De zwervers op de grenzen

Part 7

Chapter 73,928 wordsPublic domain

„Wat is dat, Bob?” vroeg hij aan de soldaat.

„Ik ben een aap als ik het weet, kapitein,” antwoordde deze, „daar aan den overkant der gracht staat een man die met alle geweld binnen wil komen.”

„Wie zijt gij? en wat verlangt gij?” riep de kapitein.

„Wie zijt gij zelf?” antwoordde de onbekende.

„Ik ben de kapitein James Watt, en ik laat u weten dat de kolonie op dit uur voor onbekende landloopers gesloten is; kom tegen zonsopgang terug, misschien zal ik u dan vergunnen mijn huis binnen te treden.”

„Pas wel op hetgeen gij doet” riep de onbekende, „uwe stijfhoofdigheid, om mij hier op den rand van een gracht te laten blaauwbekken, zou u duur te staan kunnen komen.”

„Pas gij maar op u zelven, man,” antwoordde de kapitein ongeduldig, „ik ben niet te best geluimd om mij te hooren bedreigen.”

„Ik bedreig u niet, ik waarschuw u slechts,” hervatte de andere; „gij hebt van daag reeds een grove fout begaan, maak het dezen avond maar niet erger door u zoo stijf tegen mijne binnenkomst te verzetten.”

Dit antwoord trof den kapitein en bragt hem tot nadenken.

„Maar,” riep hij een oogenblik later, „als ik u binnen laat, wie waarborgt mij dan dat gij mij niet zult verraden? De nacht is donker en gij kondt wel een talrijken troep volk bij u hebben, zonder dat ik er iets van zag.”

„Ik heb niet anders bij mij dan een enkelen kameraad, daar ik u voor insta, leven om leven.”

„Hum!” riep de de kapitein besluiteloozer dan ooit, „en wie blijft mij borg voor u?”

„Ik!”

„Wie zijt gij dan, die onze taal zoo zuiver spreekt dat men u voor een van ons volk zou kunnen houden.”

„Dat ben ik ook ten naastenbij, ik ben Canadees, mijn naam is Tranquille.”

„Tranquille!” riep de kapitein. „Zijt gij dan de beroemde woudlooper, bijgenaamd de Tijgerdooder?”

„Of ik beroemd ben, kapitein, weet ik niet, maar wat ik wel weet is, dat ik de man ben dien gij bedoelt.”

„Zoo gij werkelijk Tranquille zijt, laat ik u binnen komen; maar wie is de man die u vergezelt en daar gij voor instaat?”

„Die is het Zwarte-Hert, de eerste Sachem der Slangen-Pawnees.”

„O zoo!” mompelde de kapitein „wat komt die hier doen?”

„Dat zult gij vernemen als gij ons binnen laat.”

„Welnu, kom dan binnen!” riep de kapitein, „maar houd u voor gewaarschuwd dat gij en uw medgezel bij den minsten schijn van verraad onverbiddelijk zult gedood worden.”

„Daar hebt gij het volste regt toe, als ik mijn woord aan u breken mogt.”

De kapitein, na zijne jagers te hebben aanbevolen om zich op alle gebeurlijke zaken gereed te houden, gaf thans bevel om de brug neer te laten.

Tranquille en het Zwarte-Hert kwamen binnen.

Beiden waren ongewapend, ten minste zooveel men zien kon.

Bij zulk een doorslaand blijk van vertrouwen, schaamde de kapitein zich meer of min over zijn argwaan en nadat de brug weder was opgehaald, zond hij zijn geleide weg en hield niemand bij zich dan Bothrel.

„Volgt mij,” zeide hij tegen de beide vreemdelingen.

Deze bogen zonder te antwoorden en traden naast hem voort.

Zoo bereikten zij den toren, zonder een woord gewisseld te hebben.

De kapitein geleidde hen in de zaal, waar mistress Watt nog alleen zat, aan de grootste ongerustheid ten prooi.

