Dramatische werken

Chapter 28

Chapter 283,861 wordsPublic domain

HOVSTAD. Daar doe je wel aan. En op die betrekking van secretaris zou ik ook maar heelemaal niet rekenen; want ik kan je verzekeren ... die krijg je nooit.

BILLING. Denk je dat ik dat niet opperbest weet? Maar het is me àl zoo lief dat ik die niet krijg. Zoo op zij gezet te worden vuurt je strijdlust aan;... je krijgt, om zoo te zeggen, weer toevoer van nieuwe gal en daar kan je soms behoefte aan hebben in zoo'n kraaiennest als hier, waar zoo zelden eens iets gebeurt dat je een beetje opwindt.

HOVSTAD (_schrijvend_). O ja; o ja.

BILLING. Nou ... je zult gauw genoeg wat van mij hooren!... Nu ga ik de oproeping aan den Bond van Huiseigenaren schrijven, (_hij gaat in de kamer rechts_).

HOVSTAD (_zit aan den lessenaar, bijt op zijn pennenhouder en zegt langzaam_). Hm,... jawel.... (_er wordt geklopt_). Binnen!

(_Petra komt door de deur links achter_).

HOVSTAD (_staat op_). Och, is u daar? Komt u hier?

PETRA. Ja, u moet mij excuseeren....

HOVSTAD (_trekt een fauteuil bij_). Wil u niet gaan zitten?

PETRA. Neen, dank u; ik ga dadelijk weer weg.

HOVSTAD. Is het misschien iets van uw vader, waar u....

PETRA. Neen het is iets van mijzelf. (_haalt een boek uit haar zak_). Hier is dat Engelsche verhaal.

HOVSTAD. Waarom brengt u dat terug?

PETRA. Omdat ik het niet vertalen wil.

HOVSTAD. Maar u beloofde het mij toch zoo vast....

PETRA. Ja, maar toen had ik het nog niet gelezen. En u heeft het zeker ook niet gelezen.

HOVSTAD. Neen; u weet dat ik geen Engelsch ken; maar....

PETRA. Nu juist; daarom moet ik u zeggen dat u iets anders zoeken moet (_legt het boek op de tafel_). Dit kan u volstrekt niet gebruiken in de "Volksbode".

HOVSTAD. Waarom niet?

PETRA. Omdat het geheel in strijd is met uw eigen beginselen.

HOVSTAD. Nu, wat dat betreft....

PETRA. U begrijpt mij nog niet goed. Dit is een verhaal waarin verteld wordt, dat een hooge bestiering waakt over de zoogenaamd brave menschen hier op aarde en alles ten slotte ten beste voor hen beschikt,... en dat de zoogenaamd slechten hun straf krijgen.

HOVSTAD. Maar dat is juist heel mooi. Dat is net iets wat het volk hebben wil.

PETRA. Wil u dan de man zijn die het volk zulke dingen voorzet? Zelf gelooft u daar immers geen woord van. U weet opperbest dat het in de werkelijkheid zoo niet toegaat.

HOVSTAD. Daarin heeft u volkomen gelijk, maar een redacteur kan niet altijd doen zooals hij 't liefst zou willen. Men moet dikwijls buigen voor de opinie der menschen in dingen van minder belang. De politiek is de hoofdzaak in het leven ... of althans voor een dagblad. En als ik wil dat de menschen mij volgen zullen op den weg naar vrijmaking en vooruitgang, dan moet ik hen niet afschrikken. Als zij onder aan ons blad zulk een braaf verhaaltje lezen, dan gaan ze gewilliger mee met dàt wat bovenaan gedrukt staat;... dat geeft hun een rustig gevoel.

PETRA. Foei, zoo sluw gaat u dus te werk om u lezers te vangen; u is toch geen spin!

HOVSTAD (_glimlacht_). Dank voor uw goede opinie. Neen; dat is ook eigenlijk maar Billing's gedachtengang, niet de mijne.

