De verdwijn-machine

Part 6

Chapter 64,406 wordsPublic domain

Het was al laat toen ze met de hooggeladen wagens het erf op reden. Maar de rogge moest eerst nog in de berg. De boer met Piet en Koen stonden in de berg om de schoven op elkaar te stapelen die Klaas en Dirk met hun vorken van de wagen pikten en handig omhoog in de berg zwaaiden... M’nheer en mevrouw Bruggemans stonden er naar te kijken en Berte met Flip op haar arm ook. Die deden net als de musschen die op het rieten dak van de boerderij op ’n rij vroolijk zaten te tjilpen en ook naar de rogge keken. Dat was hun wintervoer meenden ze en meteen hun warme slaapplaats... Ze waren van plan wat ’n fijne holletjes in het stroo te maken, waar ze lekker de lange nachten konden doorbrengen als ’t winter was. De boer zou ook wel niet al te schriel kijken naar de paar korreltjes die zij noodig hadden.

De boerin en Mie hadden het als altijd te druk in huis om net als de Bruggemans, de musschen en Flip werkeloos toe te zien.

Toen de rogge in de berg was, werd het tijd voor de pap en bedtijd meteen. Koen en Piet waren zoo moe dat ze er niet heel lang over dachten en de groote jongens verdwenen ook al gauw. De boer en de boerin talmden ook niet lang meer, maar de vrouw liep, voor ze naar bed ging nog even bij de familie Bruggemans aan om aan m’nheer te vragen of ie toch vooral de deur goed sluiten wou. En de boer deed zelf deuren van het achterhuis sekuur op slot.

M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten nog lang in het tuintje met de dahlia’s.

Het was zoo’n mooie avond vond mevrouw en Berte mocht ook nog wat opblijven. Doch toen Berte eindelijk naar bed was en mevrouw ook vond dat ze slaap kreeg, bleek m’nheer Bruggemans nog geen lust te hebben om ter ruste te gaan. Hij zei dat ie nog ’n sigaar bleef rooken en dat ie nog ’n paar brieven te schrijven had.

Zoo bleef m’nheer Bruggemans alleen in het tuintje achter, maar van brieven schrijven kwam niemendal. Hij rookte kalm z’n sigaar uit de onzichtbare pijp, die hij nu gerust voor de dag durfde halen.

Na ’n half uurtje begon m’nheer Bruggemans, leek het, onrustig te worden. Hij keek eens op z’n horloge, ging op z’n teenen naar binnen, luisterde daar even of mevrouw al sliep, deed toen heel zacht de deur van de slaapkamer op slot, trok daarna z’n schoenen uit en ’n paar linnen pantoffels met touw-zoolen aan.

Het was buiten nog niet heelemaal donker, toen ie weer in het tuintje kwam. In de lucht hing nog licht, maar de struiken in het tuintje leken toch al zwart. M’nheer Bruggemans liep het tuintje uit en deed de ronde om het huis, aan iedere deur en aan alle vensters waarvoor de boerin sekuur de luiken gesloten had luisterend of hij ook wat hoorde daarbinnen.

M’nheer Bruggemans kwam weer in het tuintje terug en stak ’n versche sigaar op. Hij ging in z’n gemakkelijke rieten stoel zitten en blies de rookwolken voor zich uit. Maar na ’n poosje sloop hij als ’n dief zoo zacht het huis weer binnen en kwam met het koffertje van professor Wells terug.

Hij zette het voor zich op de tafel en maakte het open. Toen nam hij heel voorzichtig de verdwijn-machine er uit en ’n oogenblik later stapte hij er onhoorbaar mee naar de schuur waarin het groote varken lag.

Dat groote varken was de moeder van dertien biggen en de trots van de boer. Volgens de boer was er uren in de omtrek zoo’n groot varken niet te vinden en zulke mooie biggen, als zijn toom van dertien, had niemand in heel Gelderland. Hij was vast van plan de zeug met de biggen naar de landbouwtentoonstelling te zenden en hij was zeker van de eerste prijs.

