die in strijd is met die van je superieuren.
DR. STOCKMANN. Dat gaat te ver! Ik als dokter, als wetenschappelijk man, zou niet het recht hebben om...!
BURGEM. STOCKMANN. De zaak waarvan hier sprake is, is niet enkel een wetenschappelijke; dat is een gecombineerde zaak; het is zoowel een technische als een oekonomische!
DR. STOCKMANN. Och wat duivel! Laat het voor mijn part zijn wat het wil! Ik wil vrijheid hebben om te spreken over alle mogelijke zaken in de wereld!
BURGEM. STOCKMANN. Alsjeblieft. Alleen maar niet over die betreffende de badinrichting.... Dat verbieden wij je.
DR. STOCKMANN (_schreeuwt_). Jullie verbiedt mij.... Jullie! Zulke...!
BURGEM. STOCKMANN. Ik verbied het je...; ik, je chef. En wanneer ik het je verbied dan heb jij te gehoorzamen.
DR. STOCKMANN (_bedwingt zich_). Peter,... waarachtig, als je mijn broer niet was....
PETRA (_rukt de deur open_). Vader, dat moet je niet verdragen!
MEVR. STOCKMANN (_haar achterna_). Petra! Petra!
BURGEM. STOCKMANN. Ah, men heeft staan luisteren.
MEVR. STOCKMANN. Je praatte zoo hard; wij konden niet helpen dat wij....
PETRA. Ja, ik hèb staan luisteren.
BURGEM. STOCKMANN. Nu, eigenlijk ben ik er blij om....
DR. STOCKMANN (_komt dichter bij hem_). Je zei iets van verbieden en gehoorzamen...?
BURGEM. STOCKMANN. Je hebt mij gedwongen op dien toon te spreken.
DR. STOCKMANN. En nu moet ik met een openlijke verklaring mijzelf een slag in mijn gezicht geven?
BURGEM. STOCKMANN. Wij houden het voor absoluut noodzakelijk dat je een verklaring publiceert zooals ik die verlangd heb.
DR. STOCKMANN. En als ik nu niet ... gehoorzaam?
BURGEM. STOCKMANN. Dan geven wij zelf een verklaring uit tot geruststelling van het publiek.
DR. STOCKMANN. Best; maar dan schrijf ik tegen jullie. Ik blijf bij mijn idee; ik zal bewijzen dat ik gelijk heb en jullie ongelijk hebt. En wat zal je dan doen?
BURGEM. STOCKMANN. Dan zal ik niet kunnen verhinderen dat je ontslagen wordt.
DR. STOCKMANN. Wat...!
PETRA. Vader ... ontslagen!
MEVR. STOCKMANN. Ontslagen!
BURGEM. STOCKMANN. Ontslagen als baddokter. Ik zal mij genoodzaakt zien je voor te dragen voor onmiddellijk ontslag, en je te ontheffen van alle functies die met de badinrichting in verband staan.
DR. STOCKMANN. En dat zou jullie durven wagen!
BURGEM. STOCKMANN. Je bent het zelf die hier een gewaagd spel speelt.
PETRA. Oom, dat is een schandelijke manier van doen tegen een man als papa!
MEVR. STOCKMANN. Petra, wil je wel eens je mond houden!
BURGEM. STOCKMANN (_kijkt Petra aan_). Aha, men schijnt zich hier ook al te permitteeren zijn opinie ten beste te geven. Ja, natuurlijk (_tegen mevr_.) Schoonzuster, u is vermoedelijk de verstandigste hier in huis. Gebruik den invloed dien u op uw man heeft, doe hem inzien wat voor gevolgen dit hebben zal, zoowel voor zijn gezin....
DR. STOCKMANN. Mijn gezin gaat niemand anders aan dan mij.
BURGEM. STOCKMANN. ... zoowel voor zijn gezin, zeg ik, als voor de stad waar hij woont.
DR. STOCKMANN. _Ik_ ben het die het ware welzijn van de stad wil. Ik wil de misslagen onthullen die vroeg of laat aan het licht moeten komen. En het zal nog wel eens blijken of ik mijn geboorteplaats lief heb.
BURGEM. STOCKMANN. Jij, die in blinden trots de stad haar voornaamste levensbron wilt afsnijden!
