Part 6
Omtrent tien ellen van den toren, en met dezen door middel van een onderaardschen gang verbonden, lag het woonhuis voor de jagers, dat voor de werklieden, en eindelijk dat der veehoeders en arbeiders.
Vervolgens had men de stallen voor de paarden en de schuren voor het vee.
Verder, hier en daar verspreid, lagen de wagenhuizen, de werkplaatsen, schuren en andere lokalen om de voortbrengels der kolonie in te bergen.
Al deze gebouwen waren, voorzigtigheidshalve, afzonderlijk en ver genoeg van elkander geplaatst, om in geval van brand—die bij houten gebouwen altijd gevaarlijk was—te beletten dat de vlam van het eene naar het andere oversloeg; bovendien waren er van afstand tot afstand putten gegraven, om op alle punten overvloed van water te hebben zonder dat men het uit de rivier behoefde te gaan scheppen.
Ten slotte behoeven wij naauwelijks te zeggen dat de kapitein, als een soldaat van ondervinding en met al de listen en gevaren van een oorlog op de grenzen wel bekend, niets verzuimd had om de kolonie tegen een aanval of zelfs tegen eene verrassing te dekken.
Drie maanden waren er nu sedert de eerste vestiging der Amerikanen voorbijgegaan; de vallei, voorheen onbebouwd en met bosch bedekt, was thans grootendeels beploegd en bezaaid; de houtvellingen op groote schaal aangelegd, hadden den uitersten zoom der bosschen reeds op twee kilometers afstand van de kolonie verwijderd, alles had het aanzien van welvaart en voorspoed, op eene plek die nog zoo kort te voren, door de zorgeloosheid der Roodhuiden, niets anders opleverde dan hetgeen de natuur zelve tot onmisbaar voedsel voor de beesten voortbragt.
In de kom der kolonie was alles een tooneel vol leven en bezieling. Terwijl daarbuiten het vee liep grazen onder opzigt van eenige welgewapende koeherders te paard, en de eeuwenheugende boomstammen vielen onder de noeste bijlslagen der houthakkers, zag men daarbinnen al de werkplaatsen in volle bedrijvigheid, lange rookzuilen verhieven zich uit de smidsen, het gedreun der hamers vermengde zich met het geknars der zagen; langs de rivier lagen hooge stapels timmerhout aan balken of planken gezaagd en een weinig verder groote hoopen hakhout voor brandstof, terwijl eenige schuiten en vlotten aan den oever waren vastgemeerd, en men in de verte van tijd tot tijd schoten hoorde vallen door de jagers die een klopjagt hielden in het bosch, om de kolonisten van wildbraad te voorzien.
Het was omtrent vier ure na den middag; de kapitein, gezeten op een heerlijk zwart paard met vier witte hoeven, reed in een korten draf door een pas aangelegd weideveld. Een vergenoegde glimlach ontplooide het strenge gelaat van den ouden krijgsman, toen hij zag welk eene verbazende verandering zijn vaste wil en ongewone bedrijvigheid in zulk een korten tijd hadden te weeg gebragt in deze onbekende streek, dien hij geenszins twijfelde dat, dank zij hare ligging, in een naderende toekomst voor handel en nijverheid van het grootste belang zou worden. Hij was reeds digt bij de kolonie, toen er van achter een hoop takken en wortels, die de arbeiders langs het pad hadden opgestapeld om ze te laten droogen, plotseling een man te voorschijn kwam en hem ter zijde trad. De kapitein kon naauwelijks zijn misnoegen verbergen toen hij in dezen man den Apen-Kop herkende.
Wij moeten hier eenige woorden tot opheldering zeggen aangaande dezen persoon, die bestemd is om in den loop van ons verhaal eene gewigtige rol te spelen.
