Dombey en Zoon

Part 25

Chapter 254,098 wordsPublic domain

Nu komen de blozende kinderen, die tegenover Dombey wonen, voor het venster der kinderkamer naar de straat kijken; want er staan vier zwarte paarden voor zijne deur, met pluimen op den kop, en op het rijtuig dat zij trekken wuiven insgelijks pluimen; en deze, en een stoet van mannen met rouwsjerpen en staven, trekken een hoop volk bijeen. De kunstenmaker, die juist zijne vertooning wilde beginnen, hangt zijne losse jas weder over zijn mooi pakje, en zijne vrouw, met een zwaar kind op den arm, blijft staan dralen om de staatsie te zien. Maar dichter aan den valen doek, die hare borst bedekt, drukt zij haar kind, als de doodkist, zoo licht om te dragen, buitenkomt; en het jongste der blozende kinderen voor het venster aan den overkant heeft geene waarschuwende hand noodig om hare vroolijkheid te smoren, als zij, met het mollige vingertje wijzende, de kindermeid aanziet en vraagt: “Wat is dat?”

En nu, tusschen een troepje knechts in den rouw en de schreiende vrouwen door, gaat Dombey naar de andere koets, die op hem wacht. Hij is niet “neergedrukt”, denken de toeschouwers. Zijn gang is even statig, zijne houding even stijf als ooit. Hij houdt geen zakdoek voor zijn gezicht en ziet strak voor zich. Behalve dat zijn gezicht bleek en eenigszins ingevallen is, heeft het dezelfde uitdrukking als gewoonlijk. Hij neemt zijne plaats in de koets en nog drie andere heeren volgen. Dan trekt de deftige rouwstoet langzaam de straat door. De pluimen wuiven nog in de verte, als de kunstenmaker reeds zijne waschkom op een stok laat draaien, en denzelfden hoop volk om zich heen heeft om hem te bewonderen. Zijne vrouw is minder vlug dan anders met het geldbakje, want die kinderbegrafenis heeft haar in de gedachten gebracht, dat het kind onder haar valen doek misschien ook niet zal groot worden, misschien nooit een blauw lint om het hoofd zal hebben, eene broek van vleeschkleur tricot dragen en in den modder duikelen.

De pluimen vervolgen somber haar weg langs de straten en komen binnen den klank eener kerkklok. In dezelfde kerk heeft het aardige knaapje gekregen, wat spoedig alles zal zijn dat op aarde van hem over is—een naam. Al wat van hem dood is leggen zij daar, dicht bij het vergankelijke deel zijner moeder. Het is goed zoo. Zijn stof rust waar Florence op hare wandelingen—o, eenzame, eenzame wandelingen!—het dagelijks kan voorbijkomen.

Nadat de plechtigheid is afgeloopen en de geestelijke heengegaan, ziet Dombey rond en vraagt zacht of de man er is, die gewaarschuwd is om de bestelling voor den gedenksteen aan te nemen.

Er komt iemand naar voren, en zegt: “Ja!”

Dombey beduidt hem waar hij het gedenkteeken geplaatst wil hebben, en wijst hem met de hand op den muur, de grootte en het fatsoen, en hoe het zich aan dat der moeder moet aansluiten. Dan schrijft hij het opschrift met potlood op een stukje papier, geeft het hem en zegt: “Ik verlang het spoedig geplaatst te hebben.”—“Het zal dadelijk gebeuren, mijnheer.”—“Er is eigenlijk niets op te zetten dan naam en ouderdom, ziet ge.”

De man buigt, kijkt naar het papier, maar schijnt te twijfelen. Dombey, hier niet op lettende, keert zich om en gaat vooruit naar het portaal.

“Neem mij niet kwalijk, mijnheer;” zijn rouwmantel wordt zacht aangeraakt; “maar daar gij het dadelijk gedaan wilt hebben, en ik het dus onderhanden zou geven zoodra ik terugkom ...”—“Wel?”—“Wilt ge zoo goed zijn om het nog eens over te lezen? Ik geloof dat er eene vergissing in is.”—“Waar?”

