Part 13
Walter, die nu pas op adem was gekomen, en de opgewondenheid, die het harde loopen hem had gegeven, verloren had, zag den vrager een oogenblik aan, zeide toen: “O kapitein Cuttle!” en barstte in tranen uit.
Geene woorden kunnen de ontsteltenis des kapiteins bij dit gezicht beschrijven. Jufvrouw MacStinger verdween daarbij in het niet. Hij liet vork en aardappel vallen—en had het mes ook laten vallen als hij kon—en bleef den knaap zitten aanstaren alsof hij het volgende oogenblik dacht te hooren dat zich in de City een afgrond had geopend, die zijn ouden vriend, met koffiebruin pak, knoopen, chronometer, bril en al, had verzwolgen.
Maar toen Walter hem zeide wat er eigenlijk gebeurd was, herkreeg kapitein Cuttle, na een oogenblik nadenkens, op eens zijne volle levendigheid. Hij nam van de bovenste kasplank een blikken busje, en stortte daaruit zijn geheelen voorraad van contanten (ten bedrage van dertien pond en eene halve kroon) dien hij vervolgens in een der zakken van zijn blauwe jas stak; daarna verrijkte hij zijne schatkamer nog met zijn zilverwerk, bestaande uit twee dood uitgesletene theelepeltjes en eene ouderwetsche gebochelde suikertang; hij haalde ook zijn geducht zilveren horloge met dubbele kas uit de diepte waar het rustte, om zich te verzekeren dat dit kostbare stuk nog aanwezig en in goeden staat was; schroefde den haak weder aan zijn rechterarm, en eindelijk zijn knoestigen stok vattende, beval hij Walter om maar mee te gaan.
Zich echter te midden zijner edele opgewondenheid herinnerende, dat jufvrouw MacStinger wel beneden op de loer kon liggen, bleef kapitein Cuttle toen nog aarzelend staan, en keek zelfs naar het venster, als dacht hij er aan om langs dien ongewonen weg de vlucht te nemen, liever dan zijne geduchte vijandin onder de oogen te komen. Hij gaf evenwel de voorkeur aan eene krijgslist.
“Walter,” zeide de kapitein, met een angstvalligen wenk, “ga gij vooruit, mijn jongen. Als gij in den gang zijt, roep dan “dag, kapitein Cuttle,” en trek de deur toe. Blijf dan op de straat staan wachten tot ge mij ziet.”
Dit plan bleek niet zonder voorafgaande ondervinding van de tactiek des vijands beraamd te zijn, want toen Walter beneden was, kwam jufvrouw MacStinger als eene dreigende schim het achterkeukentje uit zweven.
Maar daar zij den kapitein niet zag, gelijk zij verwacht had, zeide zij nog maar iets over den klopper, en zweefde weder naar binnen.
Er verliepen vijf minuten eer kapitein Cuttle moeds genoeg kon verzamelen om een uitval te beproeven; want zoolang bleef Walter op den hoek van de straat naar hem staan omkijken, eer hij iets van den harden blinkenden hoed zag. Eindelijk kwam de kapitein als eene bom de deur uitvliegen en hard naar hem toeloopen, zonder eens over zijn schouder om te kijken; maar toen zij wel de straat uit waren, hield hij zich alsof hij een deuntje floot.
“Oom erg van zijn streek, Walter?” zeide de kapitein, terwijl zij met elkander voortstapten.—“Ik vrees van ja. Als gij hem van morgen gezien hadt, zoudt gij het nooit weer vergeten hebben.”—“Stap dan wat aan, Walter, mijn jongen,” antwoordde de kapitein; “en onthoud dat zoolang gij leeft. Zie er den catechismus maar eens op na, en houd er u dan bij.”
De kapitein had het te druk met zijne eigene gedachten aan Samuel Gills, misschien met eenige bespiegelingen over zijne jongste vlucht voor jufvrouw MacStinger gemengd, om verder aan Walter’s zedelijke verbetering te arbeiden. Zij wisselden geen woord meer tot zij bij de deur kwamen, waar de ongelukkige houten adelborst met zijn instrument voor zijn oog den geheelen horizon langs scheen te zoeken naar een vriend om hem uit zijne ongelegenheid te redden.
