Part 16
Terwijl zij weg waren, bleef Paul op de tafel zitten, Florence bij de hand houdende en beschroomd naar den doctor in het rond kijkende, terwijl de doctor, achterover in zijn stoel geleund, met de eene hand volgens gewoonte in de borst, een boek op armslengte van zich afhield en las. Er was iets zeer ontzagwekkends in deze wijze van lezen. Het was zulk eene vastberadene, hartstochtelijke, onbuigzame, koelbloedige manier om te werk te gaan. Des doctors gezicht bleef daardoor geheel zichtbaar, en wanneer hij achterdochtig tegen zijn auteur glimlachte, of zijn voorhoofd rimpelde, of zijn hoofd schudde en een scheef gezicht trok, alsof hij wilde zeggen. “Maak mij niets wijs, mijnheer; ik weet wel beter,” was het ontzettend.
Toots had ook niet bij de deur behoeven te blijven staan, om het werk van zijn horloge te bekijken en zijne halve kronen te tellen. Maar dit duurde niet lang, want toen doctor Blimber toevallig zijne welgevulde beenen verplaatste, alsof hij wilde opstaan, verdween Toots terstond en liet zich niet meer zien.
Weldra hoorde men Dombey en zijne geleidsters weder naar beneden komen, den geheelen weg over pratende; en zoo kwamen zij weder in de kamer.
“Ik hoop, mijnheer Dombey,” zeide de doctor, zijn boek neerleggende, “dat onze inrichting uwe goedkeuring wegdraagt.”—“Zij is uitmuntend, mijnheer,” zeide Dombey.—“Heel wel, inderdaad,” zeide mevrouw Pipchin zacht, daar zij nooit te veel wilde prijzen.—“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey, zich omkeerende, “zal, met uw verlof, doctor en mevrouw Blimber, Paul nu en dan komen bezoeken.”—“Wanneer het mevrouw Pipchin maar belieft,” merkte de doctor aan.—“Altijd genoegen doen haar te zien,” voegde mevrouw Blimber er bij.—“Ik denk,” zeide Dombey, “dat ik nu zooveel moeite gegeven heb als noodig is, en wel afscheid kan nemen. Paul, mijn kind,” hij kwam dicht bij den kleine, die nog op de tafel zat. “Goedendag!”—“Goedendag, papa!”
Het slappe onverschillige handje, dat Dombey in zijne hand nam, was zonderling in tegenspraak met het benauwde gezichtje. Maar hij had geen deel in de treurige uitdrukking daarvan. Het was niet naar hem toegekeerd. Neen—naar Florence—uitsluitend naar Florence.
Als Dombey zich door onbeschaamden hoogmoed op zijn rijkdom ooit een wraakzuchtigen, haatdragenden vijand had berokkend, had zelfs zulk een vijand den steek, die hem toen door het trotsche hart ging, als eene vergoeding voor de hem aangedane beleediging kunnen aanzien.
Hij boog zich over zijn zoon en kuste hem. Als zijne oogen, terwijl hij dit deed, verdonkerd werden door iets dat op het kindergezichtje afdroppelde, kan zijn geestelijk gezicht misschien voor die korte poos des te helderder zijn geweest.
“Ik zal u spoedig weerzien, Paul. Zaterdag en zondag hebt ge vrij af, weet ge.”—“Ja, papa,” antwoordde Paul, naar zijne zuster ziende. “Zaterdag en zondag.”—“En gij zult uw best doen om hier veel te leeren en een knap man te worden,” zeide Dombey. “Niet waar?”—“Dat zal ik wel,” antwoordde het kind onverschillig.—“En gij zult nu gauw groot worden!” zeide Dombey.—“O, heel gauw!” antwoordde Paul. Wederom vloog dat oudachtige uitzicht, gelijk eene vreemde schemering van licht, over zijne trekken. Het licht van dien blik scheen naar mevrouw Pipchin te dwalen en zich in haar zwart kleed uit te dooven. Deze uitmuntende kindereetster kwam nu nader om afscheid te nemen en Florence weg te slepen, waarnaar zij al lang gedorst had. Hare beweging deed Dombey opzien, wiens oogen nog op Paul gevestigd waren. Na nog eens zijn hoofd gestreeld en zijn handje gedrukt te hebben nam hij met zijne gewone ijskoude beleefdheid, afscheid van doctor Blimber en de twee dames, en ging de kamer uit.
