Part 26
“Net hetzelfde dat ik gevoeld heb, jufvrouw Flore,” zeide zij, haar voorschoot voor hare oogen houdende, en haar hoofd schuddende. “Toen ik dien lummel in het voorhuis zag, begon ik eerst te lachen en toen kreeg ik een brok in de keel.”
Onwillekeurig deed zij hetzelfde nog eens. Ondertusschen was Toots, geheel onbewust van den indruk dien hij gemaakt had, haar achterop naar boven gekomen, en nadat hij met zijne knokkels op de deur zich zelven nog eens had aangediend, stapte hij met bijzondere vlugheid binnen.
“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”
Toots—een van de beste jongens in de wereld, hoewel er schranderder mochten zijn—had deze lange redevoering met moeite bijeengebracht, om aldus voor Florence en zich zelven de aandoening van het wederzien te verminderen. Nu echter bevindende dat hij onvoorzichtig genoeg was geweest om al wat hij wist uit te kramen, eer hij nog een stoel genomen, of Florence een woord gezegd had—eer hij eigenlijk wel binnen de deur was—achtte hij het raadzaam om nog eens te beginnen.
“Hoe vaart ge, jufvrouw Dombey?” zeide hij. “Ik ben heel wel—zeer verplicht. Hoe maakt gij het?”
Florence gaf hem hare hand en zeide dat zij zeer wel was.
“Ik ben ook heel wel,” zeide Toots, een stoel nemende. “Inderdaad, heel wel ben ik. Ik kan mij niet herinneren,” vervolgde hij, na een oogenblik peinzens, “dat ik ooit beter ben geweest—zeer verplicht.”—“Het is heel vriendelijk van u dat gij eens aankomt,” zeide Florence, haar werk weder opnemende. “Ik ben blij dat ik u zie.”
Toots antwoordde met een gegiggel. Denkende dat dit misschien te levendig was, verbeterde hij het met een zucht. Wederom denkende dat dit misschien te treurig was, giggelde hij weder. Met geen van beide manieren van antwoord geheel tevreden, haalde hij zwaar adem.
“Gij zijt heel goed voor mijn lieven broeder geweest,” zeide Florence, hare natuurlijke neiging volgende om zijne verlegenheid te verminderen. “Hij heeft mij dikwijls over u gesproken.”—“O, dat is van geen beduiden,” zeide Toots haastig. “Warm, niet waar?”—“Het is heel mooi weer,” antwoordde Florence.—“Dat is recht mijn weer,” hervatte Toots. “Ik geloof niet dat ik mij ooit zoo wel heb gevoeld als tegenwoordig—zeer verplicht.”
Na deze merkwaardige en onverwachte omstandigheid vermeld te hebben, verzonk Toots in een diepen put van stilzwijgen.
“Ge zijt nu niet meer bij doctor Blimber?” zeide Florence, als eene poging om hem er uit te helpen.—“Dat zou ik hopen,” antwoordde Toots en stortte er weder in.
Hij bleef, verzonken naar het scheen, wel tien minuten lang beneden. Na verloop van dien tijd kwam hij eensklaps bovendrijven, en zeide:
“Wel! Goeden morgen, jufvrouw Dombey.”—“Gaat gij al heen?” zeide Florence, opstaande.—“Dat weet ik toch nog niet. Neen, nog niet,” zeide Toots, en ging alleronverwachtst weder zitten. “De zaak is—zeg eens, jufvrouw Dombey.”—“Wees niet bang om te spreken,” zeide Florence met een glimlach, “ik zou heel gaarne eens over mijn broeder met u spreken.”—“Zoudt ge—toch?” zeide Toots daarop, met levendige sympathie in elken trek van zijn anders onbeteekenend gezicht. “Arme Dombey! Ik had waarlijk nooit gedacht dat Burgess en Comp.—kleermakers, in de mode, maar heel duur, over wie wij wel eens gepraat hebben—mij daarvoor dit pak zouden maken.” Toots was in den rouw. “Arme Dombey! Zeg eens, jufvrouw Dombey!” stotterde en snikte Toots.—“Wel?” zeide Florence.—“Er is een vriend, waarvan hij op het laatst bijzonder gehouden heeft. Ik dacht dat gij hem misschien wel zoudt willen hebben als eene soort van gedachtenis. Gij weet wel hoe hij nog om Diogenes dacht?”—“O ja! o ja!” riep Florence uit.—“Arme Dombey! Ik ook,” zeide Toots.