“Gills!” zeide de kapitein, naar het achterkamertje snellende en hem met ware teederheid bij de hand vattende. “Houd maar vlak in den wind, en wij zullen er wel doorkomen. Al wat gij te doen hebt,” zeide de kapitein, met de deftigheid van iemand die een der gewichtigste stelregels predikt, welke de wijsheid des menschdoms ooit ontdekt heeft, “is dat ge maar vlak in den wind houdt, en wij zullen er wel doorkomen.”
De oude Sam beantwoordde zijn handdruk en dankte hem.
Daarop stalde kapitein Cuttle, met eene bij deze gelegenheid voegzame plechtigheid, de twee theelepeltjes, de suikertang, het horloge en de contanten op de tafel uit, en vroeg Brogley hoeveel er te betalen was.
“Kom aan. Laat hooren hoeveel gij er van maakt?” zeide de kapitein.—“Wel, mijn tijd!” antwoordde de uitdrager. “Gij denkt toch niet dat die dingen iets kunnen helpen?”—“Waarom niet?” vroeg kapitein Cuttle.—“Wel. De som is driehonderd en in de zeventig,” was het antwoord.—“Dat is hetzelfde,” zeide de kapitein, hoewel blijkbaar ontsteld van het cijfer. “Het is toch alles visch wat gij in het net krijgt, zou ik denken?”—“Zekerlijk,” antwoordde Brogley. “Maar sprotjes zijn geen walvisschen.”
Het wijsgeerige dezer opmerking scheen kapitein Cuttle te treffen. Hij zat een poosje te denken, ondertusschen den uitdrager aankijkende alsof hij hem voor een man van genie hield, en riep toen den instrumentmaker ter zijde.
“Gills,” zeide hij. “Geef mij eens het bestek van die historie. Wie is de crediteur?”—“Stil!” antwoordde de oude man. “Kom hier mee. Laat Wally er niet van hooren. Het is een oude borgtocht voor Wally’s vader. Ik heb er al veel van betaald, Ned, maar het is zulk een slechte tijd dat ik er nu niet meer aan doen kan. Ik heb het wel voorzien, maar ik kon het niet verhelpen. Om alles in de wereld, laat Wally er niets van hooren.”—“Maar gij hebt toch wat geld, niet waar,” fluisterde de kapitein.—“Ja—o ja—ik heb wel wat,” antwoordde de oude man, eerst zijne handen in zijne ledige zakken stekende, en toen zijne pruik er tusschen knijpende, alsof hij dacht dat hij daar iets uit zou kunnen persen; “maar ik—het beetje dat ik heb, is niet disponibel—ik kan er niet aankomen. Ik heb geprobeerd er iets voor Wally mee te doen; en ik ben een ouderwetsch man, die niet met den tijd mee kan. Het is hier en daar en—en kortom, het is zoo goed als nergens,” zeide de oude man verbijsterd in het rond ziende.
Hij had zoozeer het voorkomen van een half verstandelooze, die zijn geld ergens had weggestopt en niet meer wist waar, dat kapitein Cuttle zijne oogen volgde, niet zonder eene flauwe hoop, dat hij zich nog eenige honderd pond zou herinneren, die hij boven in den schoorsteen of beneden in den kelder had verborgen. Maar Samuel Gills wist wel beter.
“Ik ben ver bij den tijd ten achter, mijn beste Ned,” zeide Samuel, met zekere berustende wanhoop, “heel ver. Het helpt niet of ik zoo ver achteraan nog mee voort wil. De boel moest liever maar verkocht worden—hij is meer waard dan die schuld—en ik moest van het overschot maar liever ergens gaan sterven. Ik heb nergens kracht meer toe. Ik heb nergens verstand meer van. Het is beter dat het nu gedaan is. Laten zij den boel maar verkoopen en hem wegnemen,” zeide de oude man, met eene machtelooze hand naar den houten adelborst wijzende; “laten zij ons maar samen sloopen.”—“En wat denkt gij dan met Walter te doen?” zeide de kapitein. “Kom aan, ga zitten, Gills, ga zitten, en laat ik er eens over denken. Als ik niet iemand was met maar een klein pensioen, dat tot vandaag toe altijd groot genoeg is geweest, behoefde ik er niet over te denken. Maar houd maar vlak in den wind,” zeide de kapitein, nogmaals op dien onfeilbaren troostgrond terugkomende, “en het zal wel schikken.”
