Part 14
Mevrouw Chick haastte zich naar den gang en kwam terug met het bericht dat het de jonge Gay was, met nog iemand, die er heel wonderlijk uitzag; en dat de jonge Gay zeide dat hij niet zoo vrijpostig wilde zijn om binnen te komen, daar hij hoorde dat mijnheer Dombey aan het ontbijt zat, maar wachten zou tot het mijnheer Dombey beliefde hem te zien.
“Zeg den jongen dat hij nu maar komt,” zeide Dombey. “Wel, Gay, wat is er? Wie heeft u hier gezonden? Was er niemand anders om te gaan?”—“Neem mij niet kwalijk, mijnheer,” antwoordde Walter, “ik ben niet gezonden. Ik ben zoo vrij geweest om uit mij zelven te komen en hoop dat gij dit niet kwalijk zult nemen, als ik u de reden zeg.”
Maar zonder te letten op hetgeen hij zeide, keek Dombey ongeduldig aan beide kanten om hem heen (alsof hij een pilaar was die in den weg stond) naar een voorwerp achter hem.
“Wat is dat?” zeide Dombey. “Wie is dat? Ik denk dat gij u in de deur hebt vergist, mijnheer.”—“O het spijt mij wel dat ik iemand moest medebrengen, mijnheer,” zeide Walter haastig; “maar dit is—dit is kapitein Cuttle, mijnheer.”—“Walter, mijn jongen,” zeide de kapitein met eene zware stem, “sta nu vast!”
Te gelijker tijd kwam de kapitein wat verder binnen, waardoor zijn wijd blauw pak, zijne in het oog loopende boordjes en zijn knobbelige neus nog duidelijker uitkwamen, en bleef voor Dombey staan buigen en beleefd met zijn haak naar de dames wuiven, met zijn harden blinkenden hoed in zijne eenige hand en eene roode streep voor het hoofd, welke de hoed versch daarop had nagelaten.
Dombey zag dit verschijnsel met verbazing en verontwaardiging aan, en scheen met zijne blikken naar mevrouw Chick en jufvrouw Tox daartegen te protesteeren. Kleine Paul, die na Florence was binnengekomen, deinsde, toen de kapitein met zijn haak zwaaide, achteruit naar jufvrouw Tox en hield zich op verdediging gereed.
“Wel, Gay,” zeide Dombey. “Wat hebt ge mij te zeggen?”
Nogmaals zeide de kapitein, als eene algemeene opening van het gesprek, waardoor hij niet missen kon iedereen gunstig te stemmen: “Walter, sta vast.”—“Ik vrees, mijnheer,” begon Walter, bevende en naar den grond ziende, “dat het heel vrijpostig van mij is dat ik hier kom—dat doe ik waarlijk. Ik zou haast den moed niet gehad hebben om naar u te vragen, mijnheer, zelfs toen ik al hier was gekomen, vrees ik, als jonge jufvrouw Dombey mij niet had gezien en....”—“Wel!” zeide Dombey, zijne oogen volgende toen hij naar de oplettende Florence omkeek, en zonder het zelf te weten zijn voorhoofd fronsende, toen zij hem met een glimlach aanmoedigde. “Ga voort als het u belieft.”—“Ja, ja,” zeide de kapitein, die het voor een plicht van beleefdheid hield mijnheer Dombey te ondersteunen. “Wel gezegd! Ga voort, Walter.”
Kapitein Cuttle had verdelgd moeten worden door den blik dien Dombey hem tot dank voor zijne goedgunstige hulp toezond. Maar zonder iets daarvan te vermoeden, kneep hij slechts tot antwoord een oog dicht en gaf Dombey door zekere bewegingen van zijn haak te verstaan, dat Walter in het eerst een beetje bedeesd was, maar spoedig wel beter op zijn dreef zou komen.