In weerwil van zijn verzoek dat zij zich geene moeite zouden geven, verdrongen doctor Blimber en de twee dames elkander bijna om hem naar het voorhuis te brengen, en zoo raakte mevrouw Pipchin tusschen den doctor en de jonge jufvrouw ingeklemd, en werd zij de kamer uitgedrongen eer zij Florence kon grijpen. Aan dit gelukkig toeval had Paul naderhand de dierbare herinnering te danken, dat Florence kwam terugloopen om hare armen om zijn hals te slaan, en dat haar gezichtje—met een bemoedigenden glimlach naar hem toe gekeerd, te helderder om de tranen waardoor die glimlach heen blonk—het laatste in de deur was.
Het deed, toen hij alleen was, zijne kinderlijke borst zwellen en zwoegen, en de globes, de boeken, den blinden Homerus en de Minerva schemerachtig door de kamer ronddraaien. Maar eensklaps bleven zij stilstaan, en toen hoorde hij de klok in het voorhuis nog ernstig vragen: “Hoe—maakt—het—mijn—vriend—je—hoe—maakt—het—mijn—vriend—je?” evenals te voren.
Hij bleef met gevouwen handjes stil op de tafel zitten luisteren. Maar hij had wel mogen antwoorden: “Och ik ben zoo moe, zoo moe! Heel eenzaam, en heel droevig!” En daar, met eene pijnlijke ledigheid in het jeugdige hart, en alles om hem heen zoo koud, en dor, en vreemd, zat Paul alsof hij het leven ongemeubeleerd had gehuurd, en de behanger maar nooit kwam.
XII.
PAUL’S OPVOEDING.
Na verloop van eenige minuten, die kleinen Paul Dombey op de tafel als een eindeloozen tijd voorkwamen, kwam doctor Blimber terug. Des doctors gang was deftig en berekend om het jeugdig gemoed een gevoel van ontzag in te boezemen. Het was eene soort van parademarsch; want als de doctor zijn rechtervoet vooruitbracht, draaide hij zich statig om, met een halfronden zwaai links, en als hij zijn linkervoet vooruitbracht, draaide hij op dezelfde manier rechts; zoodat hij met elken stap, dien hij deed, om zich heen scheen te kijken, als wilde hij zeggen: “kan iemand ook zoo goed zijn om mij een onderwerp te noemen, van welken aard ook, waaromtrent ik niet onderricht ben? Ik denk eenigszins van neen.”
Mevrouw Blimber en hare dochter kwamen met den doctor terug; en nu tilde de doctor zijn nieuwen leerling van de tafel en leverde hem aan zijne dochter over.
“Cornelia,” zeide de doctor, “Dombey zal vooreerst onder uwe zorg komen. Maak dat hij wat voortkomt, Cornelia, maak dat hij wat voortkomt.”
Cornelia nam haar nieuwen pupil uit de handen van den doctor over; en Paul, die gevoelde dat de bril hem bezichtigde, sloeg zijne oogen neer.