De oude Samuel bedankte hem van ganscher harte en ging moedeloos tegen den schoorsteenmantel leunen.
Kapitein Cuttle stapte eene poos den winkel op en neer, diep in gedachten, en met de ruige zwarte wenkbrauwen zoo diep op den neus samengetrokken, gelijk wolken die zich op een berg neerlaten, dat Walter bang was om hem in zijn gepeins te storen. Brogley, die niemand wilde hinderen, en een onderzoeklievenden geest had, ging, zachtjes fluitend, onder den winkelvoorraad rond, tikte tegen weerglazen, schudde kompassen alsof het medicijnfleschjes waren, haalde sleutels met magneten op, keek door verrekijkers, poogde zich met het gebruik van globes bekend te maken, zette parallellinealen te paard op zijn neus, en vermaakte zich met nog andere natuurkundige proefnemingen.
“Walter,” zeide de kapitein eindelijk. “Ik heb het gevonden.”—“Hebt ge, kapitein Cuttle?” zeide Walter zeer nieuwsgierig.—“Kom eens hierheen, mijn jongen,” zeide de kapitein. “De winkelvoorraad is eene securiteit, ik wil ook borg blijven, en uw patroon is de man die het geld moet schieten.”—“Mijnheer Dombey!” zeide Walter haperend.
De kapitein knikte ernstig. “Zie hem eens aan,” zeide hij. “Zie eens naar Gills. Als zij die dingen nu gingen verkoopen, zou hij het besterven. Dat weet gij wel. Wij moeten alles probeeren—geen steen laten liggen—en daar is een steen voor u.”—“Een steen!—Mijnheer Dombey!” stamelde Walter.—“Loop eerst eens naar het kantoor, en zie of hij daar is,” zeide kapitein Cuttle, hem een klap op den rug gevende. “Schielijk!”
Walter gevoelde dat hij niets tegen dat bevel mocht inbrengen—een blik op zijn oom zou hem daarvan overtuigd hebben, als hij anders had gedacht—en hij ging terstond. Hij kwam spoedig buiten adem terug, en zeide dat mijnheer Dombey er niet was. Het was zaterdag, en hij was dus naar Brighton.
“Dan zal ik u eens wat zeggen, Walter,” zeide de kapitein, die zich gedurende zijne afwezigheid op zoo iets scheen te hebben voorbereid. “Wij gaan naar Brighton. Ik zal wel voor u spreken, mijn jongen. Ik zal u niet in den steek laten. Wij gaan van middag met de diligence naar Brighton.”
Indien er toch bij mijnheer Dombey aanzoek moest worden gedaan,—hetgeen iets ontzettends was om aan te denken—had Walter dit veel liever alleen en ongeholpen willen doen, dan gerugsteund door den invloed van kapitein Cuttle, waaraan hij bezwaarlijk kon meenen dat mijnheer Dombey veel gewicht zou hechten. Maar dewijl de kapitein van een geheel ander gevoelen scheen te zijn, en er zeer op gesteld bleek te wezen, en zijne vriendschap veel te ijverig en te ernstig was, dan dat iemand zooveel jonger dan hij ze zou durven licht achten, wachtte hij zich wel om het minste bezwaar te maken. Kapitein Cuttle nam dus een haastig afscheid, stak de contanten, de theelepeltjes, de suikertang en het zilveren horloge weder in zijn zak—met oogmerk, gelijk Walter met ontzetting dacht, om daarmede bij mijnheer Dombey eene grootsche vertooning van zijn rijkdom te maken—en bracht hem zonder verwijl naar het diligencekantoor, hem onderweg nog verscheidene malen verzekerende dat hij hem niet in den steek zou laten.