“Het is geheel eene bijzondere en personeele zaak, die mij hier heeft doen komen, mijnheer,” vervolgde Walter, haperend; “en kapitein Cuttle...”—“Hier!” viel de kapitein er op in, als eene verzekering dat hij bij de hand was en men op hem aan kon.—“Die een heel oud vriend van mijn ongelukkigen oom en een best mensch is, mijnheer,” vervolgde Walter, zijne oogen opslaande met een blik alsof hij voor den kapitein om inschikkelijkheid wilde smeeken, “was zoo goed om met mij mede te willen gaan—iets dat ik moeielijk weigeren kon.”—“Wel neen,” merkte de kapitein zeer vergenoegd aan. “Geene reden om te weigeren. Ga voort, Walter.”—“En daarom, mijnheer,” hervatte Walter, het nu wagende om Dombey in de oogen te zien, en juist uit wanhoop aan de zaak met meer moed voortgaande, nu het niet meer te vermijden was, “en daarom, mijnheer, ben ik met hem hier gekomen om te zeggen dat mijn goede oude oom in groote ongelegenheid en droefheid is. Zijne zaken zijn langzamerhand verloopen, en zoo is hij niet in staat geweest om eene betaling te doen, waarvoor de vrees hem al maanden lang zwaar heeft gedrukt, zooals ik waarlijk wel weet, mijnheer; en nu is er eene executie in huis, en ik vrees dat hij al wat hij heeft zal verliezen en dan van hartzeer sterven. En als gij nu in uwe goedheid en omdat gij vanouds weet dat hij een ordentelijk man is, iets mocht willen doen om hem uit zijne verlegenheid te helpen, mijnheer, zouden wij u nooit genoeg kunnen danken.”
Walter’s oogen vulden zich met tranen terwijl hij sprak, en die van Florence insgelijks. Haar vader zag ze glinsteren, hoewel hij alleen naar Walter scheen te zien.
“Het is eene groote som, mijnheer,” hervatte Walter. “Boven de driehonderd pond. Mijn oom is door dit ongeluk geheel ter neer geslagen, en buiten staat om zelf iets te doen om uitkomst te zoeken. Hij weet ook nog niet dat ik u ben gaan spreken. Gij zoudt zeker willen, mijnheer,” vervolgde Walter, na een oogenblik aarzelens, “dat ik zeide wat ik eigenlijk verlangde; maar dat weet ik waarlijk niet recht, mijnheer. Mijn oom heeft nog zijn winkelvoorraad, waarop ik geloof gerust te mogen zeggen dat geene andere schulden liggen; en hier is kapitein Cuttle, die ook borg wil blijven. Ik—ik durf er haast niet van spreken,” zeide Walter, “zooveel als ik verdien; maar als ge dat woudt laten oploopen—opnemen—voorschot—oom—een eerlijk oud man.” Met deze afgebroken woorden kwam Walter tot stilzwijgen, en bleef toen met een hangend hoofd voor zijn patroon staan.
Dit een gunstig oogenblik achtende om zijne schatten te vertoonen, kwam kapitein Cuttle naar de tafel, en nadat hij tusschen het ontbijtgoed, vlak bij Dombey’s elleboog, ruimte had gemaakt, haalde hij horloge, contanten, theelepeltjes en suikertang uit, stapelde alles op een hoop, opdat het er zoo kostbaar mogelijk zou uitzien, en sprak toen aldus:
“Een half brood is beter dan geen brood, en hetzelfde geldt van kruimeltjes. Hier is een hoopje. Een pensioen van honderd pond ’s jaars kan ook verbonden worden. Als er een man propvol wetenschap in de wereld is, is het de oude Sam Gills. Als er een jong mensch van belofte is—een jong mensch, overvloeiende van melk en honig,” zeide de kapitein met een zijner gelukkige aanhalingen, “dan is het zijn neef.”
Daarna ging de kapitein achterwaarts naar zijne vorige plaats, waar hij zijne verstrooide lokken stond glad te strijken met het gezicht van een man, die iets zeer moeielijks bijzonder goed verricht had.
Toen Walter ophield met spreken, werden Dombey’s oogen door den kleinen Paul aangetrokken, die, toen hij zijn zusje stil zag schreien, uit medelijden met het ongeluk waarvan zij gehoord had, naar haar toeging en haar poogde te troosten, terwijl hij met een gezichtje vol uitdrukking naar Walter en zijn vader omkeek. Na de korte afleiding van kapitein Cuttle’s rede, die hij met deftige onverschilligheid aanhoorde, vestigde Dombey zijne oogen weder op zijn zoon, en bleef het kind eene poos stilzwijgend aanzien.
