De zwervers op de grenzen

Part 22

Chapter 224,046 wordsPublic domain

„Ja,” antwoordde de Amerikaan, „ik heb nu acht uren te paard gezeten, ongerekend dat ik den vroegen morgen met vechten heb doorgebragt.”

„Caramba! dan hebt gij een zware taak gehad.”

„Dat moogt gij gerust zeggen, zonder gevaar van u te vergissen; want op mijn eer als jager, heb ik maar zelden zoo veel te doen gehad.”

„Zijt gij jager?”

„Om u te dienen.”

„Dat is een schoon vak,” zei de soldaat met een zucht; „ik ben het ook geweest.”

„En gij treurt er nog om?”

„Alle dagen.”

„Dat kan ik wel denken; als men eens het leven der wildernis genoten heeft, verlangt men er steeds naar terug.”

„Helaas!”

„Waarom hebt gij het vaarwel gezegd, als gij er toch zooveel van houdt?”

„Ach, ja!” riep de soldaat, „de liefde!”

„Hoedat, de liefde?”

„Ja, eene chola, daar ik zoo gek was op te verlieven, heeft mij overgehaald om dienst te nemen.”

„Wel drommels!”

„Ja, en naauwelijks had ik mijn uniform aangetrokken, of zij vertelde mij dat zij zich in mij vergist had, daar ik er in mijn nieuwe pak veel leelijker uitzag dan zij zich ooit had kunnen verbeelden; kortom, zij gaf mij zonder omwegen den zak, om een arriero na te loopen.”

De Amerikaan moest om deze zonderlinge historie hartelijk lagchen.

„Dat is treurig, niet waar?” hervatte de soldaat.

„Zeer treurig,” antwoordde John Davis, terwijl hij te vergeefs zijn gewone bedaardheid zocht te hernemen.

„Wat zal ik er tegen doen?” vervolgde de dragonder zwaarmoedig, „de wereld is vol bedrog. Maar,” riep hij, op eens van toon veranderend, „ik geloof dat ons eten klaar is, ik krijg een zekeren reuk in den neus die mij zegt dat het tijd is om den ketel af te nemen.”

Terwijl John Davis op dit besluit van den soldaat natuurlijk niets had aan te merken, begon laatstgenoemde het onmiddellijk ten uitvoer te leggen; de ketel werd van het vuur getild en voor de twee gasten op den grond geplaatst, die er terstond een krachtdadigen aanval op begonnen, zoodat hij ondanks den redelijken omvang weldra geledigd was.

Dit heerlijke maal werd met een teug catalonische refino besproeid, waar de soldaat rijkelijk van voorzien scheen te zijn.

Eindelijk werd alles besloten met een zware cigarette, de onmisbare bekrooning van iederen maaltijd in Spaansch Amerika, en de beide mannen, versterkt door het goede voedsel dat zij genoten hadden, waren thans welgemoed en in de beste stemming om openhartig zamen te praten.

„Gij schijnt mij toe een man van voorzorgen te zijn, caballero,” merkte de Amerikaan aan, terwijl hij een verbazende wolk tabaksdamp deels door zijn mond deels door zijn neus uitblies.

„Dat is nog een overblijfsel van mijn oude beroep als jager,” zei de ander. „De soldaten zijn over het geheel zoo zorgzaam niet, dat scheelt veel.”

„Hoe meer ik u leer kennen,” hernam John Davis, „hoe meer ik mij verwonderen moet dat gij een zoo weinig voordeel gevend vak hebt kunnen kiezen als het militaire.”

„Wat kan men er tegen doen? dat is mijn kruis en bovendien, de onmogelijkheid om mijn uniform naar den duivel te zenden! Maar toch, ik hoop over een jaar cabo (brigadier) te zijn.”

„Hum! dat is een mooije graad, zooals ik hoor zeggen; dat geeft een goed traktement.”

„Dat zou zeker zoo slecht niet zijn, als wij het maar ontvingen.”

„Hoedat? als wij het maar ontvingen.”

„Ja!... Het schijnt dat het gouvernement niet rijk is.”

„Zoo! geeft gij het dan krediet?”

