De zwervers op de grenzen

Part 21

Chapter 213,967 wordsPublic domain

Het digte bladgewelf onder hetwelk de karavaan langzaam voorttrok, sloot den hemel geheel af; slechts hier en daar drong een verdwaalde zonnestraal door de zaamgevlochten takken, naauwelijks voldoende om de duisternis te verdrijven, die in het digtste bosch doorgaans blijft heerschen zelfs op den vollen middag. De Europeaan, die geen andere bosschen kent dan die der oude wereld, kan zich in de verte geen denkbeeld maken van de onmetelijke „plantenoceanen” die men in Amerika onder den naam van ongerepte wouden begrijpt.

In die ongebaande wildernissen schijnen de boomen elkander vast te houden, zoo digt zijn allen aan elkander gegroeid en onderling zaam verbonden, door netwerken van lianen en andere slingerplanten, die de stammen aaneenstrengelen, zich om de takken kronkelen, tot op den grond afdalen en wortel vatten, om vandaar weder op te schieten, nu eens als de pijpen van een reuzenorgel, dan onder allerlei fantastische vormen, figuren en guirlandes, opwaarts en nederwaarts slingeren, soms tusschen vervaarlijke massaas van zekere woekerplant, Spaansche Baard genaamd, die in groote trossen aan het uiteinde van al de takken hangt; terwijl de bodem, bedekt met het vergane blad van duizend winters, zich verschuilt onder een tapijt van ondoordringbare struiken en gras van eenige ellen hoogte. De boomen, meest allen van dezelfde soort, bieden zoo weinig verscheidenheid van vorm, dat de een slechts de getrouwe afdruk van al de overigen schijnt te zijn.

In deze wouden vindt men in alle rigtingen smalle voetsporen, sedert vele eeuwen door de wilde dieren gebaand om naar hunne geheime drinkplaatsen te komen. Hier en daar onder het afgevallen blad verschuilen zich stinkende moerassen, boven welke zwermen moskieten gonzen en dikke nevelwalmen opstijgen, die het bosch verduisteren; kruipdieren, slangen, hagedissen en insecten van allerlei soort wriemelen over den grond, zacht schuifelend of in verraderlijke stilte; terwijl het geschreeuw der vogels en het heesch gebrul der wilde beesten soms een schrikbarend concert maakt, dat de echoos der meeren en poelen doet weergalmen.

De meest geoefende woudlooper zelfs waagt zich niet zonder beven in zulk een ongerepte wildernis, want het is schier onmogelijk om er zonder kompas den weg te vinden, en op de bedriegelijke doolpaden die er zich in alle rigtingen kruisen kan men niet vertrouwen; de jagers weten bij ondervinding dat men in zulk een bosch eenmaal verdwaald geraakt en aan alle zijden door muren van hoogstaand gras of ondoordringbare lianengordijnen ingesloten, slechts door een wonder zou kunnen worden gered, en er geene hulp van menschen, hetzij vriend of vijand te hopen is.

Te midden van zulk een bosch verdiepte zich op dit oogenblik de karavaan.

De Gids reed altijd even onbezorgd vooruit, zonder de minste aarzeling, en scheen volkomen zeker van den weg dien hij kiezen moest; slechts nu en dan, bij lange tusschenpoozen, wierp hij een verstrooiden blik links of regts om zich heen, zonder daarom een oogenblik den stap van zijn paard te vertragen.

Intusschen was het bijna middag, de hitte begon ondragelijk te worden, de paarden en menschen, sedert vijf uren des morgens langs uiterst moeijelijke wegen op marsch, waren overstelpt van vermoeijenis en vereischten gebiedend eenige uren rust om den togt verder te vervolgen.

De kapitein besloot om den troep te laten kamperen in een dier ruime open vakken, die men van afstand tot afstand ontmoet, en die gevormd schijnen door omgeworpen geboomte, ten gevolge van hevige orkanen of door ouderdom geveld.