Op een wenk van haar man om zich te verwijderen, wierp zij hem een smeekenden blik toe, dien hij begreep, want hij drong er toen niet verder op aan en zij bleef stil op de plaats daar zij zat. Tranquille vertoonde hetzelfde open gelaat en de kalme bedaardheid die wij reeds van hem gewoon zijn, en niets in zijne houding of manieren gaf het minste blijk dat hij met vijandige bedoelingen jegens de kolonisten bezield was.

Het Zwarte-Hert daarentegen was somber en gestreng.

De kapitein bood zijnen gasten stoelen aan bij het vuur. „Gaat zitten, mijne heeren,” zeide hij, „gij zult u wel een weinig willen warmen. Is het als vriend of als vijand dat gij bij mij komt?”

„Die vraag is ligter gedaan dan beantwoord,” zei de jager op een toon van ronde goedwilligheid, „tot dusver zijn onze bedoelingen vredelievend, het hangt van u zelven af, kapitein, hoe wij elkander verlaten.”

„In allen geval zult gij niet weigeren om eenige ververschingen te gebruiken.”

„Voor het oogenblik verzoek ik u ons daarvan te verschoonen,” hernam Tranquille, die bestemd scheen om het woord tegelijk voor zijn kameraad en voor zich zelven te doen; „het zal geloof ik beter zijn dat wij maar terstond tot de zaak overgaan die ons hier brengt.”

„Hum!” mompelde de kapitein maar half in zijn schik met deze weigering, die hem weinig goeds voorspelde; „spreek dan, ik ben geheel oor, en het zal aan mij niet haperen of alles tusschen ons loopt goed af.”

„Dat wensch ik van ganscher hart, kapitein, des te meer daar ik om geen andere reden hier kwam dan om de botsing te vermijden, die het gevolg zou kunnen zijn hetzij van een misverstand of van een opgewonden oogenblik.”

De kapitein boog, ten bewijze van dank en de Canadees vervolgde onmiddellijk.

„Gij zijt een oud militair, mijnheer,” zeide hij, „en met u zal de kortste weg wel de beste zijn; twee woorden dus, ziehier de reden van onze komst: de Slangen-Pawnees beschuldigen u, dat gij u door verraad van hun dorp meester gemaakt en het grootste gedeelte hunner bloedverwanten en vrienden hebt omgebragt, is dat waar?”

„Dat ik mij van het dorp heb meester gemaakt is waar,” zeide de kapitein, „maar ik had er het regt toe, daar de Roodhuiden weigerden het te ontruimen; ik ontken stellig dat ik hierbij verraad heb gepleegd, integendeel zijn het de Pawnees die zich verraderlijk jegens mij hebben gedragen.”

„O!” riep het Zwarte-Hert met drift opstaande, „het Bleekgezigt heeft een leugenachtige tong in den mond!”

„Stilte!” riep Tranquille, hem op zijn stoel terugdringende, „laat mij dit kluwen alleen afhaspelen, dat mij verward genoeg voorkomt. Vergeef mij zoo ik u beleedig, mijnheer,” hervatte hij tegen den kapitein, „maar de zaak is ernstig en de waarheid moet bekend worden. Zijt gij bij uwe aankomst niet als vrienden door de stamhoofden ontvangen?”

„Zeer zeker, onze eerste betrekkingen waren zeer vriendschappelijk.”

„Waarom zijn zij dan vijandelijk geworden?”

„Dat heb ik u gezegd; omdat de Pawnees tegen de bezworen trouw en het gegeven woord, weigerden, mij de plaats af te staan.”

„Hoedat? u de plaats af te staan!”

„Welzeker! omdat zij het land daar zij woonden aan mij verkocht hadden.”

„O, ho! kapitein, maar dat moet gij mij nader uitleggen.”

„Welnu, dat is gemakkelijk genoeg, en om u dadelijk te bewijzen dat ik in deze zaak ter goeder trouw te werk ben gegaan, zal ik u de acte van verkoop laten zien.”

De jager en het opperhoofd wisselden een blik van verwondering.

