Part 10
—Ik, ter hulpe, mijn vader Zeus! Ik, god van druiven, strijden ter zijde van strijdbaren Ares, Artemis en Athene!
—Twijfel niet en draal niet, Dionyzos! Hoor! Orakel spelde Zeus, dat ons de Giganten zouden verwinnen, zoo niet...
—Zoo niet ik...
—Zoo niet HALFGODEN ons kwamen ter hulpe!
—Ik ... ik, halfgod, maar NIET de onoverwinlijkste van mijn broeders en zusters!
—Dionyzos, versaag je?
—Nooit! Zeus, o mijn vader...
—... Mijn zoon, Dionyzos!...
—Hij roept mij! O Zeus... mijn vader!
—Mijn zoon Dionyzos, kom ter hulpe! Mijn bliksems breken op de schubben der vreesverwekkende monsters, die Gaïa mij, boos, baarde, ze toekennende tegen ons tooverkracht, waartegen geen onzer weet middel!
—O vader, o Zeus, ge roept mij, Dionyzos, ter hulpe? O vader, o vader, ik jubel! IK kan u helpen! Ge zegt, dat IK u helpen kan...? O heerlijke trots, die mij als druivenwijn de aderen doorvloeit en mij opheft tot een bezieling, die ik niet bereikbaar voor MIJ dacht! Vader, bezieling alléen omdat UW stem mij roept, omdat Zeus Dionyzos van noode heeft, omdat de goddelijke broeders en zusters mij, den alleen aan druiven rijken Dionyzos, riepen ter hulpe!
—... O Dionyzos, wees niet in bezieling te over-onstuimig, want niet alleen roep ik, Zeus, je ter hulpe! Half broeder, en halfgod, hij als jij, zal Herakles je ter zijde staan ...
—Herakles, hij!
—Dionyzos! riep Hermes. Hier dalen wij neêr. Tusschen Pallene en tusschen Olympos, tusschen Giganten en Goden. En hier, Dionyzos, tref je, halfbroeder en halfgod, hij als jij ... Herakles.
—Strijd IK aan de zijde van Herakles?
—Zoo wil het Zeus.
—Opdat hij, de sterkste, heeft àlle eer?
—Wat draal je toch, Dionyzos! Zie, de Olympos brandt!
—Laat de Olympos branden! Ik wil niet strijden dan alleen! Strijd IK aan de zijde van Herakles?
—Wat weiger je, Dionyzos?!
—Hij is sterk, mijn armen zijn niet gespierd!
—Dionyzos, groot veldheer, zal je met armen als van een maagd, verwinnen aan Herakles’ zijde!
—Ik strijd alleen!
—Dionyzos!
Zoo donderde Zeus’ stem en onweêr barstte los.
—Vader! kreet schel Dionyzos. Wat zal ik, trots al mijn bezieling, strijden aan Herakles’ zijde! Hij ontneemt mij in den strijd alle eer!
—Dionyzos!! Laat je als een stoute knaap, je vader je roepen ter hulpe en te vergeefs?! Al je broeders, al je zusters, roepen ter hulpe en te vergeefs?
—Vader!
—Dionyzos!!
En de knapejeugdige god, Dionyzos, eindelijk, huiverde voor vaders toorn. Maar hij was toornig ook, hij, als hij nooit was geweest: zijn lippen klemden op een, zijn tanden knarsten, en zijn zacht lieflijk gelaat veranderde in een grijns van kwaadheid, in een tronie van razernij: de oogen puilden, breed den mond, de tanden spits-flikkerden, als verscheurens gereed... Hermes was met hem nedergedaald en had hem, een kind gelijk, gezet op zijn voeten beide.
—Zie, zeide Hermes, verzoenend. Dionyzos, zie ... hier nadert, wie aan je zijde zal strijden, Herakles!