Het signaal om halt te maken werd gehoord. De soldaten en arrieros slaakten een dankbaren zucht en hielden oogenblikkelijk stil.

De kapitein toevallig zijn blik op den gids vestigende, zag dat dit oponthoud hem weinig beviel, er lag een wolk van ontevredenheid op zijn gelaat; zoodra hij echter bemerkte dat men hem in ’t oog hield herstelde hij zich, veinsde in de algemeene vreugde te deelen, en steeg mede af.

De paarden en muilezels werden ontzadeld om zich in vrijheid te kunnen versnaperen aan het jonge boomloof en het gras dat hier in overvloed voorhanden was.

De soldaten deden hun soberen maaltijd en vlijden zich neer op hunne mantels om te rusten.

Weldra lagen al de leden der karavaan in een diepen slaap gedompeld; slechts twee mannen bleven waken. Deze twee mannen waren de kapitein en de gids.

Waarschijnlijk werden beiden te veel door ernstige gedachten bezig gehouden, om zich aan de anders zoo welkome rust over te geven.

Op weinige passen van het kamp lagen eenige monsterachtige krokodillen in de heete zon te bakeren op het graauwe slijk van een kleinen stroom, die zacht murmelend voortkronkelde tusschen de rotsklompen en rietplaten die zijn loop belemmerden. Myriaden insecten vervulden de lucht met hun eentoonig gehommel; de eekhoorns huppelden vrolijk van tak tot tak; de vogels onder het loof verscholen zongen met vollen gorgel, en nu en dan zag men boven het lange gras een damhert of ashata met schuwen blik den fijnen kop opsteken, om het volgend oogenblik verschrikt weg te springen en zich in het kreupelbosch te verbergen.

Maar de twee wakende mannen hadden het te druk met hunne eigene gedachten om te letten op hetgeen er rondom hen gebeurde.

De kapitein hief het hoofd op; op dit oogenblik had de gids juist met zonderlinge vastheid den blik op hem gerigt; verlegen dat hij zich zoo onverhoeds zag overrompelen, zocht hij den kapitein terstond af te leiden door het woord tot hem te rigten, een taktiek die dezen niet ontging en hem dus geenszins van het spoor bragt.

„Wij hebben een heeten dag, kapitein,” zei de gids met een onverschilligen blik.

„Ja,” antwoordde de officier lakoniek.

„Zoudt gij ook geen trek hebben om eenige rust te nemen?”

„Neen.”

„Wat mij betreft, mijne oogen zijn zoo bezwaard dat ze tegen wil en dank bijna toevallen, als gij het mij vergunt zal ik doen als de anderen en eenige oogenblikken rust nemen, die zij zoo onbezorgd schijnen te genieten.”

„Wacht nog even, ik heb u eenige woorden te zeggen.”

„Mij?”

„Ja.”

„Goed,” hernam hij op een toon van volkomen onverschilligheid.

Hij stond op, smoorde een zucht van spijt en kwam bij den kapitein zitten, die een weinig opschoof om plaats voor hem te maken onder de lommerrijke schaduw van een dikken boom, die zijne reuzenarmen, beladen met digte ranken Spaansch mos, ver over hen uitbreidde.

„Wij hebben ernstige zaken te bespreken,” hervatte de kapitein.

„Zoo als u behaagt.”

„Kunt gij opregt zijn?”

„Hoe zoo!” riep de soldaat min of meer van zijn stuk gebragt door deze onbewimpelde vraag.

„Of, als gij dat liever wilt, kunt gij trouw en verknocht zijn?”

„Dat kan er naar wezen.”

De kapitein keek hem aan.

„Zult gij op mijne vragen antwoorden?” vroeg hij.

„Dat weet ik niet.”

„Hoe dat, weet gij dat niet?”