„Ik begrijp er niets meer van,” zeide Tranquille.

„Wacht een oogenblik,” hervatte de kapitein, „ik wil u de acte halen en zal hem u toonen.”

Hij verwijderde zich.

„O! mijnheer,” riep de jonge vrouw terwijl zij de handen smeekend zamenvouwde, „zie toch dat gij de zaak inderminne schikt.”

„Helaas! mevrouw,” antwoordde de jager meêwarig, na de wending die de zaken schenen te nemen, „dat zal niet gemakkelijk gaan.”

„Ziedaar!” riep de kapitein toen hij terugkwam, „daar is de acte.”

De beide mannen hadden de acte maar even in te zien om het bedrog dadelijk te ontdekken.

„Die acte is valsch,” zeide Tranquille.

„Valsch! dat is niet mogelijk,” riep de kapitein verbaasd, „want dan zou ik gruwelijk bedrogen zijn.”

„Dat is, helaas, maar al te zeer het geval!”

„Wat nu gedaan?” mompelde de kapitein werktuigelijk.

Het Zwarte-Hert stond op.

„Dat de Bleekgezigten hooren,” zeide hij met fierheid, „het is een Sachem die spreken zal.”

De Canadees wilde tusschenbeide komen, maar een wenk van het opperhoofd legde hem het zwijgen op.

„Mijn vader is bedrogen,” vervolgde hij, „hij is een regtvaardig krijgsman: zijn hoofd is grijs; de Wacondah heeft hem wijsheid gegeven; de Slangen-Pawnees zijn ook regtvaardig, zij willen met mijn vader in vrede leven, dewijl hij onschuldig is aan den misslag dien men hem verwijt en voor welken een ander zich zal moeten verantwoorden.”

Het begin dezer redenering was eene aangename verrassing voor de toehoorders; de jeugdige moeder vooral, toen zij dit hoorde, voelde hare ongerustheid merkelijk verzacht en de blijdschap in haar hart teruggekeerd.

„De Slangen-Pawnees,” vervolgde de Sachem, „zullen mijn vader al de koopwaren terug geven die hem wederregtelijk zijn afgeperst; hij van zijnen kant, zal zich daarentegen verbinden om de jagtgronden der Pawnees te ontruimen, en zich van hier te verwijderen, zoowel als al de Bleekgezigten die met hem herwaarts kwamen; de Pawnees zien af van iedere wraakneming die zij wegens het vermoorden hunner broederen in ’t zin hadden, en de oorlogsbijl tusschen de Roodhuiden en de Bleekgezigten van het Westen zal voortaan begraven worden. Ik heb gezegd.”

Op deze woorden volgde eene diepe stilte.

De aanwezigen waren stom van ontsteltenis, deze voorwaarden waren onaannemelijk, de oorlog scheen onvermijdelijk.

„Wat antwoordt mijn vader?” vroeg het opperhoofd een oogenblik later.

„Helaas! hoofdman,” antwoordde de kapitein met smart, „in zulke voorwaarden kan ik niet bewilligen, gij vergt het onmogelijke; al wat ik doen kan is dat ik den prijs zal verdubbelen dien ik eenmaal betaald heb.”

Het opperhoofd haalde hooghartig de schouders op.

„Het Zwarte-Hert heeft zich bedrogen,” zeide hij met een minachtenden grijns, „de Bleekgezigten hebben waarlijk een dubbele tong.”

Het was onmogelijk om den Sachem de ware toedragt der zaken begrijpelijk te maken; met de blinde stijfhoofdigheid die zijn ras eigen is wilde hij naar geen reden luisteren, en hoe meer men hem poogde te bewijzen dat hij verkeerd deed, des te meer was hij overtuigd dat hij gelijk had.

Diep in den nacht gingen de Canadees en het Zwarte-Hert heen, tot aan den buitenwal uitgeleid door den kapitein.

Toen zij vertrokken waren, keerde James Watt vol gedachten naar den toren terug. Op den dorpel voor het huis komende, stiet hij tegen een tamelijk groot voorwerp; hij bukte om te zien wat het was.