DR. STOCKMANN. Die bron is vergiftigd, mensch! Ben je dan krankzinnig? Wij leven hier van geschacher met smerigheid en vuilnis! Het heele opbloeiende leven van onze maatschappij put zijn voedsel uit een leugen!
BURGEM. STOCKMANN. Hersenschimmen ... of misschien nog wel wat ergers. De man die zulke beleedigende insinuaties tegen zijn eigen stad durft uiten, moet wel een vijand van de maatschappij zijn.
DR. STOCKMANN (_op hem toeloopend_). En dat waag jij...!
MEVR. STOCKMANN (_komt tusschenbeiden_). Thomas!
PETRA (_pakt haar vader bij den arm_). Hou je kalm, vader!
BURGEM. STOCKMANN. Ik wil mij niet aan gewelddadigheden blootstellen. Je bent nu gewaarschuwd. Bedenk dus wat je jezelf en je gezin verplicht bent. Adieu. (_gaat weg_).
DR. STOCKMANN (_loopt op en neer_). En zoo'n behandeling moet ik mij laten welgevallen! In mijn eigen huis. Katrine! Wat zeg jij daarvan?
MEVR. STOCKMANN. Ja, 't is zonde en schande, Thomas....
PETRA. Ik wou dat ik oom maar eens te lijf mocht gaan...!
DR. STOCKMANN. 't Is mijn eigen schuld; ik had al lang eens op mijn poot moeten spelen,... mijn tanden laten zien ... van mij afbijten! En mij een vijand van de maatschappij te noemen! Mij! Dat laat ik bij mijn ziel en zaligheid niet op me zitten!
MEVR. STOCKMANN. Maar, mijn lieve Thomas, je broer heeft nu eenmaal de macht in handen....
DR. STOCKMANN. Ja maar, ik heb het recht, zie je!
MEVR. STOCKMANN. Och ja, het recht, het recht; wat helpt het of je al het recht hebt als je geen macht bezit?
PETRA. Maar moeder ... hoe kan je toch zulke dingen zeggen?
DR. STOCKMANN. Dus in eene vrije maatschappij zou het je niets helpen het recht op je hand te hebben! Je bent komiek Katrine! En bovendien,... heb ik dan niet de vrijzinnige onafhankelijke pers vóór mij ... en de compacte meerderheid achter mij? Dat is toch wel macht genoeg zou ik denken!
MEVR. STOCKMANN. Maar lieve God, Thomas, je denkt er toch niet aan....
DR. STOCKMANN. Waar denk ik niet aan?
MEVR. STOCKMANN. ... om je tegen je broer te verzetten, meen ik.
DR. STOCKMANN. Wat duivel wil je dan dat ik andere doen zal, als ik niet loslaten wil wat recht en waarheid is?
PETRA. Ja, dat zou ik ook wel eens willen weten!
MEVR. STOCKMANN. Maar het helpt je immers absoluut niemendal; als ze niet willen dan willen ze niet.
DR. STOCKMANN. Hoho, Katrine, laat mij maar tijd, dan zal je zien dat ik toch mijn wil doorzet.
MEVR. STOCKMANN. Ja, je zult misschien doordrijven dat je je ontslag krijgt,... dat zal je.
DR. STOCKMANN. Dan heb ik in elk geval mijn plicht tegenover het publiek, tegenover de maatschappij gedaan. Ik, dien hij een vijand van de maatschappij heeft genoemd!
MEVR. STOCKMANN. Maar jegens je gezin, Thomas? Jegens ons hier thuis? Vindt je dat je op die manier je plicht doet jegens hen voor wier onderhoud je zorgen moet?
PETRA. Och, denk toch niet altijd in de eerste plaats aan ons, moeder.
MEVR. STOCKMANN. Ja, jij hebt goed praten; jij kunt desnoods op eigen beenen staan.... Maar denk aan de jongens, Thomas; en denk ook een beetje aan jezelf en aan mij....
DR. STOCKMANN. Maar ik geloof dat je niet goed wijs bent, Katrine! Als ik zoo jammerlijk laf was om met dien Peter en zijn verdomden troep te capituleeren, zou ik dan wel ooit een gelukkig oogenblik in mijn leven meer kunnen hebben?