„Hoor eens, kapitein!” riep de gids als om er een grap van te maken, „mijne moeder was eene zeer verstandige vrouw, zij heeft mij altijd geleerd twee soorten van lieden te mistrouwen, namelijk de leeners en de vragers, „want zeide zij,” en niet zonder reden, „de eene komt om uw beurs en de andere om uwe geheimen.”

„Gij hebt dus geheimen?”

„Ik? volstrekt niet.”

„Wat vreest gij dan?”

„Niet veel, dat beken ik. Welnu! vraag maar, kapitein, ik zal zien dat ik u beantwoord.”

De Mexicaansche boer, Indiaan, of kreool, heeft veel van den Normandischen boer, namelijk dat hij bijna nooit eenig bepaald antwoord zal geven op de vraag die men hem doet. De kapitein was dus genoodzaakt zich met de geveinsde belofte van den gids te vergenoegen; hij hervatte:

„Wie zijt gij?”

„Ik?”

„Ja!”

De gids begon te lagchen.

„Dat ziet gij wel.”

De kapitein schudde het hoofd.

„Ik vraag u niet wat gij schijnt te zijn, maar wat gij werkelijk zijt.”

„Wel! mijnheer, welk mensch is in staat om bepaald van zich zelven te zeggen wat hij werkelijk is?”

„Hoor eens, kerel,” hervatte de kapitein op bedreigenden toon, „ik wil mijn tijd niet verbeuzelen met de uitwijkende praatjes te volgen die gij gelieft te maken. Antwoord mij stellig en ordelijk op hetgeen ik u vraag, of anders....”

„Anders?....” viel de gids hem op schertsenden toon in de rede.

„Schiet ik u voor den kop als een hond!” antwoordde hij, terwijl hij een pistool uit zijn gordel nam en den haan overhaalde.

Het oog van den soldaat fonkelde, maar zijne trekken bleven onverschillig en geen spier op zijn gelaat vertrok.

„O, ho! heer kapitein,” riep hij met eene sombere stem; „gij hebt eene wonderlijke manier om uwe vrienden te ondervragen.”

„Wie verzekert mij dat gij een vriend zijt?... Ik ken u niet.”

„Dat is waar, maar gij kent den persoon die mij tot u zond, die persoon is uw chef, zoowel als de mijne; ik heb hem gehoorzaamd met tot u te komen, en gij moet hem gehoorzamen door de orders op te volgen die hij u gegeven heeft.”

„Ja, maar die orders zijn mij door u overgebragt.”

„Wat doet er dat toe?”

„Wie verzekert mij dat die dépêche die gij mij gebragt hebt u werkelijk door hem gegeven werd?”

„Caramba! kapitein, wat gij mij daar zegt is alles behalve vleijend voor mij,” antwoordde de gids op een toon van gevoeligheid.

„Dat weet ik; maar ongelukkig leven wij in een tijd dat het zeer moeijelijk is om zijne vrienden van zijne vijanden te onderkennen; men kan niet genoeg op zijne hoede zijn om niet in den strik te vallen; ik ben door het gouvernement met eene bijzonder teedere zending belast en moet dus uiterst omzigtig te werk gaan met de lieden die ik niet ken.”

„Gij hebt gelijk, kapitein; ook ben ik, ofschoon uwe vermoedens voor mij alles behalve vereerend zijn, geenszins gebelgd over hetgeen gij mij zegt; buitengewone toestanden vereischen buitengewone maatregelen. Alleen zal ik u door mijn gedrag zien te bewijzen dat gij u ten mijnen aanzien bedrogen hebt.”

„Het zal mij hoogst aangenaam zijn als ik mij vergis, maar pas op. Bij den minsten slinkschen trek of dubbelzinnigheid die ik, het zij in uwe bewegingen of woorden bespeurde, zou ik niet aarzelen u een kogel door de hersens te jagen. Intusschen heb ik u gewaarschuwd en kunt gij er u naar gedragen.”

„Goed, kapitein, ik waag er mij aan. Wat er ook gebeure ben ik overtuigd dat mijn geweten mij vrijspreekt, want ik weet dat ik mijn pligt doe.”