„O!” riep hij zich weder oprigtende, „zij willen dus werkelijk oorlog? Bij God! zij zullen mij leeren kennen.”

Het voorwerp daar de kapitein tegen gestooten had, was een bundel pijlen, met een slangenhuid zamen verbonden; de beide uiteinden dezer huid alsmede de punten der pijlen waren met bloed bestreken.

Het Zwarte-Hert had dezen bundel bij zijn vertrek achter zich laten vallen, ten teeken van oorlogsverklaring.

Alle hoop op vrede was derhalve vervlogen; men moest zich gereed maken tot den strijd.

Nadat het eerste oogenblik van schrik voorbij was, hernam de kapitein zijne gewone koelbloedigheid en ofschoon het nog lang geen dag zou worden, liet hij al de kolonisten wekken en op het plein voor den toren zamen komen, om raad te houden en de noodige middelen te beramen, ten einde de gevaren af te wenden waarmede de nieuwe kolonie bedreigd werd.

IX.

DE SLANGEN-PAWNEES.

Thans zullen wij eenige punten ophelderen die den lezer in ons verhaal duister kunnen schijnen.

De Roodhuiden, welke groote gebreken zij overigens mogen bezitten, zijn tot dweepens toe gehecht aan den grond waar zij geboren zijn en waar hunne vaderen geleefd hebben, en geen ander oord zou dien voor hen kunnen vergoeden.

De Apen-Kop loog niet toen hij aan kapitein Watt verzekerde dat hij een der voornaamste opperhoofden van den stam der Slangen-Pawnees was; hij was dit inderdaad, ofschoon hij zich wel wachtte er bij te voegen om welke reden zijne stamgenooten hem hadden weggejaagd.

Het is thans de tijd om deze reden kenbaar te maken.

De Apen-Kop was niet alleen een man van onbeteugelde heerschzucht, maar wat men onder de Indianen zelden ontmoet, bezat hij geen de minste godsdienst en deelde hij zelfs niet in de bijgeloovige begrippen voor welke zijne landgenooten maar al te vatbaar zijn; bovendien was hij zonder trouw, zonder eer, en van diep bedorven zeden.

Reeds in zijn vroegste jeugd naar een der Amerikaansche steden overgebragt, had hij de zonderlinge beschaving der Vereenigde Staten van nabij leeren kennen; niet in staat om in deze beschaving het goede van het kwade te onderscheiden en zich zelven binnen de juiste grenzen te houden, was hij, zooals dit met jonge menschen gewoonlijk gaat, door hetgeen het meest zijne zinnelijke neigingen streelde medegesleept en had hij van de zeden der blanken niets anders overgenomen, dan hetgeen onvermijdelijk strekken moest om zijne vroegrijpe verdorvenheid te voltooijen.

Toen hij dus naar zijn stam terugkeerde, waren zijn gedrag en zijne taal zoo weinig in harmonie met hetgeen er rondom hem gezegd en gedaan werd, dat hij zich weldra den haat en de verachting zijner landgenooten op den hals haalde.

Zijne bitterste vijanden werden natuurlijk de priesters, en inzonderheid de toovenaars, die hij meermalen had zoeken bespottelijk te maken.

Zoodra de Apen-Kop het met de magtige partij der toovenaars te kwaad kreeg, was het met zijne eerzuchtige ontwerpen gedaan; al zijne aanslagen leden schipbreuk, eene heimelijke tegenwerking wierp gestadig de plannen omver, op het oogenblik zelf dat hij zich van zijn welslagen verzekerd waande.

Niet wetende aan wien hij deze mislukkingen te wijten had, hield de Sachem zijne vijanden zorgvuldig in ’t oog, lette naauwkeurig op hunne gangen en bewegingen en wachtte met al het kattengeduld dat de grond van zijn karakter uitmaakte het oogenblik af, dat tijd en toeval hem het voorwerp zijner wraak zouden aanwijzen. Daar hij zijne maatregelen met veel beleid wist te kiezen, duurde het niet lang, of hij ontdekte dat zijn grootste tegenstander niemand anders was dan de voornaamste wigchelaar van den stam.

