Dombey en Zoon

Part 17

Chapter 174,000 wordsPublic domain

Daar het Olympische spel van op en neer kuieren, ten gevolge van Johnson’s misdrijf, dien dag korter dan gewoonlijk had geduurd, ging men voor de thee gezamenlijk uit om te wandelen. Zelfs Briggs (schoon hij nog niet aan zijn werk was begonnen) nam deel aan dit vermaak, en keek onder het genot daarvan twee- of driemaal somber over den rand der steile klip. Doctor Blimber ging mede; en Paul had de eer om door den doctor zelven op sleeptouw te worden genomen, bij wien hij er al zeer klein en zwak uitzag.

De thee werd niet minder deftig voorgediend dan het diner, en na de thee gingen de jonge heeren met eene buiging heen om de dagtaken, die zij niet hadden afgekregen, nog af te maken, of de reeds voor den morgen dreigende taken in te zien. Ondertusschen ging Feeder naar zijne eigene kamer, en bleef Paul in een hoek zitten, zich verwonderende of Florence aan hem dacht, en wat men bij mevrouw Pipchin wel deed.

Toots, die door een gewichtigen brief van den Hertog van Wellington werd opgehouden kwam eindelijk naar Paul toe, en na hem, evenals te voren, lang te hebben aangezien, vroeg hij of hij veel van mooie vesten hield.

“Ja, mijnheer,” zeide Paul.—“Ik ook,” zeide Toots.

Dien avond sprak Toots geen woord meer, maar bleef Paul staan aankijken alsof hij wel zin in hem had, en daar dit reeds eenigszins gezellig was, en Paul niet veel lust had om te praten, beviel het hem beter dan een gesprek zou gedaan hebben.

Tegen acht uur liet de gong zich weder hooren voor het gebed in de eetzaal, waar de bottelier vervolgens bij een buffet stond, waarop brood, kaas en bier waren gereed gezet, ten dienste van de jonge heeren, die van deze ververschingen verkozen te gebruiken. De plechtigheden werden daarmede besloten, dat de doctor zeide: “Jonge heeren, morgenochtend om zeven uur zullen wij onze studiën hervatten;” en toen voor de eerste maal zag Paul Cornelia Blimber’s oog, dat op hem gevestigd was. Toen de doctor gezegd had, dat men morgenochtend om zeven uur de studiën zou hervatten, bogen de jonge heeren weder en gingen naar bed.

In de vertrouwelijke stilte hunner eigene kamer boven, zeide Briggs dat hij eene pijn in het hoofd had alsof het barsten moest, en dat hij wel wenschen zou dat hij dood was, als hij dat niet liet om zijne moeder en eene lijster die hij thuis had. Tozer sprak weinig, maar zuchtte veel, en waarschuwde Paul om maar op te passen, want dat hij morgen aan de beurt zou zijn. Na het uiten dezer voorspelling kleedde hij zich uit en stapte in bed. Briggs en Paul waren insgelijks in bed, eer het jonge mensch met zwakke oogen kwam om de kaars weg te halen, waarbij hij hun een goeden nacht en pleizierige droomen wenschte. Deze goede wensch bleef echter ten aanzien van Briggs en Tozer onvervuld, want Paul, die lang wakker lag en nog dikwijls weder ontwaakte, vond dat Briggs door zijne les werd geplaagd alsof het eene nachtmerrie was, en dat Tozer, hoewel minder onrustig, in zijn slaap onbekende talen, of brokken Latijn en Grieksch praatte,—voor Paul was dit eveneens—die in de stilte van den nacht zeer akelig klonken, alsof hij door de wroeging over eene zware schuld werd benauwd.

Paul was in een zoeten slaap gezonken, en droomde dat hij met Florence hand aan hand door een fraaien tuin wandelde, toen zij aan eene groote zonnebloem kwamen, die zich eensklaps tot een gong uitspreidde en begon te galmen. Toen hij zijne oogen opende, bevond hij dat het een donkere ochtend was, met een druilenden motregen, en dat de werkelijke gong in het voorhuis zich schrikkelijk waarschuwend liet hooren.