Itsichaiché (de Apen-Kop) was een man van omtrent veertig jaar, lang van gestalte, kloek gebouwd en buigzaam van leden; zijn guitachtig gezigt werd verhelderd door twee kleine oogen van verschillende kleur; zijn korte, zeer stompe haviksneus, zijn breede mond met dunne ingetrokken lippen, gaven hem een uitdrukking van sluwheid en kwaadwilligheid, die ondanks het beleefd gedienstige en katachtig vleijende zijner manieren en de gemaakte zachtheid van zijne stem, ieder die hem zag een onwillekeurigen en onweerstaanbaren afkeer inboezemde.
Geheel in strijd met hetgeen gewoonlijk gebeurt wanneer men iemand dagelijks ziet, werd deze ongunstige indruk, in plaats van langzamerhand te verdwijnen, ten zijnen aanzien integendeel gedurig sterker.
De Indiaan had zich van zijn pligt als gids eerlijk en naauwgezet gekweten en de Amerikanen zonder slag of stoot naar de plaats hunner bestemming gebragt; na dien tijd was hij echter steeds bij hen gebleven, en had zich om zoo te zeggen in de nieuwe kolonie ingeburgerd, waar hij kwam en ging naar believen, zonder dat iemand naar hem omzag of zich bekommerde om hetgeen hij deed.
Menigmaal bleef hij ongevraagd ongeweigerd verscheidene dagen achtereen weg, en keerde dan op eens weder terug, zonder dat het mogelijk scheen eenige opheldering van hem te ontvangen, of te vernemen waar hij zoo lang geweest was of wat hij gedurende zijne afwezigheid gedaan had.
Intusschen was er een lid van de kolonie, aan wie het sombere uitzigt van den Indiaan eene gestadige en onverklaarbare vrees inboezemde en die haar afkeer niet kon onderdrukken, al wist zij ook niet waaraan zij dit onaangename gevoel moest toeschrijven; deze persoon was Mistress Watt. De moederlijke liefde maakte haar scherpziende; de jonge vrouw hield onbeschrijfelijk veel van hare kinderen, en zoo vaak de Roodhuid al was het maar een onverschilligen blik op de onnoozele schaapjes deed vallen, ging de arme moeder eene huivering over het lijf en haastte zij zich om de beide schatten, die alles voor haar waren, aan zijn oog te onttrekken.
Meermalen had zij gepoogd hare vrees aan haar man mede te deelen, maar al hare aanmerkingen deswegens beantwoordde de kapitein met een geruststellend schouderophalen, in de vaste meening dat de ongunstige indruk mettertijd wel slijten en eindelijk geheel verdwijnen zou. Mistress Watt kwam echter telkens met stijfhoofdige volharding op hare eenmaal opgevatte denkbeelden terug en veranderde niet, zoodat de kapitein er ten laatste ongeduldig onder werd, en daar hij geen voldoende reden had om tegenover de vrouw die hij innig achtte en lief had, een man in bescherming te nemen daar hij volstrekt niets om gaf, beloofde hij haar eindelijk dat hij haar van het gevreesde monster zou ontslaan. Toen derhalve de Indiaan weder verscheidene dagen weg was gebleven, nam hij zich voor om zoodra hij terug kwam, hem opheldering te vragen van zijn geheimzinnig gedrag, en ingeval de andere geen voldoend of redelijk antwoord gaf, hem maar ronduit te zeggen dat hij hem niet langer op de kolonie wilde zien en hij zich op staanden voet en voor altijd moest verwijderen.
In deze gemoedsstemming bevond zich de kapitein tegenover den Apen-Kop, toen het toeval wilde dat hij dezen op eene plaats ontmoette, waar hij hem het minst verwachtte.
Zoodra hij den Indiaan zag, hield de kapitein zijn paard in.
„Gaat mijn vader de vallei bezoeken?” vroeg de Pawnee.
„Ja,” antwoordde hij.
„O!” hervatte de Indiaan, met een omzigtigen blik om zich heen, „alles is wel zeer veranderd, sedert de Lang-Messen uit het Westen rustig wonen op het terrein daar zij de Slangen-Pawnees van beroofd hebben.”