Deze toovenaar was een hoogbejaard man, algemeen geacht en bemind om zijne wijsheid en goedheid. De Apen-Kop hield zijn haat eenigen tijd verborgen, maar op zekeren dag, na eene heftige beraadslaging in den vollen raad, was hij zijne woede niet langer meester, viel op den ongelukkigen grijsaard aan en doorstak hem met een dolk, ten aanschouwe van al de oudsten des volks en eer dat iemand der aanwezigen in staat was tusschenbeide te komen om zijn verfoeijelijken aanslag te beletten.

Deze moord, aan den opperpriester gepleegd, voerde de verbittering zijner stamgenooten ten top; nog staande de raadzitting werd de heerschzuchtige Sachem van het grondgebied der natie verbannen, al de Sachems ontzegden hem de gemeenschap van water en vuur, en dreigden hem met de wreedste martelingen zoo hij zich ooit weder aan hen durfde vertoonen.

De Apen-Kop gevoelde zich niet sterk genoeg om de uitvoering dezer straf te trotseren, hij verwijderde zich met woede in het hart en met de gruwzaamste voornemens van wedervergelding.

Wij hebben bereids gezien hoe hij zich wist te wreken, door het grondgebied van zijn stam aan de Amerikanen te verkoopen, en alzoo hen die hem verbannen hadden in ’t verderf te storten. Naauwelijks echter was deze lang gekoesterde wraak bevredigd, of in zijn hart woelde eene nieuwe begeerte. Zoodra hij het land weder aanschouwde waar hij geboren was en waar het gebeente zijner vaderen rustte, kwam bij hem de oude liefde voor het vaderland op, die hij reeds dood waande, maar die alleen in zijne ziel was ingesluimerd om met verdubbelde kracht te ontwaken.

Schaamte over het vervloekte schelmstuk, dat hij beging, toen hij aan de doodvijanden van zijn geslacht de jagtvelden, die hij zelf zoo lang in vrijheid had doorloopen, overleverde; ergernis over den razenden spoed waarmede de werkdrift der Amerikanen het aan hen verkochte land van gedaante deed veranderen, en het eeuwenheugende geboomte uitroeiden, onder welks eerwaarde schaduw hij zoo vaak in den raad zijns volks had voorgezeten, al deze redenen te zamen, bragten hem tot inkeer, en schier radeloos over de gepleegde heiligschennis, had hij zich met zijne stamgenooten pogen te verzoenen, ten einde hen weder in het bezit te stellen van de gronden die zij door zijn verfoeijelijken haat verloren hadden.

Zonder aarzeling nam hij dus het besluit om zijne nieuwe vrienden, op hunne beurt, aan zijne oude te verraden en op te offeren.

Tot zijn ongeluk, had hij zich in een duivelschen toovercirkel gewikkeld, binnen welken hij geen stap doen kon zonder andermaal misdadig te worden en zich met nieuwe gruwelen te bezoedelen.

Het kostte hem veel minder moeite dan hij aanvankelijk dacht, om weder met zijne voormalige landgenooten in aanraking te komen; deze toch zwierven van huis en have beroofd en aan de bitterste wanhoop ten prooi, als ballingen rond in de aangrenzende bosschen der kolonie.

De Apen-Kop trad hun stoutmoedig onder de oogen. Hij wachtte zich wel hun de ware toedragt der zaak te openbaren, en hun te vertellen dat hij alleen de oorzaak was van al hun ongeluk.

Integendeel stelde hij hun zijne wederverschijning voor als een verdienstelijk werk, door voor te wenden dat het gerucht der jammeren die hen zoo plotseling getroffen hadden de eenige oorzaak was van zijne terugkomst, en dat wanneer zij in vrede en voorspoed hadden blijven voortleven, zij hem nooit zouden hebben wedergezien; maar dat nu ook, tegenover de algemeene ramp die hen getroffen had, alle gevoel van onderlinge haat verdwijnen moest en zich oplossen in gemeenschappelijke wraakneming op de gehate blanken, die eeuwige en onveranderlijke vijanden van het roode geslacht.