MEVR. STOCKMANN. Ja, dat weet ik niet; maar Onze Lieve Heer beware ons voor het geluk dat ons allen te wachten staat, als jij in je trots volhardt. Dan sta je weer zonder brood, zonder vast inkomen. Mij dunkt, daar hebben wij genoeg van gehad in vroeger dagen; denk er aan, Thomas; bedenk wat dat zeggen wil.
DR. STOCKMANN (_in hevigen tweestrijd_). En tot zoo iets kunnen die bureau-slaven een vrij en eerlijk man brengen! Is dat niet vreeselijk, Katrine?
MEVR. STOCKMANN. Ja, ze hebben schandelijk gehandeld tegenover je, dat staat vast. Maar lieve God, er is zoo veel dat onrechtvaardig is, waaronder een mensch zich maar buigen moet.... Daar zijn de jongens, Thomas! Kijk ze eens aan! Wat zal er van hen worden? O neen, neen, je kunt het nooit over je hart verkrijgen....
(_Ejlif en Morten met hun schoolboeken zijn intusschen binnengekomen_).
DR. STOCKMANN. De jongens!... (_Staat op eens vast besloten stil_). En al zou de heele wereld te gronde gaan, toch buig ik mijn nek niet onder het juk (_gaat naar zijn kamer_).
MEVR. STOCKMANN (_hem achterna_). Thomas,... wat ga je doen!
DR. STOCKMANN (_bij de deur_). Ik wil het recht behouden om mijn jongens in de oogen te zien, als zij eens tot vrije mannen zullen zijn opgegroeid (_gaat binnen_).
MEVR. STOCKMANN (_barst in tranen uit_). O, God helpe en trooste ons allen!
PETRA. Vader is ferm! Hij buigt niet!
(_De jongens vragen verwonderd wat er is; Petra beduidt hen dat zij zwijgen moeten_).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
* * * * *
DERDE BEDRIJF.
De redactie-kamer van de "Volksbode." Links achter de entree-deur; rechts in denzelfden wand een glazen deur, waardoor men in de drukkerij kijkt. In den wand rechts een deur. Midden in de kamer een groote tafel bedekt met papieren, couranten en boeken. Vooraan links een raam en daarbij een lessenaar met hooge kruk. Een paar fauteuils staan bij de tafel; eenige andere stoelen langs den muur. De kamer is somber en ongezellig, het meubilair oud, de fauteuils vuil en versleten. In de drukkerij ziet men een paar zetters aan het werk; verderop is een handpers in werking.
Redacteur Hovstad zit aan den lessenaar te schrijven. Even later komt Billing binnen van rechts met het manuscript van den dokter in zijn hand.
* * * * *
BILLING. Nou ik moet zeggen dat...!
HOVSTAD (_schrijvend_). Heb je het doorgelezen?
BILLING (_legt het manuscript op den lessenaar_). Ja, dat heb ik.
HOVSTAD. Flink scherp, hè?
BILLING. Scherp? Hij is goddome vernietigend. Ieder woord komt als een bijlslag neer, zoo geweldig....
HOVSTAD. Ja, maar de menschen vallen niet met den eersten slag.
BILLING. Dat is waar; maar dan gaan wij voort met er op te slaan,... slag op slag, dat het heele groote-heeren regiment onderste boven ligt. Toen ik dat daar in mijn kamer zat te lezen, was het of ik in de verte de revolutie zag aankomen.
HOVSTAD (_keert zich om_). Sst; zeg dat maar niet dat Aslaksen het hoort.
BILLING (_spreekt zachter_). Aslaksen is een haas, een laffe vent; er zit niets geen mannenmoed in hem. Maar dezen keer zal je toch je wil doorzetten, hè? Het artikel van den dokter plaats je toch wel?
HOVSTAD. Ja, als de burgemeester nu maar niet goedwillig met hem mee gaat, dan....
BILLING. Dat zou verduiveld vervelend zijn.
HOVSTAD. Nu, wij kunnen ons in elk geval de omstandigheden ten nutte maken, wat er ook gebeure. Gaat de burgemeester niet in op de voorstellen van den dokter, dan krijgt hij de heele kleine burgerij op zijn dak,... den heelen Bond van Huiseigenaren en al de anderen. En gaat hij er wèl op in, dan krijgt hij het aan den stok met een heelen troep van de groote aandeelhouders, die tot nu toe zijn beste steun waren.