Toots, die Florence in tranen zag, had veel moeite om dit punt te boven te komen, en was bijna weder in den put getuimeld. Maar een gegiggel redde hem op den kant.
“Zeg, jufvrouw Dombey,” vervolgde hij. “Ik zou in staat zijn geweest om hem te stelen, als zij hem niet gegeven hadden—dat zou ik zeker hebben gedaan; maar zij waren blij dat zij hem maar kwijt raakten, geloof ik. Als gij hem hebben wilt, hij is voor de deur. Ik heb hem met opzet voor u meegebracht. Hij is geen dameshondje, weet ge wel; maar daar zult ge niet op zien, niet waar?”
Diogenes stond op dat oogenblik, gelijk zij weldra zagen, toen zij naar de straat keken, uit het portier van eene huurkoets te staren, waarin men hem, om hem te vervoeren, had gelokt door hem wijs te maken dat er ratten in het stroo zaten. Om de waarheid te zeggen, hij geleek zoo weinig op een dameshondje als een hond wel doen kon; en in zijn ongeduldigen angst om uit de koets te komen zag hij er weinig innemend uit. Hij jankte aanhoudend, nam nu en dan een sprong, die telkens mislukte, zoodat hij achterover in het stroo tuimelde, en sprong dan hijgend weder op en stak zijne tong uit, alsof hij ze een dokter moest laten zien.
Maar schoon Diogenes zulk een belachelijke, lompe, leelijke hond was als men ergens zou vinden, een lastige hond, die zich altijd verbeeldde dat er ergens een vijand school, tegen wien het zijn plicht was te blaffen; schoon hij ver van goedaardig en zeker niet schrander was, met haar over de oogen, een gekken neus, een staart die hem niet scheen toe te komen, en eene grove stem, was hij Florence, omdat Paul bij zijn afscheid nog zoo om hem had gedacht en verzocht dat er goed voor hem gezorgd zou worden, aangenamer dan de fraaiste en kostbaarste hond kon zijn geweest. Zoo dierbaar, zoo welkom was haar die leelijke Diogenes, dat zij de bejuweelde hand van Toots vatte en die uit dankbaarheid kuste. En toen Diogenes, losgelaten, de trap kwam oprennen en de kamer instuiven (zulk een gedoente als men eerst had, om hem uit de koets te krijgen!) en onder al de meubelen kroop, en een langen ijzeren ketting, die hem nasleepte, om de pooten van stoelen en tafels wond, en er toen aan trok, tot zijne oogen hem zoodanig uit den kop puilden, dat zij door zijne haren zichtbaar werden; en toen hij bromde tegen Toots, die familiaar met hem wilde zijn, en op Towlinson aanvloog, met de zedelijke overtuiging, dat hij de vijand om den hoek was, tegen wien hij al zijn leven had geblaft en dien hij nog nooit had gezien, was Florence zoo met hem ingenomen als ware hij een model van dressuur en schranderheid geweest.
Toots was zoo blijde dat zijn present zoo beviel, en zoo verrukt toen hij Florence zich over Diogenes zag bukken en zijn ruigen rug met haar handje streelen—hetgeen Diogenes van het eerste oogenblik hunner kennismaking af goedgunstig toeliet—dat het hem moeielijk viel afscheid te nemen, en het zeker nog veel langer zou geduurd hebben eer hij daartoe kon besluiten, als Diogenes zelf hem niet had geholpen, door het in zijn kop te krijgen om tegen hem te blaffen en uit te schieten. Niet zeker zijnde waarop deze demonstratiën zouden uitloopen, en begrijpende dat zij de pantalon, waaraan Burgess en Comp. hunne kunst hadden getoond, in gevaar brachten, ging Toots grinnikend naar de deur, keek daar nog een paar malen zonder bepaald oogmerk om, telkens door een nieuwen uitval van Diogenes begroet, en ging eindelijk heen.