Om kort te gaan, hij wist zich zoo goed voor te doen en de thans door hem gewaagde onderneming zoo krachtig te bepleiten, dat het hem gelukte de Indianen te misleiden, het vertrouwen der voornaamste Sachems te winnen en hen van de zuiverheid zijner plannen en bedoelingen volkomen te overtuigen.

Met de hem aangeboren behendigheid en duivelsche list, begon hij thans een uitgebreid complot te beramen, om de Amerikanen in het verderf te storten—een complot waarin hij tevens andere Indiaansche stammen wist te betrekken, om zich van hunne medewerking te verzekeren. Intusschen bleef hij oogenschijnlijk de vriend der kolonisten, kwam hen van tijd tot tijd bezoeken, nam deel in hunne belangen, vertoefde dagen achtereen in hunne woning, en dit alles terwijl hij in stilte bezig was met hun volkomen ondergang te bewerken.

De invloed dien hij zich in korten tijd bij zijn stam had weten te verwerven, was schier onbegrensd, allen beschouwden hem als redder en hadden van hem de beste verwachtingen. Slechts drie mannen bleven ten zijnen opzigte met wantrouwen vervuld, en hielden al zijne gangen zorgvuldig in ’t oog: deze drie mannen waren Tranquille, het Zwarte-Hert, en de Blaauwe-Vos.

De Canadees vertrouwde hem nog het minst; hij kon zich het gedrag van den Apen-Kop maar niet verklaren; het kwam hem altijd zeer zonderling voor, dat de Sachem met de Amerikanen op zulk een goeden voet stond en hij begreep niet hoe hij ooit daartoe gekomen was; meermalen had hij hem hierover onderhouden, maar de sluwe Indiaan wist zijne vragen steeds te ontwijken of zoo dubbelzinnig te beantwoorden, dat de jager, zoo als men zegt, er geen mouw aan kon passen.

Tranquille was echter de man niet om zich op deze wijs te laten afschepen; hij had zich stellig voorgenomen tot zekerheid te komen omtrent den man wiens karakter en gedrag hem met iederen dag geheimzinniger en raadselachtiger werd; toen er dus in den grooten volksraad bepaald was om twee mannen met de oorlogsverklaring aan James Watt te zenden, wist hij te bewerken, dat hij zelf en het Zwarte-Hert daartoe gekozen werden.

Met deze keus, die zijne plannen dreigde te verstoren, was de Apen-Kop alles behalve ingenomen, daar hij de beide afgezanten als zijne geheime vijanden kende, en wist dat zij hem ligt konden tegenwerken. Hij verkropte echter zijn spijt en ontveinsde zijne teleurstelling, te meer daar de zaken reeds te ver gevorderd waren om terug te treden en alles tot den aanval gereed was.

Tranquille en het Zwarte-Hert vertrokken dus om aan de Bleekgezigten den oorlog te gaan verklaren.

„Het kan zijn dat ik mij bedrieg,” zei de Canadees onder weg tegen zijn vriend, „maar ik geloof zeker dat wij aangaande den Apen-Kop zonderling nieuws zullen hooren.

„Zoudt gij dat denken?”

„Ik zou er op durven wedden; ik ben overtuigd dat de kerel onzuiver spel speelt en dat hij ons allen bedriegt tot zijn eigen voordeel.”

„Ik vertrouw hem wel niet veel, maar ik kan toch niet denken dat hij zijne onbeschaamdheid zoo ver zou durven drijven.”

„Wij zullen spoedig weten wat er van is. In allen geval moet gij mij één ding beloven.”

„Wat?”

„Dat gij mij alleen het woord zult laten doen; ik weet beter dan gij hoe men met de Bleekgezigten van het Westen handelen moet.”