PETRA. Billing's...!

HOVSTAD. Ja, zoo sprak hij er ten minste onlangs over. Het is ook Billing die er zoo op gesteld is dat verhaal te plaatsen; ik ken het boek niet.

PETRA. Maar hoe kan Billing met zijn radicale opvattingen...!

HOVSTAD. Och, Billing is veelzijdig. Nu solliciteert hij naar de betrekking van secretaris bij het gemeentebestuur ook al, hoor ik.

PETRA. Dat geloof ik niet, mijnheer Hovstad. Hoe zou hij zich in zoo iets kunnen voegen?

HOVSTAD. Ja, dat moet u hem zelf maar vragen!

PETRA. Nooit zou ik dat van Billing gedacht hebben.

HOVSTAD (_kijkt haar strak aan_). Niet? Komt u dat zoo heel onverwacht?

PETRA. Ja. Of misschien toch niet. Ik weet 't eigenlijk niet....

HOVSTAD. Wij dagbladschrijvers deugen niet veel, juffrouw Stockmann.

PETRA. Zegt u dat in ernst?

HOVSTAD. Soms denk ik het wel eens.

PETRA. Ja, onder den indruk van het gewone dagelijksche gekrakeel, dat kan ik wel begrijpen. Maar nu, nu u óp komt voor een groote zaak....

HOVSTAD. Die van uw vader, meent u?

PETRA. Ja juist. Nu, dunkt me, moet u zich voelen als een man die meer waard is dan anderen.

HOVSTAD. Ja, van daag voel ik zoo iets.

PETRA. Niet waar? Is het zoo niet? O, u heeft een mooie levenstaak gekozen. Miskende waarheden en nieuwe vrije levensopvattingen een weg te banen ... ja zelfs alleen het zonder vrees optreden voor iemand die verongelijkt wordt....

HOVSTAD. Vooral als die verongelijkte ... hm ... ik weet niet goed, hoe ik....

PETRA. Als hij zoo rechtschapen en zoo door-en-door eerlijk is, meent u?

HOVSTAD (_zachter_). Vooral wanneer die uw vader is; wou ik zeggen.

PETRA (_plotseling veranderd_). Dáárom?

HOVSTAD. Ja, Petra,... juffrouw Petra.

PETRA. Komt dat dus voor u in de allereerste plaats? Niet de zaak zelf? Niet de waarheid; niet vaders hooge gloeiende ziel?

HOVSTAD. Jawel,... ja dat spreekt, dat ook.

PETRA. Neen; nu heeft u zich versproken, mijnheer Hovstad, en nu geloof ik u in geen enkel opzicht meer.

HOVSTAD. Kan u mij dat zoo kwalijk nemen, dat het voornamelijk om uwentwil is...?

PETRA. Wat ik u kwalijk neem, is dat u niet eerlijk tegenover vader is geweest. U heeft met hem gesproken alsof de waarheid en het heil der maatschappij u het allernaast aan het hart lagen. U heeft vader zoowel als mij voor den gek gehouden; u is niet de man voor wien u zich uitgaf. En dat vergeef ik u nooit!

HOVSTAD. Dat moest u liever niet zoo stellig zeggen, juffrouw Petra; en allerminst nu.

PETRA. Waarom niet nù?

HOVSTAD. Omdat uw vader mijn hulp niet missen kan.

PETRA (_kijkt op hem neer_). Dus van die kracht is u óók nog? Bah!

HOVSTAD. Neen, neen, dat meen ik niet! Het valt mij ook zoo onverwacht op het lijf. Dat moet u niet gelooven!

PETRA. Ik weet nu wat ik gelooven moet. Adieu.

ASLAKSEN (_uit de drukkerij, haastig en geheimzinnig_). Bliksems, meneer Hovstad.... (_ziet Petra_). Au, verdomme....

PETRA. Daar ligt het boek. Geeft u 't maar aan iemand anders (_gaat naar de uitgangsdeur_).