Dit gezegde ging hem zoo rond en vrijmoedig af, dat de kapitein ondanks zijn argwaan, er door getroffen werd.

„Wij zullen zien,” zeide hij. „Komen wij spoedig uit dat verwenschte bosch daar wij nu reeds zoo lang in zijn?”

„Wij hebben nog maar twee uren te marcheren, tegen zonsondergang komen wij aan het detachement dat ons wacht.”

„God geve het!” murmelde de kapitein.

„Amen!” zei de soldaat op grappigen toon.

„Maar terwijl gij niet hebt kunnen goedvinden op mijne vragen te antwoorden,” hervatte Melendez, „zult gij mij niet kwalijk nemen dat ik u geen oogenblik uit het oog verlies, en als wij weder op marsch gaan, u aan mijne zijde neem.”

„Dat kunt gij doen naar het u behaagt, kapitein; gij hebt de magt, zoo niet het regt aan uw kant, ik ben verpligt mij naar uwe wenschen te voegen.”

„Zeer goed, gij moogt thans gaan slapen als gij lust hebt.”

„Dus hebt gij mij niets meer te zeggen?”

„Niets.”

„Dan zal ik mij de vrijheid, die gij mij wel wilt toestaan, ten nutte maken om mijn verloren tijd in te halen.”

De soldaat stond op, rekte zich uit en bedwong zich met moeite om niet te geeuwen; hij verwijderde zich eenige passen, strekte zich op den grond uit, sloot de oogen, en lag eenige minuten later in een diepen slaap.

De kapitein bleef waken. Het gevoerde gesprek met den gids had zijne onrust niet weinig doen toenemen, daar het hem bewees, dat deze man onder eene alledaagsch en rondborstig uiterlijk, groote sluwheid verborg. Inderdaad had hij op geen enkele der hem gedane vragen geantwoord, en was het hem in weinige oogenblikken gelukt de aanvallende houding van den kapitein af te slaan en om te keeren, door een redeneertrant die op zich zelf weinig afdeed, maar tegen welke de kapitein niets had kunnen inbrengen.

Don Juan bevond zich op dit oogenblik in de onaangenaamste stemming waarin een man van moed en verstand wezen kan, die over zich zelf noch over anderen voldaan, innig overtuigd was dat hij gelijk had en toch in zekeren zin bekennen moest dat hij ongelijk had en de zaak niet rigtig was.

Zoo als meestal in dergelijke gevallen gebeurt, moesten de soldaten de kwade luim van hun chef misgelden, want de officier, uit vrees dat de duisternis van den nacht iedere slechte kans voor hem zou verergeren, en zich niet gaarne bij nacht in de eindelooze doolhoven van het bosch willende laten overrompelen, maakte de halt veel korter dan hij bij iedere andere gelegenheid zou gedaan hebben.

Omstreeks twee uren na den middag liet hij in den zadel blazen, en gaf bevel om te vertrekken.

De grootste hitte van den dag was echter voorbij; de stralen der zon, die thans minder loodregt neder vielen hadden veel van hunne kracht verloren en de marsch werd onder beter omstandigheden voortgezet dan vroeger.

Zooals hij hem te voren gezegd had, liet de kapitein den gids naast zich rijden, en verloor hij hem, zooveel dit immer mogelijk was, geen oogenblik uit het oog.

Laatstgenoemde scheen zich om deze hinderlijke naauwlettendheid gansch niet te bekommeren, hij reed altoos even onverschillig voort; rookte zijn maïs cigarette en neuriede half overluid nu en dan een soldatenliedje.

Het bosch begon langzamerhand ijler te worden, de opene plekken werden grooter en talrijker en het oog kreeg een meer uitgebreiden gezigteinder: alles droeg bij om te verzekeren dat men weldra het einde der bladgewelven zou bereiken.

Intusschen zag men het land links en regts heuvelachtig worden, de grond begon zich langzamerhand te verheffen en naarmate men vorderde, raakte de weg meer en meer ingesloten.