BILLING. Jawel, zeker; want die zullen stellig wat moeten opdokken....
HOVSTAD. Ja, daarop kan je je wel laten hangen. En dan is die ring verbroken, zie je, en dan zullen wij dag aan dag het publiek er over inlichten, dat de burgemeester ongeschikt is in alle opzichten, en dat alle posten van vertrouwen in de stad, evenals het heele gemeentebestuur, moesten gegeven worden in handen van vrijzinnige mannen.
BILLING. Dat is, goddome, raak! Ik zie het, ik zie het al vóór me ... wij staan als aan den vooravond van een revolutie!
(_Er wordt geklopt_).
HOVSTAD. Stil! (_roept_) Binnen!
(_Dr. Stockmann komt door de deur links achter_).
HOVSTAD (_gaat naar hem toe_). O, daar hebben wij den dokter. Wel?
DR. STOCKMANN. Druk maar raak, mijnheer Hovstad.
HOVSTAD. Dus het kwam er toe?
BILLING. Hoera!
DR. STOCKMANN. Druk maar raak, zeg ik. Ja, zeker kwam het er toe. Maar nu zullen ze dan ook hun zin hebben. Nu wordt het oorlog hier in de stad, mijnheer Billing!
BILLING. Oorlog op leven en dood, hoop ik! Het mes op de keel, dokter!
DR. STOCKMANN. Dat rapport is maar een begin. Ik loop al met mijn hoofd vol van vier, vijf ontwerpen voor nieuwe artikels. Waar zit Aslaksen?
BILLING (_roept in de drukkerij_). Aslaksen, kom eens even hier!
HOVSTAD. Vier, vijf nieuwe artikels, zei u? Over dezelfde zaak?
DR. STOCKMANN. Neen, geen idee, mijn waarde! Neen, over heel andere dingen. Maar het gaat allemaal van de waterleiding en het riool uit. Het een volgt uit het ander, begrijpt u. Het is net als wanneer je begint een oud gebouw af te breken ... dat gaat precies eender.
BILLING. Dat is, goddome, waar; je schijnt er nooit mee klaar te komen vóór je den heelen boel naar beneden hebt gehaald.
ASLAKSEN (_uit de drukkerij_). Naar beneden gehaald! Dokter denkt er toch niet over het badhuis af te breken?
HOVSTAD. In de verste verte niet; wees maar niet bang.
DR. STOCKMANN. Neen, er is sprake van heel andere dingen. Wel, en wat zegt u van mijn verslag, mijnheer Hovstad?
HOVSTAD. Ik vind het een waar meesterstuk....
DR. STOCKMANN. Ja, niet waar? Nu dat doet mij plezier; dat doet mij plezier.
HOVSTAD. Zoo helder en duidelijk; men behoeft heelemaal geen man van het vak te zijn om het verband te begrijpen. Ik durf gerust zeggen dat u alle ontwikkelden op uw hand krijgen zal.
ASLAKSEN. En ook alle bezadigden?
BILLING. Bezadigden en niet bezadigden, ik denk wel nagenoeg de heele stad.
ASLAKSEN. Nu, dan kunnen wij dat verslag wel drukken.
DR. STOCKMANN. Ja, dat zou ik ook denken!
HOVSTAD. Morgen vroeg komt het in de courant.
DR. STOCKMANN. Bliksems ja, er moet geen enkele dag verloren gaan. Hoor eens, mijnheer Aslaksen. Ik wou u vragen of u persoonlijk voor het manuscript zorgen wil.
ASLAKSEN. Dat zal ik.
DR. STOCKMANN. Waak er over alsof het goud was. Geen enkele drukfout; ieder woord is van belang. Ik kom later nog wel even aan; misschien zou ik dan al een gedeelte proef kunnen zien.... Ik kan niet zeggen hoe ik er naar verlang het gedrukt te zien ... de wereld in geslingerd....
BILLING. Geslingerd ... ja, als een bliksemschicht!