De Indiaan sprak deze woorden op somber zwaarmoedigen toon, zoodat de kapitein hem niet zonder ongerustheid aanhoorde.
„Is dat een klagt die gij uitspreekt, hoofdman?” vroeg hij, „die klinkt toch zeer ongepast in uw mond, daar gij zelf mij het land hebt verkocht dat ik thans in bezit heb.”
„Dat is waar,” riep de Indiaan hoofdschuddend, „de Apen-Kop heeft het regt niet om zich te beklagen, hij zelf heeft aan de Bleekgezigten uit het Westen de gronden verkocht, waar het gebeente zijner vaderen rust en waar hij zelf en zijne broeders zoo vaak op elanden en jaguars jagt maakten.”
„Zoo, hoofdman, ik vind u van daag vrij naargeestig, wat schort u toch? Hadt gij, toen gij dezen morgen wakker werdt, op uw linkerzij gelegen?” vroeg de kapitein, zinspelende op een der meest verspreide bijgeloovigheden onder de Indianen.
„Neen,” antwoordde hij, „de Apen-Kop heeft goed geslapen, geheel zonder kwade voorteekenen of iets dat de rust van zijn geest kon verstoren.”
„Dan wensch ik u geluk, hoofdman.”
„Mijn vader heeft wel een weinig tabak voor zijn zoon, om met hem de pijp der vriendschap te rooken bij zijne terugkomst.”
„Dat kan wel: maar eerst moet ik u eene vraag doen.”
„Mijn vader spreke, de ooren van zijn zoon zijn open.”
„Het is nu reeds een geruimen tijd dat wij hier gevestigd zijn, hoofdman,” hervatte de kapitein.
„Ja, de vierde maan begint.”
„Hoor eens, gij zijt sedert onze komst zeer dikwijls heengegaan zonder ons te waarschuwen.”
„Waartoe zou dat dienen? de lucht en de ruimte behooren niet aan de Bleekgezigten, ik denk toch dat een krijgsman der Pawnees, vrij genoeg is om te gaan waar hij goedvindt; hij was voorheen een beroemd opperhoofd in zijn stam.”
„Dat mag alles waar zijn, krijgsman, en kan mij weinig schelen, maar wat mij zeer veel aangaat, is de rust en de veiligheid van mijn gezin en van de menschen die ik hier bij mij heb.”
„Welnu,” riep de Roodhuid, „in welk opzigt zou de Apen-Kop die rust en veiligheid in gevaar kunnen brengen?”
„Dat zal ik u zeggen, hoofdman, luister met aandacht, want wat gij hooren zult is ernstig.”
„De Apen-Kop is maar een arme Indiaan,” antwoordde de Roodhuid spotachtig, „de Groote Geest gaf hem het helder en slim doorzigt niet dat de Bleekgezigten bezitten, maar toch zal ik mijn vader trachten te begrijpen.”
„Gij zijt zoo dom niet als gij op dit oogenblik wel gelieft te schijnen, hoofdman; ik ben zeker dat gij mij volkomen begrijpen zult, als gij u die moeite wilt geven.”
„Het opperhoofd zal zijn best doen.”
De kapitein weerhield naauwelijks zijn ongenoegen.
„Wij bevinden ons hier niet in een der groote steden in het hart der Amerikaansche Unie,” begon hij, „waar de wet de burgers beschermt en voor hunne veiligheid waakt, maar wij zijn op het gebied der Roodhuiden, ver van alle andere bescherming dan onze eigene; wij hebben hier van niemand hulp te verwachten, integendeel zijn wij door waakzame vijanden omgeven, die op een gunstig oogenblik loeren, om ons aan te vallen en ons te vermoorden als zij kunnen, het is derhalve onze pligt om met de meeste omzigtigheid te waken voor ons behoud, dat door de kleinste nalatigheid schromelijk kan worden bedreigd. Begrijpt gij dat, hoofdman?”