De steenhouwer geeft hem het papier terug, en wijst met zijn duimstok naar de woorden “geliefd en eenig kind.”

“Het zou “zoon” moeten wezen, dunkt mij, mijnheer?”—“Gij hebt gelijk. Natuurlijk. Verander dat.”

De vader vervolgt, met haastiger tred, zijn weg naar de koets. Wanneer de andere drie, die hem op de hielen volgen, bij hem plaats nemen, is zijn gezicht voor de eerste maal in zijn mantel verborgen. Zij zien het dien dag niet meer. Hij stapt het eerst af en gaat terstond naar zijne kamer. De andere rouwdragers (zij zijn mijnheer Chick en twee van de dokters) gaan boven naar het salon, waar zij door mevrouw Chick en jufvrouw Tox worden ontvangen. En welk een gezicht het is, in die geslotene kamer beneden; of welke gedachten daar heerschen; welk een hart daar is, hoe daar gestreden of geleden wordt—weet niemand.

Het voornaamste dat men beneden in de keuken weet is, dat het naar een zondag gelijkt. Men kan haast niet anders denken of het is zeer onvoegzaam, zoo niet goddeloos, dat de menschen buitenshuis hunne gewone bezigheden verrichten en hunne dagelijksche kleeren dragen. Het is geheel iets nieuws, dat de gordijnen weder opgehaald zijn en de luiken openstaan; en men maakt zich naargeestig vroolijk bij den wijn, die zoo mild geschonken wordt als op een feestdag. Men is zeer genegen om te moraliseeren. Towlinson geeft met een zucht den toast: “Ons aller beterschap!” waarop de keukenmeid, insgelijks met een zucht, zegt: “Daar is nog genoeg reden toe, weet God.” In den avond nemen mevrouw Chick en jufvrouw Tox haar naaiwerk weder op, en gaat Towlinson uit om een luchtje te scheppen, vergezeld door de werkmeid, die haar rouwhoed nog niet geprobeerd heeft. Zij zijn heel teer voor elkaar op donkere hoeken van straten, en Towlinson denkt er aan om als een rechtzinnig groenteman een ander en onberispelijk leven te gaan leiden.

Er wordt dien nacht geruster geslapen dan sedert vele nachten. De ochtendzon wekt het oude huishouden, om weder den ouden gang te gaan. De blozende kinderen van den overkant loopen met hoepels voorbij. In de kerk is eene prachtige trouwpartij. De vrouw van den kunstenmaker haalt in eene andere wijk van de stad geld op, even vlug en ijverig als voorheen. De steenhouwer zingt en fluit terwijl hij op de marmeren plaat voor hem, de letters P-A-U-L beitelt.

