Dionyzos

Part 9

Chapter 93,901 wordsPublic domain

Maar de schimmen dachten niet aan den dageraad, die onverbiddelijk naderde, boven. In hun druivefeest bewolkte blijde vergetelheid hun de gedachte. Tot plots Dionyzos zag een schim zeulen een rotsblok zwaar een donkeren berg op. Hij naderde juist den bergtop, half in nevel verstoken, en het rotsblok donderde naar omlaag. Toen slaakte de schim een smartkreet, allerverschrikkelijkst. En Dionyzos riep, bevend van medelijden:

—O Sizyfos, gij die wist Thanatos zelven te boeien, en die zoo listig waart, dat ge zelfs mijn vader Zeus wist te bedotten,—gij, die, gestorven, de aarde weêr betradt om uw gemalin te straffen, daar zij geen doodenoffers u bracht—het geen gijzelve haar hadt verboden—gij, die niet weder terug naar Tartaros wildet, zoo dat Hermes met geweld u mede moest voeren ter duisternis—wat geven u hier al uwe listen en al uw inspanning en schranderheid! Eeuwig het zware rotsblok torsende op uw schouders gebogen, zwoegt ge den zelfden berg op, en eeuwig, Sizyfos, van den zelfden top, stort het rotsblok naar omlaag, geweld donderend! Hoe vaak, o Sizyfos, zult gij nog slaken uw smartkreet, allerverschrikkelijkst?

De schim was den berg, snel, in éen oogwenk, afgedaald met spannende kuiten en krampende teenen; met zijn geweldige handen tilde hij moeizaam zich op den rug weêr het rotsblok zwaar, en zijn klagende stem vroeg, gebroken van weening, inwendig:

—Wie zijt gij, o blanke knaap, wiens violenoogen ik door tranen heen zie schitteren als blauwe sterren door vochten avondnevel, en die met een ziel, beter dan menschelijke en erbarmender dan goddelijke, mij beklaagt om dit zware en vergeefsche werk...

—Ik ben, Sizyfos, Dionyzos, de god der vreugde, en Zeus, mijn goddelijke vader, vergunt mij u vreugde te sprenkelen in dit uur! Tors in dit vreugde-uur geen rotsblok, maar een stapel trossen, hoe zwaar ook zwellende van purperen genot, licht, bij het gewicht dat gij pleegt te torsen!

En plots, op Sizyfos’ rug, veranderde het rotsblok in een stapel druivetrossen en de ellendige schim lachte, terwijl hij torste het blijde genot, als een wijnbouwer, den berg op. En boven, de trossen met beide gretige handen zich drukkend aan de lippen, riep hij luide:

—O, heb dank, o Dionyzos, voor deze verlichting en blijde gave! Tors ik ook straks weêr mijn rotsblok, gedenken zal ik mij immer het blijde genot, en geen grooter zaligheid en weelde dan zich het blijde genot te herdenken in de oogenblikken der bitterste smart!

Maar door zijn laatste woorden heen, vernam Dionyzos roepen, een klagende stem, erbarmelijk:

—Wie gij ook zijt, daar ginds jeugdig en knapeblank, en zóó vreugderijk, dat uw lach meê zich deelde aan wie nooit lachten in Tartaros... wie gij ook zijt, vergeet MIJ niet en richt even een blik naar mij! Zie,—en Dionyzos in duistere duisternis, die zijn eigen blauwige afglans zacht op deed schemeren, zag in een beemd, vreemd betooverd van ruischend water en wuivend gelooverte, een schim hem smeeken, de beide armen erbarmingwekkende uitgestrekt—zie, ik ben Tantalos: gunsteling was ik der goden, lieveling was ik van Zeus, toegang had ik binnen Olympos, plaats mocht ik nemen aan der goden disch, luisteren in hun raadsvergadering, maar te hevig was mij zulk genot: ik bezweek: ik verried Zeus’ geheime besluiten, ik stal nektar en ambrozia en deelde er van mede aan sterfelijken, minder begunstigd dan ik—deelde er mede van uit hoogmoed en misschien uit edeler oorzaak en àllen zoekende menschenliefde, maar bezwijken deed ik, en verpletterd door Zeus’ toorn, leef ik dood hier mijn straf voort, eeuwig; o eeuwig, Dionyzos, god der vreugde, dien ik niet kende, nieuwe god, die mij verwondert, die mij verwondert hier op zoo treurige plaats...! Wie gij ook zijt, o nieuwe vreugdegod, o vreugdevolle Dionyzos, richt u naar mij ook een oogenblik...: zie! Ik sta in ruischende beek en heete dorst verschroeit mij, maar nooit gelukt het mij, zoo zwaar als het is, dit water mij aan de lippen te brengen: het vloeit als zilver tusschen mijn vingers, het wijkt golvende weg als ik mij buk, en de bedding verdroogt door mijn enkel gebaar,—en mijn eeuwigen honger... nooit stilt dien het goudene ooft, dat gij ziet even glinsteren niet hooger dan de opheffing van mijn hand: het wuift hooger, zoodra ik de hand hef, en wiegelt zich speelsch, spottend en lokkend over mij heen als gezwaaid door een booze zefyr, die genoegen neemt in mijn heete kwalen! Zie, ik buk mij... het water loopt weg; zie, ik hef de hand... en weg wiegelt het ooft, en in den eeuwigen wind hoor ik een schaterlach, blijde om mijn steeds te-vergeefs trachten! O, moêheid hier te bukken en te reiken steeds te-vergeefs, o ellende van honger, dien nooit stilt dit wreede fruit, en van dorst, die dit wreede water nooit lescht! Altijd, altijd!

—Tantalos! zei toen Dionyzos. Nooit was mijn ziel zoo bewogen van medesmart als om uw klacht! Tantalos... in dezen vreugdenacht, gedurende de enkele uren, dat hij nog dure—stil honger en dorst... Geniet en heb Dionyzos’ vreugde!

En de blijde god lachte door tranen heen, want de schim slaakte een luiden vreugdekreet; om zijn wreeden ooftboom, plotseling, rankte een welige wingerd, wondersnel, en de druiventrossen, zwaar, vielen hem in de palm van knakkende steelen af; en het water, waarin hij stond, vloeide rood een edelen wijn hem toe, of het purper rondom hem fonteinde... O Dionyzos’ vreugde, dàt te zien en de vreugde der schim te genieten! Maar de onderwereldsche wind stak feller op, killer en kouder, en Dionyzos, voortgetrokken als door steenende kreten van maagden, zag in vreemd weêrlicht, als in bliksem van Hades, òpròtsen een landschap, wreed en hard, niets dan harde en wreede rotsen, gestapeld; een moeilijk steil pad leidde heen naar een donkeren trechter, reusachtig, en toen, in Hades’ bliksem, zag Dionyzos, van ijzing rillende, het Vat, het vreeslijke Vat, het noodlottige, groote Vat; zwart rees het in ijzeren banden, duig bij duig vastgekrampt tusschen de ruige rotsen; hoog rees het als een ronde vatvormige toren, met zwellende buiging,—maar bodem scheen het Vat niet te hebben; grondeloos stond het in een diepe donkere poel, waaruit het water wegsijpelde in het moeras van den Styx. In den felleren wind steende de klacht, altijd, van afmatting en troosteloos wee, der radelooze vrouwen, der diep beklagenswaardige Danaïden: treurige theorie van trouwelooze gemalinnen: éene voor éene tilden haar groote waterkan zij aan den bron, waaruit langzaam sijpelde een magere straal: lang, o lang duurde het haar elk, eer de kan was gevuld, ten boorde toe;... dan torsten zij, moede, de zware kan zich op het hoofd, de zware kan zich op den schouder, met beide handen ze houdende, of met een enkele hand, en de andere tastende lange den ruigen rotswand, ten steun... en moede strompelden zij hooger, struikelden hier over een steen, daar over een knoestigen boomwortel... nu viel er op beide knieën éene, zusters beurden haar op, en zij weende, en zij weenden allen: hare kan was gebroken, en zij moest terug om een nieuwe kan, moedeloos ging zij terug, vulde de nieuwe kan, sleepte zich op...: de zusters waren nu hooger... Boven, waar eindigde het pad, gaapte haar zwart de afgrond van het bodemlooze Vat, en in den bliksem zag Dionyzos de witte vrouwen van smart, wier natte waden plakten rondom haar vertreurigde leden, nemen, zoo moedeloos, de kan van schouder of hoofd en ze gieten uit in den afgrond, zwart opdat zij het vat zouden vullen... Maar, dadelijk, borrelde slechts de poel, en niet éen oogenblik werd gevuld het vat, waar alle wateren aller kannen wegliepen, snel, in den Styx. Dan slaakte boven de vrouw, die gegoten had, een smartelijken kreet, en hief hare armen op: zij droop, hare haren dropen, hare natte waden dropen, nat des telkens herhaalden vullens weêr, en haar aller kreet smeekte erbarming... Maar haar noodlot, zwijgend, gebood haar voort te gaan, rusteloos met haar werk, want zij daalden, de treurige vrouwen, met mat wanhoopsgebaar, de leêge kan in moede handen aan de slappe armen, druipende... zij daalden langs een hellender effener weg naar omlaag, als of dìt dalen alleen zoû haar rust en verpoozing mogen zijn, tot zij aan de bron weêr haar kruik zouden vullen...