HOVSTAD (_loopt mee_). Maar, juffrouw....

PETRA. Vaarwel (_gaat weg_).

ASLAKSEN. Meneer Hovstad, hoor eens!

HOVSTAD. Nou, nou, wat is er dan?

ASLAKSEN. De burgemeester is in de drukkerij.

HOVSTAD. De burgemeester, zeg je?

ASLAKSEN. Ja, hij wil u spreken; hij kwam achterin,... wou niet gezien worden, dat begrijpt u.

HOVSTAD. Wat kan dat zijn? Neen wacht, ik zal zelf.... (_hij gaat naar de deur van de drukkerij, groet en verzoekt den burgemeester binnen te komen_).

HOVSTAD. Hou de wacht, Aslaksen, dat niemand....

ASLAKSEN. Begrepen.... (_gaat de drukkerij binnen_)

BURGEM. STOCKMANN. Mijnheer Hovstad had wel niet verwacht mij hier te zien.

HOVSTAD. Neen, dat had ik stellig niet.

BURGEM. STOCKMANN (_kijkt rond_). U is hier waarlijk heel gezellig ingericht, heel aardig.

HOVSTAD. O....

BURGEM. STOCKMANN. En nu kom ik zoo maar zonder complimenten en leg beslag op uw tijd.

HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester, ik ben tot uw dienst. Maar mag ik u niet ontlasten van...? (_legt uniformpet en stok op een stoel_). En wil burgemeester niet gaan zitten?

BURGEM. STOCKMANN (_gaat bij de tafel zitten_). Dank u.

(_Hovstad gaat ook aan de tafel zitten_).

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb van daag een waarlijk groot verdriet gehad, mijnheer Hovstad.

HOVSTAD. Zoo? Och ja, bij zooveel zaken als burgemeester aan zijn hoofd heeft....

BURGEM. STOCKMANN. Dat van van daag heeft de baddokter mij aangedaan.

HOVSTAD. De dokter? Zoo?

BURGEM. STOCKMANN. Hij heeft een soort van verslag geschreven voor het bestuur van de badinrichting, over een aantal vermeende gebreken....

HOVSTAD. Och kom?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, heeft hij het u niet verteld? Ik dacht dat hij zei....

HOVSTAD. O ja, dat 's waar, hij liet er een paar woorden over los....

ASLAKSEN (_uit de drukkerij_). Ik wou even het manuscript....

HOVSTAD (_kriebelig_). Hm; dat ligt immers daar op den lessenaar.

ASLAKSEN (_vindt het_). Mooi zoo.

BURGEM. STOCKMANN. Maar kijk eens, daar heeft u het juist....

ASLAKSEN. Ja, dat is het stuk van den dokter, burgemeester.

HOVSTAD. O, is het dát waar u van spreekt?

BURGEM. STOCKMANN. Precies. Wat denkt u er van?

HOVSTAD. Ja, ik ben geen man van het vak, en ik heb het maar vluchtig gelezen.

BURGEM. STOCKMANN. Maar u laat het toch drukken?

HOVSTAD. Een man van naam kan ik dat niet goed weigeren....

ASLAKSEN. Ik heb niets te zeggen in dagbladzaken, burgemeester.

BURGEM. STOCKMANN. Dat spreekt.

ASLAKSEN. Ik druk maar wat ik in mijn handen krijg.

BURGEM. STOCKMANN. Zoo behoort het ook.

ASLAKSEN. En daarom mag ik zeker wel.... (_gaat naar de deur van de drukkerij_).

BURGEM. STOCKMANN. Neen, blijf nog een oogenblik, mijnheer Aslaksen. Met uw goedvinden, mijnheer Hovstad....

HOVSTAD. Alsjeblieft, burgemeester....

BURGEM. STOCKMANN. U is een kalm en verstandig man, mijnheer Aslaksen.