En kan het zijn dat in eene wereld zoo vol en druk het verlies van één zwak schepseltje eene ledigheid in een hart veroorzaakt, zoo wijd en diep dat niets dan de wijdte en diepte der eeuwigheid ze kan vullen! Florence had in hare onschuldige droefheid kunnen antwoorden: “O, mijn broeder, o, mijn teerbeminde en liefhebbende broeder! Eenige vriend en deelgenoot van mijne verachte kindsheid! Kan eene minder verhevene gedachte het licht verspreiden dat reeds uw vroegtijdig graf bestraalt, of de weemoedigheid doen ontstaan, die reeds onder deze tranen mijne smart verzacht!”—“Kindlief,” zeide mevrouw Chick, die het haar plicht achtte, deze gelegenheid waar te nemen om eene nuttige les te geven, “als gij eens zoo oud zijt als ik—”—“Dat dus nog op het best van uw leven zal zijn,” merkte jufvrouw Tox. aan.—“Dan zult gij,” vervolgde mevrouw Chick, jufvrouw Tox de hand drukkende, uit erkentelijkheid voor haar vriendelijk gezegde “dan zult gij weten dat alle droefheid niet baten kan, en het onze plicht is te berusten.”—“Ik zal mijn best doen, lieve tante. Dat doe ik al,” antwoordde Florence snikkend.—“Dat doet mij genoegen,” zeide mevrouw Chick, “omdat, liefje, zooals onze lieve jufvrouw Tox—wier verstand en oordeel niemand betwijfelen kan—”—“Mijne lieve Louise, ik zal waarlijk nog trotsch worden,” zeide jufvrouw Tox.—“U zal zeggen en met hare ondervinding bevestigen,” vervolgde mevrouw Chick, “dat wij altijd gereed moeten zijn om ons in te spannen. Als een misanthroop ooit in mijn bijzijn mocht vragen: “Waartoe wordt de mensch geboren?” zou ik antwoorden: “Om zich in te spannen.””—“Heel goed gezegd,” zeide jufvrouw Tox, getroffen door het origineele dier ontboezeming. “Heel goed!”—“Ongelukkig,” hervatte mevrouw Chick, “hebben wij een waarschuwend voorbeeld vlak voor onze oogen. Wij hebben maar al te veel reden om te denken, lief kind dat, als men zich in deze familie maar bijtijds eene inspanning had gevergd, eene geheele reeks van bedroevende omstandigheden had kunnen vermeden worden. Niets zal mij ooit overreden,” zeide zij, op vasten toon, “of als de arme lieve Fanny zich maar wat had ingespannen, zou dat arme lieve kind ten minste een sterker gestel gehad hebben.”

Mevrouw Chick gaf zich voor een half oogenblik aan hare aandoening over; maar om hare leer met een voorbeeld te bekrachtigen, stuitte zij zich in het midden van een snik, en ging toen weder voort:

“Laat ons daarom zien, Florence, verzoek ik u, dat gij een beetje kracht van geest hebt, en de droefheid, waarin uw papa gedompeld is, niet door uwe eigenliefde verzwaart.”—“Lieve tante!” zeide Florence, snel voor haar neerknielende, om haar te beter en ernstiger in het gezicht te kunnen zien. “Zeg mij meer van papa. Och, zeg mij wat van hem! Is hij geheel onder zijn hartzeer bezweken?”

Jufvrouw Tox had een teer gevoel, en dit gezegde deed haar diep ontroeren. Of zij daarin bij het verwaarloosde kind slechts dezelfde medelijdende aandoening zag, die haar doode broeder zoo dikwijls had getoond—of wel eene liefde, die zich aan het hart, dat hem had liefgehad, zocht te hechten, en niet dulden kon dat zij van de gemeenschap in zulk eene smart werd uitgesloten—dan of zij daarin alleen het kinderlijke hart zag, gegriefd omdat zijne teederheid zoolang onbeantwoord was gebleven, en dat in zijne eenzaamheid tot hem riep om getroost te worden en troost te geven—hoe zij dit gezegde ook opvatte, jufvrouw Tox werd er door geroerd. Voor een oogenblik vergat zij de waardigheid van mevrouw Chick, en haastig Florence de wang streelende, keerde zij zich om en liet de tranen uit hare oogen stroomen, zonder naar een wenk van die deftige matrone te wachten.

Mevrouw Chick verloor zelve voor een oogenblik de tegenwoordigheid van geest, waarop zij zooveel roem droeg, en bleef het schoone jeugdige gezichtje, dat zoolang, standvastig en geduldig naar het bedje gekeerd was gebleven, verstomd aanzien. Maar hare stem terug krijgende—een synoniem van hare tegenwoordigheid van geest, want beide waren eigenlijk een en hetzelfde—antwoordde zij deftig:

“Florence, kindlief, uw goede papa heeft somtijds wel iets singuliers; en als gij mij naar hem vraagt, vraagt gij mij naar iets dat ik waarlijk niet kan beweren te verstaan. Ik geloof dat ik zooveel invloed op uw papa heb als iemand anders. Evenwel is al wat ik zeggen kan, dat hij mij zeer weinig gezegd heeft, en dat ik hem maar eens of tweemaal voor een oogenblik heb gezien, of eigenlijk haast niet gezien, want zijne kamer was donker. Ik heb tot uw papa gezegd: “Paul!” dat is de juiste uitdrukking die ik gebezigd heb—“Paul! waarom gebruikt gij niet iets versterkends?” Telkens is het antwoord van uw papa geweest: “Louise, wees zoo goed om mij alleen te laten. Ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen.” Als ik morgen een eed voor een rechter moest doen, Lucretia,” zeide mevrouw Chick, “twijfel ik niet of ik zou veilig durven zweren, dat dit zijne eigene woorden waren.”

Jufvrouw Tox gaf hare bewondering te kennen door te zeggen: “Mijne Louise is altijd zoo nauwkeurig!”—“Kortom, Florence,” hervatte hare tante, “er is letterlijk niets tusschen uw ongelukkigen papa en mij gepasseerd, tot vandaag, toen ik uw papa zeide dat Sir Barnet en Lady Skettles buitengemeen vriendelijke briefjes hadden gezonden—onze lieve jongen! Lady Skettles hield zooveel van hem als van een—waar is mijn zakdoek?”

Jufvrouw Tox gaf er haar een aan.

“Buitengemeen vriendelijke briefjes, om voor te stellen dat gij tot verstrooiing bij hen zoudt komen logeeren. Toen ik uw papa zeide te denken dat jufvrouw Tox en ik nu wel naar huis konden gaan (waarin hij toestemde) vroeg ik of hij er tegen had dat gij die invitatie zoudt aannemen. Hij zeide: “Neen, Louise, niet het minste!””

Florence sloeg hare betraande oogen op.

“Evenwel, als gij liever hier woudt blijven, Florence, in plaats van daar nu te gaan logeeren, of met mij naar huis te gaan—”—“Dat zou ik veel liever willen, tante,” was het flauwe antwoord.—“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “dan kunt gij dat. Het is eene vreemde keus, moet ik zeggen. Maar gij zijt altijd vreemd geweest. Iemand anders op uwe jaren, en na hetgeen er is voorgevallen—mijne lieve jufvrouw Tox, ik ben mijn zakdoek weer kwijt—zou gaarne hier vandaan gaan, zou men denken.”—“Ik had niet gaarne,” zeide Florence, “dat het huis nu gemeden scheen. Ik zou niet gaarne denken, dat de—zijne—de kamers boven nu geheel leeg stonden en zoo akelig waren, tante. Ik wilde liever vooreerst hier blijven. O, mijn broeder! O, mijn broeder!”

Het was eene natuurlijke, onbedwingbare gemoedsbeweging, die zich zelve een uitweg baande tusschen de vingers door waarmede zij haar gezicht bedekte. De overkropte borst moest somtijds zoo lucht krijgen, of het gewonde, eenzame hart daarbinnen had moeten smoren.

“Wel kind,” zeide mevrouw Chick, “ik zou u voor alles niets onaangenaams willen zeggen, en dat weet gij ook wel. Gij zult dus hier blijven en net zoo doen als gij verkiest. Niemand zal zich met u bemoeien, Florence, of willen bemoeien.”

Florence schudde treurig toestemmend haar hoofd.

“Ik had niet zoodra uw armen papa begonnen te raden, dat hij waarlijk wat verstrooiing en afleiding moest gaan zoeken,” zeide mevrouw Chick, “of hij zeide mij, dat hij al voornemens was voor eene poos naar buiten te gaan. Ik hoop maar dat hij het gauw zal doen. Hij kan het niet te gauw doen. Maar ik denk dat er nog wel zaken te beschikken en papieren te veranderen zijn, ten gevolge van dien slag, die ons allen zoo bedroefd heeft—ik kan niet begrijpen waar de mijne gebleven is: Lucretia, leen mij den uwen eens, lieve—die hem nog wel een paar avonden in zijne kamer zullen bezig houden. Uw papa is een Dombey, kind, als er ooit een geweest is,” zeide mevrouw Chick, hare beide oogen zeer zorgvuldig met verschillende hoeken van den geleenden zakdoek afdrogende. “Hij zal zich wel inspannen. Daarvoor behoeft men bij hem niet bang te zijn.”