Hij stond dus dadelijk op, en zag Briggs, bijna zonder oogen, want de nachtmerrie en het huilen hadden zijn gezicht doen opzwellen, bezig met zijne laarzen aan te trekken, terwijl Tozer, in een zeer slecht humeur stond te bibberen en zijne schouders te wrijven. De arme Paul, niet gewoon om zich zelven aan te kleeden, kon niet best daarmede terecht, en vroeg hun om een paar bandjes voor hem vast te strikken, maar dewijl Briggs niet anders zeide dan “Loop heen!” en Tozer “Wel ja!” ging hij, toen hij voor het overige klaar was, naar beneden, en zag toen eene verdieping lager eene knappe jonge meid met lederen handschoenen, die eene kachel potloodde. Dit meisje scheen verwonderd over zijn voorkomen en vroeg hem waar zijne moeder was. Toen Paul haar zeide dat zij dood was, trok zij hare handschoenen uit, deed wat hij verlangde, wreef bovendien zijne handjes om ze te warmen, gaf hem een kus, en zeide dat hij, als hij meer zoo iets wilde gedaan hebben,—zij meende het helpen aankleeden—maar naar Melia moest vragen, hetgeen Paul, na haar bedankt te hebben, zeide, dat hij zeker zou doen. Toen zette hij zachtjes zijne reis benedenwaarts voort, maar toen hij eene deur, die op eene kier stond, voorbijkwam, riep eene stem van binnen: “Is dat Dombey?” Toen Paul antwoordde “Ja, jufvrouw”—want hij wist wel dat het de stem van Cornelia was,—zeide zij: “Kom binnen, Dombey;” en hij ging dus binnen.

Cornelia zag er eveneens uit als den vorigen dag, behalve dat zij een shawl om had. Hare lichte krulletjes waren even stijf gekroesd, en zij had ook reeds haar bril op, hetgeen Paul zich deed verwonderen of zij daarmede naar bed ging. Zij had daar boven een koel zitkamertje, met eenige boeken en zonder vuur. Maar Cornelia was nooit koud en nooit slaperig.

“Dombey,” zeide zij. “Ik ga uit om exercitie.”

Paul verwonderde zich wat dat was, en waarom zij, bij zulk ongunstig weder, er den knecht niet om zond. Maar hij sprak hier niet van, daar zijne aandacht door een stapeltje nieuwe boeken werd geboeid, waarmede Cornelia zich zoo pas scheen te hebben bezig gehouden.

“Die zijn voor u, Dombey,” zeide zij.—“Allemaal, jufvrouw?” zeide Paul.—“Ja,” antwoordde Cornelia, “en mijnheer Feeder zal er binnen kort nog eenige voor u uitzoeken, als ge zoo vlijtig zijt als ik verwacht dat ge zijn zult, Dombey.”—“Wel bedankt, jufvrouw,” zeide Paul.—“Ik ga uit voor exercitie,” hervatte Cornelia, “en terwijl ik uit ben, dat wil zeggen tusschen dezen tijd en het ontbijt, Dombey, wensch ik dat gij eens doorleest wat ik in die boeken heb aangeteekend; en mij dan zegt of gij alles verstaat wat gij te leeren hebt. Sammel nu niet, Dombey, want gij hebt geen tijd te verzuimen, maar neem ze mee naar beneden en begin terstond.”

Er waren er zooveel, dat, hoewel Paul zijne eene hand onder het onderste boek plaatste en het bovenste met zijne andere hand en zijne kin zoo stevig vasthield als hij maar kon, het middelste boek er toch tusschen uitschoot, eer hij nog bij de deur kwam, en zij allen op den grond vielen. “O, Dombey, dat is al heel achteloos,” zeide Cornelia, en stapelde ze nog eens voor hem op. Ditmaal kwam Paul, met groote voorzichtigheid, de kamer uit en eenige trappen af, eer hem weder twee ontglipten. Maar hij hield de anderen zoo vast, dat hij er nog maar een meer op de trap en een in den gang verloor; en toen hij de overigen behouden in de schoolkamer had gebracht, ging hij nog eens naar boven, om de verlorenen te halen. Eindelijk de heele bibliotheek bijeen hebbende, klom hij op zijne plaats en ging aan het werk, aangemoedigd door het gezegde van Tozer, “dat hij er nu voor zat,” hetwelk het eenige was dat hem stoorde, tot het tijd werd voor het ontbijt. Bij dien maaltijd, waaraan hij weinig eetlust medebracht, was alles even deftig en fatsoenlijk als bij de anderen; en zoodra het ontbijt gedaan was, ging hij met Cornelia naar boven.

“Wel Dombey!” zeide zij, “hoe zijt ge met die boeken te recht gekomen?”