“Kom dan, Di! lieve Di! maak eens kennis met uwe nieuwe meesteres. Wij moeten veel van elkander houden, Di!” zeide Florence, zijn ruigen kop liefkoozende. En de grove, ruige Di, alsof zijne harige huid niet ondoordringbaar was voor den traan die er op viel, en zijn hondehart er door verweekt werd, duwde haar zijn neus in het gezicht en zwoer haar trouw.
Diogenes de man sprak niet duidelijker tot Alexander den Groote, als Diogenes de hond tot Florence sprak. Hij onderteekende blijmoedig het contract met zijne kleine meesteres en wijdde zich aan haar dienst. Dadelijk werd in een hoek een feestmaal voor hem aangericht, en toen hij volop gegeten had, kwam bij naar het venster waar Florence zat toe te kijken, ging op de achterpooten staan, met zijne lompe voorpooten op hare schouders, likte haar gezicht en hare handen, drukte zijn kop tegen hare borst en kwispelstaartte tot hij er moe van werd. Eindelijk rolde hij zich voor hare voeten ineen en ging liggen slapen.
Hoewel Suze eenigszins bang voor honden was, en het raadzaam achtte om, als zij in de kamer was, hare rokken zorgvuldig strak te trekken, alsof zij door een geverfd huis ging, en ook eenige gilletjes te geven en op een stoel te gaan staan als Di zich eens uitrekte, was zij toch op hare manier aangedaan over de vriendelijkheid van Toots, en kon zij Florence niet zoo gevoelig zien voor de genegenheid en het gezelschap van dien ruwen vriend van kleinen Paul, zonder eenige stille bespiegelingen daarover, die haar het water in de oogen brachten. Misschien brachten hare denkbeelden mijnheer Dombey wel in zeker verband met den hond; in allen gevalle, nadat zij den geheelen avond naar Diogenes en zijne meesteres had zitten kijken, en zeer goedwillig eene slaapplaats voor Diogenes had gereedgemaakt, in de voorkamer dicht bij de deur zijner meesteres, zeide zij, eer zij deze goeden nacht wenschte, haastig:
“Uw papa gaat morgenochtend heen, jufvrouw Flore.”—“Morgenochtend, Suze?”—“Ja jufvrouw. Zoo heeft hij het besteld. Vroeg.”—“Weet gij ook,” zeide Florence zonder haar aan te zien, “waar papa naar toe gaat?”—“Niet recht, jufvrouw. Hij zal eerst dien heerlijken majoor gaan opzoeken, en ik moet zeggen, als ik zelve met een majoor kennis hield (waarvoor de hemel mij moge bewaren) zou het geen blauwe zijn.”—“St; Suze!” zeide Florence zacht maar dringend.—“Wel, jufvrouw Flore,” antwoordde Suze, die van verontwaardiging gloeide, “dat kan ik niet helpen, blauw is hij, en zoolang ik een Christenmensch was, al was het van lagen staat, zou ik vrienden van natuurlijke kleur willen hebben, of in het geheel geen.”
Uit hetgeen zij er bijvoegde en beneden had opgezameld, bleek, dat mevrouw Chick den majoor tot Dombey’s reisgenoot had voorgesteld, en dat Dombey hem na eenig bedenken daartoe had uitgenoodigd.
“Hij gezelschap wezen!” zeide Suze, met grenzelooze minachting. “In plaats van met zulk gezelschap was ik liever alleen.”—“Goeden nacht, Suze!” zeide Florence.—“Goeden nacht, mijne lieve, lieve jufvrouw Flore!”