“Is er niets, tante,” begon Florence bevende, “dat ik zou kunnen doen om...”—“Heere, kindlief,” viel mevrouw Chick er haastig op in, “wat praat ge toch? Als uw papa tegen mij zeide—ik heb u zijne eigene woorden laten hooren: “Louise, ik heb niets noodig. Ik ben beter alleen,”—wat denkt gij dan dat hij tegen u zou zeggen? Gij moet u niet aan hem laten zien, kind—niet eens van zoo iets droomen.”—“Tante,” zeide Florence, “ik zal maar wat te bed gaan liggen.”

Mevrouw Chick keurde dit besluit goed en zond haar met een kus heen. Maar jufvrouw Tox ging, met het flauwe voorwendsel dat zij naar den weggeraakten zakdoek wilde zoeken, haar na naar boven, en poogde in eenige gestolene minuten haar te troosten, hoewel Suze Nipper haar lang niet daartoe aanmoedigde. Want in haar gloeienden ijver maakte Suze jufvrouw Tox voor een krokodil uit; en toch scheen haar medelijden van echte soort te zijn, en had het ten minste den schijn van belangeloosheid voor zich—er was weinig gunst mede te winnen.

En was er niemand nader en dierbaarder dan Suze om het worstelende hart in zijn strijd bij te staan? Was er geen andere hals om te omvatten; geen ander gezicht om aan te zien; niemand anders om in zulke diepe droefheid een troostend woord te spreken? Was Florence zoo alleen in de barre wereld, dat haar niets anders overschoot? Niets. Op eens en te gelijk moederloos en broederloos geworden—want met het verlies van den kleinen Paul, trof het eerste en zwaarste verlies haar met nieuwe zwaarte—was dit de eenige hulp die zij had. O, wie kan zeggen hoezeer zij in het eerst naar hulp verlangde!

In het eerst, toen het huis weder op den gewonen regel was gekomen, en allen vertrokken waren behalve de dienstboden en haar vader, die in zijne kamers bleef opgesloten, kon Florence niets doen dan schreien, en op en neer dwalen, en somtijds, in eene vlaag van wanhopig herdenken, naar hare kamer vliegen, hare handen wringen, zich met haar gezicht op haar bed werpen, en van geen troost willen weten, van niets weten dan de bitterheid en wreedheid van haar leed. Dit volgde gewoonlijk op het herkennen van eene plek of een voorwerp dat in bijzonder teedere betrekking met hem stond, en maakte het huis in het begin tot eene martelplaats voor haar.

Maar het ligt niet in den aard der reine liefde om lang met zulk eene verderfelijke woestheid te branden. De vlam, die door grove aardsche deelen wordt ontreinigd, mag de borst verteren, welke haar schuilplaats geeft; maar het heilige vuur van den hemel is in het hart even zacht, als toen het op de hoofden der verzamelde twaalve rustte, en ieder daarbij zijn broeder zag, verlicht en ongedeerd. Het opgeroepene beeld kreeg weldra het vergenoegde gezichtje, de zachte stem, de liefdevolle blikken, de stille vertrouwelijkheid terug, en hoewel Florence nog bleef schreien, schreide zij toch rustiger, en gevoelde zij dat de herinnering haar weldadig was.

Het duurde niet lang of de gouden golfjes, die op de oude plaats en den ouden tijd over den muur speelden, werden onder het verdwijnen met kalme treurigheid nagestaard. Het duurde niet lang of die kamer zag haar daar weder zitten, alleen, maar even stil en geduldig als zij bij dat bedje had gewaakt. Als het akelige gevoel, dat het nu ledig was, haar te pijnlijk werd, kon zij er nu bij neerknielen en God bidden—het was de uitstorting van het overvolle hart—dat een engel haar mocht blijven liefhebben en gedenken.