“Hoe oud zijt ge al, Dombey?” zeide Cornelia.—“Zes,” antwoordde Paul, zich verwonderende, toen hij tersluiks een blik naar de jonge dame wierp, waarom hare haren niet lang groeiden, gelijk die van Florence, en waarom zij er zoo als een jongen uitzag.—“Hoeveel weet gij al van de Latijnsche spraakkunst, Dombey?” hervatte Cornelia.—“Niets,” antwoordde Paul; en begrijpende dat dit antwoord Cornelia’s gevoel een schok gaf, keek hij op naar de drie gezichten, die op hem neerkeken, en vervolgde: “Ik ben niet wel geweest. Ik ben een zwak kind geweest. Ik kon geen Latijn leeren toen ik alle dag met den ouden Glubb uit was. Ik wou dat gij den ouden Glubb liet zeggen om eens bij mij te komen, als het u belieft.”—“Welk een schrikkelijk gemeene naam,” zeide mevrouw Blimber. “Ten hoogste onclassisch! Wie is dat monster, kind?”—“Wat voor monster?” vroeg Paul.—“Glubb,” zeide mevrouw Blimber met grooten tegenzin.—“Hij is even weinig een monster als gij,” antwoordde Paul.—“Wat!” riep de doctor met eene geduchte stem. “Ho, ho, ho! Wat is dat?”
Paul was geweldig verschrikt, maar hij poogde toch den afwezigen Glubb te verdedigen, hoewel hij het bevende deed.
“Hij is een heel aardig oud man, mevrouw,” zeide hij. “Hij placht mijn wagentje te trekken. Hij weet alles van de diepe zee, en de visschen die er in zijn, en de groote monsters die op de rotsen in de zon komen liggen, en weder in het water duiken als zij ontrust worden, en zoo hard blazen en plassen dat men ze mijlen ver kan hooren. Er zijn sommige van die beesten,” zeide Paul, door zijn onderwerp in vuur gebracht, “ik weet niet hoeveel ellen lang, en ik heb ook hunne namen vergeten, maar Florence weet ze wel, die zich houden alsof zij in nood waren, en als er iemand uit medelijden naar hen toe komt, doen zij hun grooten bek open en bijten naar hem. Maar al wat hij dan te doen heeft,” zeide Paul, stout genoeg om den doctor zelven deze inlichting aan te bieden, “is dat hij aldoor maar ronddraait als hij wegloopt, en dan ontloopt hij hun zeker, omdat zij zich langzaam omdraaien, want zij zijn zoo lang en kunnen zich niet buigen. En al weet de oude Glubb niet, waarom de zee mij altijd aan mijne mama doet denken, die dood is, of wat het is dat zij altijd zegt—altijd zegt—hij weet er toch veel van. En ik wou,” besloot het kind, terwijl zijn gezichtje eensklaps betrok en hij de drie vreemde gezichten treurig aanzag, “dat gij dien ouden Glubb eens hier bij mij liet komen, want ik ken hem heel goed, en hij kent mij.”—“Het is erg,” zeide de doctor, zijn hoofd schuddende; “maar studeeren zal veel doen.”
Mevrouw Blimber merkte met eene soort van huivering aan, dat hij een onbegrijpelijk kind was, en zag hem, het onderscheid der gezichten in aanmerking genomen, omtrent eveneens aan als mevrouw Pipchin placht te doen.
“Breng hem het huis eens door, Cornelia,” zeide de doctor, “om hem met zijne nieuwe sfeer bekend te maken. Ga met die jonge dame mee, Dombey.”
Dombey gehoorzaamde, gaf zijne hand aan de afgetrokkene Cornelia en zag haar, terwijl zij te zamen heengingen, met vreesachtige nieuwsgierigheid, zijdelings aan; want haar bril maakte haar, door het glinsteren der glazen, tot zulk een geheimzinnig wezen, dat hij niet wist naar welken kant zij keek, en zelfs niet zeker was of zij daarachter wel oogen had.
Cornelia bracht hem eerst naar de schoolzaal, die achter het voorhuis lag, en welke men door twee met baai bekleede deuren binnentrad, die de stemmen der jonge heeren verdoofden. Hier bevonden zich acht jonge heeren in verschillende trappen van versuffing, allen zeer hard aan het werk en zeer ernstig. Toots, als de oudste, had een lessenaar alleen in een hoek en daarachter scheen hij, in Paul’s jeugdige oogen, een deftig man van ontzaglijken ouderdom te zijn.
