Part 11
—O, zij verheerlijken mij in hun morgen-gejuich, maar zij weten niet, Ampelos, van den vreemden weemoed en weifeling... Ampelos... Ampelos... moet ik... IK de wereld veroveren tot de oostelijke poorten...? O, nu ik sta van mijn bed van viooltjes op ... nu wankel ik op mijn voeten... Nu weet ik niet meer... Nu duizelt het plots om mij rond... Nu zwelt mijn hart vòl van weemoed... En toch zie ik den weg... de reize over de zee, het lachende eiland... het druiveprieel... zie ik de sterren... de avond paarsen... zeilen aan den schemerenden zee-einder... blank, zie ik blank een vrouw...! Een vrouw...! Ampelos... zoû zij mij beminnen? Ampelos, nu weet ik niet meer!! O, de vreugde der eerste dagen! O, de onversaagdheid van toen! O, de weemoed van nu! De weifeling en de neêrslachtigheid... Ampelos, word ik laf... Word IK laf, ik Dionyzos... Ampelos, sprenkel mij vreugde... Vul mij een volle schaal... Hier, pers ze uit, o zwelg met mij dezen reuzetros... Tros, o zware tros, stroom uit in mijn omhelzing! Zware tros, lig zwaar als een wellust op mijn mond, waar nauwlijks mijn armen je beuren kunnen... O, nu wankel ik onder je, tros! Ampelos, bied mij een vòlle schaal. Zwelgen wij beiden tros en schaal, zwelgen wij samen, o vriend, o vriend, die mij den eersten wijnstok boodt... o vriend, die hem plantte met mij... Is het de dag der reize? O, neen, laat het nog niet de dag der reize zijn, maar laat het een dag zijn van lóuter vreugde... Het gelooverte is zoo dicht, dat het hier, daar en elders als nacht is, in de aromen der duizend viooltjes, in den suikergeur der duizend accacia’s, en de hoornfanfaretjes der kamperfoelies! Lieve gezellen van Dionyzos, komt allen, komt allen hierheen! Feest nu blijde het uitgelaten festijn tot afscheid van deze streken, die wij ons wonnen en waarover wij heerschen. Silenen, waardige knikkebollers, danst rondom ons en lacht-uit het leven! Blijde faunen, trapt regelmatig de maat, maar, o saters, zwiert en zwelgt ònmatig, àl het purperen en blanke genot, dat ik geef!
En, de reize uitgesteld, de waggelende vaartuigen wiegelende op de aan- en wegspoelende golven van komenden vloed, was een enkele wenk van den blijden god Dionyzos voldoende, om de nymfen zich met versche trossen de slapen te doen vertuiten, de menaden in de duisternis van het woud te doen wegijlen met zwaaiende thyrs, en Dionyzos, in druiverazernij, bood ze zelve de zwellende trossen, in de razende orgie, die begon... Zelve voerde hij de lange rij aan, en sleepte hij, hand aan hand, de lange ronde over de bosschige heuvelen; de reeën vluchtten over de zonnige dalen voort, en verdwenen in de dan bijna zwarte schaduw, maar de menaden achtervolgden de reeën in vurige jacht en het woud weêrklonk van haar schriklijke kreten. Brullende naar alle zijden stoven de panthers en leeuwen, en de dronken saters omringden de huizen der stervelingen, de hutten der landbouwers, en sleepten die meê, willig, onwillig. Wee, wie niet aanstonds Dionyzos gewonnen zich gaf; wreed waren de saters, al wie hun verheerlijkten god weêrstond en zij sloegen met thyrs en agavesteel oude en jonge mannen op ijlende vlucht, zoo dat zij Dionyzos vloekten; maar zij sleepten meê matronen en maagden in het diepste middagduister der wouden... Hijzelve, de god, vergeten zijn weemoed, hem zoo nieuw en zoo vreemd en zoo angstig, slingerde aan zijn hand, voorttrekkende, de dolle rij en de ronde, en opdat niet de levende ketting verbroken zoû worden, had hij een lange wingerdboei om allen heen laten kluisteren, zoo dat niet éen nymf, niet éen faun, niet éen menade meer uit kon wijken... Wankelde zij, of viel hij, meê moesten beiden... opstaan, zoo zij vermochten... anders gesleept over de dalen en heuvelen, getrapt door de achter hen komenden, dan eindelijk zich weêr heffende op, in den druivewingerd, voort! Omdat de weligende druif