Onwillig wendde Dionyzos zich om en moest het hoofd in den nek zich werpen om Herakles aan te zien. De zoon van Alkmene naderde, zwaar van tred, glimlachende in zijn kroesbaard, en hij was zoo groot, dat hij scheen te groeien, terwijl hij naderde. Een glimlachende goedigheid was speelsch in zijn oogen, die ledefronsten en lachten tegelijkertijd onder zijn bosschige brauwen en het voorhoofd laag en breed; des Nemeïschen leeuwenkop, die zijn hoofd overhelmde, deed hem nòg reuziger schijnen met die, boven hem, dooden blik uit den hollen monsterkop; met manen, die wijd-uit waaiden en de reuzetanden, die in den muil nog verschrikkelijk dreigende grijnsden; vale koningsmantel, viel het vel langs Herakles’ vollen rug en over zijn breede spierheuvelende schouders de borst breidde zich hoog-op en vierkant: een wal; staande nu steunde hij de massa der beide vierkant vingerende vuisten op zijn beroemde knots, en ook zijne zwaar heerlijke heldenarmen heuvelden, maar harmonisch in ontwikkelde kracht van zwellende kabelspieren; boomig stonden zijn beenen geplant op de breed zich uitbreidende voeten, en hoewel hij roerloos maar glimlachte, scheen het Dionyzos toe, dat een enkele beweging, zelfs uit goedige speelschheid, zoû, onwillens, straks doen veranderen van lijn het rotsige landschap, of murw de rotsen werden bij Herakles’ rotshardheid en kracht. Zoo, tusschen Olympos en der Giganten landstreek, Pallene, rees daar Herakles als een bescherming en sloeg breed zijn schaduw neêr. Achter hem golfde en loeide, als eene schuimende blanke zee, de blanke kudde der prachtige runderen, als Herakles’ Tiende Werk door hem ontroofd aan den reus Geryon, die woonde aan het westelijke einde der wereld, en Dionyzos, hoe boos ook, ontzette. Maar hij verborg die ontzetting achter zijn boosheid, en toen Hermes, glanzende god, verzoenend, hem Herakles wilde voeren te moet, herhaalde hij schel, trots zijn vreeze voor Zeus:
—Hermes, wat zal ik, trots al mijn bezieling strijden aan Herakles’ zijde!
De held Herakles lachte in bassigen lach uit, die der runderen geloei overbulderde. En hij spotte goedmoedig, met den speelschen blik uit zijn ledefronsende oogen:
—Voorwaar, roept mij mijn vader Zeus om te strijden aan dezes knaaps zijde! Moet ik mijn vuist ballen, waar hij zijn vuistje balt, en mijn arm uitslingeren, waar hij meisjesblank uitslingert zijn ronden arm? Waar is zijn kracht en waar is zijn wapen en wat vermag hij tegen de Giganten: de eenigen, die na de Titanen, Olympos bestormen dorsten! Wil vader Zeus lachen om een vertooning, of, zeg mij, Hermes, wat moet ik met dezen knaap?
Maar Hermes, verzoenend, zeide:
—Herakles, heerlijkkrachtige broeder, ontstem niet onzen jeugdigen broêr, den blijden god Dionyzos, door te minachten de macht van hèm, die, in vreugde, de wereld verwint op lange, druive-omwingerden zegetocht! Moedig is hij, als jijzelve! Verkoos hij niet liever alléen de vreeswekkende Giganten te bestrijden, dan aan je zijde, beangst als hij is, dat je hem rooft de eer der hem àlzekere overwinning?
—En wat is blijden Dionyzos’ macht, waarmeê hij de wereld veroveren wil? Ik hoorde nooit van hem en nooit van zijn zegetocht, en de door hem veroverde wereld! Is dat dan een andere wereld, dan Nemea, waar IK doodde den leeuw, wiens muil mij hoog overhelmt; dan Lerna, waar IK neêrsloeg den veelkoppigen draak; dan Erymanthos, waar ik bemachtigde levend het everzwijn, of Kerynia, waar ik Artemis’ goudgehoornde, kopergehoefde hinde greep; dan Stymfalos, waar ik uitroeide de ijzer-gevleugelde vogels, en Elis, waar ik rivieren van loop deed veranderen om ze stroomen te doen door den Stal; dan Kreta, waar ik den stier, en Thrakië, waar ik de paarden ving, Diomedes’ menschenetende rossen; dan Skythië, waar ik der Amazonenvorstin haar gordel ontnam, en het Verre Westen, van waar ik nu kom, na mij meester te hebben van Geryons kudden gemaakt? Is dat alles de wereld dan niet, en verwin IK de wereld dan niet met mijn wonderwerken, waarmeê ik mijn eigen roem behaal, ook al gebood het Orakel mij die tot straf zelven voor mijn moedermoord te verrichten ter eere Eurystheus’!? Schakelen die werken dan niet MIJN zegetocht en wil deze knaap zich meten met mij?