„Wij moeten wel.”

„Te duivel! neem mij niet kwalijk, dat ik u al deze vragen doe, die gij wel onbescheiden zult vinden.”

„Geenszins, stoor u daaraan niet, wij praten als vrienden.”

„Hoe kunt gij dan leven?”

„Ha, ja! wij hebben het casual.”

„Het casual! wat is dat?”

„Weet gij dat niet?”

„Ik moet zeggen van neen.”

„Ik zal het u uitleggen.”

„Dat zal mij pleizier doen.”

„Het gebeurt dikwijls dat onze kapitein of generaal ons eene bijzondere zending opdraagt.”

„Zeer goed.”

„Die zending wordt afzonderlijk betaald, hoe gevaarlijker zij is hoe grooter wordt de som.”

„Altijd op krediet?”

„Te duivel neen! vooruit.”

„Dat is beter.”

„Niet waar?”

„En hebt gij nog wel eens van die zendingen?”

„Dikwijls, vooral in tijden van pronunciamento (nieuwe regering.)”

„Ja, maar het is nu bijna een jaar dat er geen nieuwe generaal aan ’t bewind is gekomen.”

„Ongelukkig genoeg.”

„Dus zit gij nu op droog zaad?”

„Niet geheel en al.”

„Hebt gij dan zendingen gehad?”

„Ik heb er een op dit oogenblik.”

„Goed betaald?”

„Ordentelijk.”

„Is het niet al te nieuwsgierig u te vragen hoeveel?”

„O, neen: ik heb vijfentwintig oncen gehad.”

„Carai! een aardige som. Die zending moet wel gevaarlijk zijn, dat zij zoo goed betaald wordt.”

„Zij is niet zonder gevaar.”

„Hum! pas dan maar goed op.”

„Dank u; maar ik waag niet veel: ik heb slechts een brief over te brengen.”

„Is ’t waar, een brief....” riep de Amerikaan onverschillig.

„O! maar deze is van meer belang dan gij misschien denkt.”

„Bah!”

„Waarachtig! op mijn woord, het geldt eenige millioenen.”

„Wat zegt gij daar?” riep John Davis tegen wil en dank onthutst.

Sedert zijne ontmoeting met den soldaat, had de jager het er op toegelegd om hem uit te hooren over de reden van zijne komst in deze eenzame streek, want het vinden van een dragonder in de prairie kwam hem niet zonder reden zeer vreemd voor; het deed hem dus bijzonder genoegen dat deze als van zelf in den strik liep dien hij hem gespannen had.

„Ja,” hervatte de soldaat, „generaal Rubio, wiens ordonnans ik ben, heeft mij met een estafette naar kapitein Melendez belast, die op dit oogenblik een geld-konvooi eskorteert.”

„Denkt gij dat?”

„Carai! of ik het denk? ik zeg u immers dat ik den brief bij mij heb.”

„Dat is zoo; maar wat heeft de generaal er mede voor, dat hij aan den kapitein schrijft?”

De soldaat keek den jager aan met een guiterig gezigt; toen op eens van toon veranderende, zeide hij, hem scherp in de oogen ziende:

„Wilt gij met open kaart spelen?”

De jager begon te meesmuilen.

„Goed,” antwoordde hij, „ik zie dat wij elkander wel verstaan zullen.”

„Waarom niet? Goed afspreken is alles tusschen caballeros. Wij spelen dus zuiver spel, niet waar?”

„Dat begrijpt zich.”

„Beken het maar dat gij gaarne woudt weten wat er in den brief staat.”

„O! louter nieuwsgierigheid, dat zweer ik u.”

„Pardi! daar ben ik van overtuigd: welnu, het hangt slechts van u af om het te weten.”

„Goed, dan zullen wij het spoedig eens worden; zeg mij uwe voorwaarden?”

„O, die zijn eenvoudig genoeg.”

„Spreek op!”

„Zie mij eens goed aan; herkent gij mij niet.”

„Op mijn woord, neen.”

„Dan moet ik zeggen dat ik beter geheugen heb dan gij.”

„Dat is wel mogelijk.”

„Ik herken u.”