“Hoe is die schuld gemaakt?” vroeg Dombey eindelijk. “Wie is de crediteur?”—“Dat weet hij niet,” antwoordde de kapitein, zijne hand op Walter’s schouder leggende. “Maar ik wel. Die schuld komt daar vandaan dat mijn vriend Gills eens iemand geholpen heeft, die nu al lang dood is, en dat heeft hem al menige honderd pond gekost. Meer onder vier oogen, als u dat belieft.”—“Menschen die moeite genoeg hebben om zelven staande te blijven,” zeide Dombey, zonder op des kapiteins geheimzinnige teekenen achter Walter te letten, en nog naar zijn zoon ziende, “moesten liever met hunne eigene verplichtingen en bezwaren voldaan zijn, en ze niet vermeerderen door voor anderen borg te blijven. Zoo iets is een blijk van oneerlijkheid en verwaandheid,” zeide Dombey zeer barsch, “van groote verwaandheid; want rijke lieden zouden niet meer kunnen doen. Paul, kom eens hier.”
Het kind gehoorzaamde, en Dombey nam hem op zijne knie.
“Als gij nu geld hadt,”—zeide Dombey. “Zie mij eens aan.”
Paul, wiens oogen tusschen zijne zuster en Walter heen en weder zwierven, zag zijn vader aan.
“Als gij nu geld hadt,” zeide Dombey, “zooveel geld als de jonge Gay van gesproken heeft; wat zoudt ge dan doen?”—“Het aan zijn ouden oom geven,” antwoordde Paul.—“Het aan zijn ouden oom leenen, niet waar?” verbeterde Dombey. “Wel! Als gij oud genoeg zijt, weet ge, zult ge deel aan mijn geld krijgen en zullen wij het samen gebruiken.”—“Dombey en Zoon,” viel Paul er op in, wien deze spreuk reeds vroeg was bijgebracht.—“Dombey en Zoon,” herhaalde zijn vader. “Zoudt ge nu gaarne Dombey en Zoon beginnen te worden, en dat geld aan den oom van Gay leenen?”—“O, als het u belieft, papa,” antwoordde Paul, “en dat zou Florence ook zoo graag.”—“Meisjes,” zeide Dombey, “hebben niets met Dombey en Zoon te maken. Zoudt gij het gaarne willen?”—“Ja, papa, ja.”—“Dan zult gij het doen,” antwoordde zijn vader. “En gij ziet nu wel, Paul,” vervolgde hij, zijne stem latende dalen, “hoe machtig het geld is, en hoe de menschen er naar verlangen. De jonge Gay komt dien geheelen weg om geld te vragen, en gij, die zoo rijk en groot zijt, omdat gij het hebt, zult het hem nu laten hebben, als eene groote gunst en verplichting.”
Paul keek even op met zijn oudachtig gezichtje, hetwelk uitdrukte, dat hij de beteekenis dezer woorden zeer wel begreep; maar terstond daarop werd het weder een jong en kinderlijk gezichtje, toen hij zich van zijn vaders knie liet glijden en naar Florence toeliep om haar te zeggen dat zij niet meer moest schreien, want dat hij den jongen Gay het geld zou laten hebben.
Dombey keerde zich nu om naar een zijtafeltje, schreef een briefje en verzegelde dit. In dien tusschentijd fluisterden Paul en Florence met Walter, en zag kapitein Cuttle genoeglijk op dit drietal neer, met zulke hoogvliegende en verwaande gedachten, dat Dombey ze nooit had kunnen gelooven. Toen het briefje gereed was, keerde Dombey zich weder om en hield het Walter toe.
“Geef dat,” zeide hij, “morgenochtend terstond aan mijnheer Carker. Hij zal dadelijk zorgen dat iemand van het kantoor uw oom uit zijne tegenwoordige positie gaat bevrijden, door het volle bedrag van den eisch te betalen, en dat er voor de terugbetaling zulke schikkingen gemaakt worden als in de omstandigheden van uw oom dienstig zijn. Gij zult wel onthouden, dat het door jongen heer Paul voor u gedaan wordt.”
Walter, die zoo onverwacht het middel in de hand kreeg om zijn goeden oom uit zijne bezwaren te redden, had wel iets van zijne dankbaarheid en blijdschap willen uitdrukken; maar Dombey stuitte hem.
“Gij zult wel onthouden,” herhaalde hij, “dat dit door den jongen heer Paul gedaan wordt. Ik heb het hem verklaard, en hij begrijpt het. Ik wensch dat er niets meer van gezegd worde.”
Daar hij naar de deur wees, kon Walter niets anders doen dan buigen en heengaan. Jufvrouw Tox, die zag dat de kapitein hetzelfde scheen te willen doen, kwam er nu tusschen.