Mijnheer Feeder, die voor een anderen lessenaar zat, had zijn draaiorgel op den Virgiliusdeun gezet, en speelde dien langzaam aan vier jonge heeren voor. Van de overige vier, waren twee, die de handen stuipachtig tegen het voorhoofd klemden, met het oplossen van mathematische voorstellen bezig; één, met een gezicht als een morsig venster, van het vele huilen, poogde nog voor den eten door een hopeloos getal van regels heen te fladderen, en één zat in versteende wanhoop zijne taak aan te staren, en scheen van het ontbijt af in dien toestand te hebben verkeerd.
De verschijning van een nieuwen jongen bracht geenszins die opschudding te weeg, welke men had kunnen verwachten. Feeder (die om de koelte gewoon was zijn hoofd te scheren en niets dan korte stoppels daarop had) gaf hem eene beenderige hand en zeide dat hij blij was hem te zien—hetgeen Paul hem ook gaarne had willen zeggen, als hij dit met de minste oprechtheid kon gedaan hebben. Daarop gaf Paul, door Cornelia onderricht, de hand aan de vier jonge heeren bij Feeder’s lessenaar; daarna aan de twee jonge heeren, die de voorstellen uitwerkten, en wier handen zeer koortsachtig waren; daarna aan den jongen heer, die den tijd de loef poogde af te winnen, en eene zeer beïnkte hand had; en eindelijk aan den jongen heer in een toestand van verstijving, wiens hand klam en koud was.
Daar Paul reeds met Toots in kennis was gebracht, grinnikte deze jonge heer maar eens, volgens zijne gewoonte, en ging voort met zijn werk. Dit was niet zeer zwaar, want daar hij (in meer dan één zin) al zooveel was door geweest, en ook, gelijk wij vroeger gezegd hebben, in zijn besten tijd had opgehouden met bloeien, had Toots thans verlof om op zijne eigene manier te studeeren, welke voornamelijk daarin bestond, dat hij zich zelven lange brieven van personen van aanzien schreef, aan “P. Toots, Esquire, Brighton, Sussex” geadresseerd, en deze zeer zorgvuldig in zijn lessenaar bewaarde.
Toen deze plechtigheden waren afgeloopen, bracht Cornelia Paul de trap op tot geheel boven in huis; hetgeen eene eenigszins langzame reis was, daar Paul eerst beide voeten op een trap moest zetten, eer hij den volgenden kon bestijgen. Maar zij kwamen toch eindelijk aan het einde van hun tocht; en daar, in eene voorkamer die op de woeste zee uitzag, wees Cornelia hem een aardig bedje, met witte gordijnen, vlak bij het venster, waaraan een kaartje was gehecht, waarop reeds—zeer fraai met eene ronde hand geschreven, met zeer vette neerhalen en zeer fijne ophalen—de naam “Dombey” stond te lezen; terwijl twee andere ledikantjes in dezelfde kamer op dezelfde wijs aan Briggs en Tozer waren toegeëigend.
Juist toen zij weder beneden in het voorhuis kwamen, zag Paul den jonkman met zwakke oogen, die mevrouw Pipchin zoo doodelijk had geërgerd, een zeer grooten trommelstok opnemen en op een gong, die daar hing, toevliegen alsof hij dol was geworden. In plaats van echter dadelijk uit zijn dienst te worden gejaagd of in hechtenis te worden genomen, liet men hem ongestoord begaan en hield hij van zelven op, nadat hij een schrikkelijk geweld had gemaakt. Toen deelde Cornelia Blimber den kleinen Dombey het bericht mede, dat het diner over een kwartier uurs gereed zou zijn, en hij misschien zoolang maar liefst in de schoolzaal bij zijne “vrienden” moest gaan.