Het duurde niet lang, of in dat akelige, holle huis hief hare stem in het schemeruur, langzaam en somtijds ophoudende, de oude wijsjes aan, waarnaar hij zoo dikwijls had geluisterd, met het zwakke hoofdje in haar arm. En daarna, als het geheel donker was, klonk er eene muziek door de kamer, zoo zacht gespeeld en gezongen, dat zij meer eene weemoedige herinnering geleek van hetgeen zij dien laatsten avond op zijn verzoek gedaan had, dan eene werkelijke herhaling. Maar zij werd toch dikwijls, zeer dikwijls herhaald, in die stille eenzaamheid; en nog trilden de laatste accoorden der snaren als hare lieve stem in tranen wegsmolt.

Zoo kreeg zij moed om naar het werk te zien, waarmede hare vingers naast hem op het zeestrand waren bezig geweest; en zoo duurde het niet lang of zij vatte het weder op—met iets dat naar menschelijke liefde geleek, alsof het gevoel en bewustheid had en hem had gekend; en zoo sleet zij, voor het venster, dicht bij het portret harer moeder gezeten, de peinzende uren.

Waarom richtten hare donkere oogen zich zoo dikwijls naar den overkant, waar die blozende kinderen woonden? Zij deden haar niet rechtstreeks aan haar verlies denken, want het waren allen meisjes, vier kleine zusters. Maar zij waren moederloos evenals zij—en hadden een vader.

Het was gemakkelijk te weten wanneer hij uit was en thuis werd verwacht, want het oudste kind stond dan altijd gekleed voor het venster van het salon of op het balkon naar hem uit te zien, en als hij verscheen blonk haar verwachtend gezichtje van blijdschap, terwijl de anderen, voor het hoogere venster, ook altijd op de wacht, in de handjes klapten en op de vensterbank trommelden en hem riepen. Het oudste meisje kwam dan beneden naar het voorhuis, en gaf hem haar handje en bracht hem naar boven; en Florence zag haar naderhand naast hem of op zijne knie zitten, met haar arm liefkoozend om zijn hals, en met hem praten; en hoewel zij altijd vroolijk met elkander waren, zag hij haar dikwijls aan, alsof hij dacht dat zij naar hare doode moeder geleek. Somtijds wilde Florence hier niet meer naar zien, en in tranen uitbarstende, verschool zij zich dan achter het gordijn, alsof zij bang werd, of ging zij van het venster af. Zij kon zich echter niet weerhouden van terug te komen, en dan viel haar werk haar spoedig weder onopgemerkt uit de handen.

Het was het huis, dat voor jaren ledig had gestaan. Het was lang zoo blijven staan. Eindelijk, en terwijl zij van huis was, had deze familie het betrokken; en toen was het gerepareerd en nieuw geschilderd, en nu waren er vogeltjes en bloemen in, en geleek het niet meer naar wat het vroeger was. Maar zij dacht nooit aan het huis. De meisjes en haar vader waren haar alles.

Als hij gegeten had, kon zij ze, door de opene vensters, met de kindermeid of gouvernante naar beneden zien komen, en zich om de tafel scharen; en bij het stille zomerweder kwam het geluid van hare kinderstemmetjes en haar helder gelach de straat overklinken in de drukkende lucht der kamer waar zij zat. Dan sprongen en klauterden zij met hem de trap op, en stoeiden met hem op de sofa, of zaten op zijne knieën bij elkander gedrongen, een bouquetje van gezichtjes, terwijl hij iets scheen te vertellen. Of zij kwamen ook naar buiten op het balkon loopen, en dan verborg Florence zich snel, uit vrees dat het hare blijdschap zou storen, als zij haar daar in het zwart alleen zagen zitten.