meê met hen ijlde, rondom hunne leden zelve, éen festoen met hen allen, zwelgden zij zonder staken, met éen hand elkander vast houdende, met de andere plukkende den tros en dien drukkende... Hunne kreten scandeerden schel en verscheurden de middaglucht. Vogelen vlogen verschrikt alom... Hamadryaden dier heuvelende bosschen en niet wetende nog van Dionyzos, werden gevangen in éen oogwenk, omkluisterd in druiven en meêgesleept. Toen Dionyzos ontmoette Ampelos, hij, de Faun aan het hoofd van een zelfde levend festoen als het zijne, kreet hij juichend op, en de festoenen slingerden zich in elkaâr, menaden, faunen en saters, en er tusschen de Panszonen, en er tusschen vooral de reuzige druiven. Nu rukten uit elkaâr zich de levende festoenen, en iedere ontmoeting was onverwachts. Op het wildst, in het midden diens zonnigen dags, slingerden de verbroken levende schakels zich hier en daar en naar alle zijden en verdwenen, in razende dronkenschap van druivebedwelming en liefde... Toen de schemering viel, zwierven op de hoogere heuvels, tegen den glans der zon ondergaand, waarin verwaasden de verdere violette bergen, de razendsten, niet meer aan de hand zich houdend, alleen, op zwierenden pas, het beestevel verliezende of verloren, struikelend in de eigen boeien van ranken, de oogen puilende in vervoering, niets meer wetende dan de eigen razernij en de razernij Dionyzos’! Den mond schuimende, riepen zij zijn naam, riepen zij zijn vele namen. Zij zagen de zon, die zonk aan den einder der zee, zwelgen in het stroomend bloed van Dionyzos’ druiven. Zij zagen den hemel gekleurd van dat bloed en dien wellust; zij zagen de zee er van golven, van wellust en van druivenbloed beide. Zij liepen de heuvelen af en stortten zich in de zee. Zij verdronken of klampten zich vast aan de waggelende schepen, wiegelend.
In den nacht, om het reuzige mengvat Hefaistos’, zwierden de rijen heuvel op, heuvel af. Anderen waren heel ver weg gedwaald, tot op de sneeuwruggen der hoogste bergen. Geene druiven meer, vielen zij in de sneeuw, bezwijmeld. In den morgen schrikten zij op van het geschal der lange fluiten der faunen. Aan den boord van de zee verzamelde zich het leger der vreugde. Dionyzos’ vaartuig reeds stak in zee, de masten blijde omwingerd. Honderde vaartuigen omstuwden het zijne al. Brullend de panthers en leeuwen, brieschend de tijgerkatten, werden onwillig zij ingescheept door de faunen en zonen van Pan. Elk vaartuig, dat stak in zee, omwingerde zijn masten op Dionyzos’ bevel. Over de zee dansten blijmoedig de roeierende triremen weg, regelmatig het ruischende rythme der spanen lang en slank, en zij schenen zwemmende monsters met looverenden rug en met pooten zeer vele.
Dionyzos stond lachend, zijn arm om den mast geslagen. Zwaar zwollen de trossen langs voor- en langs achtersteven, en festoenden zijn vaartuig langs. Hij lachte, maar weemoed troebelde vocht in zijn violenoogen. Nu verliet hij àl zijn overwonnen landen, en trok hij het morgenland te-gemoet. Waarom, dan in zijn ziel, gevoelde hij twijfel en weifeling? Hij lachte, turende naar de bosschige boorden, de heuvelige landen, die zich trokken van hem terug... Hij lachte: Poseidoon was hem gunstig geneigd, en Aiolos, op Zeus’ bevel, blies de weinige wolken weg... Voorspoedig zoû de zeereize zijn der duizend triremen Dionyzos’! De tritonen doken juichende op en bereden hun dolfijnen, die spoten, en de okeaniden, om Dionyzos’ vaartuig, dansten de blanke ronde. De god zelve wierp haar druiven toe, en zij omrankten zich met het nieuwe genot. Overal uit de golven doken de kinderen van Poseidoon op, en de wijde zee was blijde bevolkt om Dionyzos’ overwinnende reize, die zwierde met éen geslingerd druivefestoen, de zee, de verre zee over. Zang en schulpgeschal klonk overal over de blauwgroenig bewegelijke vlakte, maar even geschuimd met regenbogenenden kam.