„Gij?”

„Ja, zeer goed.”

„Gij kunt mij ergens gezien hebben.”

„Wel waarschijnlijk, maar dat maakt weinig uit, het voornaamste is, dat ik weet wie gij zijt.”

„O! een eenvoudig jager.”

„Ja, en een intiem vriend van den Jaguar.”

„Wat zegt gij daar!” riep John Davis met een sprong van verrassing.

„Laat u niet verschrikken door zulk eene beuzeling; antwoord liever: is het waar, of niet waar?”

„Het is waar; ik zie niet in waarom ik dit tusschen u en mij zou verbergen.”

„Gij zoudt verkeerd doen. Waar is de Jaguar op dit oogenblik?”

„Ik weet het niet.”

„Zeg liever dat gij het niet wilt zeggen.”

„Gij hebt het geraden.”

„Goed. Zoudt gij, indien ik zulks verlangde, mij bij hem kunnen brengen?”

„Daar zie ik geen bezwaar in, zoo de zaak de moeite waard is.”

„Heb ik u niet gezegd dat het om millioenen te doen was?”

„Dat wel, maar gij hebt het mij niet bewezen.”

„Het is dus dit bewijs dat gij van mij verlangt?”

„Anders niets.”

„Dat gaat moeijelijk genoeg.”

„Toch niet.”

„Hoe meent gij?”

„Mijn hemel! ik ben een goed kameraad; ik wil niets meer dan mijne verantwoording dekken; laat mij den brief zien, meer vraag ik niet.”

„Zoudt gij daarmede voldaan zijn?”

„Zooveel te meer daar het schrift van den generaal mij bekend is.”

„O! dan zijn wij spoedig geholpen.” Thans haalde hij een groot toegevouwen en gezegeld papier uit zijne borst: „Kijk,” zeide hij terwijl hij het aan den Amerikaan liet zien, zonder het echter los te laten.

Laatstgenoemde beschouwde het eenige minuten met aandacht.

„’t Is wel het schrift van den generaal, niet waar?” vervolgde de soldaat.

„Ja.”

„Bewilligt gij nu, mij naar den Jaguar te brengen?”

„Zoodra gij maar wilt.”

„Dadelijk dan.”

„Dadelijk? goed.”

De beide mannen stonden op als met gemeen overleg, deden de paarden het gebit weder aan, sprongen in den zadel, en reden in galop weg van de plaats die hun verscheidene uren zulk eene verkwikkelijke schaduw verleend had.

XXIX.

DE KOOP.

De twee avonturiers galoppeerden vrolijk naast elkander voort, keuvelden zamen over zonneschijn en regen, over de nieuwtjes der woestijn, namelijk hunne jagtpartijen en schermutselingen met de Indianen, en redeneerden over de staatkundige gebeurtenissen die sedert de laatste maanden een ernstigen keer hadden genomen en niet zonder verontrustend gewigt waren voor de Mexicaansche regering.

Zoo al voortpratend, soms over de nietigste zaken, en elkander vragen doende daar zij naauwlijks het antwoord op verlangden, had hun gesprek geen ander doel dan om de gedachten te verbergen waar elk van hen zich in stilte mede bezig hield.

Bij hunne vorige redewisseling hadden beiden met list gewerkt om achter elkanders geheimen te komen, de jager manoeuvreerde om den soldaat tot verraad over te halen en de soldaat op zijne beurt om zich daartoe op eene voordeelige manier te laten omkoopen; aan het slot van dezen tweestrijd met de wapenen der sluwheid, bleken beiden even sterk te zijn, maar had toch ieder de uitkomst verkregen die hij beoogde.

Dit punt bereikt zijnde, kon de kwestie tusschen hen niet lang blijven staan; gelijk bij alle schraapzuchtige gemoederen, had het succes, in plaats van hun voldoening te geven, in hun binnenste een aantal vermoedens doen oprijzen; John Davis bijv. vroeg zich in stilte, wat toch den dragonder bewogen had om zoo gemakkelijk zijne partij te verraden, zonder vooraf eenige aanzienlijke voordeelen voor zich zelven te bedingen?