„Goed,” antwoordde het Zwarte-Hert, „ik laat de behandeling aan u over.”

Vijf minuten later kwamen zij aan de kolonie. Wij hebben in het vorige hoofdstuk reeds gezien hoe zij ontvangen werden en wat er tusschen hen en kapitein Watt plaats greep.

De vaste gewoonte der Indianen om hunne vijanden een oorlogsverklaring te zenden, kan vreemd schijnen voor een volk dat men in Europa steeds als domme wilden beschouwt; maar men moet zich hierin niet bedriegen; de Roodhuiden zijn zeer ridderlijk van aard, en zullen, wanneer het ten minste om iets meer dan een razzio, dat is een strooptogt tot het rooven van paarden of rundvee te doen is, nimmer een vijand aanvallen zonder hem vooraf te waarschuwen en gelegenheid te geven zich te verdedigen.

Overigens wordt van deze ridderlijke geaardheid maar al te goed partij getrokken door de Amerikanen, die, wij moeten het tot hunne schande zeggen, er geheel van ontbloot zijn, en er hunne meeste overwinningen op de Roodhuiden aan te danken hebben.

Nadat de twee mannen de kolonie weder verlaten hadden, vonden zij op korten afstand hunne paarden terug, waar zij die gekluisterd hadden achtergelaten; zij sprongen in den zadel en verwijderden zich in galop.

„Welnu!” vroeg Tranquille aan het opperhoofd, „wat denkt gij van dit alles?”

„Mijn broeder had gelijk; de Apen-Kop heeft ons verraden, het blijkt maar al te klaar dat die acte van hem alleen is uitgegaan.”

„Wat denkt gij nu te doen?”

„Ik weet het nog niet; misschien zou het gevaarlijk zijn om hem in deze oogenblikken reeds te ontmaskeren.”

„Dat ben ik niet met u eens, hoofdman; de tegenwoordigheid van dien verrader kan onze zaak niet anders dan bederven.”

„Laten wij het vooreerst afwachten.”

„Goed! maar vergun mij eene opmerking.”

„Ik luister, broeder.”

„Waarom hebt gij de oorlogsverklaring aan de Lang-Messen zoo halstarrig volgehouden, nadat gij erkend hadt dat de acte van verkoop valsch is; gij wist toch dat de kapitein door den Apen-Kop bedrogen was?”

Het opperhoofd lachte geslepen.

„De Bleekhuid is slechts bedrogen,” zeide hij, „omdat hij bedrogen wilde zijn.”

„Ik begrijp u niet, hoofdman.”

„Ik zal het u duidelijk maken. Weet mijn broeder hoe het met den verkoop van land toegaat?”

„O, hemel! neen. Ik moet u bekennen, dat ik voor mijzelven tot hiertoe nimmer land te koopen of te verkoopen heb gehad dus heb ik er mij ook nooit mede ingelaten.”

„Ooah! dan zal ik het mijn broeder zeggen.”

„Gij zult mij pleizier doen; ik wil altoos gaarne wat leeren, en daarbij, wie weet of het mij bij gelegenheid niet nog eens dienen kan,” lachte de Canadees.

„Luister dan. Als een der Bleekgezigten het jagtterrein van een Indianenstam wil koopen, wendt hij zich tot de voornaamste Sachems des volks en na met hen in den raad de vredespijp gerookt te hebben, stelt hij hun zijn verzoek voor; de voorwaarden worden besproken, en wanneer de beide partijen het eens zijn geworden, wordt er door den eersten priester des volks eene planteekening van het af te staan gebied opgemaakt; het Bleekgezigt levert alsdan de koopwaren uit die hij in ruiling geeft, al de aanwezige opperhoofden onderschrijven het plan met hun hieroglyf, de boomstammen worden met de bijl gemerkt, de grenzen afgebakend en de kooper treedt onmiddellijk in het bezit van zijn nieuwe eigendom.”

„Hum!” meesmuilde Tranquille, „dat alles is toch eenvoudig genoeg.”