ASLAKSEN. 't Doet mij plezier dat burgemeester er zoo over denkt.

BURGEM. STOCKMANN. En een man van invloed in wijden kring.

ASLAKSEN. Voornamelijk onder de kleine luiden ... ja.

BURGEM. STOCKMANN. De kleine belastingplichtigen zijn het talrijkst, hier, even als overal.

ASLAKSEN. Dat zijn ze zeker.

BURGEM. STOCKMANN. En ik twijfel er niet aan of u kent den geest van de meesten van die lui. Is het zoo niet?

ASLAKSEN. Ja, burgemeester, ik geloof dat ik wel zeggen mag dat ik dien ken.

BURGEM. STOCKMANN. Nu als er dan zoo'n prijzenswaardige offervaardigheid heerscht onder de minder gegoede burgers, dan....

ASLAKSEN. Hoe dat?

HOVSTAD. Offervaardigheid?

BURGEM. STOCKMANN. Dat is een mooi blijk van gemeenschapszin; een heel mooi blijk. Ik had haast gezegd dat ik het niet verwacht had. Maar u kent den geest beter dan ik.

ASLAKSEN. Ja, maar, burgemeester....

BURGEM. STOCKMANN. En het zullen waarlijk geen geringe offers zijn die de stad zal moeten brengen.

HOVSTAD. De stad?

ASLAKSEN. Maar ik begrijp niet.... Het is toch de badinrichting...!

BURGEM. STOCKMANN. Volgens een voorloopige berekening zullen de veranderingen, die de baddokter wenschelijk acht, een paar honderdduizend kronen beloopen.

ASLAKSEN. Dat is een heeleboel geld, maar....

BURGEM. STOCKMANN. Natuurlijk zal het noodig zijn dat de gemeente een leening sluit.

HOVSTAD (_staat op_). Het is toch niet de bedoeling dat de stad...?

ASLAKSEN. Zou dat uit de gemeentekas moeten gaan! Uit de magere beurzen van de kleine burgers?

BURGEM. STOCKMANN. Ja, geëerde heer Aslaksen, waar zouden de middelen anders van daan moeten komen?

ASLAKSEN. Daar moeten de heeren voor zorgen wien de badinrichting aangaat.

BURGEM. STOCKMANN. De aandeelhouders zijn niet in staat nog verder te gaan dan ze al gegaan zijn.

ASLAKSEN. Is dat héél zeker, burgemeester?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb nauwkeurige inlichtingen ingewonnen. Wenscht men dus deze veelomvattende veranderingen, dan moet de stad ze zelf bekostigen.

ASLAKSEN. Maar bliksems nog toe ... excuseer burgemeester ... maar dan wordt het een heel ander geval, meneer Hovstad.

HOVSTAD. Ja, dat is zeker.

BURGEM. STOCKMANN. Het fataalste is, dat wij genoodzaakt zijn de badplaats te sluiten voor een paar jaar.

HOVSTAD. Sluiten? Heelemaal sluiten?

ASLAKSEN. Twee jaar lang!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, zoo lang zal het werk duren op zijn minst.

ASLAKSEN. Neen maar, voor den donder, dat houden wij niet uit, burgemeester! Waar zullen wij huiseigenaren dan van leven in dien tijd?

BURGEM. STOCKMANN. Dat is, helaas, een moeilijk te beantwoorden vraag. Maar wat wil u dat wij dan doen zullen? Denkt u dat er een enkele badgast hier komen zou als men hem wijs maakt dat het water bedorven is, dat wij op een verpesten grond leven, dat de heele stad....

ASLAKSEN. En is dat dan allemaal maar verbeelding?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb mij met den besten wil, niet van het tegendeel kunnen overtuigen.

ASLAKSEN. Ja maar, dan is het toch onverantwoordelijk van dokter Stockmann.... Ik vraag excuus burgemeester, maar....