Zoo zag Dionyzos het Vat en de treurige theorie der trouwlooze gemalinnen—zij, die in den bruidsnacht, na het opperst geluk, elk den gemaal slapend vermoordden—en de blijde god weende om zoo diepe en eeuwig durende smart en troosteloozen arbeid, want nooit was het schrikkelijk Vat te vullen; altijd bleef het een afgrond zwoel en vochtig; het schimmelige mos begroeide het welig, en reuzige varens en somber ruischende riet waren uitgeschoten in het moeras, waar het oprees...

Toen sloeg Dionyzos zijn blanke armen omhoog naar het steile rotspad, waarover strompelden smartelijk de eeuwig vergeefsche vulsters, en hij riep:

—O weenende en steenende vrouwen, smart had ik nooit om mijzelven—ofschoon ik niet weet of Zeus mij voorbeschikt smart om mijzelven—maar smart diep en grievend in mijn zoo blijde godeziel, heb ik om u, omdat ik wèl weet, en omdat ik wèl zie, dat gij immer te-vergeefs u uitput, tillende aan den tragen bronstraal de kan, strompelend op het steile pad naar de gaping van het verschrikkelijke Vat, waar gij uitgiet, hopende, hopende steeds, uw met zware moeite verkregen sijpelenden waterstraal... en eeuwig blijft verschrikkelijk leêg gapen het Vat en gij daalt af ter andere zijde, mat, met kalmeren tred als uw eenige rust... om dàn omlaag opnieuw te beginnen, te-vergeefs, te-vergeefs altijd, en hopende, hopende steeds... O, de altijd teleurgestelde hoop... is ZIJ niet uw allerverschrikkelijkste straf, verschrikkelijker nog dan uw noodlotslavinnenarbeid!

—Dionyzos! klaagde van boven, aan den rand des vreeslijken Vats, éene der treurige trouwloozen. Dionyzos, dàt is het allerverschrikkelijkste; de altijd teleurgestelde hoop... IS verschrikkelijker nog dan onze noodlotslavinnenarbeid!

—Dionyzos! riep een andere, opgaande het steile pad; ik hoop! Ik hoop nog, voor de, ach, hoeveelste maal, dat mijn straal zoo al niet vulle het Vat, toch genadevol eindelijk moge verhoogen, verhoogen den zwarten vochtigen spiegel, dien ik tusschen mos en varen en riet beneden in diepte zie...

—Dionyzos! riep een derde, en zij ging snikkende af het hellende dalingspad, en hare kruik stiet uit haar handen te pletter in scherf tegen de rotsen. Ik hoop niet meer! Ik hoop NOOIT meer! Maar toch moet ik neêrgedaald, weêr beginnen de vreeslijke zwoeging!