„Komen wij reeds aan de voorposten der bergen?” vroeg de kapitein.

„O neen, nog niet,” antwoordde de gids.

„Wij geraken toch weldra tusschen twee heuvels.”

„Ja maar geen hooge.”

„Dat is waar, evenwel, als ik mij niet bedrieg, naderen wij een bergengte.”

„Ja, maar van weinig uitgestrektheid.”

„Dat hadt gij wel kunnen waarschuwen.”

„Waarom?”

„Dan zou ik tirailleurs vooruit hebben gezonden.”

„Dat is zoo, maar daar is nog tijd voor, zoo gij dat wilt; aan het einde van dien bergpas moeten wij vinden die ons wachten.”

„Dus zijn wij waar wij wezen moeten?”

„Ten naastenbij.”

„Haasten wij ons dan.”

„Met alle genoegen.”

Zij reden sneller voort.

Op eens bleef de gids staan.

„Hé! kapitein,” riep hij, „kijk eens daar! is dat geen geweerloop dien ik in de zon zie glinsteren?”

De kapitein hief schielijk de oogen op in de aangewezen rigting.

Op het zelfde oogenblik knalde er een vreeselijk geweervuur aan beide kanten van den weg, en regende een hagelbui van kogels op de karavaan.

Eer nog de kapitein, over dezen aanval verontwaardigd, den tijd had om zijn pistool te grijpen, tuimelde hij op den grond, weggesleept door zijn paard, dat door een kogel in het hart was getroffen.

De gids had reeds het hazenpad gekozen, zonder dat men wist hoe of waarheen hij ontsnapt was.

XXVIII.

JOHN DAVIS.

John Davis, de gewezen slavenkooper, was te sterk van zenuwen om zich door den indruk der tooneelen, die hij in den loop van dien dag had bijgewoond en in welke hij zelfs op zeker oogenblik een vrij gevaarlijke rol had gespeeld, op den duur te laten beheerschen.

Nadat hij den Blaauwe-Vos verlaten had, vervolgde hij een geruimen tijd zijn galop, in de rigting waar hij berekenen kon den Jaguar te zullen ontmoeten. Maar allengs gaf hij zich aan zijne gedachten over, en zijn paard, met het wonderbaar instinct dat deze edele dieren bezitten, weldra begrijpende dat zijn meester zich niet langer met hem bezig hield, begon van lieverlede zijn pas te verslappen, en ging van den vliegenden ren in een matigen galop over; vervolgens in den draf en eindelijk in den telgang komende, stapte hij langzaam voort, met het hoofd omlaag en nu en dan met de lippen eenige grashalmen of versche bladeren opsnappende die onder zijn bereik kwamen.

John Davis was sterk getroffen door het gedrag van een der personaadjen met welke de onverwachte gebeurtenissen van dien gedenkwaardigen morgen hem toevallig in verband hadden gebragt.

De persoon die thans de eer genoot de belangstelling van den Amerikaan in zoo hooge mate gaande te maken, was de Blanke-Scalpeur.

De heldhaftige strijd door dezen man alleen tegen een ganschen troep woedende vijanden volgehouden, zijne herculische kracht, de vaardigheid waarmede hij zijn paard bestuurde, kortom, alles scheen in dien man aan het wonderbare te grenzen.

Dikwijls had hij gedurende de ledige avonden bij het bivakvuur in de prairie, omtrent dezen wilden jager de zonderlingste en meest overdreven vertellingen gehoord, door de Indianen, dien hij eene vrees inboezemde van welke hij thans, nu hij den man gezien had, zeer goed de reden begreep; want de zoogenaamde Scalpeur, die met de wapens welke men op hem rigtte scheen te spotten, en die uit iederen strijd welken hij aanving, onverschillig hoe groot het aantal zijner vijanden wezen mogt, ongedeerd terugkwam, scheen inderdaad veeleer een duivel dan een mensch te zijn. Deze gedachte deed John Davis tegen wil en dank sidderen en hij wenschte zich geluk, op zulk eene bijna wonderdadige wijs aan het gevaar te zijn ontsnapt, dat hij bij zijn ontmoeting met hem geloopen had.