Haar toon van medelijdend beklag deed de snaar trillen die zoo dikwijls werd aangeraakt, maar waarnaar Florence nooit luisterde zoolang Suze of iemand anders er bij was. Alleen gebleven, liet Florence haar hoofd op de eene hand zinken, drukte de andere op haar zwoegend hart, en verdiepte zich in haar leed.
Het was een regenachtige nacht: en vervelend was het aanhoudend gekletter tegen de glazen. Een flauwe, trage wind suisde zuchtend om het huis, als hoorde men een gesmoord steenen van pijn of droefheid. Een schel geschuifel floot door de boomen. Terwijl zij daar zoo zat te schreien werd het laat, en het akelige middernachtsuur klonk van de kerktorens.
Florence was weinig meer dan een kind in jaren—nauwelijks veertien—en de eenzaamheid en somberheid van zulk een uur in het groote huis, waar de dood zoo kort geleden zijne geduchte macht had getoond, hadden wel eene andere verbeelding met onbestemde akeligheden kunnen vervullen. Doch hare jeugdige verbeelding was te vol van één onderwerp om zich zulk een spel te veroorloven. Niets dwaalde er om in haar brein dan liefde—dwalende, als balling verstootene liefde, wel is waar—maar die altijd weder haar vader zocht.
Het kletteren van den regen, het zuchten van den wind, het sidderende geluid van het geboomte, het slaan der statige klokken had niets dat die ééne gedachte kon doen verflauwen. Hare herinneringen van het dierbare doode kind—en deze begaven haar nooit—hadden dezelfde strekking. O zoo gebannen te zijn; zoo buitengesloten; haar vaders gezicht van dat uur af nooit te hebben weergezien!
Zij kon niet naar bed gaan, het arme meisje, en was sedert ook nooit naar bed gegaan, zonder haar nachtelijken pelgrimstocht naar zijne deur te doen. Het zou een vreemd en droevig schouwspel zijn geweest, haar nu in duisternis zachtjes de trap te zien afsluipen, en daarvoor met verblinde oogen, een kloppend hart en achteloos loshangende haren blijven staan, en hare betraande wangen van buiten daartegen drukken. Maar de nacht verborg dit, en niemand wist het.
Op het oogenblik toen zij dezen nacht de deur aanraakte, ontwaarde Florence dat die open was. Voor de eerste maal stond zij open, hoewel maar een haar breed; en daar binnen was nog licht. De eerste neiging van het schroomvallige meisje—en zij zwichtte daarvoor—was snel de vlucht te nemen. Hare volgende, terug te komen en binnen te gaan; en deze tweede neiging hield haar besluiteloos op de trap staande.
Dat de deur openstond, zelfs maar met zulk een reetje, scheen hoop te geven. Het was bemoedigend een streepje licht van binnen langs den donkeren post te zien sluipen en op den marmeren vloer schijnen. Zij keerde terug, nauwelijks wetende wat zij deed, maar voortgedreven door de liefde in haar binnenste en het leed dat zij te zamen ondergaan, maar niet gedeeld hadden; en met de bevende handen omhoog trad zij stil binnen.
Haar vader zat voor zijne oude tafel in het middenvertrek. Hij had eenige papieren in orde gebracht, en andere verscheurd, waarvan de snippers voor hem lagen. De regen kletterde zwaarmoedig op de ruiten van het achterste kamertje, waar hij zoo dikwijls den armen Paul, als een onnoozel wichtje, had gadegeslagen; en buiten hoorde men den wind zuchten.
Maar hij hoorde dit niet. Hij zat, met de oogen strak op de tafel, zoo diep in gedachten verzonken, dat een veel zwaarder tred dan het lichte voetje van zijn kind hem misschien niet zou gewekt hebben. Zijn gezicht was naar haar toegekeerd; bij de flauw brandende lamp en zoo laat in den nacht, zag het er vervallen en vermagerd uit; en de eenzaamheid, die hem omringde, had iets dat Florence diep ontroerde.