—Dionyzos! riepen zij allen; Dionyzos...

En zij riepen allen door éen, handen naar hem uitgestrekt, in een wanhoop, waarvan de Onderwereld sidderde. Hij verstond haar niet, de blijde god, maar hij riep boven haar uit, met zijn cymbelschelle, klankrijke stem:

—O treurige Danaïden, hoort! Voor enkele uren gaf mij mijn vader Zeus de macht zelfs over ù vreugde te sprenkelen. Zelfs over u! Zelfs over u allen! Zelfs over uw verschrikkelijk Vat! O, treurige Danaïden, staakt voor dezen nacht uw arbeid, en plukt, plukt de toomelooze vreugde met twijgen en ranken en trossen af...

Toen strekte, luid lachend door tranen heen, Dionyzos zijn thyrs uit naar den Vatberg, en een ruischen en bruischen begon... Een ruischen van groeien, een wonderruischen van wondergroeien, van weligen tooverwingerd, snel uit allerongunstigste, vochtige, zonlooze plek, zwaar de stam en knoestig de takken, forsch nog de teêrste twijgen tegen den berg, het Vat rondom, met rankeklauwtjes vast zich klampende aan verroest ijzeren hoepels en schimmelig houten duigen; bladeren dik en vol weligend, trossen uitzwellend purper en zwaar...; een bruischen van vullen, een wonderbruischen van wondervullen, een opwellen van roodgeurig water, van wijn in het Vat... tot plots Dionyzos opliep den berg, lenig en snel en nooit strompelend, een reuzetros greep in zijn armen, ze perste in zijn beide vuisten over het Vat, het vreeslijke Vat, te midden van de rondom hem toesnellende Danaïden, die niet wisten en niet begrepen... tot zij zàgen... tot zij zàgen... den Straal, den blij purperen straal van den tros van den god Dionyzos, zwaar en breed uitgulpend zijn wonder, en... vullen... tot boordevol het Vat, het vreeslijke Vat met het roode geurige water, met den wijn, het bloed der edele druiven!!

O, de vreugdekreten der Danaïden! de gillende vreugdekreten, die elkander riepen de beide bergpaden òp, naar de boorden van het nu overloopende Vat, rond wijnmeer tusschen ranken en trossen, die weligden langs hoepels en duigen, die weligden langs den Vatberg geheel! In het vreemde onderwereldsche licht ruizelde de Vatberg van purper, en blauw omstraald rees de blanke Dionyzos blij, en juichte, en schepte een schaal vol, en had schalen voor àlle de nu zoo overgelukkige hopeloozen, en hij vulde in het Vat hare kannen, en zij schonken elkander de schaal vol, lachende,—en zij plukten de ranken en, van zich strijkende de druipnatte waden, kleedden zij zich in ranken en bladeren en trossen, en jammerden niet meer, maar dansten en Dionyzos had tamboerijnen en cymbels voor haar en zij rinkelden snel en zij sloegen ze schel, juichend. Langzaam sijpelde leêg het Vat, en het Styxmoeras geurde van most, maar Dionyzos riep:

—O blijde juichende Danaïden! Niet vóór den dageraad zal het Vat, dat is VOL geweest, leêg zijn geloopen... dàn vallen de ranken verwelkt af... maar nu, pluk het genot, en laat later in de oogenblikken der bitterste smart het weelde en groote zaligheid zijn u het blijde genot te herdenken!

Toen verdween de god van daar, en zag hij van verre, in het nieuwe licht, de Danaïden bakchantisch zwieren. Zij zwierden, rankomwingerd en trosomhangen, bij jubelkreten en cymbelslagen rondom het Vat, hand aan hand in Hades’ eigene vreemde bliksems.