Er stond weinig Engelsch in en veel Latijn—namen van dingen, verbuigingen van naamwoorden en voornaamwoorden en thema’s daarover, eenige eerste taalregelen, een overzicht van de oude geschiedenis, een weinigje van de nieuwere, eenige tafels van maten en gewichten en zoo wat rekenkunst en algemeene kundigheden. Toen de arme Paul het aangewezene in nommer twee had doorgehaspeld, vond hij dat hij niets van nommer een wist; later drongen zich daarvan eenige brokken in nommer drie, dat zich met nommer vier verwarde, die zich beide weder niet van nommer twee konden vrijhouden; zoodat of twintig Romulussen één Remus maakten, òf hic, hæc, hoc trooisch gewicht was; of een werkwoord altijd bij een ouden Brit moest passen, en of driemaal vier Taurus een stier was, onbesliste vragen voor hem bleven.

“O, Dombey, Dombey!” zeide Cornelia; “dat is al heel erg.”—“Als het u belieft,” zeide Paul, “ik denk, als ik somtijds een beetje met den ouden Glubb mocht praten, zou het mij veel beter gaan.”—“Gekheid, Dombey,” antwoordde Cornelia. “Daar kan ik niet van hooren. Wij hebben hier geen Glubb’s van doen. Gij zult, denk ik, die boeken een voor een naar beneden moeten nemen, Dombey, en eerst de vragen van onderwerp A goed leeren, eer gij aan B begint. Neem nu het bovenste boek mee, Dombey, en kom terug als gij de les kent.”

Cornelia sprak met zekere sombere blijdschap over de diepe onkunde van Paul, alsof zij zoo iets wel verwacht had, en zich verheugde dat zij veel aan hem te doen zou hebben. Paul ging, gelijk hem gezegd was, met de eerste les heen en zette zich beneden aan het leeren; somtijds kon hij zich ieder woord herinneren, en somtijds was hij alles weder vergeten en alle andere dingen bovendien, tot hij zich eindelijk naar boven waagde om de les op te zeggen; en toen werd hem, eer hij begon, haast alles weder daardoor uit het hoofd gejaagd, dat Cornelia het boek toedeed en zeide: “Zeg maar op Dombey;” een bedrijf hetwelk aanduidde dat zij zelve alles van buiten kende, en Paul over hare geleerdheid deed versteld staan.

Hij kweet zich echter nu zeer wel; en Cornelia prees hem als een jongen, die wel gauw vooruit zou komen, en gaf hem terstond daarop de les B mede, van welke hij voor den maaltijd nog tot C en zelfs tot D kwam. Het was moeielijk kort na den eten weder aan het studeeren te gaan; hij gevoelde zich duizelig en verward, en dof en slaperig. Maar al de jonge heeren gevoelden hetzelfde, en moesten toch ook weder aan het studeeren—als dat hem kon troosten. Het was te verwonderen, dat de groote klok in het voorhuis, in plaats van altijd bij hare eerste vraag te blijven, ook niet eens zeide: “Jonge heeren, nu zullen wij onze studiën hervatten;” want dit gezegde werd in hare nabijheid dikwijls genoeg herhaald. Die studiën liepen rond gelijk een vervaarlijk wiel, en de jonge heeren waren altijd daarop vastgebonden.

Na de thee had men wederom de herhalingen en de voorbereidingen voor den volgenden dag bij kaarslicht. Eindelijk werd het toch tijd voor het bed, waar men, als men niet van de lessen droomde, rust en zoete vergetelheid vond.

O zaterdagen! O gelukkige zaterdagen, wanneer des middags altijd Florence kwam, en nooit om het weder wilde wegblijven al bromde mevrouw Pipchin nog zoo erg. Die zaterdagen waren sabbatten voor ten minste twee kleine christenen onder al de Joden, en deden een heilig sabbatwerk door de liefde tusschen broeder en zuster te versterken en te bevestigen.

Zelfs niet de zondagavonden,—die drukkende zondagavonden, welker schaduw den eersten glans van licht bij het ontwaken op zondagochtend verdonkerde—konden die heerlijke zaterdagen bederven. Of zij te zamen naar het ruime strand gingen om daar te wandelen of te zitten; of in de donkere achterkamer van mevrouw Pipchin bleven, waar zij zoo zacht voor hem zong, met zijn slaperig hoofd in haar arm, was Paul geheel onverschillig. Florence was bij hem; dit was al waar hij om dacht; en wanneer op zondagavond de donkere deur des doctors gaapte, om hem weder voor eene week te verzwelgen, was het tijd om van Florence afscheid te nemen—anders niets.