’t Was pikkedonker in de schuur, toen m’nheer Bruggemans er met z’n verdwijn-machine binnentrad. Het rook er niet erg lekker. ’n Boerenneus merkt daar niet veel van, maar de stadsche neus van m’nheer Bruggemans had er weinig mee op. Maar m’nheer Bruggemans liet zich niet door z’n neus de wet voorschrijven. Hij deed de schuurdeur achter zich toe en bleef minstens ’n uur binnen.

Doch toen hij er eindelijk uitkwam haalde hij diep adem. De frissche nachtlucht scheen hem goed te doen en hij bleef ’n tijdlang doodstil staan, alsof hij uit moest blazen van ’n moeielijk werk.

Hij had ’n moeielijk uurtje achter de rug en hij had het benauwd gehad. M’nheer Bruggemans was bezig geweest het groote varken onzichtbaar te maken en om dat klaar te spelen had ie ’n vol uur met z’n neus vlak boven dat groote beest gestaan, waar de dertien kleine zwijntjes lekker warm omheen lagen. Gebukt over ’n schot van planken met de verdwijn-machine in de eene hand terwijl de andere de roode knop vast op de vette rug van het slapende beest gedrukt hield, was m’nheer Bruggemans zoo stijf geworden als ’n paal. En z’n neus had al die tijd de zeer onaangename varkensgeuren moeten verduren. Maar hij had het taai volgehouden tot ie niet meer kon.

Toen hij in het tuintje kwam, zette hij de machine op de tafel en viel zelf in de rieten stoel neer. Hij haalde z’n horloge te voorschijn en keek bij het zwakke schemerlicht van de zomerhemel hoe laat het was. En tevreden stak hij het weer in z’n zak. Langer dan ’n uur was hij in het hok bij het varken geweest en dat was volgens de papieren in het koffertje voldoende om zoo’n groot voorwerp als dat varken onzichtbaar te maken. Doch of het nu werkelijk onzichtbaar geworden was, wist m’nheer Bruggemans niet. Hij was in de schuur te bang geweest voor ontdekking om ’n lucifer aan te steken. Voor geen geld zou m’nheer Bruggemans gewild hebben, dat ie gesnapt werd bij dat rare nachtelijke werkje. En het was er zoo pikkedonker dat je ’n zichtbaar varken evenmin zien kon als ’t onzichtbaarste zwijn. Het zou dus pas bij daglicht blijken of z’n proefneming geslaagd was of niet.

Nu had m’nheer Bruggemans wel dadelijk naar bed gewild, maar ’t was net of die gemeene stallucht in z’n kleeren was blijven hangen. Hij rook eens aan z’n mouw. Jawel, hij leek zelf wel ’n varken. En met dat luchtje durfde hij niet in huis te komen. Mevrouw zou het onmiddellijk ruiken en dan was ie toch verraden.

„Stom,” dacht ie, „ik had m’n jas moeten uittrekken.” „Weet je wat, ik laat ’m hier buiten op de stoel liggen dan zeg ik maar als iemand het merkt, dat ik ’m per ongeluk hier heb laten liggen.”

Hij trok z’n jas uit en bleef toen nog ’n poosje heen en weer loopen om uit te luchten. Toen ging hij stilletjes naar binnen en kroop in ’t donker zonder mevrouw Bruggemans wakker te maken in bed.

De varkenslucht kon ie maar niet kwijt. Hij droomde er van. En het waren natuurlijk allemaal groote onzichtbare varkens, die je alleen maar ruiken kon, waarvan hij droomde. Telkens na zoo’n benauwde droom werd ie er wakker van en als ie dan na ’n heele poos weer insliep, begon het weer opnieuw met die akelige onzichtbare beesten.

M’nheer Bruggemans sliep die nacht al heel onrustig en toen het eindelijk tijd was om op te staan, voelde hij zich lang niet frisch. Graag had ie nog ’n uur of wat geslapen, maar hij durfde niet. Hij was bang dat het argwaan zou wekken en bovendien was ie erg nieuwsgierig naar het varken.