Zoo sprak stembulderend Herakles, zijn borst—als een wal—opzettend, zijn schouders nog vierkanter schaduwend doende tegen Olympos aan, en zijn armen zwollen van spieren als kabels, en zijn beenen boomden, onwrikbaar ten pezige voeten geplant, maar de blijde god Dionyzos was niet toornig meer, om zijn bulderenden halfbroeder, die daar voor hem stond als een reuzeherder van een reuzekudde blanke runderen, en, aan Hermes’ zijde, hij de kleinste en menschelijkste van hun broeders drie, zeide hij met verzoenende stem nu zelve, bescheiden,—maar Hermes hoorde hem spotten wel in die vroolijk gehuichelde bescheidenheid:
—O, krachtige halfbroeder Herakles, zoû IK, zwakke god van wat ooft, dat mijn saters mij druiven noemen, en waaruit wij persen een drank, die wel aangenaam koelt het dorstig verhemelte, mij durven meten met jou, mij durven vergelijken met jou! Ik trok nooit naar alle de plaatsen, die je met volle recht snoevende, o Herakles, mij hebt genoemd, en bij al de krachtwerken, die je verrichtte... wat is mijn werk vergeleken: druivefestoenen heerlijk te slingeren van Ikaria tot Orchomenos, en van Arkadia en Karië tot Korinthe toe, tot ik ze straks met luchtig gebaar slingere de zee wellicht over, naar de allerverste morgenlanden, en aan de oostelijke poorten misschien Eos mijn druiveschaal biedt! Kinderwerk is het, Herakles, bij dat van jou: mannetjes-mannewerk! Begrijpen doe ik ook niet, dat mijn vader Zeus mij opdroeg te strijden aan je verschrikkelijke zijde, maar zijn wil is mijn eenige wet, en daarom, o Hermes, verstandige broeder, verplicht mij en daar ik ongewapend ben, pluk even, terwijl ik mijn broeder Herakles’ zij niet verlaat, een agavebloeme-steel voor mij: kies die uit krachtig en zwiepend: ander wapen heb ik van noode niet; spelen wil ik er maar meê een beetje, in de schaduw van Herakles’ knots... Verzoenen wil ik mij met Herakles vóor den strijd, en daarom, o wingerd, o wonderwingerd, welig, schiet uit tusschen ons beiden; rank luchtig om die verschrikkelijke knots, en, druiven, vlijt u in Herakles’ vuist, opdat hij zich vóór den strijd lave en zich verzoene met Dionyzos!
Zoo antwoordde, guitig en niet meer verstoord, de blijde god Dionyzos, en terwijl Hermes den agavebloeme-steel plukte, weligde om Herakles’ knots, o wonder, de wingerd, en de verschrikkelijke held riep, verbaasd:
—Doet die knaap groeien uit den grond wat hij wil? Wat zijn dit voor krullende ranken en zwellende trossen! Pluk ik er een, Dionyzos? Druk ik dien zóó aan mijn lippen? Drink ik dit edele sap zoo? O, Dionyzos, is dit je gave? Deze purperen heerlijkheid ... is dit je gave? Dit nieuwe genot ... is dit je macht? O Dionyzos mijn lieflijke broeder, o mijn heerlijke halfbroeder Dionyzos ... laat weligen, weligen nòg meer de wingerd, laat nòg meer de trossen zwellen naar mijn hand en mijn lippen toe, en terwijl mijn knots schijnt te groeien, staande in lof en ooft ... kom aan mijn borst en kom op mijn hart, opdat ik je omhelze met broederkus, voor genot zoo nieuw, voor laving, zoo allerweldadigst, die wat ook voor vermoeidheid, zoo even, licht, mijn tred loom maakte aan het hoofd dezer kudde, nu mij bezielt met wondere bezieling, of mijn oog helderder ziet, mijn arm sterker zich spiert, en geheel mijn ziel zich heft in goddelijker energieën!
Toen, om Herakles’ plotse verrukking, schaterlachte de blijde god Dionyzos, en hij stortte zich in zijn broeders machtige armen, en duldde, dat hij hem tilde aan zijn hart en hem er bijna op verpletterde, hem zoende hartelijk met kroesbaard-mond de lachend purperen lippen. Maar een plots zware rommelslag daverde, het vuur viel in bliksems uit Olympos, en Zeus, toornig, donderde:
—Herakles en Dionyzos! Wat toeft gij zoo lang, en wat snoeft gij tegen elkander op, de een bulderend met kracht, en de ander, spitsvondig met ironie, wie van u beiden de wereld verwint en wiens wereldverwinning de meeste beduidt voor uw eigen glorie en heerlijkheid! Niet anders dan als oude wijven verliest ge in veelheid van woorden uw kostelijken tijd, en acht gij niet, dat Olympos blaakt van fellen brand, door de saamgesnoerde brandende eikestammen, die Porfyrion en Alkyoneus met vereenigde krachten als fakkels slingeren naar onze paleizen toe. Te hulpe, Dionyzos; te hulpe, Herakles!