Want in Amerika telt alles, vooral eerloosheid doet er vaak goede zaken.

Van zijn kant vond de dragonder dat de jager wat al te ligt geloof had geslagen aan hetgeen hij hem vertelde, en ondanks de minzame manieren van zijn nieuwen kameraad nam zijne ongerustheid meer en meer toe, naarmate hij het kamp der grensloopers naderkwam, daar hij begon te vreezen dat hij zich blindelings in een strik had laten vangen, door zoo onvoorzigtig vertrouwen te schenken aan iemand wiens goede naam veel te wenschen overliet.

Dit was zoo wat ongeveer de gemoedsstemming tusschen de twee avonturiers tegenover elkander, een uurtje nadat zij de plek verlaten hadden die hen zoo toevallig te zamen bragt.

Intusschen hielden zij de vrees die hen bezielde elk voor zich zorgvuldig geheim; uitwendig was er niets van te bespeuren; integendeel wedijverden zij in beleefdheid en voorkomendheid en behandelden zich onderling veeleer als lieve broeders, die verrukt waren elkander na lange scheiding weder te zien, dan als lieden die naauwlijks twee uren geleden elkander voor het eerst in hun leven gesproken hadden.

De zon was reeds een uur ondergegaan en de nacht stikdonker toen zij het kamp van den Jaguar bereikten, en op korten afstand in de duisternis de bivakvuren zagen flikkeren, wier roode gloed op de omringende voorwerpen een tooverachtige uitwerking deed en op het sombere landschap der prairie het stempel drukte eener majestueuze woestheid.

„Wij zijn er,” riep de jager zijn paard inhoudende met een zijdelingschen wenk tegen zijn kameraad, „niemand heeft ons bemerkt: gij kunt dus nog terugkeeren zoo gij verkiest, zonder vrees voor vervolging, hoe wilt gij?”

„Canarios! kameraad,” antwoordde de dragonder even de schouders ophalende op een toon van minachting, „ik ben niet herwaarts gekomen om nog aan den ingang van het kamp te staan weifelen; neem mij niet kwalijk, maar met allen eerbied voor uw verstand, vind ik uwe vraag ten minste vrij zonderling.”

„Ik was aan mij zelven schuldig u die te doen,” meesmuilde John Davis, „wie weet of gij u morgen niet beklaagt over den stap dien gij van daag doet?”

„’t Is mogelijk. Maar het zij zoo, ik waag er mij aan; mijn besluit is eenmaal genomen, en staat onbewegelijk. Rukken wij dus in ’s hemels naam voorwaarts!”

„Zoo als gij verkiest, caballero, binnen vijf minuten zijt gij in de tegenwoordigheid van den chef dien gij verlangt te zien; gij kunt u met hem verstaan, mijne taak is geëindigd.”

„En ik heb niets meer te doen dan er u voor te bedanken,” viel de soldaat hem met drift in de rede; „maar blijven wij hier toch niet langer staan, wij zouden ligt de aandacht trekken en een kogel op ons af krijgen, daar ik om u de waarheid te zeggen niet op gesteld ben.”

Zonder te antwoorden, gaf de jager zijn paard de sporen en zij reden op nieuw voort.

Na verloop van een paar minuten kwamen zij binnen den kring der door de vuren verlichte ruimte; bijna op het zelfde oogenblik hoorden zij het ketsen van een geweerslot en riep er eene ruwe stem om voor den duivel niet verder te komen.

Deze aanmaning, ofschoon niet zeer beleefd, was desniettemin verpligtend; de beide avonturiers achtten het dus voorzigtig om er zich naar te gedragen.

Verscheidene gewapenden kwamen thans uit de verschansing te voorschijn, en een van hen de vreemdelingen toesprekende, vroeg wie zij waren en wat zij op zulk een onvoegzaam uur verlangden.

„Wie wij zijn?” antwoordde de Amerikaan; „vrienden! en wat wij verlangen? zoodra mogelijk binnen te komen.”

„Dat is alles zeer fraai en goed,” hervatte de andere, „maar als gij uw naam niet opgeeft, zult gij niet zoo spoedig worden binnengelaten, te minder, daar een van u een uniform draagt die bij ons niet in den besten reuk staat.”