Jufvrouw Wickam was weder naar Londen gegaan, en jonge jufvrouw Nipper was voor haar in de plaats gekomen. In menig duel met mevrouw Pipchin stond Suze Nipper dapper pal; en indien mevrouw Pipchin ooit in haar leven iemand vond, die haar staan kon, deed zij dit nu. Op den eersten ochtend toen zij in het huis van mevrouw Pipchin opstond, wierp Suze Nipper de scheede van het zwaard weg. Zij vroeg en gaf geen kwartier. Zij zeide dat het oorlog moest wezen, en het was oorlog; en mevrouw Pipchin leefde van toen af in gedurig gevaar van schermutselingen en onverhoedsche aanvallen, die haar zelfs in het onbewaakte oogenblik harer karbonade belaagden, en haar geroosterd brood verbitterden.

Toen Suze Nipper op een zondagavond met Florence was teruggekomen, nadat zij Paul naar den doctor hadden gebracht, haalde Florence een stukje papier uit hare borst waarop zij met potlood eenige woorden had geschreven.

“Zie eens hier, Suze,” zeide zij. “Dat zijn de titels van die boekjes, die Paul meebrengt om die lange thema’s uit te maken, als hij al zoo moe is. Ik heb ze gisteravond opgeteekend toen hij aan het schrijven was.”—“Laat ze mij maar niet zien, jonge jufvrouw, als het u belieft,” antwoordde Suze, “Ik zou haast even graag mevrouw Pipchin zien.”—“Ik zou gaarne willen, dat gij ze morgenochtend voor mij kocht, Suze. Ik heb geld genoeg,” zeide Florence.—“Wel Heere mijn tijd, jonge jufvrouw,” antwoordde Suze, “hoe kunt ge toch zoo praten? Gij hebt immers al boeken genoeg, en meesters en meesteressen die u alles leeren, al geloof ik, jonge jufvrouw Dombey, dat uw pa u nooit iets had laten leeren, en er niet eens om zou gedacht hebben, als gij het niet gevraagd hadt—toen hij het niet wel kon weigeren. Maar iets te geven als het gevraagd wordt, of iets te presenteeren als het niet gevraagd wordt, zijn twee verschillende dingen, jonge jufvrouw. Ik kan er wel niet tegen hebben dat een jong mensch over mij verkeert, en als hij het jawoord vraagt het hem te geven; maar dan zeg ik toch nog niet: “Zoudt ge wel zoo goed willen zijn om zin in mij te krijgen.””—“Maar gij kunt die boeken toch wel voor mij koopen, Suze; en dat zult gij ook wel willen, als ge weet waarom ik ze noodig heb.”—“Wel, jonge jufvrouw, waar hebt ge ze dan voor noodig?” zeide Suze, en voegde er zachter bij: “Als het was om ze mevrouw Pipchin naar den kop te gooien, zou ik wel eene wagenvracht willen koopen.”—“Ik denk dat ik Paul misschien wat zou kunnen helpen, Suze, als ik die boeken had,” zeide Florence, “en de volgende week een weinigje gemakkelijker voor hem maken. Ten minste ik zou het gaarne beproeven. Koop ze dus voor mij, lieve Suze, en ik zal nooit vergeten, hoe goed het van u was.”

Het had een harder hart moeten zijn dan dat van Suze Nipper, om het beursje te kunnen afwijzen dat Florence haar bij deze woorden toereikte, of den smeekenden blik waarmede zij haar verzoek aandrong. Suze stak het beursje terstond in haar zak, en ging den volgenden morgen op hare boodschap uit.

De boeken waren niet gemakkelijk te bekomen, en het antwoord in verscheidene winkels was, dat men ze juist niet had, of ze er nooit op nahield, of dat men er verleden maand een aantal van gehad had, of er aanstaande week een aantal van verwachtte. Doch Suze liet zich bij zulk eene onderneming niet licht afschrikken, en nadat zij een jong mensch met vlashaar en een zwart sloofje, uit een boekwinkel waar zij bekend was, had meegetroond om haar te helpen zoeken, liet zij hem zoo heen en weer loopen, dat hij waarlijk zijn uiterste best deed, om maar van haar af te komen. Zoo kon zij eindelijk in zegepraal naar huis gaan.

Met deze schatten dus, zette Florence, als zij met hare eigene lessen gereed was, zich des avonds neer om Paul’s voetstappen langs de doornige paden der kennis na te sporen; en daar zij een vlug begrip en een goeden aanleg bezat, en door die verbazende leermeesteres, de liefde, werd voortgeholpen, duurde het niet lang of zij was Paul op de hielen, met hem gelijk en hem voorbij.