X.
HOE HET MET DE ONGELEGENHEID VAN DEN HOUTEN ADELBORST AFLIEP.
Majoor Bagstock kwam, na den kleinen Paul van den overkant van Princess’s Place dikwijls en lang door zijn dubbelen tooneelkijker te hebben waargenomen, en na vele omstandige dag- week- en maandberichten te dien aanzien te hebben ontvangen van den inboorling, die zich met dat oogmerk voortdurend met de kamenier van jufvrouw Tox in gemeenschap hield, tot de slotsom dat Dombey, mijnheer, een man was dien men wel kennen mocht, en de J. B. de jongen was om kennis met hem te maken.
Daar jufvrouw Tox echter even koel en terughoudend bleef en den majoor—als hij (gelijk dikwijls gebeurde) in verband met zijn voornemen een vischtochtje kwam doen—volstrekt niet wilde begrijpen, moest deze, in spijt van de hem eigene taaiheid en slimheid, de vervulling zijner begeerte eenigermate aan het toeval overlaten, “hetwelk,” gelijk hij in zijne club dikwijls grinnikend zeide, “altijd vijftig tegen een voor Joey B was, mijnheer, sedert zijn oudste broeder in de West-Indiën aan de gele koorts was gestorven.”
Het duurde ditmaal eenigen tijd eer het hem te hulp kwam, maar eindelijk toonde het zich hem genegen. Toen de bruine knecht hem eens in alle bijzonderheden rapport bracht dat jufvrouw Tox om dienstzaken naar Brighton was vertrokken, kwam er bij den majoor eensklaps eene teedere herinnering aan zijn vriend Bill Bitherstone in Bengalen op, die hem in een brief had verzocht om, als hij ooit dien weg uitkwam, eens naar zijn eenigen zoon te gaan zien. Maar toen dezelfde bruine knecht rapporteerde dat Paul bij mevrouw Pipchin was, en de majoor, den brief inkijkende, dien jongeheer Bitherstone hem bij zijne aankomst in Engeland had geschreven—en waarop hij nooit gedacht had te zullen letten—de gelegenheid zag die zich hem aanbood, maakte het pootje, dat hem toen juist aan zijne kamer bond, hem zoo dol, dat hij den bruinen knecht tot dank voor zijn bericht een voetbankje naar den kop smeet, en zwoer dat hij dien schelm nog eens zou vermoorden; hetwelk de bruine knecht meer dan half genegen was om te gelooven.
Toen de majoor eindelijk van zijn pootje bevrijd was, reed hij op een zaterdag, met den bruinen knecht achter zich, brommende naar Brighton, den geheelen weg over aanspraken aan jufvrouw Tox houdende, en zich verlustigende in het vooruitzicht om den voornamen vriend, dien zij zoo geheim had gehouden en voor wien zij hem had verlaten, met den stormpas tot zijn eigen vriend te maken.
“Woudt ge, jufvrouw, woudt ge,” zeide de majoor, vol kwaadheid, terwijl de reeds gezwollen aderen van zijn hoofd nog meer opzwollen, “woudt ge Joey B aan kant zetten, jufvrouw? Nog niet, jufvrouw, nog niet! Verd—d, nog niet, mijnheer. J. B. is wakker, jufvrouw. Jo is bij de hand, mijnheer. Joe weet zijn weetje wel. Jo heeft altijd één oog open, mijnheer. Gij zult hem taai vinden, jufvrouw. Taai, mijnheer, taai is Jozef. Taai en verduiveld slim!”
En inderdaad vond de kleine Bitherstone hem heel taai, toen hij dien jongen heer op eene wandeling medenam. Met eene kleur als een Stiltonsche kaas, en oogen als die van eene garnaal, bleef de majoor maar rondkuieren, geheel onverschillig voor jongen heer Bitherstone’s vermaak, en hem aan de hand voortslepende, terwijl hij overal naar Dombey en zijne kinderen rondkeek.