„Zeer goed, Ruperto,” antwoordde de Amerikaan, „ik ben John Davis, gij kent mij, zou ik denken; laat mij derhalve zonder verder oponthoud binnen; voor dezen caballero sta ik u borg, hij heeft aan uw chef eene belangrijke mededeeling te doen.”

„Wees welkom, master John; neem mij niet kwalijk dat ik u heb opgehouden, zoo als gij weet is de voorzigtigheid de moeder van de zekerheid.”

Zij traden thans zonder verdere verhindering het kamp binnen.

De grensloopers lagen allen rondom hunne bivakvuren ingeslapen; slechts een kordon schildwachten, aan de uitgangen van het kamp geplaatst, waakten voor de algemeene veiligheid.

John Davis steeg af en verzocht zijn kameraad om het zelfde te doen; daarop wenkte hij hem te volgen, terwijl hij naar eene tent stapte, door welker linnen gordijn men een zwak licht zag flikkeren.

Aan den ingang der tent komende bleef de jager staan, klapte tweemaal in de handen, en riep met eene gerekte stem:

„Slaapt gij, Jaguar?”

„Zijt gij het, John Davis, mijn oude kameraad?” antwoordde terstond eene stem uit de tent.

„Ja.”

„Kom binnen dan, ik wacht u met ongeduld.”

De Amerikaan hief het gordijn op dat voor den ingang hing en sloop de tent binnen, op de hielen gevolgd door den dragonder, terwijl het gordijn achter hen toeviel.

De Jaguar zat op een bisonsschedel aan een kleine tafel, en doorbladerde een aantal brieven en papieren bij het licht eener schemerende candil; in een hoek der tent zag men twee of drie beerenvellen, zonder twijfel bestemd om hem tot bed te dienen. Op het gezigt der binnenkomenden, schoof de jongman zijne papieren bij een en sloot ze weg in een kleine ijzeren schrijfcassette, waarvan hij den sleutel in zijn borstzak verborg; toen hief hij het hoofd op en wierp een onrustigen blik naar den dragonder.

„Wat is dat, John?” vroeg hij, „brengt gij mij gevangenen?”

„Neen,” antwoordde John; „deze caballero heeft volstrekt verlangd u te zien, om zekere redenen die hij u zelf verklaren zal, ik heb gemeend aan zijn verlangen gevolg te moeten geven.”

„Goed, wij zullen ons dadelijk met hem bezig houden; maar wat hebt gij gedaan?”

„Wat gij mij hadt opgedragen.”

„Gij zijt derhalve geslaagd?”

„Volkomen.”

„Bravo! mijn vriend; vertel mij dat eens nader.”

„Waartoe nadere opheldering?” hernam de Amerikaan met een zijdelingschen oogwenk naar den dragonder, die onbewegelijk en bedaard twee passen van hem afstond.

De Jaguar begreep hem.

„Gij hebt gelijk,” zeide hij; „laten wij dan zien wat wij van dezen man kunnen maken;” zich toen tot den soldaat wendende, vervolgde hij: „kom nader, mijn dappere.”

„Geheel tot uwe orders, kapitein.”

„Hoe heet gij?”

„Gregorio Felpa. Ik ben dragonder, zooals gij reeds aan mijn uniform kunt zien, kapitein.”

„Om welke reden verlangt gij mij te zien?”

„Uit verlangen om u een gewigtige dienst te bewijzen, kapitein.”

„Ik zeg u dank; maar goede diensten laten zich gewoonlijk verduiveld duur betalen, en ik ben niet rijk.”

„Gij kunt het worden.”

„Ik hoop ja. Maar welke is die groote dienst die gij mij wilt bewijzen?”

„Dat zal ik u in twee woorden zeggen, kapitein. Alle politieke zaken hebben twee aangezigten, het hangt slechts af van het oogpunt uit hetwelk men ze beziet. Ik ben een kind van Texas, de zoon van een Amerikaanschen vader en eene Indiaansche moeder hetgeen met andere woorden wil zeggen, dat ik de Mexicanen van ganscher hart verfoei.”