„Ja, mijn vader heeft goed gesproken, zijn hoofd is grijs en zijne wijsheid is groot.”
„Ik moet dus op alles acht geven,” vervolgde de kapitein, „de gangen en handelingen van al de meer of min tot de kolonie behoorende personen naauwkeurig nagaan, en als die gangen of handelingen mij verdacht voorkomen, hun om opheldering vragen, die zij het regt niet hebben mij te weigeren; nu ben ik tot mijn groote spijt verpligt u te bekennen, hoofdman, dat het leven hetwelk gij sinds eenigen tijd leidt mij meer dan verdacht voorkomt, dat het mijn nadenken zeer heeft opgewekt on dat ik van u eene voldoende verklaring verwacht.”
De Roodhuid had zich tot dusver goed gehouden; geen spier op zijn gelaat had zich bewogen, zoodat de kapitein, die hem scherp in het oog hield, geen het minste spoor van ontroering bij hem kon opmerken. De Indiaan had de vraag die hem werd voorgesteld wel verwacht en was gereed om er op te antwoorden.
„De Apen-Kop heeft mijn vader en zijne kinderen van de groote steenen steden der Lang-Messen uit het Westen tot hier geleid. Kan mijn vader het opperhoofd daarom iets verwijten?”
„In het minst niet, dat moet ik bekennen, hoofdman,” antwoorde de kapitein onbewimpeld: „gij hebt u eerlijk van uwe verpligting gekweten.”
„Waarom trekt mijn vader dan een huid over zijn hart en waarom koestert zijn geest argwaan tegen een man, dien hij, zooals hij zelf zegt, niets te verwijten heeft; is dat nu de geregtigheid der Bleekgezigten?”
„Laten wij niet van ons onderwerp afdwalen, hoofdman, en bovenal laten wij het niet verkeerd aanpakken, ik kan mij met uwe Indiaansche breedsprakigheid niet inlaten, ik verzoek u dus om mij de reden van uwe herhaalde afwezigheid duidelijk op te helderen en mij een afdoend bewijs van uwe onschuld te geven; als gij hieraan niet voldoet moet ik u kort en bondig zeggen dat gij geen oogenblik langer in de kolonie moogt blijven, en dat ik u noodzaken zal mijn grondgebied te verlaten om er nooit weer terug te komen.”
Uit het oog van den Roodhuid bliksemde een straal van onbeschrijfelijken haat, maar hij temperde terstond den gloed van zijn blik en antwoordde met een slepende stem zoo zacht mogelijk:
„De Apen-Kop is een arme Indiaan; zijne broeders verstieten hem omdat hij de Bleekgezigten liefhad; hij had gehoopt bij de Lang-Messen van het Westen, zooal geen vriendschap, dan ten minste dankbaarheid te vinden, voor de diensten die hij hun bewees: maar hij heeft zich bedrogen.”
„Dat doet hier niets ter zake,” hernam de kapitein ongeduldig, „wilt ge antwoorden, ja of neen?”
De Indiaan rigtte zich op in zijne volle lengte, en naderde den spreker zoo digt dat hij hem bijna aanraakte.
„En als ik dit weiger?” vroeg hij met een blik van uitdaging en toorn.
„Als gij weigert, ellendeling! dan verbied ik u mij ooit weder onder de oogen te komen, en zoo gij mij durft trotseren zal ik u met mijn karwats afranselen als een hond.”
Naauwelijks had de kapitein deze beleedigende woorden geuit, of zij berouwden hem reeds: hij zag zich alleen en zonder wapens tegenover een man dien hij diep gekrenkt had; hij beproefde dus de zaak weder goed te maken. „Maar,” vervolgde hij, „de Apen-Kop is een opperhoofd, hij heeft verstand en hij zal mij wel antwoorden, want hij weet dat ik van hem houd.”
„Gij liegt! gij bleeke hond,” riep de Indiaan knarstandend van woede, „gij haat mij bijna even sterk, als ik u haat!”