De kleine Dombey ging dus met eerbied de groote klok voorbij, die nog even verlangend was om te weten hoe hij het maakte, opende de deur der schoolzaal eene klein eindje, ging aarzelend binnen, alsof hij gevoelde dat hij verdwaald was, en deed ze met tamelijk veel moeite weder dicht. Zijne vrienden waren allen door de zaal verspreid, met uitzondering van den versteenden vriend, die onbeweeglijk bleef. Mijnheer Feeder stond zich in zijne grijze kamerjapon uit te rekken, alsof hij, zonder kosten te ontzien, er de mouwen van wilde aftrekken.
“Hee-ho!” riep hij, zich schuddende als een karrepaard. “O Heere, Heere! Ya-a-ah!”
Paul schrikte waarlijk van Feeder’s geeuwen, zoo geducht krachtig en ernstig was het. Al de jongens (Toots uitgezonderd) schenen evenzeer afgemat, en maakten zich lusteloos voor den maaltijd gereed—sommigen verstrikten hunne dassen, die inderdaad zeer stijf waren, en anderen waschten in eene aangrenzende kamer hunne handen, of streken hun haar op—alsof zij toch niet dachten dat die hun zou smaken.
De jonge Toots was reeds vooruit klaar. Dus niets te doen hebbende, had hij zijn tijd voor Paul over en zeide met botte goedhartigheid:
“Ga zitten, Dombey.”—“Dank je wel, mijnheer,” zeide Paul.
Toen hij zich zelven op eene zeer hooge vensterbank poogde te hijschen en er weder afgleed, scheen Toots eene ontdekking te doen.
“Ge zijt nog een heel klein kereltje,” zeide Toots.—“Ja, mijnheer, ik ben nog klein,” antwoordde Paul. “Wel bedankt, mijnheer.”
Want Toots had hem op de bank getild, en dit zelfs met vriendelijke behoedzaamheid gedaan.
“Wie is uw kleermaker?” vroeg Toots, na hem eene poos te hebben aangezien.—“Tot nog toe heeft de naaister, die jurken voor mijne zuster maakt, ook voor mij kleeren gemaakt,” zeide Paul.—“Mijn kleermaker is Burgess en Comp.,” zeide Toots. “In de mode. Maar heel duur.”
Paul was schrander genoeg om zijn hoofd te schudden, als wilde hij zeggen dat dit gemakkelijk te zien was; en zoo dacht hij ook werkelijk.
“Uw vader is heel rijk, niet waar?” zeide Toots.—“Ja, mijnheer,” antwoordde Paul. “Hij is Dombey en Zoon.”—“En wat?” vroeg Toots.—“En Zoon, mijnheer,” antwoordde Paul.
Toots deed binnensmonds eenige pogingen om die firma in zijn geheugen te prenten; maar dewijl hem dit niet volkomen gelukte zeide hij, dat hij Paul morgen zou vragen om hem dien naam nog eens te zeggen, daar dit van eenig gewicht voor hem was. Hij was inderdaad niets minder voornemens, dan zich zelven terstond een vertrouwelijken brief van Dombey en Zoon te schrijven.
Thans hadden zich de andere leerlingen (altijd met uitzondering van den versteenden jongen) om hem heen verzameld. Zij waren beleefd, maar bleek, spraken zeer zacht en waren zoo ter neer gedrukt, dat bij den algemeenen toon van dat gezelschap vergeleken, de kleine Bitherstone een vroolijke snaak was. En toch meende hij ook over grieven te klagen te hebben, die Bitherstone.
“Gij slaapt in mijne kamer, niet waar?” vroeg een ernstige jonge heer, wiens boordjes zijne oorlapjes deden omkrullen.—“Jonge heer Briggs?” vroeg Paul.—“Tozer,” zeide de jonge heer.
Paul antwoordde nu van ja; Tozer, daarop naar den versteenden jongen wijzende, zeide dat hij Briggs was. Paul had zich reeds zeker gevoeld dat hij Briggs of Tozer moest wezen, schoon hij niet wist waarom.
“Hebt gij een sterk gestel?” vroeg Tozer.