“Papa, papa! spreek toch tegen mij, lieve papa!”
Hare stem deed hem verschrikt opspringen. Zij stond dicht voor hem met uitgespreide armen, maar hij deinsde terug.
“Wat scheelt er aan?” zeide hij stuursch. “Waarom komt gij hier? Wat heeft u bang doen worden?”
Als iets haar bang had doen worden, was het zijn gezicht. De gloeiende liefde in het hart zijner jeugdige dochter bevroor onder dien blik, en zij bleef hem staan aanzien alsof zij in steen veranderd was.
Geen zweem van teederheid of medelijden had dat gezicht. Niets van vaderlijke herkenning, belangstelling of weemoedigheid. Er was eene verandering in, maar niet van dien aard. De onverschilligheid en stijfheid hadden plaats gemaakt voor iets anders—wat het was durfde zij niet denken, en toch gevoelde zij de kracht er van en kende zij het, zonder het een naam te geven—dat, toen hij haar zoo aanzag, eene schaduw op haar hoofd scheen te werpen.
Zag hij de gelukkige mededingster van zijn zoon, in leven en gezondheid voor zich? Beschouwde hij haar als zijne eigene gelukkige mededingster in de genegenheid van dien zoon? Werden zoete herinneringen, die haar dierbaar en kostbaar hadden moeten doen worden, door razende jaloezie en gekrenkte trotschheid vergiftigd? Kon het mogelijk zijn, dat het gal en alsem voor hem was, haar in hare veelbelovende schoonheid voor zich te zien, en aan zijn zoon te denken?
Florence dacht zoo iets niet. Maar de liefde ziet snel wanneer zij veracht en hopeloos is; en toen zij haar vader zoo zag, stierf de hoop harer liefde.
“Ik vraag u, Florence, zijt gij bang of geschrikt? Scheelt er iets aan, dat gij hier komt?” “Ik kwam, papa...”—“Tegen mijn verlangen. Waarom?”
Zij zag dat hij wel wist waarom—dit stond duidelijk op zijn gezicht geschreven—en zij liet met een zachten, langgerekten kreet haar hoofd in hare handen zinken.
Nog over jaren moge hij zich in die kamer dien kreet herinneren! Eer hij de stilte afbreekt, is het geluid weggestorven. Even snel is het hem uit de gedachten gegaan, naar hij gelooft; maar het blijft er nog in. Nog over jaren moge hij het zich in die kamer herinneren!
Hij nam haar bij den arm. Zijne hand was koud en vatte haar nauwelijks aan.
“Ge zijt vermoeid, zou ik denken,” zeide hij, de kaars opnemende en haar naar de deur brengende, “en hebt behoefte aan rust. Wij hebben allen behoefte aan rust. Ga heen, Florence. Gij hebt gedroomd.”
De droom dien zij gehad had, was toen, helaas! voorbij; en zij gevoelde dat hij nooit meer kon terugkomen.
“Ik zal hier blijven om u op de trap te lichten. Het geheele huis daar boven is voor u,” zeide haar vader langzaam. “Gij zijt daar nu meesteres. Goeden nacht!”
Nog met hare handen voor haar gezicht, zeide zij snikkend: “Goeden nacht, lieve papa!” en ging stil naar boven. Eens zag zij om, alsof zij had willen terugkeeren indien de vrees haar niet had weerhouden. Het was eene oogenblikkelijke gedachte, te hopeloos om er voedsel aan te geven; en haar vader stond daar met het licht—stijf, koel en roerloos—tot het fladderende kleedje zijner dochter in de duisternis verdween.
Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren. De regen, die op het dak klettert, de wind, die om het huis blaast, hebben misschien iets voorspellends in hun treurig geluid. Laat hij zich dat over jaren in die kamer herinneren!
De laatste maal toen hij haar van die plek die trap zag opgaan, droeg zij haar broertje in hare armen. Dit verteederde nu zijn hart niet voor haar; het verstaalde het; maar hij ging zijne kamer binnen, sloot zijne deur, zette zich op zijn stoel en schreide om zijn verloren zoon.