Later, voor de brandende hitte op het water, weligden voller tot reuzeprieelen de wingerden van voorsteven naar hoogeren mast tot achtersteven toe, en voorspoedige wind blies bol het blanke vleugelgelijke zeil, flappende. Lustig lagen de nymfen en menaden en zongen en sloegen de cymbels, nu rustig èn panther èn leeuw sluimerden aan hare voeten, en de saters, gelijkmatig, roeiden de riemen vroolijk. In het aanblakeren van het midden des dags, ontvolkte de zee en de wind vlijde zich en vele bokspootige roeiers lieten de spanen los, en grepen boven zich de volle trossen.
Maar over de leêgere zee aangaloppeerend op zeepaard, tweebeenig, het achterlijf vereindigend in visschige staart, waarmede het stuurde zijn met steigerenden voorhoef trappelende vaart, zag Dionyzos, sluieromwuifd, de zilvervoetige Thetis...
—Dochter van Nereus! riep hij. O blijdschap des oceaans en lach van de zee, zeg mij, gij, heerscheres der zilte bewegelijke wateren, waarover ik wiegel in wellust van reize mij nieuw, zeg mij welk oord zal ik kiezen ter noodige middagruste. Richt ik naar het Oosten mijn koers, tref ik dan niet op mijn weg nieuwe eilanden lieflijk, die liggen als bosschige en als bloemige bedden her en der, ons lokkend tot rust?
—O, blijde god van de vreugde! antwoordde hem zilvervoetige Thetis; laat over aan den zwakkeren wind waar hij henen drijft je omwingerde schepen, want lieflijke zijn àlle mijn eilanden, en voorkeur kan ik niet noemen...
En blijde Dionyzos te hebben gezien, dreef zij haar zeepaard te duiken terug, naar de koralen paleizen.
—Dàn laat sleepen in het water de riemen, o saters, en drijven in den steeds zwakkeren wind onze vaartuigen, waarheen zij mogen...
Loom lieten de saters de spanen los, en zij dronken de druif, en sluimerden van middagweelde, en Dionyzos, vertrouwende ook, sluimerde in.
Maar Zeus, de reize beschouwende van zijn lievelingszoon Dionyzos, riep tot den windgod Zefyros:
—Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, blaas-op je lachende wangen en luw met je adem nu langzaam, zoo dat het hem nauwelijks store den slaap, langs de druive-omwingerde schepen van mijn blijden zoon Dionyzos; blaas-op de wangen en blaas-uit nauw merkbare stuwkracht, zoo dat de druivetriremen drijven zacht weg in de richting van het groenende eiland, dat ginds aan de kim laurier- en oleanderbosschage geurig doet wemelen met éen lange streep van lokkende schaduw... Zuidwestelijke wind, lieflijke zwever, stuw,—maar Dionyzos onmerkbaar latend het noodlot, dat ik voltrek—de reize mijns zoons naar Naxos, opdat de omwingerde schepen troost brengen aan wie de zwartzeilige schepen achter zullen laten in namelooze smart...
En aanstonds, gehoorzaam, ontwaakte Zefyros, wijd-uit gevleugeld en dreef op zijn nog loomende vlucht heen naar de zee, waar wèg dobberden Dionyzos’ druivetriremen, en hij blies, de bolwangige windgod, zacht luwende zoele bries: hij verzamelde met zijn adem, blazende hier en blazende daar, de vaartuigen, wiegelende weg van elkaâr; en zóo zacht, dat hij noch stoorde Dionyzos’ slaap, noch die der roeiensmoede saters, stuurde hij de omwingerde vaartuigen in de richting van het groenende eiland...