Eindelijk ontdekte de majoor, vooraf door mevrouw Pipchin onderricht, Paul en Florence, met een deftig heer (ongetwijfeld mijnheer Dombey) in gezelschap, en rukte in den stormpas op dit troepje aan. Dichtbij gekomen was het natuurlijk dat de kleine Bitherstone zijne mede patiënten aansprak. Nu bleef de majoor staan, om de lieve kinderen te bewonderen, herinnerde zich met verbazing dat hij hen bij zijne vriendin jufvrouw Tox in Princess’s Place gezien en gesproken had; vond dat Paul een alleraardigste jongen was; verklaarde hem voor zijn vriendje; vroeg of hij Joey B., den majoor, nog wel kende; en keerde zich eindelijk, plotseling om de strenge regelen der welvoegelijkheid denkende, naar Dombey om verschooning te verzoeken.
“Maar mijn kleine vriend hier, mijnheer,” zeide de majoor, “maakt mij zelf weder tot een jongen. Een oud soldaat, mijnheer—majoor Bagstock, om u te dienen—schaamt zich niet om dat te bekennen.” Hier wipte de majoor zijn hoed op. “Verd...d, mijnheer,” riep de majoor met plotselinge warmte uit, “ik benijd u.” Toen bedacht hij zich en voegde er bij: “Neem mij niet kwalijk dat ik zoo vrijpostig ben.”
Dombey verzocht hem om er toch niet van te spreken.
“Een oud gediende, mijnheer,” zeide de majoor, “een in den rook gedroogde, in de zon geblakerde, invalide, oude rekel van een majoor, mijnheer, was ook niet bang dat een man als mijnheer Dombey hem zulk een jongenskuur kwalijk zou nemen. Ik heb de eer om mijnheer Dombey te spreken, naar ik meen?”—“Ik ben de onwaardige representant van dien naam, majoor,” antwoordde Dombey.—“Bij G—. Mijnheer,” zeide de majoor, “het is een groote naam. Het is een naam, mijnheer,” zeide de majoor, op een toon zoo vast alsof hij Dombey uitdaagde om hem tegen te spreken, en het dan zijn smartelijken plicht zou achten om hem te brutaliseeren, “die in de Britsche bezittingen over zee bekend en geacht is. Het is een naam, mijnheer, waarvoor iemand met trotschheid zijn hoed mag afnemen. Jozef Bagstock is lang geen vleier, mijnheer. Zijne Koninklijke Hoogheid de Hertog van York heeft bij meer dan eene gelegenheid gezegd: “Joey is lang geen vleier. Joe is een ronde, oude soldaat. Hij is zelfs wat al te taai, die Joe;” maar het is een groote naam, mijnheer. Bij den hemel, het is een groote naam,” zeide de majoor plechtig.—“Gij zijt goed genoeg om hem misschien hooger te stellen dan hij verdient, majoor,” antwoordde Dombey.—“Neen, mijnheer,” zeide de majoor. “Mijn kleine vriend hier, mijnheer, zal wel voor Jozef Bagstock getuigen, dat hij een ronde en plompe oude soldaat is, en niets anders. Die kleine jongen, mijnheer,” zeide de majoor, een zachter toon aannemende, “zal in de geschiedenis leven. Die kleine jongen, mijnheer, is geen gewoon product. Pas wel op hem, mijnheer Dombey.”
Dombey scheen te kennen te willen geven, dat hij dit zou pogen te doen.
“Hier is een jongen, mijnheer,” vervolgde de majoor in vertrouwen, en gaf hem een stomp met zijn rotting. “Zoontje van Bill Bitherstone van Bengalen. Die jongen zijn vader en ik, mijnheer, waren gezworen vrienden. Waar gij ook mocht komen, mijnheer, ge zoudt van niets anders hooren dan van Bill Bitherstone en Joe Bagstock. Ben ik nu blind voor de gebreken van dien jongen? Geheel niet. Hij is een domoor, mijnheer.”