Het oudste meisje bleef bij haar vader als de anderen heengingen, en schonk dan thee voor hem—welk een vergenoegd lief huishoudstertje—en zat met hem te praten, somtijds voor het venster, somtijds meer achter in de kamer, tot er licht werd gebracht. Hij maakte haar dus tot zijne gezellin, hoewel zij eenige jaren jonger was dan Florence, en zij kon zich bij haar boekje of werkdoosje zoo stil en stemmig houden als een volwassen meisje. Als er licht brandde, was Florence niet bang om uit hare eigene donkere kamer weder binnen te kijken. Maar wanneer het tijd voor het meisje werd om “goeden nacht, papa,” te zeggen en naar bed te gaan, en zij haar gezichtje naar hem ophief, begon Florence te beven en te snikken, en kon zij niet meer zien.

Eer zij zelve naar bed ging, keek zij echter, onder het zingen en spelen der eenvoudige wijs, die hem zoo dikwijls in slaap had gesust, nog dikwijls naar dat huis om. Maar dat zij er ooit aan dacht, of het bespiedde, was een geheim dat zij in haar jeugdig hart bewaarde.

En bewaarde dat hart—zoo oprecht en trouw—de liefde zoo waardig die de gestorvene haar had toegedragen en met zijne laatste woorden toegefluisterd—dat hart, welks argelooze onschuld zich in haar gezichtje spiegelde en in elken klank harer zachte stem ademde—geen ander geheim? Ja. Nog een.

Als er niemand anders in huis meer op was en alle lichten waren uitgedaan, verliet zij zacht hare kamer, en ging met onhoorbare stappen de trap af naar de deur van haar vaders kamer. Daartegen liet zij dan met smachtende liefde haar hoofd rusten, en drukte zij hare bevende lippen. Elken nacht knielde zij op den kouden steenen vloer daar buiten, om naar zijne ademhaling te luisteren, en in haar vurig verlangen om hem maar eenige genegenheid te mogen toonen, om hem tot eenigen troost te mogen zijn, om hem te bewegen dat hij eenige teederheid van haar, zijn eenzaam kind, verdroeg, zou zij, als zij maar gedurfd had, nederig smeekend voor zijne voeten geknield hebben.

Niemand wist het. Niemand dacht er aan. De deur bleef altijd dicht en hij daar binnen opgesloten. Een paar malen ging hij uit, en in huis zeide men dat hij spoedig op reis zou gaan; maar overigens bleef hij in die kamers, geheel alleen; en haar zag hij nooit, naar haar vroeg hij nooit. Misschien wist hij niet eens dat zij in huis was.

Eens, omtrent eene week na de begrafenis, zat Florence te werken, toen Suze haar met een half lachend half schreiend gezicht kwam zeggen, dat er visite voor haar was.

“Visite! Voor mij, Suze?” zeide Florence verwonderd opziende.—“Ja dat is wel een wonder, niet waar jufvrouw Flore,” zeide Suze; “maar ik wenschte dat gij druk visites hadt, dat doe ik waarlijk; want dat zou beter voor u zijn, en ik denk ook hoe eerder gij zelfs naar de oude Skettles’en gaat, zooveel te beter voor ons allebei. Ik mag van geene drukte houden, jonge jufvrouw Flore, maar ik ben toch geen oester.”

Om Suze recht te doen, dacht zij, dit zeggende, meer om hare jonge meesteres dan om zich zelve, en haar gezicht toonde dit.

“Maar wie is er dan om mij te spreken, Suze?” zeide Florence.

Met eene zenuwachtige uitbarsting, die evenveel een lach als een snik, en evenveel een snik als een lach was, antwoordde Suze: “mijnheer Toots!”

De glimlach die zich even op Florence’s gezichtje vertoonde, verdween terstond weder, en hare oogen vulden zich met tranen. Maar het was toch een glimlach geweest, en daarmede was Suze reeds zeer in haar schik.