XI.
—Zusters, o Nereïden, ringt u rond, witte reie rondom het Eiland, dat drijft, oleander-, laurierbosschage op de nauwelijks schuimig gekamde zee. Thetis ben ik, die u roept!
—Thetis, roept gij mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk tot de diepte uw stem mij toe, wekkende mij uit watergewiegelde rust? Ik ben het zelve, Wiegeling-der-Zee, die u vraagt...
—Zusters, o Nereïden, àl reikt mij de hand Wiegeling-der-Zee: duikt op uit de al schemerig getinte wateren! Thetis ben ik, die u roept...
—Wiegeling-der-Zee, ik, en Thetis, zijn wij het beiden, die roepen: duikt op!
—Thetis en Wiegeling-der-Zee, roept ge mij op uit de golven? Zeg mij, waarom klonk tot de verre verte uw stem mij toe, mij, Blauwte-der-Zee, die nu aanzwemt...?
—Zusters, o Nereïden, Wiegeling-der-Zee en Blauwte-der-Zee en Thetis reiken elkaâr al de handen...: duikt op, en zwemt aan van verre en ringt u rond, witte reie, rondom het Eiland...
—Thetis en Wiegeling-der-Zee, en Blauwte-der-Zee, wat roept gij mij aan te snellen, mij, Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed...
—Zusters, o Nereïden, al reiken de hand wij elkaâr, Wiegeling-der-Zee, en Blauwte-der-Zee en krachtig Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed en Thetis... Andere zusters, duikt op, en reit om het Eiland de ronde!
—O, Golfslag-bij-rijzenden-vloed, o Blauwte-der-Zee, Wiegeling-der-Zee, o Thetis, wat roept gij mij toch, mij loome, deinende Ebbe-der-mattere-wateren...
—Kom vlugger, o loome Ebbe-der-mattere-wateren...
—Hier bied ik u mijn handen twee...
—Zusters, o Nereïden, hoort! Ik, Loome-Ebbe-der-mattere-wateren, ik, Heffende-Golfslag-bij-rijzenden-vloed, ik Blauwte-der-Zee, ik, Wiegeling-der-Zee, ik Thetis... wij roepen u op, ringt nu rondom het Eiland de ronde wit...
—O, Nereïden, o, Zusters, wat roept gij ons allen nu op...? Wij duiken op en zwemmen aan, wij allen op uw aller roep...: ik, Rozige-Kus-van-Eos; ik, Gouden-geschubde-van-Helios; ik, Selene-zilvergetinte; ik, Stormende-Booze; ik, Vereffenende; ik, Wachtster-aan-de-Oostelijke—; ik Wachtster-aan-de-Westelijke Poort...
—O, Nereïden, o Zusters, ik zilverblanke Amfitrite, gemalin Poseidoons, Nereïde als gij allen, vorstelijke dochter van Nereus, wat roept gij mij op, in uw dansende reie?
—Zilverblanke vorstinne der wateren, ik, Thetis ben het, die u roept...
—Ook ik, Wiegeling-der-Zee!
—En wij allen, Heffende-Golfslag... en Deinende-Ebbe... Rozige-Kus-van-Eos... Helios-schubbe... en Manezilveren... Stormende Booze, Effenende... wij beiden: Portiersters-der-Kimmen...
—Kom in ons midden, zilverblanke gemalin Poseidoons... spring af van uw zeepaard...
—Hier ben ik en dans gaarne met u in den komenden nacht de heel witte reie...
—Thetis, roepen wij de tritonen niet hier, opdat zij de geluidruischende schulpen blazen?
—Zusters, neen, roepen wij de tritonen niet hier; te schel zijn de geluidruischende schulpen, want op het Eiland rust Eéne, die slaapt, en niet mogen wij het zijn, die haar wekken uit nog onwetenden sluimer... Laat ons elkaâr ook met halve stemmen toeroepen, nu wij de groote reie uitslingeren rondom het Eiland.