Diogenes was klaar wakker op zijn post, en wachtte naar zijne jonge meesteres.
“O, Di! O, lieve Di! Houd toch van mij, om zijnentwil!”
Diogenes hield reeds van haar om haar zelve, en schroomde niet dit te toonen. Hij maakte zich belachelijk door eene menigte lompe sprongen, en toen Florence eindelijk sliep en van de blozende kinderen aan den overkant droomde, besloot hij met hare kamerdeur open te krabben, zijn bed als een bal samen te rollen, en aan het uiterste eind van zijn ketting op de planken te gaan liggen, met zijn kop naar haar toe. Zoo bleef hij knipoogend naar haar liggen kijken, tot hij al knipoogend zelf in slaap viel en brommend van zijn vijand droomde.
XIX.
WALTER VERTREKT.
De houten adelborst aan de deur des instrumentmakers, die ook een hard houten hart had, bleef geheel onverschillig voor Walter’s aanstaand vertrek, zelfs toen de laatste dag, dien deze in het achterkamertje zou doorbrengen, ten einde liep. Met zijne sextant voor het kogelronde zwarte oog, en altijd op het punt om vlug vooruit te stappen, bleef de houten adelborst met zijne korte broek pronken, en stelde hij, in de wetenschap verdiept, geen het minste belang in aardsche zaken. Hij was in zooverre van omstandigheden afhankelijk, dat een droge dag hem met stof bedekte, een mistige dag hem met roetstippen bestrooide, een regenachtige dag zijne verbleekte uniform voor het oogenblik ophelderde, en een buitengewoon heete dag hem deed bladderen; maar anders was hij een hardvochtige, eigenwijze adelborst, die aan niets anders dacht dan zijne eigene ontdekkingen, en zich zoo weinig bekommerde om hetgeen er op de wereld en om hem heen gebeurde, als Archimedes bij het innemen van Syracuse.
Zulk een adelborst scheen hij ten minste in den toenmaligen staat der huiselijke zaken te zijn. Walter zag hem bij het uit- en ingaan dikwijls vriendelijk aan; en de arme oude Sam kwam, als Walter er niet was, dikwijls tegen den post der deur staan leunen, en liet zijne vermoeide pruik zoo dicht hij kon bij de schoengespen van den beschermgeest van zijn winkel rusten. Maar geen wanschapen afgod, met een mond van het eene oor tot het andere, was ooit onverschilliger voor het roepen zijner heidensche aanbidders, dan de houten adelborst voor deze blijken van gehechtheid was.
Walter’s hart was beklemd, toen hij in zijn slaapkamertje rondzag en naar de schoorsteenen daar buiten keek, en bedacht, dat de nacht, die nu reeds begon te vallen, zijne kennis daarmede, misschien voor altijd, zou besluiten. Reeds ontdaan van de kleine uitstalling van boeken en prenten, zag het kamertje hem koud en verwijtend aan, en had het reeds een zweem van zijne aanstaande vreemdheid. “Nog eenige uren,” dacht Walter, “en geen droom, dien ik hier ooit als een schooljongen heb gehad, zal minder mijn eigendom zijn dan dit oude kamertje. De droom mag in mijn slaap terugkomen, en ik mag wakend weder hier komen; maar de droom zal ten minste geen ander meester dienen, en het kamertje kan er twintig krijgen, en ieder van die meesters kan het veranderen, verwaarloozen of misbruiken.”
Maar zijn oom moest niet in het achterkamertje alleen blijven zitten, waar hij nu toch reeds eene poos alleen was geweest; want kapitein Cuttle, ruw, maar toch bedachtzaam, was zeer tegen zijn zin met opzet weggebleven, opdat oom en neef ongehinderd met elkander konden spreken; en zoo ging Walter, pas van zijne laatste dagdrukte naar huis gekomen, spoedig naar beneden om hem gezelschap te houden.