Dombey keek eens naar den belasterden jongen heer Bitherstone, van wien hij ten minste evenveel wist als de majoor en zeide zeer welgevallig: “Inderdaad?”—“Dat is hij, mijnheer,” zeide de majoor. “Hij is een domoor. Joe Bagstock windt er nooit doekjes om. De zoon van mijn ouden vriend Bill Bitherstone van Bengalen is een botmuil.” Hier lachte de majoor tot hij er bijna zwart van werd. “Mijn kleine vriend is voor eene openbare school bestemd, zou ik meenen, mijnheer Dombey?” zeide de majoor toen hij zich hersteld had.—“Dat heb ik nog niet beslist,” antwoordde Dombey. “Ik geloof van neen. Hij is wat teer.”—“Als hij wat teer is, mijnheer,” zeide de majoor, “hebt ge gelijk. Het moesten taaie knapen zijn om het te Sandhurst uit te houden, mijnheer. Wij martelden daar elkander, mijnheer. Wij roosterden daar de nieuwe jongens voor een langzaam vuurtje, en hingen ze uit een bovenvenster met het hoofd naar beneden. Jozef Bagstock, mijnheer, is dertien minuten lang bij de hielen van zijne laarzen uit het raam gehouden, op de schoolklok af.”
De majoor had zich ter bevestiging van zijn verhaal op zijn gezicht kunnen beroepen. Het zag er zeker uit, alsof hij wat te lang buiten had gehangen.
“Dat maakte ons tot zulke kerels, mijnheer,” zeide de majoor, zijn jabot gladstrijkende. “Wij waren ijzer, mijnheer, en zoo werden wij gesmeed. Blijft gij hier, mijnheer Dombey?”—“Doorgaans kom ik eens in de week over, majoor,” antwoordde de gevraagde. “Ik logeer in de Bedford.”—“Ik zal de eer hebben om eens in de Bedford aan te komen, mijnheer, als ge mij permiteeren wilt,” zeide de majoor. “Joey B. mijnheer, is doorgaans geen liefhebber van visites maken, maar mijnheer Dombey heeft geen gewonen naam. Ik ben mijn kleinen vriend wel verplicht, mijnheer, voor de eer van deze introductie.”
Dombey gaf een goedgunstig antwoord; en nadat majoor Bagstock Paul over het hoofd had gestreken, en van Florence gezegd dat hare oogen over niet lang den drommel met de jongelui zouden spelen—“en met de oudelui ook, als gij daarop komt, mijnheer,” voegde hij er grinnikend bij—gaf hij den kleinen Bitherstone een stootje met zijn rotting en vertrok met dien jongen heer, die op een halven draf moest loopen, terwijl hij wijdbeens al waggelend voortstapte, en met groote deftigheid kuchte en met zijn hoofd zwaaide.
Ter vervulling zijner belofte kwam de majoor naderhand een bezoek bij Dombey afleggen; en nadat Dombey de lijst van officieren had nagezien, bracht hij den majoor een bezoek terug. Toen kwam de majoor bij Dombey in de stad aan, en ging weder naar Brighton, in dezelfde diligence als Dombey. Kortom Dombey en de majoor werden buitengemeen snel buitengemeen goede vrienden, en Dombey merkte van den majoor tot zijne zuster aan, dat hij, behalve dat hij geheel militair was, een verwonderlijk juist begrip had van zaken buiten zijn vak.
Toen Dombey eindelijk jufvrouw Tox en mevrouw Chick eens medebracht om de kinderen te zien, en den majoor weder te Brighton vond, noodigde hij dezen in de Bedford op het diner, en maakte jufvrouw Tox bij voorraad een compliment over haar buurman en bekende. In weerwil der hartkloppingen welke deze toespelingen haar veroorzaakten, waren zij jufvrouw Tox alles behalve onaangenaam, daar zij haar gelegenheid gaven om zeer interessant te zijn en eene verwarring en verlegenheid te laten blijken, die zij niet ongaarne ten toon spreidde. De majoor gaf overvloedig aanleiding om deze aandoeningen te vertoonen, daar hij onder het diner zeer mild was met zijne klachten dat zij hem in Princess’s Place had verlaten, en daar hij zelf zich bijzonder met deze gezegden scheen te vermaken, kwamen zij allen zeer wel met elkander voort.