“Mijnheer,” zeide zij, Dombey aansprekende, over wiens mildheid zij en mevrouw Chick een overvloed van tranen stortten. “Ik geloof dat gij iets voorbijziet. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Dombey, ik geloof dat uw verheven karakter u eene kleine bijomstandigheid heeft doen overslaan.”—“Inderdaad, jufvrouw Tox!” zeide Dombey.—“Die heer met dat—instrument,” hervatte jufvrouw Tox, met een blik naar kapitein Cuttle, “heeft op de tafel, naast u...”—“Goede hemel,” zeide Dombey, de schatten des kapiteins wegvegende, alsof het werkelijk kruimels waren. “Neem die dingen weg. Ik ben u wel verplicht, jufvrouw Tox. Dit is een bewijs van uwe gewone oplettendheid. Wees zoo goed om die dingen weg te nemen, mijnheer.”
Kapitein Cuttle gevoelde dat hem niets overschoot dan te gehoorzamen. Maar de grootmoedigheid van Dombey, die schatten, zoo vlak voor hem opgestapeld, van de hand wees, trof hem zoodanig, dat hij, na de theelepeltjes en de suikertang in den eenen zak en de contanten in den anderen te hebben gestoken en het groote horloge langzaam in zijn eigen kuil te hebben afgelaten, zich niet kon weerhouden van de rechterhand van dien heer met zijne linkerhand te vatten, en den haak hartelijk in de palm te drukken. De gelijktijdige gewaarwording van warm gevoel en koud ijzer deed Dombey huiveren.
Daarna wierp kapitein Cuttle de dames zeer zwierig en galant verscheidene haakkussen toe, en nadat hij nog in het bijzonder afscheid van Paul en Florence had genomen, ging hij met Walter de kamer uit. In de warmte van haar hartje liep Florence hen reeds na, om eene boodschap voor den ouden Sam mede te geven, toen Dombey haar terug riep en beval te blijven waar zij was.
“Zult ge dan nooit eene Dombey worden, kindlief?” zeide mevrouw Chick met aandoenlijk verwijt.—“Lieve tante,” zeide Florence, “wees niet boos op mij. Ik ben papa zoo dankbaar.”
Zij had wel naar hem willen toeloopen en hare armen om zijn hals slaan, als zij maar gedurfd had; maar dewijl zij niet durfde, keek zij maar naar hem met dankbare oogen, terwijl hij zat te peinzen, somtijds met een onrustigen blik naar haar omziende, maar meestal den kleinen Paul gadeslaande, die in zijne nieuwe waardigheid, als de persoon die den jongen Gay het geld had laten hebben, deftig door de kamer stapte.
En de jonge Gay—Walter—hoe was het met hem?
Hij was blijde dat de huiselijke haard des ouden mans nu van deurwaarders en uitdragers gezuiverd zou worden, en hij met goede tijding naar zijn oom terugsnelde. Hij was blijde dat alles den volgenden dag voor den middag beschikt en beredderd was, en hij des avonds weder met den ouden Sam en kapitein Cuttle in het achterkamertje zat, en hij den instrumentmaker reeds zag herleven, en op de toekomst hopen, en gevoelen dat de houten adelborst weder zijn eigendom was. Maar zonder zijne dankbaarheid voor mijnheer Dombey eenigszins te kort te doen, moet het toch gezegd worden dat Walter vernederd en ontmoedigd was. Het is, wanneer de zwellende bloesemknoppen onzer hoop door een guren wind onherstelbaar genepen worden, dat wij meest genegen zijn ons voor te stellen welke bloemen zij hadden kunnen geven als zij ontloken waren; en nu Walter zich door een nieuwen en schrikkelijken val van de ontzaglijke Dombeyaansche hoogte vond afgesneden, en gevoelde dat al zijne oude dwaze grillen daardoor in den wind verstrooid waren, begon hij te vermoeden dat zij hem hadden kunnen voeren om zich geheel argeloos te verbeelden, dat hij eens naar Florence’s hand zou kunnen staan.