BURGEM. STOCKMANN. Het is een treurige waarheid, die u daar uitspreekt, mijnheer Aslaksen. Mijn broer is, helaas, altijd een onnadenkend mensch geweest.

ASLAKSEN. En dan zou u hem in zoo iets willen steunen, meneer Hovstad?

HOVSTAD. Maar wie kon dan ook denken, dat...?

BURGEM. STOCKMANN. Ik heb een korte rectificatie van den toestand opgesteld, zóó als die van een kalm zakelijk standpunt moet beschouwd worden, en daarbij heb ik aangegeven op welke wijze de mogelijke ongemakken zouden te verhelpen zijn, met middelen die voor de kas der badinrichting bereikbaar zijn.

HOVSTAD. Heeft u dat opstel bij u, burgemeester?

BURGEM. STOCKMANN (_zoekt in zijn zak_). Ja; ik nam het mee voor het geval dat u....

ASLAKSEN (_snel_). Bliksems, daar is hij!

BURGEM. STOCKMANN. Wie? Mijn broer?

HOVSTAD. Waar ... waar?

ASLAKSEN. Hij loopt door de drukkerij.

BURGEM. STOCKMANN. Dat is fataal. Ik zou hem niet gaarne hier ontmoeten, en ik heb nog verscheidene dingen met u te bespreken.

HOVSTAD. (_wijst naar de deur rechts_). Gaat u daar zoo lang binnen.

BURGEM. STOCKMANN. Maar...?

HOVSTAD. Daar vindt u mijnheer Billing.

ASLAKSEN. Weg, weg, burgemeester, daar komt hij!

BURGEM. STOCKMANN. Ja, jawel; maar zie hem gauw weer weg te krijgen.

(_Hij gaat weg door de deur rechts, die Aslaksen voor hem opent en weer sluit_).

HOVSTAD. Doe alsof je met iets bezig bent, Aslaksen. (_hij gaat zitten schrijven. Aslaksen rommelt in een pak couranten op een stoel rechts_).

DR. STOCKMANN (_komt uit de drukkerij_). Daar ben ik weer. (_legt hoed en stok weg_).

HOVSTAD (schrijvend). Nu al, dokter? Maak voort met dat waar we over spraken, Aslaksen. We hebben bitter weinig tijd van daag.

DR. STOCKMANN (_tegen Aslaksen_). Nog geen proef, hoor ik?

ASLAKSEN (_zonder zich om te keeren_). Neen, hoe kon dokter dat verwachten?

DR. STOCKMANN. Och neen; maar ik ben ongeduldig, dat kan u wel begrijpen. Ik heb rust noch duur voor ik het gedrukt zie.

HOVSTAD. Hm; dat zal nog wel een poosje duren. Geloof je ook niet, Aslaksen?

ASLAKSEN. Ja, daar ben ik ook bang voor.

DR. STOCKMANN. Goed, goed, beste vrienden; dan kom ik nog maar eens terug; ik kom met plezier tweemaal als het noodig is. Zoo'n gewichtige zaak ... de welvaart van de heele stad ... daarbij mag waarachtig niet geluierd worden. (_wil weggaan, doch blijft staan en komt terug_). Hoor eens, er is nog één ding waar ik u graag over spreken wou.

HOVSTAD. Pardon; maar zouden wij niet een anderen keer....

DR. STOCKMANN. Het is met twee woorden gezegd. 't Is alleen dit maar ... als men nu morgen mijn rapport leest in uw blad, en aldus te weten komt dat ik hier den heelen winter in stilte gewerkt heb voor het welzijn van de stad....

HOVSTAD. Ja maar, dokter....

DR. STOCKMANN. Ik weet wat u zeggen wil. U meent dat het niets meer was dan mijn plicht ... eenvoudig mijn plicht als burger. Ja, natuurlijk; dat weet ik net zoo goed als u. Maar mijn medeburgers, ziet u ... och lieve Heer, die goede menschen houden toch zooveel van mij....