—Wiegeling-der-Zee, ik, laat ik ze nauwelijks wiegelen.
—Blauwte-der-Zee, demp ik mijn azuur.
—Golfslag ik, leg ik mij glad, en mijn groene haren drijven wijd-uit...
—Ik, Ebbe, lig in uw armen, o Golfslag... en mijne groene haren mengen zich met de uwen...
—Zusters, o Nereïden... nu schakelen wij ons om het Eiland... Hand aan hand, hand aan hand, rijzende tot de knie uit het water op... Zie, ik, Thetis, heb zilveren voeten... Zie, als ik dans, glanzen zij...
—Ik ben rozig van Eos nog.
—Ik, Helios-schubbe, om niet fèl te schitteren, zal verbleeken mijn gouden gloed doen.
—Ik, zeg Thetis, Selene-zilvergetinte, màg wel opglanzen... langzamerhand?
—Gij, stormende Booze, danst te woest... Portiersters, zijn de poorten gesloten?
—Ja, o vorstelijke Amfitrite... wij sloten de oostelijke en westelijke poort van de zeekim en verborgen de sleutels...
—Nu leid ik, Thetis, de ronde... Hooger de armen, en lager! Luchtige zwiering, blankende reie rondom het Eiland: hooger de armen en lager! Den zilveren voet uit het water en verder met dansenden tred! Hooger de armen en lager! Mistige sluiers, wemelt en nevelt rondom ons heen, voor zoo ver bijna ingesluimerde Zefyros je nog speelsch weet omhoog te blazen. Hooger de armen en lager! Rondom het Eiland, langzaam.
—Thetis, wie is het, die sluimert den zee- en luchtglorieënden nacht in, tusschen de zwaar geurende oleanders?
—Hooger de armen en lager... Haar, die er sluimert, verliet de trouwelooze schipper der zwarte zeilen... Stil, stoor haar rust niet... Morgen, helaas, zal zij weten. Hooger de armen en lager...
—De schipper der zwarte zeilen, die ginds schaduwen als donkere wolken?
—De schipper dier zwarte zeilen daarginds. Hooger de armen en lager! Laat haar niet weten vóór dat zij moet.
—Is smart aan de slaapster voorbereid?
—Hooger de armen en lager! Zeker, zal smart haar treffen.
—En troost zal haar sprenkelen wie?
—Zuster, dwing MIJ niet het Noodlot te weten. Schuilt het in mijn mistigen sluier soms...? Ik weet niet het Noodlot der slaapster: ik dàns alleen: hooger de armen en lager...
—Thetis, mogen de slaapster wij zien?
—Staken wij dàn even den dans. Vorstelijke Amfitrite, wilt ge de slaapster zien? Nader dan zacht... Nereïden, o Zusters, stapt geruischloos de wateren uit... Hier, glijden wij langs de laurieren... Zoo, omringen wij haar zode-sponde... Zij slaapt!
—Thetis...
—Demp nog meer uw stem...
—Thetis... is zij Afrodite...
—Neen...!
—Ja, Thetis, zij is Afrodite... die sluimerde-in te Naxos... en wat geeft zij om schippers van zwarte zeilen?
—Neen, zuster, zij is niet Afrodite.
—Zij is Afrodite, zij is Afrodite... Amfitrite, is zij niet Afrodite?
—Neen zuster, zij is niet Afrodite.
—Wie is zij...?
—Wie is zij dan?
—Wie is zij dan, zoo blank? Zie, hoe schoon zij er ligt, de sluimerende vrouw... In zilveren lijnen teekent zich haar blanke lijf...
—Op het donkerende groen van de zode...
—Hare naaktheid is éen zilveren glans!
—Haar glimlach is éen glorie!
—Zij droomt van den schipper, dien zij bemint...
—Van den schipper der zwarte zeilen?
—Zij glimlacht van liefde gelukkig!
—Maar weet niet de smart, die haar wacht!
—O, Eros, hoe zal zij ontwaken!
—Zuster stil, dempt uwe stemmen... Hare naaktheid is éen zilveren glans.