Wij zullen hier in ’t voorbijgaan aanmerken, dat er ondanks al hunne schranderheid, welligt geen bijgelooviger volk op de wereld bestaat dan de Noord-Amerikanen.

Dit laat zich gemakkelijk begrijpen: deze natie is een ware harlekijns mantel, een bont zamenstel van alle geslachten des aardbodems! ieder vertegenwoordigt er zijn eigen ras en brengt bij zijne komst in Amerika als landverhuizer niet alleen zijne ondeugden en hartstogten, maar ook zijn eigen veelsoortig geloof en bijgeloof mede, en daaronder vaak de kinderachtigste en ongerijmdste sprookjes; zooveel te meer nog, daar de emigranten die in verschillende tijdvakken naar Amerika verhuisden grootendeels bestonden uit lieden zonder beschaving, ja zelfs zonder iets dat naar opvoeding geleek; en wat dit laatste betreft zijn de meeste Noord-Amerikanen nog weinig veranderd en steeds even ruw en onbeschaafd als hunne voorvaderen.

Men kan zich ligtelijk verbeelden welk een menigte legenden van toovenaars, duivels, spoken enz. in Noord-Amerika gangbaar zijn en hoe deze legenden, door de overlevering bewaard en van mond tot mond voortgeplant, door den tijd met elkander zijn vermengd en verward geraakt niet alleen, maar aangegroeid en vermenigvuldigd, in een land waar de grootsche natuurtooneelen die men dagelijks voor oogen heeft als van zelve bijdragen om den geest tot zwaarmoedige droomen te stemmen.

Zoo was ook John Davis, hoeveel hij zich op zijn helder doorzigt liet voorstaan, even als zijne meeste landgenooten met een sterke dosis bijgeloovigheid begaafd, zoodat deze zelfde man, die van geen wijken wist al zag hij een aantal geweren op zijne borst gerigt, soms kon sidderen als er bij nacht een vallend blad op zijn schouder ritselde.

Overigens, zoodra John Davis eenmaal het denkbeeld had opgevat dat de Blanke-Scalpeur een duivel of ten minste een toovenaar was, liet hij het gelden en werd deze opvatting voor hem zoo vast als een geloofsartikel.

Natuurlijk gevoelde hij zich terstond verligt door dit besluit; zijne denkbeelden hernamen hun gewonen loop en de bezorgdheid die hem kwelde was als door een tooverslag verdwenen. Hij had nu zijn bepaalde meening over dien wonderman, en zoo het toeval hem ooit weder in zijne nabijheid bragt, zou hij wel weten hoe hij zich jegens hem gedragen moest.

Gelukkig met zijne bevredigende oplossing, hief hij vrolijk het hoofd op en liet de blikken weder vrij in het rond weiden om de streek te bezien die hij doortrok.

Hij bevond zich omtrent in het midden van eene uitgestrekte vlakte, bijna geheel bedekt met hoog gras en hier en daar met eenige groepen mahonie- en peru-boomen bezet.

Maar op eens verhief hij zich in de stijgbeugels, hield zich de regterhand als een scherm boven de oogen en tuurde scherp in de verte.

Op ongeveer een halve mijl afstands van de plaats waar hij thans stil hield, een weinig regts af, dat is juist in de rigting die hij dacht te volgen, zag hij uit een kreupelbosch van mastik en aloë’s en ettelijke lorkenboomen, een kleine rookzuil opstijgen.

In de woestijn geeft een kolom rook, op weg ontmoet, altijd ruime stof tot bedenking, want rook stijgt gewoonlijk op uit een vuur rondom hetwelk verscheidene personen gezeten zijn.