M’nheer kwam in z’n vest de slaapkamer uit en mevrouw zei onmiddellijk:

„Je hebt je jas nog niet aan.”

Waarop m’nheer dadelijk antwoordde: „Die heb ik gisterenavond in de tuin laten liggen.”

„Hé, hoe kom je daarbij?” zei mevrouw, „dat doe je anders nooit!”

„Och,” jokte m’nheer, „’t was zoo warm zie je,” en toen liep hij direkt naar de tuin waar z’n jas nog over de rieten stoel hing. Geen mensch was er aan geweest. M’nheer Bruggemans rook onder het aantrekken eens eventjes aan z’n mouw. Nou, de scherpe geur was er nog niet heelemaal af, maar als hij niet te dicht onder de neus van anderen kwam, zouden ze het wel niet ruiken.

Toen hij aan de ontbijttafel zat, schenen mevrouw en Berte er dan ook niets van te merken. Maar ze merkten wel, dat m’nheer niet erg goed geluimd was, wat van het slechte slapen kwam.

Terwijl m’nheer z’n boterhammen at, vroeg hij waar Koen was. Hij was natuurlijk erg nieuwsgierig iets omtrent het varken te vernemen en Koen zou ’t wel weten.

„Moet je hem hebben?” vroeg mevrouw. Want m’nheer wist evengoed als zij, dat Koen ontbeet bij de boerenfamilie.

„Nee dat nou niet,” en daarna verdiepte hij zich in de krant. Doch hij verstond maar half wat hij las. Die boeren waren toch zeker al lang in de schuur geweest en als ze het varken gemist hadden, was de boerin ongetwijfeld dadelijk naar hen toegekomen om het te vertellen. Het varken was dus zeker niet onzichtbaar geworden en daarvoor had hij toch niet zoo’n langen tijd in dat smerige varkenshok gezeten.

Hij legde z’n krant neer en stond op. ’t Was zonnig buiten en m’nheer zei dat ie ’n eindje ging wandelen. Hij stapte het tuintje uit en slenterde toen om de boerderij heen. Hij ging het achterhuis in waar het donker en koel was. Hij zag daar niemand. Toen ging hij naar de schuur en loerde even naar binnen. Er was geen varken te zien maar ook geen enkele big! „Die zullen toch niet tegelijk met het oude varken onzichtbaar geworden zijn?” dacht m’nheer. Dat kon niet.

„Gaat m’nheer eens naar de keuen kijken?” hoorde hij plotseling. Het was de boerin die in de deur van het achterhuis stond. „Ze zullen wel achter de schuur liggen” ging ze voort, „maar ’t is daar nog al vuil, ’t heele boeltje ligt daar lekkertjes in de modder.”

„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans, „ja dat is geloof ik varkensmanier hè?”

Toen liep hij om de schuur heen om de zwijnenfamilie ’n bezoek te brengen. En de vrouw kwam achter hem aan.

„’t Is ’n kanjer hè?” zei ze toen ze naast hem stond bij het met planken afgeschutte modderpoeltje waar de varkens genoegelijk in lagen te knorren.

„Ja dat is het,” antwoordde m’nheer en hij keek met verbazing naar het zichtbare moedervarken dat er van top tot teen uitzag of het van modder gemaakt was.

„Dat doet ie nou het liefste,” zei de vrouw, „liggen in ’t slik. De biggen zijn altijd nog ’n klein beetje zindelijker.”

„Dat merk ik ook,” zei m’nheer die aldoor maar naar het zwarte varken keek.

De boerin ging weer naar het achterhuis en m’nheer Bruggemans wandelde de boomgaard in en terwijl hij ’n sigaar rookte dacht ie er over na of er onder die laag slik ’n zichtbaar of ’n onzichtbaar varken zou zitten. Zooals het nu was, leek het zichtbaar genoeg, maar als de modder er af was, wat dan?