—Hare glimlach is éen glorie!
—Hare haren in maneschijn zijn als goudene schijn...
—Zij ligt zilver in hare goudene haren!
—Hare armen buigen zwanehalsslank om haar hoofd!
—Haar lijf is een urne van zaligheid!
—Wiegelen hare borsten niet als blanke golven!
—Is haar schoot niet een weeldegeheim?
—Hare beenen strengelen weg, zich verslankend...
—Naar twee voeten, lelies gestrengeld in éen.
—Zoo hare oogscheelen zij opsloeg?
—Sterren zouden plots flonkeren onder donkeren boog.
—Maar haar lippen zijn een koràlen boog!
—Is zij dan niet Afrodite?
—Ja, zuster, zij is Afrodite!
—Neen, zuster, zij is het niet.
—Vorstelijke Amfitrite... is nòg schooner de goudene Afrodite?
—Ja zuster, die is nòg schooner...
—Toch is de slaapster zóo schoon!
—Wentelt de nacht al om?
—Hare naaktheid is éen zilveren glans!
—Hare glimlach is éen glorie!
—Zusters, ik, Thetis, leid u terug... Portierster-der-Oostelijke-Kimpoort, hoort gij niet Eos al roepen?
—Ik ga, zuster...
—Glijden wij zacht langs de laurieren... Dempt nog uw tred en uw stem. Het IS niet aan ons haar te wekken. Noodlot zelve wekke haar dra...
—Helaas...!
—Ver van haar zal zijn die schipper der zwarte zeilen!
—Helaas...!
—Blauwte-der-Zee ik... Wiegeling-der-Zee ik, Thetis... zwem ik... duik ik terug.
—Zusters vaarwel; vorstelijke Amfitrite, vaarwel... De oostelijke kimpoort is al geopend.
—Dáar is roosvingerige Eos!
—Verijlen onze mistige sluiers...!
—Zichtbaar zijn nog de zeilen...
—Zusters, vaarwel!
—Helaas, de heerlijke slaapster!
—Is zij dan NIET Afrodite?
—Neen zuster, dàt is zij niet!
—Helaas!
—Daar is Eos...
—Helaas... De heerlijke Slaapster!!
XII.
Nauwelijks waren langs de laurieren en geurende oleanders weggegleden de nieuwsgierige Nereïden, of Ariadne sloeg de oogen op. De eerste glanzingen van den nieuwen morgen parelden aan den oostelijken hemel en de ontslotene poort schitterde van breede kieren goud. De dauw over bladeren en bloemen baadde in kristallige frischte Naxos en geheel het eiland ontwaakte: boomen en struiken ontwaakten, vogelen ontwaakten en Ariadne ontwaakte. Eene der Nereïden, die haar vochtigen sluier vergeten had aan het strand, trok ongemerkt, met alleen hand en arm uit het water, dien tot zich terug in de diepte... Ariadne bemerkte het niet. Zij had de oogen opengeslagen maar zich verder nog niet bewogen, en zij lag roerloos, zilverglanzende wit, de beide armen zwanehalsslank om het hoofd, in den oplichtenden glans der haren. Haar glimlach was één glorie, maar gloriën waren ook hare nu opengeslagen oogen. Zij waren als lichtende chrysoprazen, groen van de kleur eener zee, waaronder diepgouden zand zich zoû strekken: door den lichtenden glans korrelde diepte van heel fijn zand, goud. Het gaf aan haar blik een weemoed en verlangen, een mysterie en een droom. Nu glimlachte zij, maar hare oogen weemoedigden en verlangden en uit hen droomde het mysterie, hoog weg naar de hooge hemelen, die boven haar rozigden van morgenlucht tusschen het prieel van laurier, oleander.
Heel langzaam hief een arm zij hooger, loom, en liet dien vallen langs hare welvende heup, de hand schaduwende over hare vrouwelijkheid, als was zij verlegen voor de komende zon. Maar verder bleef roerloos zij op hare mollige zode-sponde liggen, liggen als een vrouw van liefde. In de herinnering der liefde donkerden hare chrysopraze-oogen onder kwijnend neêrvallende krulling der pinkers en hare glimlach stierf weg in smachting langs iets van smartelijkheid om haar mond.