„Kom ter zake.”

„Ik ben er reeds. Soldaat tegen mijn zin, heeft de generaal Rubio mij met een brief belast voor kapitein Melendez, in welken hij hem het punt aanwijst daar hij zich heen begeven moet om de Rio-Seco te vermijden, waar men zegt dat gij plan hebt om hem af te wachten, ten einde de conducta op te ligten.”

„Ah zoo!” riep de Jaguar, op eens met gespannen aandacht luisterende; „maar hoe weet gij zoo goed wat er in den brief staat?”

„Dat is zeer eenvoudig, kapitein. De generaal stelt in mij een onbepaald vertrouwen. Hij heeft mij de dépêche voorgelezen, te meer daar mij gelast is om den kapitein als gids te dienen en hem op het aangewezen punt te brengen.”

„Maar dan verraadt gij uw chef?”

„Is dat wel de regte naam waarmede gij mijne daad bestempelen moet?”

„Ik spreek uit het gezigtspunt van den generaal.”

„En uit het uwe dan?”

„Als wij het eens zijn geworden, zal ik u dat zeggen.”

„Goed,” antwoordde de soldaat onbekommerd.

„Hebt gij die dépêche?”

„Hier is zij.”

De Jaguar nam haar aan, bekeek haar aandachtig, keerde haar om en om en hield zich alsof hij haar wilde openbreken.

„Pas op, kapitein!” riep de soldaat schielijk.

„Waarom?”

„Als gij haar openbreekt, kan ik haar niet meer aan het adres bezorgen.”

„Hoe zegt gij daar?”

„Gij begrijpt mij niet,” riep de soldaat met kwalijk verholen ongeduld.

„Dat kan wel zijn,” antwoordde de Jaguar.

„Ik verzoek u alleen om mij vijf minuten aan te hooren.”

„Spreek.”

„De plaats die generaal Rubio den kapitein heeft aangewezen, is de laguna del Venado. Eer men aan dit punt komt, ligt een vrij naauwe en zeer boschrijke bergengte.”

„De pas del Palo-Muerto, die ken ik.”

„Goed. Daar moet gij u links en regts in de bosschen versteken, en als de conducta voorbijkomt haar aan alle zijden te gelijk bespringen, dan is het onmogelijk dat zij u ontsnapt, wanneer gij, zoo als ik niet twijfel, uwe maatregelen goed weet te nemen.”

„Ja, voor een overrompeling is de plaats uitmuntend geschikt; maar wie staat mij borg dat het konvooi deze bergengte passeert, en niet de Rio-Seco?”

„Ik.”

„Hoe dat, gij?”

„Welzeker, daar ik haar geleiden moet als gids.”

„Hum! nu verstaan wij elkander niet meer.”

„Integendeel, zeer goed; ik verlaat u, en ik begeef mij naar den kapitein, om hem den brief ter hand te stellen; dan zal hij tegen wil en dank gedwongen zijn mij tot gids te nemen; en ik zal hem in uwe handen leveren zoo zeker als een schaap dat naar den slagter gaat.”

De Jaguar schoot den soldaat een blik toe zoo doordringend, als had hij hem tot in het diepst van zijn hart willen zien.

„Gij zijt een stoutmoedige knaap,” zeide hij, „maar gij regelt de zaken dunkt mij een weinig te veel naar uw eigen goedvinden. Ik ken u niet, het is voor het eerst dat ik u zie en, neem mij niet kwalijk dat ik het zeg, gij komt nog wel om mij met u in een verraad te betrekken. Wie staat mij borg voor uwe trouw? Als ik onnoozel genoeg ben u stil te laten gaan, wie verzekert mij dan dat gij u niet tegen mij zult keeren?”

„Vooreerst mijn eigen belang; zoo gij u van het konvooi meester maakt, krijg ik van u vijf honderd oncen.”

„Dat is niet te veel; veroorloof mij eene bedenking.”

„Spreek, kapitein.”

„Wie verzekert mij, dat men u niet tweemaal zooveel heeft gegeven, om u van mij meester te maken?”