Paul zeide te denken van neen. Tozer antwoordde dat hij ook zoo dacht, naar Paul’s uitzicht te rekenen, en dat dit jammer was, daar hij er wel een noodig had. Daarop vroeg hij Paul of hij met Cornelia zou beginnen, en toen Paul “ja” zeide, lieten al de jonge heeren (met uitzondering van Briggs) een zacht gebrom hooren.
Dit werd gesmoord door de klanken van den gong, die weder een vervaarlijk geweld maakte, en allen gingen naar de deur der eetzaal; altijd met uitzondering van Briggs, den versteenden jongen, die bleef zitten waar hij was en gelijk hij was. Onderweg naar hem toe ontmoette Paul weldra een broodje, zeer fatsoenlijk op een bord met een servet, en met eene zilveren vork dwars daar overheen gelegd.
Doctor Blimber zat reeds op zijne plaats aan het boveneind der tafel, met mevrouw Blimber en Cornelia aan beide zijden naast hem. Mijnheer Feeder zat met een zwarten rok onderaan. De stoel voor Paul stond naast Cornelia; maar dewijl men bevond, toen hij ging zitten, dat zijne oogen niet veel boven het tafellaken uitkwamen, werden er eenige boeken uit des doctors studeerkamer gehaald, waarop hij verheven werd, en waarop hij van dien dag af aan altijd zat—ze bij latere gelegenheden zelf halende en weder wegbrengende, gelijk een kleine olifant met zijn kasteel.
Toen de doctor een gebed had gedaan begon de maaltijd. Er was lekkere soep, gebraden en gekookt vleesch, groenten, podding en kaas. Ieder jonge heer had eene zware zilveren vork en een servet; alles was deftig en fraai ingericht. Vooral was er een bottelier met een blauwen rok met blinkende knoopen, die het bier waarlijk een wijnsmaak scheen te geven, zoo deftig schonk hij het.
Niemand sprak of er moest tot hem gesproken worden, behalve doctor Blimber, mevrouw Blimber en Cornelia, die nu en dan een woordje wisselden. Wanneer een jonge heer niet dadelijk met mes en vork, of lepel bezig was, zochten zijne oogen, door eene onweerstaanbare aantrekkingskracht, de oogen van doctor Blimber, mevrouw Blimber of Cornelia, en bleven daar eerbiedig rusten. Toots scheen de eenige uitzondering op dien regel te zijn. Hij zat naast mijnheer Feeder, aan Paul’s kant van de tafel, en keek dikwijls voor of achter de tusschen hem zittende jongens om, ten einde Paul in het gezicht te krijgen.
Slechts eenmaal onder het eten had er een gesprek plaats, waarbij de jonge heeren betrokken waren. Dit gebeurde onder het tijdperk der kaas, toen de doctor, na een glas portwijn genomen, en twee- of driemalen zijne keel geschraapt te hebben, zeide:
“Het is opmerkelijk, mijnheer Feeder, dat de Romeinen—”
Bij het noemen van dit geduchte volk, hunne onverzoenlijke vijanden, vestigden al de jonge heeren hunne oogen op den doctor, met een schijn van de diepste belangstelling. Een van hen, die juist dronk, en het oog des doctors hem door den kant van zijn glas heen zag aangrimmen, hield met zooveel overhaasting op, dat hij eene stuip scheen te zullen krijgen en in de gevolgen de rede des doctors geheel bedierf.
“Het is opmerkelijk, mijnheer Feeder,” zeide de doctor, nog eens langzaam beginnende, “dat de Romeinen, bij die prachtige en kostbare maaltijden, waarvan wij in de dagen der keizers lezen, toen de weelde eene vroeger of later ongekende hoogte had bereikt, en geheele provinciën werden geplunderd om de kosten voor een enkel keizerlijk feestmaal op te brengen....”
Hier barstte de schuldige, die in gevaar van te stikken vruchteloos naar een sluitteeken had gewacht, geweldig uit.
“Johnson,” zeide mijnheer Feeder, zacht en verwijtend, “drink wat water.”