Geen woord hiervan mocht mevrouw Pipchin hooren; maar menigen avond, wanneer allen naar bed waren en Suze Nipper, met hare haren in papillotten, in eene ongemakkelijke houding bij haar zat te slapen, en de sintels in den haard reeds lang koud waren, en de kaarsen reeds in de pijp brandden, gaf Florence zich nog zooveel moeite om eene plaatsvervangster voor dien éénen kleinen Dombey te kunnen zijn, dat hare standvastigheid haar bijna het recht had moeten verwerven om zelve dien naam te dragen.

En groot was hare belooning, toen op een zaterdagavond Paul naar gewoonte ging zitten om “zijne studiën te hervatten,” en zij zich naast hem zette en hem liet zien dat de ongebaande weg geëffend was, en alles wat zoo donker was geweest helder en duidelijk voor hem lag. Het was niets anders dan een verwonderde blik van Paul—een blos—een glimlach—en toen eene hartelijke omhelzing—maar God weet hoe haar hart opsprong bij die rijke vergelding voor hare moeite.

“O Flore!” riep haar broeder uit. “Wat heb ik u lief! Wat heb ik u lief, Flore!”—“En ik u ook, lieve!”—“Ja, dat weet ik wel, Flore!”

Hij zeide er niet meer van; maar dien geheelen avond bleef hij dicht bij haar zitten, heel stil; en in den nacht riep hij uit zijn kamertje, achter het hare, nog drie- of viermaal dat hij haar liefhad.

Daarna was Florence geregeld klaar om op zaterdagavond naast Paul te komen zitten, en hem met geduld te helpen aan zooveel van zijn werk voor de volgende week als zij te zamen konden voorzien. De opbeurende gedachte dat hij werkte waar Florence even te voren voor hem had gewerkt, zou Paul op zich zelven reeds moed hebben gegeven bij de gedurige hervatting zijner studiën; maar vereenigd met de werkelijke verlichting van zijn last, die deze hulp hem verschafte, was zij misschien de oorzaak dat hij niet bezweek onder de vracht, die de schoone Cornelia hem oplaadde.

Niet dat zij hem hard wilde vallen, of dat doctor Blimber meende over het geheel te veel van de jonge heeren te vergen. Cornelia bleef slechts bij het geloof waarin zij was opgevoed, en de doctor was aan zekere verwarring van denkbeelden onderhevig, welke hem de jonge heeren deed beschouwen alsof zij allen doctors en volwassen geboren waren. Gestreeld door de toejuiching van de naaste betrekkingen der jonge heeren, en door hunne ijdelheid en door hun onbedachtzaam ongeduld aangespoord, zou het vreemd geweest zijn als doctor Blimber zijn misslag had ontdekt, en begrepen dat het raadzaam was zijne gezwollene zeilen te reven.

Zoo was het ook met Paul. Als doctor Blimber zeide dat hij groote vorderingen maakte, en veel aanleg had, was Dombey er meer dan ooit op gesteld dat hij geforceerd en overkropt zou worden; en wanneer de doctor van Briggs zeide, dat hij nog niet veel vorderde en niet veel aanleg had, was de oude Briggs onverbiddelijk in hetzelfde opzet. Kortom, hoe onnatuurlijk hoog de temperatuur mocht wezen waarop de doctor zijne broeikas hield, de eigenaren der planten waren altijd gereed om een handje aan den blaasbalg te helpen en het vuur aan te stoken.

Zooveel levenslust en vroolijkheid als Paul in het begin had, verloor hij natuurlijk zeer spoedig. Maar hij behield al wat zijn karakter vreemds, oudachtigs en nadenkends had; en onder omstandigheden, welke de ontwikkeling van zulke neigingen zoozeer begunstigden, werd hij nog vreemder, oudachtiger en nadenkender dan ooit.

Het eenige verschil was dat hij het eigenaardige van zijn karakter nu voor zich zelven hield. Hij werd van dag tot dag stiller en mijmeriger; geen der levende leden van des doctors huisgezin wekte zulk eene nieuwsgierigheid bij hem op als mevrouw Pipchin had gedaan. Hij was liefst alleen; en in de korte tusschenpoozen wanneer hij niet met zijne boeken bezig was, deed hij niets zoo gaarne als eenzaam door het huis dwalen, of op de trap naar de groote klok in het voorhuis zitten luisteren. Hij kende al de behangsels in huis van buiten, en zag dingen in de patronen, die niemand anders er in zag; hij ontdekte kleine leeuwen en tijgers, die tegen den muur opliepen, en zag scheele gezichten hem uit de ruiten van het vloerkleed aangluren.