Verschrikt om des vaders toornige stem, staakten de halfgoden hunne broederlijke omhelzing, en zagen zij uit naar den strijd, die tusschen Pallene en Olympos op het verschrikkelijkst werd gestreden. Want Efialtes, krachtigste aller Giganten, stapelde bergen op elkaâr, en beklom die, naar Olympos toe, maar op de schitterende drempels der godenpaleizen verscheen, in glans omhuld, Apolloon, en schoot met zijn flitsende pijl uit zilverstralenden boog Efialtes het rechteroog uit; Herakles, schoot te-gelijkertijd den Gigant het linkeroog uit, en blind, tuimelde hij, terwijl zijn misstap bij misstap de bergstapeling wankelen deed en zijn reuzelijf de neêrdonderende bergen begroeven. Toen was het of de al versagende goden herademden in heerlijken moed; want, reuzig in storm, rees Zeus van zijn zetel en trof met zijn bliksem Porfyrion, die, reeds opgeklommen de bergstapeling, bereikt had Olympos’ goudenen drempel en in onbetembaren lust de goddelijke Hera aangreep. Maar bliksemgetroffen stortte Porfyrion in het ijle en viel uit duizelende hoogte neêr op Pallene. Hij viel en viel steeds, en intusschen bestreden de goddelijke strijdbare maagden, Athene en Artemis, de draakbeenige reuzen Pallas en Gration; heerlijk van moed, met juichende kreten, vielen de maagden hen beiden aan. Maar een razernij, plots, bezielde den blijden god Dionyzos en rukkend uit Hermes’ handen den zwiependen agavebloeme-steel, stortte hij zich in den strijd en sloeg om zich rond, in een wijden cirkel van zwieping; de anders zoo blauwe violenoogen puilden onder zijn blonde, fronsende brauwen; zijn zacht knapegelaat vertrok tot een grijnzende tronie van kwaadheid en hij sprong rond tusschen de verbaasde Giganten, en zwiepte en zwiepte zijn steel. Dat gaf rondom hem heen een bescherming, wijden toovercirkel, dien hij rondom zich duizelde, bezwijmelend vlug voor wie er de oogen naar richtte, en op de Giganten, ontzet, schoten nu van omhoog de pijlen en bliksems van Zeus en Apolloon, van omlaag de altijd treffende pijlen van Herakles! En al dansende steeds in woede, verovering, draaide om zichzelven rond, tolduizelsnel, de razende god Dionyzos, in den van snelte vertrillerenden cirkel van zijn zwiependen bloemsteel, tot hij plots ophield en niet horizontaal meer zijn steelduizeling zwiepte maar ze zweepte in ellips, loodrecht, en toestormde op Olympos’ belagers. Hij was dronken van enthouziasme, de razende god Dionyzos; de gedachte aan Zeus bezielde hem en hij sloeg met zijn agave-stengel, die zwiepte, den Gigant Eurytos op zijn monstermuil; zoo snel sloeg hij en liet hagelen de slagen, dat Eurytos, verblind, niet wist hoe zijn ijzeren knots te heffen ... Sneller en sneller sloeg Dionyzos; het was hem of hij niet zelve sloeg, maar of duizenden in hem sloegen; duizenden als hijzelve ... Sneller en sneller hief zich, daalde, hief zich, daalde de stengel, tot eindelijk, bezwijmd, de reus wankelde op zijn drakestaartvoeten en viel hard neêr op zijn knots, terwijl steeds Dionyzos’ slagen hem troffen. Nu lag hij, een weerloos slachtoffer, en liet zich slaan, en liet zich slaan. Hij bewoog niet meer, hij was dood. En in Dionyzos’ zachte hand scheen tot zwiepend ijzer te harden de steel, want nu cirkelde hij weêr zijn duizeling snel, horizontaal om zich rond. De aarde verschoof en beefde, ontzaglijk geweld weêrklonk: Poseidoon, in zeebevende woede, hief het eiland Kos op beide armen en slingerde het over Polybotes, en Athene, strijdbare maagd, rukte Pallas, dien zij hield onder de knie, zijn onkwetsbare huid villende van het reuzelijf, en sloeg die zich met éen kreet om den boezem, ter eigene àlzekere bescherming. En de pijlen van Apolloon omhoog, en de pijlen van Herakles laag, flitsten sneller en sneller, of zij beiden, Herakles en Apolloon, bezielden door Dionyzos’ bezieling van snelheid, van duizelingwekkende snelheid ... Een schelle kreet schalde als een bazuinroep uit de keel van den razenden god Dionyzos en terwijl vluchtten, dringend, de pijldoorschoten Giganten weg naar het verre Westen toe, achtervolgde hij ze met zijn zwiependen steel. Nu staakten de goden den strijd, maar Dionyzos, schel schreeuwende steeds, ijlde, ijlde, hen achterna, en geeselde hun de vreeselijke ruggen ... Schaterde hij, met zijn grijnzende tronie van razernij en geeselde, geeselde steeds...