Lang zag Dionyzos dit aan, zag hij de vreugde der Onderwereld, en de tranen liepen hem langs de glimlachende wangen. Tot hij hoorde een stem, zuchten zacht:

—O, heb dank Dionyzos, heb dank! Niet vraag IK u voor mijzelve vreugde, want mijn smart verweemoedigde tot stil zielelijden en is niets meer dan weemoed geworden, om de aarde, om mijn blonde moeder, eerwaardig, om de wuivende granen, korenbloemen blauw en klaprozen scharlakenrood... niets meer dan weemoed, om àlles wat ik mis zoo lang ik toef aan de zijde des duisteren gemaals! Want lief heeft Persefoneia den duisteren gemaal, die haar troonen doet op den ebben zetel! O, dank, dank Dionyzos! Niet, o neen, niet voor mij, niet voor stil-in-ziel-treurende Persefoneia... maar voor hen allen dank... voor haàr àllen...

En Dionyzos, zich wendende-om, zag de teedere bleeke vorstin, punt-omdiadeemd en zacht lila-ommanteld hem naderen te midden van dansende schimmen, die juichten en dronken de druif uit schalen en trossen zelve. Zij naderde, de armen hem strekkende te moet, in de weemoedige teederheid van haren dankbaren en bijna blijden glimlach;... zij naderde over de velden der bleeke affodillen, schimme-zwevend zijzelve, zoo heel licht van tred en zacht ruischend van de sleeping harer nachtkleurige vorstinnegewaden; de punten van de kroon vlammelden even op...—zij naderde koninklijk en toch in dankbaarheid, en toen zij Dionyzos genaderd was, sloeg zij hem zacht om den hals beide armen, kuste hem op het voorhoofd en weende, met éen snik, aan zijn borst...

Toen klonk van verre een roep. Dionyzos zag om en zag op, Persefoneia nog hem leunend het hoofd aan zijn boezem. En hij zag, in duistere verte, in eindeloos rotsig verschiet, tusschen zijn eigen onderwereldsche bliksems, Hades, in donkere majesteit, wenkende met starrenschepter, dat bòven, uit de oostelijke poorten, Eos zoû weldra treden te moet, en vreugde gedaan zoû wezen.

IX.

—Hola! Holaha! Woeste Eurytion, waar gij ook wijlen moogt in de van lang gras zeegolvende onafzienbare Vlakte, hierheen! Hola! Holaha! Het is Dionyzos, de koperen poorten van Tartaros uitgekomen, die u roept met schelle stem en met gebaar,—blank in het allereerste rozige dagen!

Maar een huilende wind alleen antwoordde op Dionyzos’ roep en boos fronsend de blonde brauwen herhaalde de god:

—Hola!... Holaha!... Woeste Eurytion!

Tot op eenmaal, door den huilenden wind gedragen een edeler boodschapper aanvleugelde en de lucht van zijn flapperende vaart deed wapperen. En Dionyzos, hoog nog den blanken arm, en de hand wuivende in den fellen morgenbries, meende zeker, dat niet hem zijn vader vergat en dat Zeus hem tot uitkomst zond... wien wist hij nog niet, tot hij plotseling herkende, ook al had hij den van verstand glanzenden god nooit gezien, Hermes: snel als een licht kwam hij aan uit het Oosten, waar de krokosgele sluier van Eos verbleekte, lichtende snel als een schitterende straal, die schiet, en Dionyzos zag hem met vreugde naderen: een groote godvogel gelijk schoot Hermes aan, blank, mannelijk en breed slank; goudstralende athleet, zoo zweefde hij windsnel van zweving, de tors schuin omhoog, en geheven het hoofd onder den gevleugelden breedrandigen hoed; met krachtige beenen roeierde hij door den ether, luchtzwemmende: hecht zijn enkels omsnoerd, bewogen regelmatig van rythme de vlerken aan zijn glanzende hielen, latende na twee sporen van licht, lange glinsterende lijnen... In zijn hand hief hij zijn slangenstaf, en nu glimlachte hij en wuifde er Dionyzos meê tegen. O, hoe heerlijk schoon was, vond Dionyzos, van verstand stralende Hermes: als een halo straalde uit hem dat verstand en omdreef hem blank en krachtig, in een glanzenden kring, o de heerlijke vader van Hermafroditos! O, hoe heerlijk schoon was hij en hoe goddelijk: Dionyzos zelve gevoelde zich, nu Hermes zoo goddelijk naderde, bijna als een sterfelijke mensch, voelde zich de zoon zijner moeder meer dan het kind van zijn vader, voelde zich klein en nederig, niets dan een nuttelooze glimlach om weinig beduidend ooft: de schelle stem, waarmeê hij had Eurytion, woesten Kentaur, tot zich geroepen, beefde in aanbiddende bewondering, toen hij uitriep:

—O, van goddelijk verstand stralende, o stràlende Hermes! Ik herken je!!

En hij strekte, niet meer dan een blijde knaap, uit de beide armen naar Hermes, die tot hem daalde en plots stond op den grond.

—O, blijde en het nieuwe genot sprenkelende Dionyzos! Ik zoek je en kom tot je met Zeus’ boodschap! riep Hermes, en hij omhelsde den jeugdigen god Dionyzos in zijn blanke en krachtige armen. Wat was groot Hermes en heerlijk, en wat stond als een kind, hij, Dionyzos, in zijn forsche omhelzing, als jeugdige broêr in die van ouderen broeder! Glimlachend stond Dionyzos zoo, het hoofd aan Hermes’ borst, en Hermes kuste hem op wangen beide en purperen mond en zeide:

—O Dionyzos, lieveling van Zeus, en lieveling àller goden! Hoe spieden wij niet, nieuwsgierig wolken verschuivende, van Olympos uit naar je daden, en zijn om je zoo verheugd, en zijn om je zoo vroolijk en blijde, dat van heerlijkend lachen alle paleizen er trillen, wanneer wij je op aarde zien, dapper de wereld verwinnen en dapper de vreugde doen purperen zege vieren over àl sombere treurigheid! Dionyzos, broeder op aarde, wij hebben je àllen lief, en zelfs vorstelijke Hera, al toornt zij je, en al fronst zich haar ivorene voorhoofd, ziet niet met onwelwillenden blik meer heen naar den van geestdrift gloeienden zoon der heerlijk verbrande Semele! Dionyzos, en teeder heb IK je lief, als een oudere broeder zijn jongeren broêr, omdat edel en deugdelijk je hart trilt voor wie somber is en donker weemoedig, en ik dank je in dit oogenblik voor de vreugde mijn zoon-dochter gegeven, hem, haar, die ik juichen zie in je blijde thiazos, o Dionyzos! O, Dionyzos, jeugdige broeder, laat mijn dankbaarheid teeder je kussen voor de liefde, aan het weemoedige kind, dat in cypressenschaduw treurde, bewezen, en laat mij dàn je boodschappen—te lang al stelden mijn woorden dat uit—hoe wij allen in Olympos je hulp verlangen, inroepen je half-goddelijke hulp! Dionyzos, teêre knaap, maar onoverwinlijke veldheer der vreugde, wij roepen je toe: kom ter hulpe! Je vader Zeus roept je toe: kom ter hulpe... Kom de goden ter hulpe! Olympos ter hulpe! Dionyzos, Dionyzos, kom!

—En wat en waar, o mijn groote broeder Hermes, moet Dionyzos Olympos en goden ter hulpe komen? Wie en wat bedreigt er Olympos en goden, en wat kan Dionyzos doen, half maar god?

—Hoor dan, Dionyzos: zoo snel als mijn woorden boodschappen kunnen, zullen zij je doen begrijpen den angst der Olympische goden! Zonen van toornige Gaïa, vreesverwekkende Giganten, bestormen den hemel! Hoor, Dionyzos, hoor, het geruisch van hun stemmen als stormen...

—Ik hoor, Hermes, het geruisch van hun stemmen als stormen, maar ik wil zien...

—Laat mij je dan verheffen van hier, in mijn eigene vlucht...

—Ik ben bereid...