De kapitein, zich zelven niet langer meester, hief de zweep reeds op die hij in zijne hand had, maar op hetzelfde oogenblik sprong de Indiaan als een tijger op hem toe, zat in eens achter hem op het paard, tilde den kapitein uit den zadel, wierp hem tegen den grond en greep den teugel.
„De Bleekgezigten zijn lafhartige oude vrouwen, de krijgslieden der Pawnees verachten hen en zullen hun vrouwenrokken zenden.”
Na deze woorden te hebben uitgebruld, op een toon van verguizing die niet zich laat beschrijven, boog de Indiaan op den hals van het paard, vierde het den teugel en verwijderde zich in vliegenden galop onder een schaterend gelach, zonder zich verder met den kapitein te bemoeijen, dien hij zwaar gekneusd op den grond liet liggen.
James Watt was de man niet om zulk eene mishandeling te ondergaan, zonder op wraak bedacht te zijn; hij stond op zoo snel als zijne beenen toelieten, en schreeuwde zoo hard hij kon, om de in het veld verstrooide jagers en houthakkers tot zich te roepen.
Sommigen hadden het gebeurde in de verte gezien en ijlden den kapitein ter hulp, maar eer zij hem bereikten of eer hij tijd had om hun te zeggen wat er gebeurd was en orders te geven om den vlugteling na te zetten, verdween deze reeds in het bosch.
De jagers echter, onder aanvoering van Bothrel, renden den Indiaan in vliegenden galop achterna en zwoeren dat zij hem levend of dood zouden terugbrengen.
De kapitein volgde hen met de oogen, tot hij ze den een na den ander in het geboomte zag verdwijnen, en keerde toen met langzamen tred naar de kolonie terug, in diepe gedachten over hetgeen tusschen hem en den Roodhuid was voorgevallen en met een beklemd hart over de waarschijnlijke gevolgen.
Eene zaak vooral voorspelde hem het ergste, namelijk dat de Apen-Kop, die anders altijd zoo sluw en voorzigtig was, hem thans zoo ruw had durven bejegenen; daarvoor moest een geduchte reden bestaan, anders zou de vrees voor straf hem zeker hebben teruggehouden.
VIII.
DE OORLOGSVERKLARING.
Er is eene onbegrijpelijke zaak, die ik gedurende den loop mijner lange en avontuurlijke togten in Amerika, menigmaal zelf ondervonden heb en als volkomen waar kan bevestigen; zij is deze, dat men vaak, zonder van dat gevoel reden te kunnen geven, een onheil, om zoo te zeggen voelt aankomen; men weet reeds vooruit dat men er door bedreigd wordt, zonder dat men nogtans weet van waar of hoe het ons overkomen zal; maar de dag schijnt somberder, de zonnestralen verliezen hun glans, alle voorwerpen nemen een treurigen tint aan, men hoort zonderlinge fluisteringen in de lucht, kortom, alles is in zekere onbepaalde en geheimzinnige onrust.
Zonder dan dat er eenige blijkbare reden bestond om de vrees van den kapitein voor de gevolgen van zijn twist met den Pawnees te regtvaardigen, gevoelde niet alleen hij, maar ook de gansche bevolking der kolonie, den avond van dien dag, zich als onder den druk eener angstige bekommering.
Ten zes ure, als naar gewoonte, had de klok geluid om de houthakkers en veehoeders thuis te roepen: allen waren binnengekomen, de beesten waren elk in hun stal opgesloten en, in schijn althans, was er niets ongewoons te zien dat de vreedzame rust der kolonisten kon verstoren.
De sergeant Bothrel en zijne gezellen hadden den Apen-Kop verscheidene uren nagezet, maar niets anders gevonden dan het paard, dat de Indiaan zoo stout vermeesterd had, maar dat hij waarschijnlijk weder had laten varen om zijne vlugt des te gemakkelijker te kunnen verbergen.