Het deed in dit opzicht geen kwaad dat de majoor het gesprek geheel voor zijne rekening nam, en een even onverzadelijk prater als eter scheen te zijn, daar hij zich, onder zijne aardigheden, met zooveel smaak op de lekkernijen der tafel vergastte, dat hij het gevaar eener ontstekingskoorts aanmerkelijk dichterbij bracht. Daar Dombey’s gewone stilzwijgendheid hem ruim baan liet, gevoelde de majoor dat hij bijzonder uitblonk, en in zijne vroolijkheid verknoeide hij zijn eigen naam op zoo oneindig vele manieren dat hij er zelf verbaasd over was. Kortom zij waren allen zeer wel in hun schik. Men vond dat de majoor onuitputtelijk in geestigheden was; en toen hij, na een langen robber whist, laat afscheid nam, maakte Dombey de blozende jufvrouw Tox nogmaals een compliment over haar buurman en bekende.
Maar den geheelen weg naar zijn logement langs, zeide de majoor gedurig bij zich zelven en van zich zelven, “slim, mijnheer—slim, mijnheer—verduiveld slim!” En toen hij daar gekomen was, zette hij zich op een stoel, en kreeg hij eene stille lachbui, die hem somtijds overviel en waaronder hij er allergeduchtst uitzag. Hij bleef er ditmaal zoolang in, dat de bruine knecht, die hem op een afstand stond te bewaken, maar hem voor alles in de wereld niet nabij had durven komen, hem twee- of driemaal voor verloren hield. Zijne geheele gestalte, maar vooral zijn gezicht en hoofd zwollen geweldiger op dan nog ooit was waargenomen, zoodat de bruine knecht niets anders zag dan eene stuipachtig trillende massa indigo. Eindelijk barstte hij in een geweldigen hoest uit, en toen deze over was in eene reeks van uitroepingen gelijk de volgende:
“Zoudt ge wel willen, jufvrouw, zoudt ge wel willen? Mevrouw Dombey, he, jufvrouw? Ik geloof het niet, jufvrouw. Niet zoolang Joe B. eene spaak in het wiel kan steken, jufvrouw. J. B. is nu quite met u, jufvrouw. Hij is nog niet geheel uitgekegeld, mijnheer, Jozef Bagstock. Zij is slim, mijnheer, slim, maar Jozef is nog slimmer. De oude Joe is wakker, klaar wakker; hij heeft zijne oogen wijd open, mijnheer!” Er kon geen twijfel zijn aan de waarheid der laatste verklaring; zij was zelfs van schrikkelijke waarheid, en bleef dit ook het grootste gedeelte van den nacht, welken de majoor voornamelijk onder het uiten van dergelijke uitroepingen doorbracht, afgewisseld met hoest- en hijgbuien, die het geheele huis deden bang worden.
Het was daags na deze gelegenheid (op een zondag), toen, terwijl Dombey, mevrouw Chick en jufvrouw Tox nog aan het ontbijt zaten en lofspraken op den majoor hielden, Florence kwam binnenloopen, met eene gloeiende kleur over geheel haar gezichtje en vroolijk schitterende oogen, en riep:
“Papa, papa! Daar is Walter! en hij wil niet binnenkomen.”—“Wie?” zeide Dombey. “Wat meent zij toch? Wat is er?”—“Walter, papa,” antwoordde Florence beschroomd, nu begrijpende dat zij met veel te veel gemeenzaamheid zijne hooge tegenwoordigheid was genaderd. “Die mij gevonden heeft toen ik was weggeraakt.”—“Meent zij den jongen Gay, Louise?” vroeg Dombey, zijne wenkbrauwen samentrekkende. “Inderdaad, dat kind heeft zeer luidruchtige manieren gekregen. Zij kan den jongen Gay niet meenen, denk ik. Zie eens wat het is, als het u belieft.”