—Ik sla rondom je mijn arm, en vraag je slechts te omvatten met éen vuist mijn slangenstaf.

—Ik voel mij zeker in je omhelzing...

—Dionyzos, tot nog toe was je onbekend snelle vleugelvaart door de luchten.

—Ik versaag nooit...

—Wij stijgen op...

—Stijg op...

—Ik stijg, ik verhef me... O, mijn jeugdige broeder, nu klem ik je vast in mijn arm, en zweef met je op, en zweef met je voort, en licht en snel vleugelen de wieken aan mijn hoed en mijn enkelriemen... Zie, onder ons rukt zich de aarde terug naar de diepte... daar glimmeren de koperen poorten van Tartaros, voor welke ik je vond, daar wuift nog even het zeegolvende gras van de weide der woeste Kentauren...

—Daar zie ik mijn thiazos naderen de heilige zee, die wij òver zullen in smalle schepen zeilen, en daar, tusschen ruige rotsen, zijn hoofd in den schoot eener oreade, zie ik Ampelos, mijn vriend, dien ik liefheb; hij wachtte mij te vergeefs, hij dwaalde door stormnacht in kloven... terwijl ik wijlde in Tartaros, en eindelijk, wachtensmoede sluimerde hij in, op den schoot van de bergnymf, die hem troosten wilde... Oreade, laat Ampelos sluimeren, en Hermes, maak, dat mij Faun aanschouwe in zijn schitterenden droom, mij aanschouwe in je eigen omhelzing en eigen vlucht, opdat hij wete, waar ik zij... Sluimer, Ampelos, sluimer, tot ik terug kom, van waar mij voert Hermes henen...

—En ginds, jeugdige broeder, nu ik snel als een straal van Helios vooruit met je schiet, en wij naderen Olympos, die zich verhult in rozige morgenwolken, ginds... aanschouw wat de Angst is van ons, goden! Hoor bruischen als razende stormen de booze stemmen der reuzen, Giganten: zie Pallas en Athos, zie Eurymedon en Enkelados, zie Porfyrion en Alkyoneus! Hunne aangezichten zijn grooter dan die der goden en monsterlijk om te aanschouwen, met wat er van onuitwarrelbare slangelokken kronkelt rondom hunne slapen en muilemond; en hun reuzelijven eindigen, zie, in twee staarten van draken, geschubd, waarmeê zij gaan als met beenen, strompelend op hun staartevinnen, maar krachtig en snel, en zie, Dionyzos, zie... hun kracht is onvergelijkbaar...! Zie, zij nemen rotsen in de vuisten en slingeren ze tegen Olympos!

—O Hermes, ik zie... Zij nemen bergen in de vuisten en slingeren ze tegen Olympos, waar de ivorene en goudene paleizen hoog zuilen tusschen rozige morgenwolk, en tusschen de zuilen zie ik zelfs, met angstig gebaar, vlieden de verrukkelijke Kypris, en hare gouden gordel verliezen, zoodat zij onvergelijkelijk naakt en verblindend voortijlt, de handen gestrekt naar Zeus, die haar in zijn armen bergt! O, Hermes, de verrukkelijke Kypris, wat is zij schoon, maar niet ten strijde geneigd, als Athene, en Artemis, die zich aan Ares’ zijde opmaken met speer en met drillende lans!

—Dionyzos, zie... nu slingert Gration brandende stammen van boomen de lucht in, maar hij zwaaide niet krachtig genoeg: de boom valt terug, niet meer dan als ware hij een fakkel en sprenkelt vonken over de Giganten zelven...

—Hermes, zie, nu slingeren die beiden: Porfyrion en Alkyoneus—twee aan elkaâr gesnoerde en brandende eikestammen de lucht in...

—En de eikestammen, als een dubbele fakkel...

—Slingeren zij, o mijn vader Zeus...!

—In het midden der goudene paleizen!

—Hermes, de Olympos, in fellen brand, blaakt!

—Dionyzos, er IS geen tijd te verliezen. Kom ons ter hulpe...

—Ik!

—Jijzelve, Dionyzos!