“Oom,” zeide hij vroolijk, zijne hand op des ouden mans schouder leggende, “wat moet ik u van Barbados zenden?”—“Hoop, mijn beste Wally. Hoop dat wij elkander zullen wederzien, aan dezen kant van het graf. Zend mij daarvan zooveel gij kunt.”—“Dat zal ik, oom. Ik heb genoeg en over, en zal er niet karig mee zijn. En wat levendige schildpadden betreft, en citroenen voor kapitein Cuttle’s punch, en confituren voor u op zondag, daarvan zal ik u scheepsladingen zenden, zoodra ik maar rijk genoeg ben.”
Oude Samuel veegde zijn bril af en glimlachte flauw.
“Zoo is het goed, oom!” riep Walter vroolijk, hem nog eenige malen op den schouder kloppende. “Beur gij mij maar op! Ik zal u opbeuren! Wij zullen morgenochtend zoo vroolijk als leeuweriken zijn en even hoog vliegen. Mijne vooruitzichten zijn nu al in de wolken.”—“Wally, mijn goede jongen,” zeide de oude man. “Ik zal mijn best doen, ik zal mijn best doen.”—“En uw best, oom,” zeide Walter, met zijn innemenden lach, “is het beste best dat ik ken. Gij zult niet vergeten, wat ge mij zenden moet, oom?”—“Neen, Walter, neen,” was het antwoord, “al wat ik van jonge jufvrouw Dombey hoor, nu zij zoo alleen is, het arme schaap, zal ik u schrijven. Maar ik vrees, dat het niet veel zal zijn, Walter.”—“Wat, ik zal u eens wat zeggen, oom,” zeide Walter, na een oogenblik aarzelens. “Ik ben zoo even daarheen geweest.”—“Zoo, zoo, zoo!” zeide de oude man, zijne wenkbrauwen optrekkende, en daardoor te gelijk zijn bril omhoogschuivende.—“Niet om haar te zien,” zeide Walter, “schoon ik haar wel had kunnen zien, denk ik, als ik er om gevraagd had, nu mijnheer Dombey uit de stad is, maar om met Suze een woordje tot afscheid te spreken. Ik dacht dat ik dit wel mocht doen, onder deze omstandigheden, en als men bedenkt, wanneer ik jonge jufvrouw Dombey het laatst gezien heb.”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, uit eene korte vlaag van verstrooidheid ontwakende.—“Ik vroeg dus naar haar,” vervolgde Walter, “naar Suze, meen ik, en zeide haar, dat ik morgen zou vertrekken. En ik zeide haar, oom, dat gij altijd zooveel belang in jonge jufvrouw Dombey hadt gesteld, sedert den avond toen zij hier was, en haar altijd geluk en voorspoed hadt gewenscht, en altijd vereerd en verheugd zoudt zijn als gij haar den minsten dienst kondt bewijzen; ik dacht dat ik dit wel mocht zeggen, in deze omstandigheden, weet ge. Denkt gij dat ook niet?”—“Ja, mijn jongen, ja,” antwoordde zijn oom, op denzelfden toon als te voren.—“En ik voegde er nog bij,” vervolgde Walter, “dat als zij, Suze meende ik, u ooit kon laten weten, hetzij zelve, of door jufvrouw Richards of iemand anders, die dezen weg uitkwam, dat jonge jufvrouw Dombey gezond en gelukkig was, gij dat voor heel vriendelijk zoudt houden, en het mij zoudt schrijven, en dat ik het ook voor heel vriendelijk zou houden. Daar nu! Op mijn woord, oom,” zeide Walter, “ik heb verleden nacht haast niet kunnen slapen, zoo heb ik liggen denken of ik dit zou doen of niet, en ik kon maar niet tot een besluit komen; en toch is het waarlijk het echte gevoel van mijn hart, en ik zou naderhand heel verdrietig zijn geweest als ik dat niet had lucht gegeven.”