ASLAKSEN. Ja, de burgerij heeft wel veel van u gehouden tot op dezen dag, dokter.

DR. STOCKMANN. Ja, en juist daarom ben ik bang, dat ... ik wou dit maar zeggen: als het nu tót hen komt vooral tot de onbemiddelde klasse ... als een aanmaning om voortaan de stadsaangelegenheden zelf in handen te nemen....

HOVSTAD (_staat op_). Hm, dokter ik wil u niet verbergen....

DR. STOCKMANN. Aha, ... dacht ik het niet dat er iets broeide! Maar daar wil ik niets van weten. Als er zoo iets op touw gezet wordt....

HOVSTAD. Wat dan?

DR. STOCKMANN. Nou, 't een of 't ander ... een serenade of een banket of een inschrijving voor een cadeau ... of wat het dan ook zijn moge, dan moet u mij heilig en vast beloven om dat tegen te gaan. En u ook, mijnheer Aslaksen, hoort u!

HOVSTAD. Pardon dokter, wij kunnen u net zoo goed nu als later de waarheid zeggen....

(_Mevr. Stockmann met hoed en mantel komt binnen door de deur links achter_).

MEVR. STOCKMANN (ziet den dokter). Jawel, daar is hij zoo waar!

HOVSTAD (_gaat haar tegemoet_). Kijk eens aan, daar komt mevrouw ook!

DR. STOCKMANN. Wat duivel kom jij hier doen, Katrine?

MEVR. STOCKMANN. Dat kan je toch wel begrijpen, denk ik.

HOVSTAD. Wil u niet gaan zitten, mevrouw? Of misschien....

MEVR. STOCKMANN. Dank u; doe geen moeite. En u moet het mij niet kwalijk nemen, dat ik Stockmann kom halen; ik ben moeder van drie kinderen moet ik u zeggen.

DR. STOCKMANN. Malligheid, onzin; dat weten we immers wel.

MEVR. STOCKMANN. Nou, het heeft er anders niet veel van of je veel aan vrouw en kinderen denkt van daag; anders zou je ons niet allemaal ongelukkig gaan maken.

DR. STOCKMANN. Maar ben je nu heelemaal mal, Katrine? Zal het een man met vrouw en kinderen niet geoorloofd zijn de waarheid te verkondigen;... een nuttig en werkzaam staatsburger te zijn,... zal het hem verboden zijn de stad te dienen waarin hij leeft?

MEVR. STOCKMANN. Alles met mate, Thomas!

ASLAKSEN. Dat zeg ik ook. Maat houden in alle dingen.

MEVR. STOCKMANN. En daarom bezondigt u zich aan ons, mijnheer Hovstad, als u mijn man weg lokt van huis en haard en hem verleidt tot dit alles.

HOVSTAD. Ik verleid waarachtig geen mensch tot....

DR. STOCKMANN. Verleiden! Denk je dat _ik_ mij laat verleiden!

MEVR. STOCKMANN. Jawel, dat doe je wel. Ik weet wel dat je de knapste man van de stad bent; maar je bent zoo vreeselijk gemakkelijk te verleiden, Thomas. En bedenk toch eens, dat hij zijn betrekking bij de badinrichting verliest als u laat drukken wat hij geschreven heeft.

ASLAKSEN. Wat?

HOVSTAD. Ja, dokter, weet u wat....

Dr. Stockmann (_lacht_). Haha, laten ze 't maar eens probeeren...! O, neen, zeg ... ze zullen er wel voor oppassen. Want ik heb de compacte meerderheid achter me, zie je!

MEVR. STOCKMANN. Ja, dat is juist het ongeluk, dat je zoo iets ellendigs achter je hebt.