„O!” riep de soldaat met een wenk van sterke ontkenning.

„Wat duivel! hoor eens, men heeft wel eens vreemder dingen gezien, en hoe weinig mijn hoofd ook waard zij, moet ik tot mijne schande bekennen dat ik het niet gaarne zou verspelen; ik verklaar u dus, als gij geen betere waarborgen hebt, dat er van de zaak niets komt.”

„Dat zou jammer zijn.”

„Ik weet het wel, maar dat hapert aan u en niet aan mij; gij hadt uwe maatregelen beter moeten nemen alvorens bij mij te komen.”

„Er is dus niets dat u van mijne goede trouw zou kunnen verzekeren?”

„Niets.”

„Wacht! wij zullen er een eind aan maken,” riep de soldaat vol ongeduld.

„Hoe eer hoe liever bid ik u. Dat is al wat ik verlang.”

„Ik kan er immers op rekenen, señor, dat ik de vijf honderd oncen goud van u krijg?”

„Als ik door uw toedoen meester ben van de conducta de plata.”

„Pardi!”

„Ik beloof het u.”

„Dat is mij genoeg, ik weet wel dat gij uw woord niet zult breken.”

Thans knoopte hij zijn uniformbuis los, nam een zakje dat aan een kettingje aan zijn hals hing en hield het den kapitein voor.

„Weet gij wat dat is?” vroeg hij.

„Wel zeker,” antwoordde de Jaguar een kruis slaande, „dat is een reliek.”

„Gezegend door den Paus, zoo als het attest dat er bij is, aantoont.”

„’t Is waar.”

Hij deed het van zijn hals, stelde het den jongman ter hand, maakte toen met de beide duimen een kruis en sprak met eene nadrukkelijke stem:

„Ik, Gregorio Felpa, zweer op dit reliek, dat ik al de voorwaarden van den tusschen mij en den edelen kapitein Jaguar gesloten koop, getrouw zal nakomen; zoo ik mijn eed mogt breken, dan verzaak ik van heden af voor altijd mijn deel aan het paradijs en geef mij over aan de eeuwige vlammen der hel—hiermede,” vervolgde hij, „bewaart gij deze kostbare reliek, en geeft mij die niet weder voor dat ik terug kom.”

De kapitein hing het zich onmiddellijk om den hals, zonder een woord te antwoorden.

Kan er grooter ongerijmdheid bestaan dan deze tegenstrijdigheid van het menschelijk hart! Deze Indianen, nog grootendeels heidenen, ofschoon zij den heiligen Doop ontvangen hebben en terwijl zij in het openbaar de regelen der katholieke godsdienst waarnemen, houden zij zich nog altijd in ’t geheim aan de vormen en denkbeelden van hun voorvaderlijk geloof, en stellen daarbij een onbepaald vertrouwen op relieken en amuletten of toovermiddelen; ieder draagt er een in een zakje om den hals, en deze losbandige menschen, voor welke niets te heilig is, die met de edelste gevoelens spotten en wier leven in het bedenken en najagen van allerlei bedrog en verraderij omgaat, hebben voor deze relieken zoo veel eerbied dat zij er hunne plegtigste eeden op zweren en er geen voorbeeld bestaat dat zij zulk een eed immer gebroken hebben.

Verklare wie lust heeft dit buitengewoon verschijnsel, wij voor ons willen het hier alleen aangeven.

Nadat de soldaat zijn eed had afgelegd, waren de twijfelingen van den Jaguar onmiddellijk verdwenen om voor het onbepaaldste vertrouwen plaats te maken.

Het gesprek verloor thans dien gespierden toon dien het tot op dit oogenblik had; de dragonder nam op een der bisonsschedels plaats en de drie mannen, voortaan eensgezind, begonnen eene vertrouwde redewisseling over de beste middelen om zonder gevaar of hindernis hun doel te bereiken.

Het hoofdzakelijke plan door den soldaat voorgesteld was zoo eenvoudig en gemakkelijk in de uitvoering dat er aan het welslagen geen twijfel kon bestaan; het werd dus in zijn geheel aangenomen en het gesprek liep alleen over kleine bijzonderheden.