Van Indianen was er geen spoor in den omtrek der kolonie te ontdekken; maar toch had de kapitein, die minder gerust was dan hij zelf wilde weten, de wachten laten verdubbelen die voor de algemeene veiligheid moesten waken, en gaf hij den sergeant bevel om alle twee uren met de patrouille op de verschansing de ronde te doen.
Vervolgens, nadat deze voorzorgen genomen waren, hadden de familie en de huisbedienden zich in de groote zaal onder in den toren verzameld, voor de avondgodsdienst, eene gewoonte die sedert de eerste dagen op de kolonie was ingevoerd.
De kapitein zat in een grooten armstoel bij het vuur, want de nachten begonnen reeds koud te worden, met een oud boek voor zich over de militaire taktiek, terwijl mistress Watt met de meiden bezig was huislinnen te verstellen.
Dien avond las de kapitein niet veel, maar zat met de armen kruiselings over de borst en de oogen op den haard gevestigd; hij scheen in diep nadenken verzonken.
Eindelijk hief hij het hoofd op en wendde zich tot zijne vrouw.
„Hoort gij de kinderen niet schreeuwen?” vroeg hij.
„Ik weet waarlijk niet wat hun van daag schort,” antwoordde zij, „zij zijn niet tot bedaren te krijgen; Betsy is reeds langer dan een uur bij hen, zonder dat het haar gelukte ze te doen inslapen.”
„Dan moest gij zelve liever eens gaan zien, melieve, dat zou misschien beter zijn dan ze geheel aan de zorg van eene dienstbode over te laten.”
Mistress Watt ging zonder iets te zeggen de kamer uit en weldra hoorde men hare stem op de bovenverdieping, waar de kinderkamer was.
De kapitein sprak nu tot den ouden sergeant, die in een hoek van het vertrek een juk zat te herstellen:
„Het is u dus niet gelukt, Bothrel,” zeide hij, „om dien verwenschten heidenschen hondsvot meester te worden, die mij van daag zoo ruw op den grond heeft geworpen?”
„Wij hebben hem zelfs geen enkele maal in ’t oog kunnen krijgen, kapitein,” antwoordde de sergeant; „die Indianen zijn als de slangen, zij glippen overal door heen. Gelukkig dat ik Boston heb teruggevonden; het arme beest scheen zelf blij dat hij ons wederzag.”
„Ja, ja, Boston is een edel dier, ik zou hem niet gaarne hebben willen verliezen. De heiden heeft hem immers niet gekwetst? Zooals gij weet, zijn die roode duivels wel gewoon hunne paarden te mishandelen.”
„Hij mankeert niets, zooveel ik heb kunnen zien; de Indiaan zal zeker genoodzaakt zijn geweest hem onverwijld in den steek te laten, toen hij merkte dat wij hem te digt achter de hielen kwamen?”
„Dat zal wel zoo zijn, sergeant. Hebt gij de omstreken met zorg onderzocht?”
„Met de grootste zorg, kapitein; ik heb niets ontdekt dat mij verdacht voorkwam. De Roodhuiden zullen zich wel tweemaal bedenken eer zij ons aanvallen, wij hebben ze te ruw van den hals geschud, dat zullen zij zoo spoedig niet vergeten.”
„Dat ben ik niet met u eens, sergeant, de heidenen zijn wraakgierig; ik houd mij overtuigd dat zij zich gaarne op ons zouden wreken en dat wij te avond of morgen, misschien reeds spoedig, hun oorlogskreet in het dal zullen hooren.”
„Ik verlang er niet naar, als ik u de waarheid moet zeggen, maar ik geloof, als zij het durven wagen, dat zij weten zullen met wie zij te doen hebben.”
„Dat denk ik ook; maar het zou voor ons eene treurige verrassing zijn, vooral nu wij, dank zij onze moeite en zorgen, op het punt zijn om de vruchten van onzen arbeid te plukken, en de eerste oogst op het veld staat.”
„Dat is zoo, het zou zeer spijtig zijn, want de schade die wij door een aanval van zulke bandieten te vreezen hebben is niet te berekenen.”