DR. STOCKMANN. Mallepraat, Katrine,... ga naar huis en zorg voor je huishouden en laat de zorg voor maatschappelijke dingen aan mij over. Hoe kan je toch zoo bang zijn als ik zoo rustig en blijmoedig ben? (_wrijft zich de handen en loopt op en neer_). De waarheid en het volk zullen den slag winnen, daar kan je op aan. O, ik zie den heelen vrijzinnigen burgerstand zich al scharen tot een zegevierend leger...! (_stoot tegen een stoel_). Wat ... wat duivel is dát hier?

ASLAKSEN (_kijkt dien kant uit_). O wee!

HOVSTAD (_evenzoo_). Hm....

DR. STOCKMANN. Hier ligt zoowaar het toppunt der autoriteit. (_hij neemt de pet van den burgemeester voorzichtig met de toppen van zijn vingers op en houdt die in de hoogte_).

MEVR. STOCKMANN. De pet van den burgemeester!

DR. STOCKMANN. En hier is zijn commandostaf ook. Hoe komt voor den drommel...?

HOVSTAD. Ja....

DR. STOCKMANN. O, ik begrijp er alles van! Hij is hier geweest om u te bepraten. Haha, daar kwam hij aan het rechte kantoor! En toen hij mij in de drukkerij in het oog kreeg.... (_barst in lachen uit_). Is hij gaan loopen, mijnheer Aslaksen?

ASLAKSEN (_snel_). Ja, waarachtig, hij is gaan loopen, dokter.

DR. STOCKMANN. Is gaan loopen zonder stok en.... Larifari; Peter loopt zoo maar niet weg. Maar wat duivel, wáár heb je hem gelaten? Ah ... dáárbinnen natuurlijk. Nou zal je eens wat zien, Katrine!

MEVR. STOCKMANN. Thomas, ik bid je!

ASLAKSEN. Neem u in acht, dokter.

DR. STOCKMANN (_heeft burgemeesters pet opgezet en zijn stok in de hand genomen; dan gaat hij naar de deur, gooit die open en salueert met de hand aan de klep van de pet_).

(_Burgemeester komt binnen, rood van kwaadheid. Achter hem aan komt Billing_).

BURGEM. STOCKMANN. Wat moet die vertooning beteekenen?

DR. STOCKMANN. Een beetje respect, mijn goede Peter. Nu vertegenwoordig _ik_ de autoriteit van de stad. (_hij wandelt op en neer_).

MEVR. STOCKMANN (_bijna schreiend_). Maar Thomas dan toch!

BURGEM. STOCKMANN (_loopt hem na_). Geef mij mijn pet en mijn stok!

DR. STOCKMANN (_als voren_). Al ben jij het hoofd van de politie, ik ben het hoofd van de stad.... Ik ben baas van den heelen boel, ik, zie je!

BURGEM. STOCKMANN. Zet die pet af, zeg ik je. Bedenk dat het een reglementaire uniformpet is!

DR. STOCKMANN. Poeh! Denk je dat de ontwakende volksleeuw zich bang laat maken door uniformpetten? Want morgen komt er revolutie in de stad, dat je het maar weet. Jij dreigde mij af te zetten, maar nu zet ik jou af ... onthef je van al je posten van vertrouwen.... Geloof je soms dat ik dat niet kan? Ja wel, hoor; ik heb de zegevierende machten van de maatschappij op mijn hand. Hovstad en Billing zullen donderen in de "Volksbode", en Aslaksen rukt uit aan het hoofd van den heelen Bond van Huiseigenaren....

ASLAKSEN. Dat doe ik niet, dokter.

DR. STOCKMANN. Ja, welzeker, doet u dat....

BURGEM. STOCKMANN. Ah, zoo, mijnheer Hovstad prefereert misschien toch ook om zich aan te sluiten bij de beweging?

HOVSTAD. Neen, burgemeester.

ASLAKSEN. Neen, mijnheer Hovstad is zoo gek niet dat hij zich zelf en zijn blad er aan zou wagen, en dat ter wille van een hersenschim.

DR. STOCKMANN (_kijkt rond_). Wat beteekent dat alles?