Zij droomde, zij droomde na... Het bleef om haar heen stil, geluidloos, nauwelijks wat wind in twijgen, of vogelgetjilp tusschen bloemen. Twee kapellen fladderden langs haar om en hare droomerige oogen volgden ze, lachende weêr. Nu echter hoorde zij de stilte en ze verbaasde haar lichtjes, omdat de stilte wel scheen volkomen. Zij riep:
—Thezeus!
Geene stem antwoordde haar, alleen tjilpten de vogelen hooger. Nu richtte zij even zich op, en de zilveren lijnen, die hare naaktheid trokken, verbroken geheel na haar eerste ontwaken: hare welvende heup parelmoêrde in het vochtige morgenlicht, en daar zij het hoofd hief, blondde er schaduw over haar boezem en schoot, maar hare voeten schitterden op.
—Thezeus?? riep zij nog eens en haar roep vraagde.
Geen stem antwoordde haar, alleen tjilpten scheller de vogelen.
Toen wendde zij een weinig zich om en strekte zich op het andere been. Zij glimlachte zacht en murmelde:
—Hij antwoordt mij niet...! Vroeg is hij zeker ontwaakt vóór nog de violette nacht verwelkte en verliet hij heel zacht mijn zijde, zich los windende uit mijn verliefden arm. Hij rees op, uitgerust, en hij heeft even naar mijn sluimeren getuurd, en toen is hij gegaan, zacht dempende den tred van zijn heldenvoet door het lagere hout naar het strand toe, en hij heeft er in de nog nachtelijke koelte gebaad zijn heerlijke leden! Het water heeft hem omhelsd overal en overal, zoo als ik hem zelve omhelsde en naijverig zoû ik van de zee zijn, zoo ik niet wist, dat MIJ Thezeus eindelijk minde. Thezeus...!? Hij antwoordt mij niet... Denkende mij nog in sluimering, rust hij uit in het zand en ziet hij uit naar de rijzende zon. Dit is de nieuwe dag! Dit is de nieuwe morgen! Straks hergaan wij aan boord en zullen de zwarte zeilen zwellen en zal richten de vloot van mijn held koers naar het schitterend Athene! Dit is de nieuwe dag! Dit is de nieuwe morgen! O, niet vergeten zal ik Thezeus, mijn held, te herinneren, zoodra in zee, wisselen te doen de somber zwarte zeilen, onder wier schaduw ik zelfs huiverde in de armen van hem, dien ik liefheb—voor de heldere blanke zeilen, die aan zijn vader Aigeus, ginds, spiedende uit naar den zoon, zullen kondigen de blijde komst van den held, van Athene’s held, van mijn held! Held, mijn held, liefde van mijn lippen en van mijn armen, lust van mijn lust en wellust, o, van mijn wellust, ik strek mijn armen naar je uit... Thezeus...? Hij antwoordt niet... Hij dwaalt gewis met de dappere gezellen langs de boorden van Naxos, zoekend de veilige richting vóor de vaart over de altijd vreesverwekkende zee! O, de sombere zwarte zeilen! Hoe ik, durende de vaart, voelde zwart voorgevoel zinken neêr op mijn ziel langs hun sombere flappering af! Vleugels van onheilvogels! O, zwarte zeilen, weldra verwisselt u Thezeus voor blijde heldere en blanke zeilen! Waar of hij toeven mag met de gezellen... Stil rondom mij heen parelt de morgen! Hoe stil! Hoe eenzaam voel ik mij hier in dit oleander- en laurierprieel, dat de vogelen alleen bezielen. Hoe stil! Thezeus...!? Hij antwoordt mij niet! Laat ik, nu hij nog afwezig is, mij baden in de spoelende zee... Eiland van heerlijkheid! O, nacht van geluk, dat mij doorvloeide in je schaduw, o laurieren! O, blijde mossige sponde, waar ik gloeide onder zijn liefde!