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Waarin Mie en de boerin akelige dingen zien en de boer besluit er de veldwachter bij te halen.

Die avond zei de boerin: „Als ’t varken naar de tentoonstelling mot, dan mag het noodig wel ’n week of wat in de boogerd loopen. ’t Zit van onder tot boven in de modder.”

„In de boogerd,” zei Klaas, „dan vreet het al de appels op die afvallen.”

„In de boogerd komt het niet,” zei de boer. „Je brengt het morgen vroeg hier achter in het land.”

„Goed werkje voor Koen en Piet,” meende de boerin.

„Dat kunnen we nou nog wel even doen,” vond Piet. „Ga je mee Koen?”

Koen vond het best en toen ze weggingen, riep de boer hen nog na, dat ze ’n paar bossen stroo moesten meenemen voor het lighok.

De jongens maakten dus eerst het hok in de wei in orde, ’n laag houten stalletje waar de zeug met d’r biggen kon gaan slapen. Al ligt ’n varken soms graag in de modder, het heeft toch niet minder graag ’n zindelijke slaapplaats.

Toen ze er mee klaar waren, gingen ze de zeug met de biggen halen.

Het groote varken was al zoo vaak naar die wei verhuisd, dat het de weg wel alleen wist en de biggen galoppeerden achter de vette moeder aan. Piet vond dat die biggen als ze galoppeerden net hobbelpaardjes leken.

Het ging dus heel gemakkelijk en de twee jongens hadden dus niet anders te doen dan achteraan te loopen en het hek te openen en te sluiten.

Piet had met het mooie groote varken natuurlijk net zooveel op als de rest van de boerenfamilie. Hij was er trotsch op dat ze zoo’n zeug hadden. Ze hadden er nog ’n paar, maar die kwamen niet in aanmerking als je ze vergeleek met „de zeug”. Als ze van de zeug spraken dan bedoelden ze altijd maar die eene.

„Zevenhonderd pond weegt ie vast,” verklaarde Piet.

„Is dat zooveel?” vroeg Koen.

„Dat zou ik denken! ’t Is net zooveel als ’n koe.”

„Dat zou je zoo niet zeggen. Ze lijkt veel kleiner.”

„Als ze ook maar eens zulke lange pooten had, zou je eens wat zien.”

De jongens keken nog een poosje naar de varkens. De biggen holden al spelend door het gras en de zeug hapte schrokkig groote bekkenvol van het malsche groen af.

„Trek in eten heeft ie genoeg,” zei Koen toen ze terug gingen naar huis.

„O ja, maar dat moet ook, ’n gezond varken vreet altijd als het niet slaapt.”

Ze hadden geen van beiden iets aan het varken gemerkt.

En m’nheer Bruggemans, die toen de boeren allemaal al naar bed waren, op z’n eentje naar ’t land slenterde en wel ’n half uur lang over ’t hek geleund naar het groote varken tuurde tot het met al de biggen in het hok verdween, zag ook niets bizonders aan ’t beest. Het was net zoo zichtbaar als het altijd geweest was.

Maar de volgende morgen was dat al anders.

Die ochtend ging Mie met ’n paar emmers aan ’n juk naar het land om het varken wat lekkers te gaan brengen, namelijk karnemelk met meel er door. Dat kreeg het groote varken elke dag. Mie riep al aan het hek: „ku, ku, ku,” en stapte naar de zeuning, ’n lage houten bak en daarin goot ze de twee emmers uit. De heele varkensfamilie kwam aanhollen toen Mie met d’r ku, ku begon. Zelfs de dikke zeug liep ’n beetje harder dan anders, want wat Mie in de emmers had, was ’n lekkernij voor d’r. In ’n wip stonden ze allemaal om de zeuning en ’n paar schrokkige biggen stonden zelfs met vier pooten tegelijk midden in de bak. Daar geven varkens niet zoo heel veel om, ze lusten het toch wel. De varkensmoeder maakte er nooit aanmerkingen op, behalve als zoo’n big haar in ’t slobberen hinderde. Dan kreeg de kleine schrokker ’n ongemakkelijke por van de zwijnesnuit en dan maakte het gulzige jong dat het weg kwam. Die kleine varkens waren altijd bang dat ze hun portie niet zouden krijgen en ze drongen elkaar en ze schreeuwden met hun hooge stemmen en als ze dachten dat ’n broertje of zusje ’n beter plekje had dan zij, dan trachten ze gauw op dat plaatsje te komen.