DR. STOCKMANN. ... aan het oordeel van alle verstandige medeburgers onderworpen. O, u kan u geen begrip maken van wat mij van daag is aangedaan. Men heeft mij met allerlei dingen gedreigd, men heeft mij willen ontnemen wat toch zonneklaar een mensch zijn goed recht is ...
BILLING. Wat! Dat wat uw goed recht als mensch is!
DR. STOCKMANN. ... men heeft mij willen vernederen, mij tot een schurk willen maken ... geëischt dat ik persoonlijk voordeel boven mijn innigste, heiligste overtuiging stellen zou....
BILLING. Dat is, goddome, toch wat àl te bar.
HOVSTAD. Och ja, van dien kant kan men alles verwachten.
DR. STOCKMANN. Maar met mij zullen zij aan het kortste eind trekken; dat zullen zij zwart op wit van mij hebben. Nu wil ik, om zoo te zeggen, voortaan in de "Volksbode" voor anker gaan liggen, en hen bombardeeren met ontplofbare artikels....
ASLAKSEN. Ja maar, hoor eens....
BILLING. Hoera, er komt oorlog, er komt oorlog!
DR. STOCKMANN. ... ik zal ze tegen den grond slaan, ik zal ze vermorzelen, hun vestingwerken voor de oogen van het heele rechtschapen publiek met den grond gelijk maken! Dat zal ik doen!
ASLAKSEN. Maar doe het toch gematigd, dokter; schiet met mate....
BILLING. Welneen, welneen! Het dynamiet niet sparen!
DR. STOCKMANN (_gaat onverstoorbaar door_). Want nu is het niet meer alleen de kwestie van de waterleiding en het riool, ziet u. Neen, nu is het onze heele samenleving hier die gereinigd, gedesinfecteerd worden moet.
BILLING. Daar klonk het bevrijdingswoord!
DR. STOCKMANN. Alle lapwerk-veteranen moeten er uit. En dat op alle mogelijk gebied! Er hebben zich oneindige verschieten voor mij geopend van daag. Heel duidelijk is mij dat alles nog niet; maar dat komt wel. Wij moeten jonge frissche banierdragers zoeken, beste vrienden; wij moeten nieuwe commandanten hebben op alle voorposten.
BILLING. Juist, juist!
DR. STOCKMANN. En als wij maar eensgezind zijn, dan gaat het zoo glad, zoo glad! De heele omwenteling zal van stapel loopen als een schip. Gelooft u ook niet?
HOVSTAD. Ik, voor mijn part, geloof dat wij nu uitzicht hebben het gemeentebestuur over te brengen in die handen, waar het van rechtswege behoort te zijn.
ASLAKSEN. En als wij maar gematigd te werk gaan, dan kan ik mij niet voorstellen dat het gevaarlijk zou kunnen zijn.
DR. STOCKMANN. Wat duivel kan het schelen of het gevaarlijk is of niet! Dat wat ik doe, doe ik in naam der waarheid en voor mijn eigen geweten.
HOVSTAD. U is een man die verdiend gesteund te worden, dokter.
ASLAKSEN. Ja, dat staat vast, de dokter is een oprecht vriend van de stad; een ware vriend van de samenleving, ja.
BILLING. Dokter Stockmann is, goddome, een vriend van het volk, Aslaksen!
ASLAKSEN. Ik denk dat de Bond van Huiseigenaren van die uitdrukking gauw gebruik zal maken.
DR. STOCKMANN (_bewogen, drukt hem de hand_). Dank, dank, mijn lieve trouwe vrienden;... het is zoo verkwikkend dat alles te hooren;... mijn broer noemde mij heel anders.... Nou, dat zal hij, bij mijn ziel, met woeker terug krijgen! Maar nu moet ik weg om naar een armen stakkerd te gaan kijken.... Straks kom ik terug, zooals gezegd. Zorg goed voor mijn manuscript, mijnheer Aslaksen;... en laat, bij al wat u lief is, alsjeblieft geen enkel uitroepingsteeken weg! Zet er liever nog een paar bij! Goed, best; tot straks dan; adieu!
(_Wederzijdsche groeten terwijl zij hem tot aan de deur geleiden en hij weg gaat_).
HOVSTAD. Hij kan onbetaalbaar nuttig voor ons worden.