De avond viel, en in de duisterende hemelen smeulde als een wereldbrand de roode rook nog der godenpaleizen, door Hermes zelve in wateren gebluscht. Op den gesmolten drempel der goudene poorten lag, in slaap van vermoeidheid, de blijde god Dionyzos, glimlachend als een kind: zijn hoofd viel hem, zwaar van slaap, bevallig ter zijde; zijn adem, lieflijk rythme, rees regelmatig de blanke borst op; in zijn blanke vuist nog omklemde hij een geknakten agavebloeme-steel, maar van strijd scheen hij niets te weten...: terwijl de ontzetting nog huiverde in der overwinnende goden oogen, sliep hij als na een spel, glimlachte hij als in een droom van druiven, en hij was zoo heerlijk, en zoo lieftallig, dat alle goden glimlachten nu, hem naderende een voor een, neêrknielden bij zijn sluimering, en hem kusten op het voorhoofd. En zelfs vorstelijke Hera, die den zoon van Semele bij zijn geboorte had willen vernietigen, naderde en knielde neêr, streelde even met haar vorstinnehand zijn blanke rimpel- en zorglooze voorhoofd, en kuste hem er op, en Afrodite, lichtend van schoonheid, die met glans alleen haar omkleedde, fluisterde den slaper in:
—Dionyzos, WAT gij mij ook vraagt ... sta ik toe in zalig geluk!
De nacht donkerde en in de geduisterde hemelen rossigde alleen nog de laatste walm der uit smook opklarende godenpaleizen. Toen nam Hermes den slaper en onversaagden god Dionyzos, in beide zijne armen en, hoedwiek en enkelvleugel bewegende, vloog hij naar de aarde, den boord te-gemoet van de starren weêrstralende zee. Daar lagen, tot spoedige reize gereed, de smalle triremen en wiegelden zacht op den sluimerzang van Poseidoon. Vlak aan zee rees het pijnenbosch uit rotsigen grond omhoog, en in de donkere schaduw sliepen de saters, menaden, Silenen, de kleine jongens van Pan tusschen de tamme leeuwen en panthers der in vreugde onverwinlijke thiazos. Geene waakte toen Hermes naderde, met, in zwaren slaap, Dionyzos in zijn armen. Hij trad dalende neêr op den grond en aan Ampelos’ zijde vlijde hij den god, op een sponde van duizend viooltjes. Dat geurde in den nacht en trillerde als een lied eentonig, en boven het eentonige lied trompetterde uit hare hoorntjes kamperfoelie een gedempte fanfare: blijdschap, omdat Dionyzos terug was gekomen. Er richtte zich even uit de armen van een faun, een nymf, en zag met slapens-kleine oogen naar Hermes een oogenblik, sliep dadelijk weêr in, moê van angst, als zij allen, om het ontzettend gedruisch diens dags: Hermes verdween, en de nacht voltooide in weldadige stilte. De golven ruischten sluimerwiegend; de kamperfoelie fanfaarde, nu hooger, dan lager... Verder was de rust overal.
X.