Mie bleef altijd ’n poosje erbij en ze kwam ook wel eens tusschenbeide als de kleintjes ruzie kregen. Het moedervarken trok er zich niets van aan. Die dacht alleen maar aan d’r eigen lekkere maaltje, maar als Mie zag dat ’n kleintje door ’n sterker broertje of zusje verdrongen werd, dan hield Mie de orde er in met ’n teen of met d’r klomp.

Die morgen toen Mie voor ’t eerst weer bij die zeuning stond met d’r emmers bleef ze niet lang. Ze had nog nauwelijks ku ku geroepen en de emmers uitgestort, of ze merkte dat het groote varken maar drie pooten had. Het was ’n heele achterpoot kwijt. En toen rende Mie pardoes zonder emmers of juk het land uit en ze liet zelfs het hek achter zich open.

Zoodra ze het erf opkwam, riep ze luidkeels: „Moedèr! Moedèr!” en rende het achterhuis binnen.

De boerin was juist in de kelder en kwam op het gegil van Mie haastig de trap op. Ze dacht op z’n minst dat de boel in brand stond of zooiets.

„Wat is er? Wat is er?” schreeuwde de boerin haast net zoo hard als Mie en toen Mie d’r moeder zag, gilde ze het haast uit:

„De zeug is ’n poot kwijt! ’n Heele poot!”

„Wat? ’n Poot? Is d’r ’n poot af?”

Mie was zoo buiten adem dat ze eerst niet meer antwoorden kon. Ze knikte maar. Doch toen ze weer ’n beetje op d’r verhaal kwam, zei ze nog altijd hijgend:

„’t Heeft nog maar drie pooten.”

De boerin was hevig geschrokken. Hun mooie varken waar ze mee naar de tentoonstelling moesten! Dat was ’n verschrikkelijke tijding.

Ze ging op de bovenste tree van de keldertrap zitten, veegde eens met de punt van d’r werkschort over d’r gezicht en zei:

„En is ’t al dood?”

„Dood? ’t Is heelemaal niet dood. ’t Kwam hard aanloopen met de biggen!”

„Meid,” zei de boerin, „hoe kan dat nou? Als de poot er af is gaat ’t toch dood!”

„Nou ’t was heelemaal niet dood hoor en ’t had echt maar drie pooten.”

„Maar kind, als er ’n poot af is, bloedt het toch dood?”

„Ik heb heelemaal geen bloed gezien.”

„Je hebt zeker gedroomd. Ik ga dadelijk zelf kijken.”

Samen gingen ze haastig naar het land. ’t Hek stond nog open en ’n paar nieuwsgierige biggen waren er al uit. De andere lagen bij het groote varken ’n eindje van de zeuning af in het gras.

Mie en de boerin joegen eerst nog de biggen binnen het hek en liepen toen op het varken aan dat lekker vol gegeten, zooals bij varkens het gebruik is nu ’n fijn dutje deed.

„Het lijkt wel dood,” zei de boerin, maar Mie had het met de ooren zien klappen, wat ’n varken altijd doet als er vliegen op zitten.

„’t Is springlevend” zei Mie, maar ze voegde er onmiddellijk bij: „Jakkes moeder het heeft nog maar ’n halve snuit ook. Kijk maar.”

Dat was ook zoo. Door de karnemelk waarin het ’n poosje lekker geslobberd had, was de modder van de snuit afgespoeld en de boerin die nu vlak voor de zeug stond, zag het zelf ook.

Eerst stond ze ’n poos zwijgend en toen kwam er iets als ’n snik en toen kwamen de tranen en Mie begon van de weeromstuit ook maar te huilen.