HOVSTAD. U heeft uw zaak in een valsch licht voorgesteld, dokter; en daarom kan ik die niet steunen.

BILLING. Neen, na wat burgemeester zoo vriendelijk was mij te vertellen daar straks....

DR. STOCKMANN. In een valsch licht! Laat dat toch aan mij over! Druk mijn opstel maar; ik ben mans genoeg om zelf de verantwoordelijkheid er voor op mij te nemen.

HOVSTAD. Ik druk het niet. Ik kan en wil en durf het niet drukken.

DR. STOCKMANN. Durft u niet? Wat zijn dat voor praatjes? U is toch redacteur en het zijn toch de heeren redacteurs die de pers regeeren, zou ik denken!

ASLAKSEN. Neen, dat zijn de abonné's, dokter.

BURGEM. STOCKMANN. Gelukkig, ja.

ASLAKSEN. Het is de publieke opinie, het verlichte publiek, de huiseigenaren en al de anderen; die zijn het die de pers regeeren.

DR. STOCKMANN (_kalm_). En al deze machten heb ik tegen mij?

ASLAKSEN. Ja; het zou de ondergang van de burgerij zijn als uw verslag gedrukt werd.

DR. STOCKMANN. Zoo....

BURGEM. STOCKMANN. Mijn pet en mijn stok!

DR. STOCKMANN (_neemt de pet af en legt die met den stok op de tafel_).

BURGEM. STOCKMANN (_neemt ze allebei op_). Je burgemeesterswaardigheid was van korten duur.

DR. STOCKMANN. Wij zijn er nog niet. (_tegen Hovstad_). Het is dus volstrekt onmogelijk om mijn verslag in de "Volksbode" geplaatst te krijgen?

HOVSTAD. Volstrekt onmogelijk; ook uit consideratie voor uw gezin.

DR. STOCKMANN. O, u hoeft waarachtig niet in de war te zitten over mijn gezin, mijnheer Hovstad.

BURGEM. STOCKMANN (_haalt een papier uit zijn zak_). Tot voorlichting van het publiek zal het wel voldoende zijn, als dit er in komt; dit is een officieele verklaring. Alsjeblieft.

HOVSTAD (_neemt het aan_). Goed; dat zullen wij plaatsen.

DR. STOCKMANN. Maar het mijne niet! Men verbeeldt zich dat men mij en de waarheid doodzwijgen kan! Maar dat gaat nog zoo gemakkelijk niet als je denkt. Mijnheer Aslaksen, wil u dadelijk mijn manuscript nemen en het als vlugschrift drukken ... voor mijn rekening ... als mijn eigen uitgaaf. Ik wil vierhonderd exemplaren hebben; neen, vijf-, zeshonderd wil ik er hebben.

ASLAKSEN. Al wou u het met goud betalen, ik durf mijn drukkerij er niet toe leenen, dokter. Ik durf het niet voor de publieke opinie. U krijgt dat in de heele stad nergens gedrukt.

DR. STOCKMANN. Geef het mij dan terug.

HOVSTAD (_reikt hem het M.S. over_). Alsjeblieft.

DR. STOCKMANN (_haalt hoed en stok_). De wereld in zal het tòch. Ik zal het voorlezen in een groote volksvergadering; al mijn medeburgers moeten de stem der waarheid hooren.

BURGEM. STOCKMANN. Geen enkele vereeniging in de heele stad staat je een lokaal af voor zoo iets.

ASLAKSEN. Geen enkele; dat weet ik zeker.

BILLING. Neen, verdomd als ze het doen!

MEVR. STOCKMANN. Dat zou toch àl te schandelijk zijn! Waarom zijn ze ineens zoo tégen je allemaal?

DR. STOCKMANN (_toornig_). Dat zal ik je zeggen. Omdat alle mannen hier in de stad oude wijven zijn ... net als jij; ze denken allemaal alleen aan hun gezin en niet aan de maatschappij.