—God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god Dionyzos, verwinnaar der vreeswekkende draken-Giganten! Jij versloeg ze alleen, met je zwiependen agavebloeme-steel, dien je knakte op hun krakende ruggen! God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen, is machtiger dan jij Apolloon, onfeilbare vlammende schutter? Is machtiger dan jij knotszwaaiende Herakles, zijn machtiger Athene en Artemis, juichende strijdbare maagden ...? O, Dionyzos, machtiger alleen dan jij is Zeus, is Zeus zelve, en nog troffen zijn bliksems niet steeds de belagers van Olympos en van vorstelijke Hera ...! God, om wien wij ons scharen, rijs op uit sluimering, voer ons over de zee naar de verre morgenlanden, naar de oostelijke grenzen der wereld, naar de goudene poorten, waaruit Eos treedt, en wingere langs onze reis de lenige rank met ons mede tot zij de goudene oostelijke poorten omkrinkelt en het bloed van haar trossen feller doet Eos blozen... O god, om wien wij ons scharen, redder der goden, heilbrenger aan hoogen Olympos, voer ons aan, en wij talmen niet meer! Reeds liggen gereed de vaartuigen, en zijn wij ongeduldig de riemen te grijpen—Dionyzos, om wien wij ons scharen...!
Zoo wekte, in den al laten morgen, de blijde oproep der saters den sluimerenden god Dionyzos, en fronsend ontwaakte hij en zag over hem Ampelos buigen heen.
—Lang was ik weg?
—Een nacht, en éen dag, Dionyzos...
—Ampelos... in den droom zag je mij?
—In Hermes’ vlucht, in zijn armen...
—Het ontzettend gerucht drong door tot hier?
—Wij hoorden, ontzet, het gerucht van den krijg; wij zagen de bergen gestapeld worden, wij zagen Olympos in brand... Wij klommen op heuvelen rondom, wij aanzagen den strijd, en wij zagen in vervoering onzen god, Dionyzos... Tolduizelsnel zwaaide hij om zichzelven rond, zwiepende den agavebloeme-steel; toen hagelden zijn slagen neer op de vluchtende Gigantenruggen... Dionyzos was hun overwinnaar!
—Ik?
—Dionyzos was hun overwinnaar, onversaagd tot het einde des strijds...
—Toen?
—Was moê Dionyzos en lachte en zeide hij tot Hermes, een kind gelijk: ik wil slapen...
—En... ik sliep?
—Hermes voerde je op den drempel der nog in rosse smook walmende godepaleizen en legde je slapende neêr... De goden bogen zich over je en kusten je dankbaar het voorhoofd...
—Zelfs de vorstelijke Hera?
—Zelfs zij!
—Ik herinner mij een droom... Voor mij verscheen, heerlijk glanzende, stralende van onvergelijkelijke naaktheid, Afrodite, en zij zeide: Dionyzos... wat je mij ook moge vragen... ik sta het je toe in zalig geluk! Ampelos... zoû ik nog ooit Afrodite vragen een gunst, die zij in zalig geluk mij toe zoû staan...
—Dionyzos... de toekomst...
—O, de toekomst, Ampelos, schijnt mij in trossen van druiven en dichte wingerdlooveren omhuld en ik zie haar nooit door... Maar vreemd is mijn ziel beroerd om àlles wat mij wacht in dat dichte toekomstprieel van druiven... Lange zegeweg, omrankt met onze welige ranken... die zelfs de blauwe zee schijnen te overslingeren, eilanden der archipel over, tot aan de oostelijke poorten van Eos! Zongen zij niet zoo even, Ampelos, van mijn zege? Maar zeg mij, zal ik altijd triomfeeren? Ampelos, zal ik nooit worden verslagen? Loeren er mij niet vijanden, die ik niet zie en niet weet? Zal ik het geluk en de vreugde... altijd... kunnen sprenkelen? Langs zoo langen zegeweg...! O, Ampelos, is het niet, als of juist mijn groote zege mij weifelen doet op eens... of ik den eersten frisschen moed verloor... Ampelos, wat klinkt in mij weemoed? Ik zàl niet altijd triomfeeren... Ik zal éenmaal verslagen worden! O, Zeus, ik zal éenmaal verslagen worden!
—Dionyzos...!!
—Ik zal éenmaal verslagen worden... O, Ampelos, nu zoû ik weenen willen in je armen... Nu plots voel ik mij zwak en ontmoedigd... Zie mij aan, ik ben een kind... Ik heb armen als van een meisje... Ik voel mij een ziel plots vol van weemoed... Dat is een neêrslachtigheid, mij o zoo nieuw... Ampelos... hoor... wat roepen zij?
—... God Dionyzos, onze god, god om wien wij ons scharen! Eere, god Dionyzos, verwinnaar der vreeswekkende draken-Giganten! Jij versloeg ze alléen, met je zwiependen agavebloeme-steel, dien je knakte op hun krakende ruggen... Is machtiger dan jij Apolloon... onfeilbare vlammende schutter... Is machtiger knotszwaaiende Herakles... Zijn machtiger...