Zoo leefde het eenzame kind voort, door de arabesken zijner mijmerende verbeelding omringd, en niemand verstond hem. Mevrouw Blimber vond hem “raar,” en somtijds zeiden de dienstboden onder elkander dat kleine Dombey “druilde;” maar dat was alles.

Of de jonge Toots moest een denkbeeld van de zaak gehad hebben, dat hij geheel buiten staat was om uit te drukken. Denkbeelden, gelijk spoken (volgens het gewone begrip van spoken) moeten aangesproken worden, eer zij zich willen verklaren; en Toots had sedert lang geene vragen meer aan zijn eigen gemoed gedaan. Misschien steeg er wel een damp uit die looden vaas, zijne hersenpan, op, die, als hij eene bepaalde gedaante had kunnen aannemen, een genius had kunnen worden; maar dat kon hij niet, en dus volgde hij slechts in zooverre het voorbeeld van den rook in de Arabische vertelling, dat hij zich als eene dikke wolk uitbreidde en zoo bleef hangen. Maar hij liet toch eene kleine gedaante zichtbaar op een eenzaam strand; en daarnaar staarde Toots aanhoudend.

“Hoe gaat het?” vroeg hij Paul wel vijftigmaal daags.—“Heel wel, mijnheer, dank je,” antwoordde Paul dan.—“Geef mij eens de hand,” liet Toots dan volgen.

Paul deed dit natuurlijk terstond, en gewoonlijk zeide Toots, na nog een tijd lang gestaard en diep geademd te hebben, wederom: “Hoe gaat het?” waarop Paul wederom antwoordde: “Heel wel, mijnheer, dankje.”

Op een avond zat Toots voor zijn lessenaar, druk bezig met zijne correspondentie, toen er een groot voornemen bij hem scheen op te komen. Hij legde zijne pen neer en ging Paul opzoeken, dien hij eindelijk uit het venster van zijne slaapkamer vond kijken.

“Zeg eens!” riep Toots, zoodra hij binnenkwam, opdat hij zijne boodschap niet vergeten zou. “Waar denkt gij toch zoo aan?”—“Och! ik denk aan heel veel dingen,” antwoordde Paul.—“Zoo! Doet ge?” zeide Toots, die dit op zich zelven reeds verwonderlijk scheen te vinden.—“Als gij sterven moest,—” zeide Paul, naar hem opziende.

Toots maakte eene beweging van schrik en scheen zeer onrustig te worden.

“Denkt gij dan niet dat gij liever in een nacht met maneschijn zoudt willen sterven, als de lucht helder was en het frisch waaide, zooals verleden nacht?”

Toots zeide, terwijl hij Paul twijfelend aanzag en zijn hoofd schudde, dat hij daar niets van wist.

“Het waaide eigenlijk niet hard,” hervatte Paul, “maar er was een gesuis in de lucht, evenals de zee in een grooten hoorn maakt. Het was een heerlijke nacht. Toen ik lang naar de zee had liggen luisteren, stond ik op en ging naar het venster. Er was eene boot daar ginder, in het volle maanlicht, eene boot met een zeil.”

Het kind zag hem zoo strak aan en sprak met zooveel ernst, dat Toots, zich geroepen achtende om iets van die boot te zeggen, zeide: “Smokkelaars!” Maar zich onpartijdig herinnerende, dat alle dingen twee kanten hebben, liet hij volgen: “of kustwachters.”—“Eene boot met een zeil,” herhaalde Paul, “in het volle maanlicht. Het zeil als een arm, geheel van zilver. Het werd in de verte al kleiner en kleiner, en wat denkt ge dat het scheen te doen door de beweging van de golven?”—“Slingeren,” zeide Toots.—“Het scheen mij te wenken,” zeide Paul, “te wenken om daar naar toe te komen.—Daar is zij!—Daar is zij!”

Na het voorafgaande, schrikte Toots geweldig van dezen uitroep, en vroeg: “Wie?”—“Mijne zuster Florence,” antwoordde Paul. “Zij kijkt naar boven en wuift met hare hand. Zij ziet mij—zij ziet mij! Goeden nacht, lieve! Goeden nacht, goeden nacht!”