De kapitein beschouwde de zaak in een geheel ander licht. Hij scheen te gelooven dat de samenkomst, die hij had bijgewoond, zoo bemoedigend was, dat zij maar een paar stappen van eene bepaalde verloving tusschen Walter en Florence was verwijderd, en dat het voorgevallene zijne Whittingtoniaansche hoop ten uiterste had begunstigd, zoo al niet tot volstrekte zekerheid gebracht. Geprikkeld door deze overlegging, alsook door de meerdere opgeruimdheid van zijn ouden vriend, en zijne eigene daaruit voortspruitende vroolijkheid, poogde hij dien avond, toen hij de ballade van mooie Peggy zong, den naam van Florence voor dien der heldin in de plaats te stellen, en daar hij dit om het rijm bezwaarlijk vond, kwam hij op den gelukkigen inval om den weerbarstigen naam in Fleggy te veranderen. Zoo zong hij dus het liedje met bijna bovennatuurlijke schalkachtigheid en eene daverende stem, hoewel de tijd nabij was dat hij de woning der geduchte jufvrouw MacStinger weder moest gaan opzoeken.
XI.
PAUL WORDT OP EEN NIEUW TOONEEL GEVOERD.
Mevrouw Pipchin’s gestel bestond uit zulk hard metaal, hoewel het onderhevig was aan de vleeschelijke zwakheid om na karbonaden rust noodig te hebben, dat zij de voorspellingen van jufvrouw Wickam logenstrafte en er zich geene verschijnselen van tering bij haar opdeden. Daar echter Paul’s buitengewone ingenomenheid met de oude dame in volle kracht bleef, week jufvrouw Wickam geen duim breed van haar gevoelen af. Zich op den vasten grond van haar ooms Betsey Jane verschansende, raadde zij jufvrouw Berry als vriendin om zich op het ergste gereed te houden, en waarschuwde haar dat hare tante ieder oogenblik even gevaarlijk was als een kruitmolen.
De arme Berry hoorde dit alles geduldig aan en sloofde en slaafde naar gewoonte voort, volmaakt overtuigd dat mevrouw Pipchin een der verdienstelijkste menschen op de wereld was, waarom zij dan ook zich zelve ontelbare malen daags op het altaar dier edele matrone ten offer bracht. Doch al die zelfopofferingen van Berry werden door mevrouw Pipchin’s vrienden en vriendinnen op eene of andere wijs geheel ter eere van die dame uitgelegd, en in verband gebracht met de treurige omstandigheid dat mijnheer Pipchin van hartzeer over de mijnen van Peru was gestorven.
Bij voorbeeld, er was een eerlijk komenijsman, tusschen wien en mevrouw Pipchin een aanteekenboekje, met een vettig rood bandje, werd gehouden, dat gedurig geschil veroorzaakte, en waarover telkens geheime conferentiën werden gehouden, hetzij op de mat in den gang, of met geslotene deur in de zijkamer. Het ontbrak ook niet aan donkere geruchten, van jongen heer Bitherstone afkomstig (die door den invloed der zonnehitte van Indië op zijn bloed een wraakzuchtig karakter had gekregen) dat de rekening dikwijls onbetaald bleef en men tusschenbeide gebrek aan suiker bij de thee leed. Daar deze komenijsman ongetrouwd was en niet naar uitwendige schoonheid zag, had hij eens zeer fatsoenlijk om de hand van Berry gevraagd, welke mevrouw Pipchin hem met hoon en smaad had geweigerd. Iedereen zeide, hoe loffelijk dit van mevrouw Pipchin was, weduwe van een man, die aan de mijnen van Peru was gestorven, en hoe hooghartig en onafhankelijk de oude dame nog was. Maar niemand zeide iets van Berry, die zes weken lang schreide (al dien tijd door hare goede tante geducht bekeven), en in een staat van hopeloos oudvrijsterschap verzonk.
“Berry houdt veel van u, niet waar?” zeide Paul eens tot mevrouw Pipchin, toen zij met de kat bij het vuur zaten.—“Ja,” zeide mevrouw Pipchin.—“Waarom?” vroeg Paul.—“Waarom?” herhaalde de oude dame uit het veld geslagen. “Hoe kunt gij zoo iets vragen, jonge heer? Waarom houdt gij van uw zusje Florence?”—“Omdat zij zoo goed is,” antwoordde Paul. “Er is niemand die naar Florence gelijkt.”—“Wel,” zeide mevrouw Pipchin kortaf, “en er is niemand die naar mij gelijkt, denk ik.”—“Zou er waarlijk niemand wezen?” vroeg Paul, op zijn stoeltje vooroverleunende en haar zeer strak aankijkende.—“Neen,” zeide de oude dame.—“Daar ben ik blij om,” merkte Paul aan, nadenkend in zijne handjes wrijvende. “Dat vind ik heel goed.”