Nu is er in de wildernis geen ongelukkiger schepsel dan de mensch, want als hij daar zijns gelijken ontmoet, is het honderd tegen een dat het vijanden zullen zijn.

Evenwel, na rijpe overweging, besloot John Davis om regelregt op het vuur af te gaan; sedert den vroegen morgen had hij nog niets gegeten, de honger begon hem dus te kwellen en bovendien was hij zeer vermoeid; hij onderzocht vooraf zorgvuldig zijne wapens, om er zich in geval van nood van te kunnen bedienen, gaf toen zijn paard de sporen en reed stoutmoedig op den rook af, zonder nogtans te verzuimen naauwkeurig rond te zien, uit vrees voor overrompeling.

Na verloop van tien minuten bereikte hij het doel van zijn rid, maar op vijftig passen van het boschje vertraagde hij den loop van zijn paard, en legde zijne buks dwars voor zich op den zadel; toen verdween van zijn gelaat de trek der bezorgdheid die er tot dusver op verspreid lag, en hij naderde het vuur met een glimlach op de lippen zoo vriendelijk als hem immer mogelijk was.

In een digt boschje, welks schaduw den vermoeiden reiziger eene verkwikkende schuilplaats bood, zat een man in de uniform der Mexicaansche dragonders, rustig bij een helder vuur zijn maal te bereiden, terwijl hij onder de hand een maïs-sigaar rookte. Een lange lans met een vaantje stond tegen den stam van een lorkenboom, en een volkomen getuigd paard, dat men alleen het hoofdstel had afgenomen, knabbelde vreedzaam aan de jonge twijgen en het malsche gras der prairie.

De soldaat scheen zeven- of acht en twintig jaar oud te zijn, zijne sluwe gelaatstrekken werden door kleine maar levendige oogen opgeluisterd, en de koperkleurige tint van zijne huid bewees dat hij van Indiaansche afkomst was.

Hij had den ruiter reeds lang zijn kamp zien naderen, maar scheen aan diens komst niet veel gewigt te hechten, en was onbekommerd blijven doorrooken en op zijn kokenden ketel passen, zonder andere voorzorg tegen den onverwachten bezoeker, dan eventjes te zien of zijn sabel wel vlot uit de schede ging.

John Davis, toen hij den soldaat tot op weinige passen genaderd was, bleef staan, bragt de hand aan den hoed en riep:

„Ave Maria purissima!”

„Sin pecado concebida!” antwoordde de dragonder, hem denzelfden groet teruggevende.

„Santas tardes!” hervatte de Amerikaan.

„Dios las de a ustem buenas!” antwoordde de andere onmiddellijk.

Deze grondvormen van iedere Mexicaansche begroeting afgeloopen zijnde, was het ijs gebroken en de kennis gemaakt.

„Stijg af, caballero,” zei de dragonder, „het is smoorheet in de prairie; hier in de schaduw is het uitmuntend; ik heb daar in dien kleinen ketel wat cecina en roode boonen met spaansche peper, daar gij mij straks meer van zult zeggen, als gij mij de eer wilt doen van mijn maaltijd te deelen.”

„Ik neem uwe minzame uitnoodiging van ganscher harte aan, caballero,” antwoordde de Amerikaan glimlagchende; „want ik moet u, wat meer is, bekennen dat ik letterlijk verga van den honger, en bovendien zoo moe ben dat ik naauwelijks voortkan.”

„Carai! dan wensch ik mij zelven geluk met onze onverhoopte vereeniging. Maar wacht toch niet langer en stijg af!”

„Dat doe ik al.”

Werkelijk steeg de Amerikaan van zijn paard, nam het den hoofdstel af, en liet het edele dier onmiddellijk grazen bij zijn kameraad, terwijl zijn meester zich met een zucht van zelfvoldoening bij den dragonder op het gras nedervlijde.

„Gij schijnt een langen rid gemaakt te hebben, caballero?” zei de soldaat.