ASLAKSEN. Ja, zoo lang hij zich alleen houdt aan die zaak van de badinrichting. Maar als hij verder gaat, is het niet raadzaam met hem gemeene zaak te maken.
HOVSTAD. Hm, dat komt er maar op aan....
BILLING. Je bent ook zoo vervloekt bang, Aslaksen.
ASLAKSEN. Bang? Ja, waar het de lokale autoriteiten betreft, ben ik bang, mijnheer Billing; dat is iets dat ik in de school der ervaring geleerd heb, moet ik u zeggen. Maar zet mij eens voor de hooge politiek, ja, zelfs voor de oppositie tegen de regeering, en zie dan eens of ik bang ben.
BILLING. Neen, dan zeker niet, neen; maar dat is juist het tegenstrijdige in je.
ASLAKSEN. Ik ben een man die er een geweten op na houdt, dat is de heele zaak. Valt iemand de Regeering aan, dan doet hij de maatschappij in elk geval geen kwaad; want die lui storen er zich niet aan, ziet u;... zij blijven toch waar ze zijn. Maar de _lokale_ autoriteiten, die kunnen omvergeworpen worden, en dan komt misschien de onkunde aan het roer, tot onherstelbare schade van huiseigenaren en anderen.
HOVSTAD. Maar de opvoeding der burgers door zelfbestuur ... gaat dat je niet ter harte?
ASLAKSEN. Als iemand iets bereikt heeft dat hij graag behouden wil, dan kan hij zich niet met alles bezig houden, mijnheer Hovstad.
HOVSTAD. Nou, dan hoop ik van mijn leven niets te bereiken.
BILLING. Mooi zoo!
ASLAKSEN (_glimlacht_). Hm. (_wijst naar den lessenaar_). Op die redacteurskruk dáár, heeft vóór u meneer Stensgaard gezeten, die regeeringscommissaris is geworden.
BILLING (_spuwt_). Bah! Zoo'n overlooper.
HOVSTAD. Ik ben geen weerhaan ... en zal het nooit worden ook.
ASLAKSEN. Iemand die aan politiek doet, moet zich nooit tot iets verbinden, mijnheer Hovstad. En u, mijnheer Billing, moest ook maar liever een beetje bakzeil halen, dezer dagen, dunkt me; want u solliciteert immers naar de betrekking van secretaris bij het gemeentebestuur.
BILLING. Ik...!
HOVSTAD. Jij, Billing...!
BILLING. Nou ja ... wat duivel, je begrijpt toch wel dat dat maar is om die hoogwijze heeren te ergeren.
ASLAKSEN. Ja, mij gaat het heelemaal niet aan. Maar als ik beschuldigd word van lafheid en tegenstrijdigheid in mijn houding, dan wil ik alleen dáár maar op komen, dat Aslaksens politiek verleden voor alle menschen open ligt. Ik ben heelemaal niet veranderd, alleen heb ik meer leeren maat houden, ziet u. Mijn hart is geheel bij het volk; maar ik ontken niet dat mijn verstand een beetje overhelt naar de autoriteiten,... naar de lokale dan altijd (_hij gaat de drukkerij binnen_).
BILLING. We moesten toch zien dat we van hem afkwamen, Hovstad.
HOVSTAD. Weet je iemand anders, die ons crediet geeft voor papier, zetwerk en drukloon?
BILLING. 't Is toch een vervloekt ding dat wij het noodige bedrijfskapitaal niet hebben.
HOVSTAD (_gaat aan zijn lessenaar zitten_). Ja, als we dàt maar hadden, dan....
BILLING. Als je er eens met den dokter over sprak?
HOVSTAD (_bladert in zijn papieren_). Wat zou dat helpen? Hij bezit immers niets.
BILLING. Neen; maar hij heeft een goede achter de hand, den ouden Morten Kiil,... de "das" zooals ze hem noemen.
HOVSTAD (_schrijvend_). Weet je dat zoo zeker dat _die_ wat heeft?
BILLING. Goddome, ja, hij wèl! En een deel daarvan moet toch wel aan Stockmanns familie komen. Hij zal toch wel wat meegeven ... aan de kinderen althans.
HOVSTAD (_keert zich half om_). Reken je daarop?
BILLING. Of ik er op reken? Ik reken natuurlijk nergens op.