„Och, och,” jammerde de boerin, „’t Heeft maar twee en ’n halve poot en ’n halve kop, wat ’n akelig beest!”

„En ’t heeft ’n gat in z’n buik,” snikte Mie, die op d’r knieën voor ’t beest zat.

„En ’t bloedt heelemaal niet,” zei de boerin.

Toen zat ze ook op d’r knieën naast Mie en ze keek met groote oogen naar de zeug die tevreden lag te knorren, want de zon scheen zoo heerlijk op d’r dikke buik. Maar de boerin had het benauwd, want ze zag dat het heele varken hol was. Je kon maar zoo in die kapotte poot kijken en in die halve kop. ’t Was net ’n varken dat van ’n dun laagje modder gemaakt was en de zon scheen er zoo’n beetje doorheen hier en daar waar de modder al afschilferde.

„Ga mee Mie,” zei de boerin, „ik houd het niet langer uit hier bij zoo’n akelig ding. Ga dadelijk je vader opzoeken. Hij moet onmiddellijk thuis komen.”

Mie holde naar de roggeakker en ze was bekaf toen ze daar aankwam. Het was ook ’n heel eind. Daar was Koen natuurlijk ook en hij stond er met z’n neus vooraan bij toen ze allemaal om Mie heen stonden die de boodschap van moeder overbracht en meteen maar het heele verhaal van het rare varken deed. Geen mensch begreep er wat van, want Mie vertelde het ’n beetje verward. Maar ze hadden allemaal het nare gevoel dat het iets te maken had met die akelige dingen die op de boerderij gebeurden. Alleen Piet en Koen begrepen het beter. Als dat waar was van het varken dan was m’nheer Bruggemans aan de gang geweest, want die had de verdwijn-machine.

De boer ging zwijgend met Mie mee en de groote jongens lieten de rogge in de steek en wandelden achter de boer aan. Die ging regelrecht naar de boerderij.

Maar Koen en Piet zetten het op ’n loopen en namen de kortste weg naar het land waar het varken was.

Ze deden er niet lang over.

Toen ze bij het varken stonden zei Piet:

„Da’s gemeen van je vader, Koen. Van dat varken waar we mee naar de tentoonstelling moeten, had ie af moeten blijven. Hoe kunnen we nou met een onzichtbaar varken naar de tentoonstelling gaan?”

Koen wist niet zoo dadelijk wat ie zeggen moest. Met een onzichtbaar varken naar ’n tentoonstelling gaan, dat kon niet. Daar is het juist te doen om varkens die je goed zien kan. Hoe meer er aan te zien is hoe beter.

Piet zei alweer toen Koen nog altijd zweeg:

„Maar ik zeg het zoo dadelijk aan vader dat jouw vader het gedaan heeft hoor.”

Koen wist ook wel dat er niet aan te twijfelen viel of m’nheer Bruggemans had het varken onzichtbaar gemaakt. Wat je er nu nog van zag, was het dunne laagje modder dat er op zat. Maar dat viel er af als je er aan kwam. Piet was er al mee bezig. Die wreef over het varken z’n rug en overal waar hij de modder er af deed werd het ’n gat. Dan kon je om zoo te zeggen in het modderomhulsel kijken. Maar dat Piet nu maar zoo dadelijk verklappen moest dat zijn vader het gedaan had, daar was ie ’t niet mee eens. Had hij ook niet gezwegen toen Piet de haan onzichtbaar gemaakt had? Nou ja, hij had er zelf aan mee gedaan. Maar hij had het daarna aan z’n vader willen vertellen en als hij dat gedaan had, dan was dat nu niet gebeurd met het varken. Want als m’nheer Bruggemans het toen vernomen had, zouden de boer en de boerin er ook wel wat van gehoord hebben en dan was het uit geweest.