De doctor wachtte met een zeer barsch gezicht tot het water gebracht was, en hervatte:
“En toen, mijnheer Feeder...”
Maar Feeder, die zag dat Johnson weder zou moeten uitbarsten, en wel wist dat de doctor, voor de jonge heeren sprekende, aan geen rustpunt zou komen eer hij geheel had uitgesproken, kon zijne oogen niet van Johnson afhouden; en zoo werd hij er op betrapt dat hij den doctor niet aanzag, die derhalve weder zweeg.
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” zeide Feeder, rood wordende.—“En toen,” zeide de doctor, zijne stem verheffende, “toen, mijnheer, gelijk wij lezen, en ik geene reden heb om te betwijfelen—hoe ongeloofelijk het onkundigen in onzen tijd ook mag voorkomen—de broeder van Vitellius hem een maaltijd deed voorzetten, waarbij, alleen van visschen, werden voorgediend twee duizend schotels....”—“Neem een slokje water, Johnson—schotels, mijnheer,” zeide Feeder.—“Van verschillende soorten van vogelen, vijftien duizend schotels...”—“Of probeer een stukje brood,” zeide Feeder.—“En een schotel,” vervolgde doctor Blimber, zijne stem nog meer verheffende en de tafel rondziende, “wegens zijne verbazende afmetingen het Schild van Minerva genoemd, en, onder andere kostbare ingrediënten, bestaande uit de hersenen van faisanten...”—“Hoe, hoe, hoe!” (van Johnson.)—“Houtsnippen...”—“Hoe, hoe, hoe!”—“Zekere gedeelten van den visch, scari geheeten...”—“Er zal nog een ader in uw hoofd barsten,” zeide Feeder. “Laat het liever maar los.”—“En de kuit van de lamprei, uit de Karpatische Zee aangebracht,” vervolgde de doctor op zijn gestrengsten toon; “wanneer wij lezen van gastmalen zoo kostbaar als deze, en niettemin bedenken, dat wij een Titus hebben.”—“Wat zou uwe moeder doen als gij aan eene beroerte kwaamt te sterven!” zeide Feeder.—“Een Domitiaan,”—“En gij wordt al blauw,” zeide Feeder.—“Een Nero, een Tiberius, een Caligula, een Heliogabalus, en nog zoo velen,” vervolgde de doctor, “dan is het, mijnheer Feeder—als ge mij de eer wilt doen om te luisteren—opmerkelijk, zeer opmerkelijk, mijnheer.”—
Maar Johnson, buiten staat om zich langer in te houden, barstte op dat oogenblik in zulk een geweldigen hoest uit, dat het, hoewel zijne beide buren hem in den rug stompten, en Feeder zelf hem een glas water voor den mond hield, en de bottelier hem verscheidene malen, als een schildwacht, tusschen zijn stoel en het buffet liet heen en weer stappen, toch volle vijf minuten duurde eer hij eenigszins bedaarde. Toen volgde er eene diepe stilte.
“Jonge heeren,” zeide doctor Blimber, “staat op om te danken! Cornelia, help Dombey eens van zijn stoel”—men zag nu niets van dezen boven het tafellaken, behalve de kruin van zijn hoofd. “Johnson zal morgenochtend, vóór het ontbijt, het eerste hoofdstuk van den brief aan de Ephesen, uit het Grieksche Testament, geheel uit het hoofd opzeggen. Over een halfuur, mijnheer Feeder, zullen wij onze studiën hervatten.”
De jonge heeren bogen en gingen heen. Feeder deed hetzelfde. Gedurende dat half uur kuierden de jonge heeren, paar aan paar en arm in arm, op een plekje gronds achter het huis op en neer, of poogden een vonkje van leven in de borst van Briggs op te wekken. Maar tot zoo iets gemeens als gewone jongensspelen kwam het niet. Precies op het bepaalde uur klonk de gong, en werden de studiën, onder het vereenigd opzicht van doctor Blimber en mijnheer Feeder, hervat.