„Ongelukkig kunnen wij alleen op onze hoede zijn, daar het niet mogelijk is om de plannen te voorkomen of te verijdelen die de roode duivels zonder twijfel tegen ons smeden. Hebt gij de schildwachts wel zoodanig geplaatst als ik u gezegd had, sergeant?”
„Ja, kapitein en ik heb hun aanbevolen om toch vooral waakzaam te zijn, zoodat ik niet geloof dat de Pawnees, hoe listig zij ook wezen mogen, ons ligt zullen overrompelen.”
„Men moet op niets te veel vertrouwen, sergeant,” antwoordde de kapitein terwijl hij twijfelmoedig het hoofd schudde.
Op hetzelfde oogenblik, alsof het toeval zijne vrees wilde bevestigen, werd de groote schel, die buiten was geplaatst en dienen moest om de kolonisten te verwittigen dat iemand verlangde binnen te komen, met kracht overgehaald.
„Wat is dat?” riep de kapitein, terwijl hij op de klok keek die tegenover hem aan den muur hing; „het is reeds acht ure, wie komt daar nog zoo laat? Zijn al onze mannen nog niet binnen?”
„Allen zijn thuis, kapitein, er is niemand van ons meer buiten.”
James Watt stond op, greep zijn geweer, en den sergeant een wenk gevende om hem te volgen, trad hij reeds naar de deur.
„Waar wilt gij naar toe, lieve vriend?” vroeg op eens eene zachte maar onrustige stem.
De kapitein keerde zich om, en zag zijne vrouw, die in de zaal was gekomen zonder dat hij haar bemerkt had.
„Hebt gij de bel niet gehoord?” vroeg hij haar, „er schijnt iemand buiten te staan.”
„Ja, ik heb die gehoord, lieve,” antwoordde zij; „maar zoudt gij wel open doen op zulk een laat uur?”
„Mistress Watt” hervatte hij koel maar ferm, „ik ben het hoofd der kolonie, het is juist op dit uur mijn pligt om open te doen, omdat er misschien gevaar is en ik aan allen een voorbeeld van moed en pligtsbetrachting moet geven.”
Op het oogenblik klonk de schel voor de tweede maal.
„Gaan wij,” vervolgde de kapitein tegen den sergeant.
De jonge vrouw antwoordde niet; zij zonk op een stoel neer, bleek en bevend van angst.
Intusschen was de kapitein naar buiten gegaan, gevolgd door Bothrel en vier jagers, allen met buksen gewapend.
De nacht was donker, er blonk geen enkele ster, en de hemel was zoo zwart als inkt, zoodat men op twee passen afstand niets kon onderscheiden, en er woei een koude huilende wind. Bothrel had een lantaarn medegenomen om in de duisternis vooruit te zien en den weg te vinden.
„Hoe komt dat?” vroeg de kapitein, „dat de schildwacht die aan de ophaalbrug staat, geen werda heeft geroepen?”
„Misschien heeft hij geen alarm willen maken, daar hij wel wist dat de bel in de toren gehoord kon worden.”
„Hum!” mompelde de kapitein tusschen de tanden.
Zij vervolgden hun weg; weldra hoorden zij geluid van stemmen en luisterden; het was de schildwacht die sprak.
„Heb geduld,” riep hij, „ze komen al; ik zie een lantaren blinken, gij zult geen twee minuten meer behoeven te wachten; maar in uw eigen belang zou ik u raden om u niet te verroeren, of ik stuur u dadelijk een kogel in het lijf.”
„Duivelsch!” antwoordde een spottende stem aan den overkant der gracht, „gij schijnt zonderlinge denkbeelden van de gastvrijheid te hebben, daar binnen; maar dat zij zoo, ik zal wachten; schouder intusschen uw geweer, ik heb volstrekt geen plan om hier alleen storm op u te loopen.”
Op dit oogenblik kwam de kapitein op de verschansing.