Mevrouw Pipchin durfde hem niet vragen waarom, uit vrees voor een geheel verpletterend antwoord. Maar als een balsem voor haar gekwetst gevoel, plaagde zij den kleinen Bitherstone tot hij naar bed ging zoodanig, dat hij dien zelfden avond beschikkingen begon te maken om over land naar Indië terug te keeren, door van zijn avondeten een brok brood en een stukje kaas weg te stoppen, als het begin van een voorraad van levensmiddelen om zich op reis te onderhouden.
Mevrouw Pipchin had nu bijna een jaar lang den kleinen Paul en zijne zuster onder haar opzicht gehad. Zij waren tweemaal naar huis geweest, maar slechts voor weinige dagen, en hadden overigens hun vader wekelijks geregeld in zijn logement gaan bezoeken. Langzamerhand was kleine Paul sterker geworden en had hij zijn wagentje kunnen missen; maar hij was nog mager en teer, en bleef nog hetzelfde oudachtige, stille, droomerige kind, dat hij was toen hij pas aan de zorg van mevrouw Pipchin werd toevertrouwd. Op een zaterdagavond, tegen de schemering, werd er eens in het Kasteel eene groote ontsteltenis veroorzaakt, daar Dombey geheel onverwacht mevrouw Pipchin een bezoek kwam brengen. Dadelijk werd de bevolking der zijkamer als door een wervelwind naar boven gejaagd, en na veel toeslaan van deuren en stampen van voeten op die verdieping, en nadat mevrouw Pipchin, om hare onrust eenigszins lucht te geven, den kleinen Bitherstone eenige duwen en stompen had toegediend, verdonkerde eindelijk het zwarte gewaad der brave vrouw de audiëntiezaal, waar Dombey het ledige leuningstoeltje van zijn zoon en erfgenaam zat te beschouwen.
“Mevrouw Pipchin,” zeide Dombey. “Hoe vaart ge?”—“Wel verplicht, mijnheer,” zeide mevrouw Pipchin. “Tamelijk wel, alles in aanmerking genomen.”
Mevrouw Pipchin gebruikte altijd die spreekwijs. Zij meende, hare deugden, opofferingen enz. in aanmerking genomen.
“Ik kan niet verwachten ooit geheel gezond te zijn, mijnheer,” hervatte mevrouw Pipchin, een stoel nemende en naar adem hijgende, “maar voor zooveel gezondheid als ik heb, ben ik dankbaar.”
Dombey boog zijn hoofd met het tevreden gezicht van een patroon, die begreep dat dit juist datgene was waarvoor hij zooveel in het vierendeeljaar betaalde. Na een oogenblik van stilte, hervatte hij:
“Mevrouw Pipchin, ik ben zoo vrij geweest aan te komen, om u over mijn zoon te raadplegen. Ik ben dat al eenigen tijd voornemens geweest, maar heb het gedurig uitgesteld, om te wachten tot zijne gezondheid geheel hersteld was. Gij hebt geene bezorgdheid in dat opzicht, mevrouw Pipchin?”—“Brighton is hem zeer heilzaam geweest, mijnheer,” antwoordde mevrouw Pipchin. “Inderdaad, zeer heilzaam.”—“Ik ben ook voornemens,” zeide Dombey, “dat hij te Brighton zal blijven.”
Mevrouw Pipchin wreef in hare handen en vestigde hare oogen op het vuur.
“Maar,” vervolgde Dombey, zijn voorvinger opstekende, “maar misschien zal ik nu eene verandering met hem maken, waardoor hij hier eene geheel andere levenswijs zal krijgen. Kortom, mevrouw Pipchin, dat is het oogmerk van mijn bezoek. Mijn zoon begint nu voort te komen—werkelijk voort te komen.”
De zegepralende houding waarmede Dombey dit zeide had iets treurigs. Zij bewees hoelang Paul’s kindsheid hem geduurd had, en hoe zijne hoop op een later tijdperk van zijn leven was gevestigd. Medelijden mag een vreemd woord schijnen om op een man, die zoo koud en trotsch was, toe te passen, en toch scheen hij op dat oogenblik een waardig voorwerp van medelijden te zijn.