Nee, het was flauw van Piet om er nu zoo’n drukte van te maken, omdat het nu dat tentoonstellingsvarken betrof. Hij wist niet waarom z’n vader nu juist het varken had uitgekozen. Hij had evengoed wat anders kunnen nemen. Maar Piet moest hem nu niet gaan verklappen.

Hij zei dat ook tegen Piet en hij voegde er bij dat hij dan ook vertellen zou dat zij de haan en de telefoonpaal onzichtbaar gemaakt hadden. Dan zou de boer misschien de familie Bruggemans het huis uitgooien en de verdwijn-machine stuktrappen, maar dan kreeg Piet tenminste ook z’n behoorlijke portie.

Toen Koen dat allemaal gezegd had, was het de beurt van Piet om ’n poosje te zwijgen. Hij voelde wel dat Koen gelijk had en dat vader zeker niet lang zou wachten om de familie Bruggemans ’t huis uit te jagen vanwege die zeug. En als Koen vertelde dat zij er eigenlijk mee begonnen waren, dan kon hij zich al vast voorbereiden op ’n aframmeling die hem heugen zou. Als vader driftig werd, en dat werd ie zeker als ie de heele toedracht hoorde, dan kon ie je met ’n eindje hout ongenadig onder handen nemen. De boer was niet gemakkelijk als ie eenmaal zoover kwam.

Bovendien zou hij het ook niet lollig vinden als Koen wegging.

Hij wenschte nu wel dat ze die verdwijn-machine nooit in hun vingers gekregen hadden en hij zag nu ook in dat het verkeerd geweest was de zaak te verzwijgen.

„Ik zal m’n mond wel houen,” zei hij eindelijk, „maar ’t is toch jammer dat jouw vader juist dat varken te pakken genomen heeft.”

„Ik vind het net zoo jammer als jij Piet... Maar zouden jullie het niet naar de tentoonstelling kunnen doen met modder er op?”

„Welnee jô... die heeren die zoo’n varken moeten keuren zouen er voor bedanken. Daar komen de jongens al aan en vader.”

„Je houdt je mond hè?”

„Ik beloof het je Koen.”

Toen de boer en de jongens het varken stonden te bekijken zei Piet:

„Vader ’t wordt heelemaal onzichtbaar, net als de haan en de telefoonpaal. Als de modder er allemaal af is, blijft er niks over.”

„Sjonge, sjonge,” zei de boer, die al lang begreep wat er met z’n varken aan de hand was en dat Piet gelijk had, „da’s ’n ramp, da’s ’n ramp.”

Koen keek de boer eens aan. Hij zag maar al te duidelijk dat de man verdriet had. Dat kwam natuurlijk omdat het varken de trots van de boer was en omdat ie nu niet met het beest de eerste prijs op de landbouwtentoonstelling zou kunnen halen. Koen vond het echt naar en hij wou wel dat m’nheer Bruggemans dat verdrietig gezicht van de man ook eens had gezien. Maar m’nheer Bruggemans zat op dat moment in het tuintje met de dahlia’s en de zonnebloemen de krant te lezen.

„Die ’t gedaan heeft, die heeft ’t gedaan,” zei Klaas, „maar als ik ’m in m’n vingers krijg, komt ie er niet levend meer uit.”

’t Varken was wakker geworden en wandelde op z’n twee en ’n halve poot en met die rare halve kop doodgewoon weg. ’t Beest wist zelf niet dat het bezig was onzichtbaar te worden en de biggen gaven er niemendal om dat hun mama ’n paar pooten te kort kwam en haast geen gezicht meer had.

De boeren keken het na en de vader zei:

„Piet, ga jij es ’n eind touw halen. Ik zal ’m dat aan de poot binden, dan kunnen we ’t dier terug vinden, als we het niet meer zien kunnen. En jij Klaas, jij gaat naar het dorp en je haalt me de veldwachter. Ik ga vanavond zelf naar de burgemeester. Het moet nou maar es uit zijn met die akelige dingen hier. Ik zal het es goed laten onderzoeken.”

Piet was weggerend en Koen wandelde met de boeren mee, die achter het varken aan liepen.