Part 5
M’nheer Bruggemans was met z’n fietslantaarn er op uitgetrokken toen Klaas op de tobbe zat en de twee jongens daar zoo doodstil onder de struiken stonden. Hij had het half onzichtbare geweer maar thuis gelaten en toen hij eenmaal het tuintje uit was had ie het in z’n hoofd gekregen de lantaarn aan te steken.
Hij vond het wel wat erg donker en je kon nooit weten of die geheimzinnige baas met de machine van professor Wells niet om de boerderij rondsloop. Met het licht van z’n lantaarn wilde hij wel eens de omtrek verkennen. Het was ’n sterke lantaarn die ’n heel eind de omtrek verlichtte. Toen de lantaarn aan was voelde m’nheer Bruggemans zich wel zoo op z’n gemak. Hij liet de lichtbundel voor zich uit langs de weg spelen en kon wel twee honderd meter ver alles duidelijk onderscheiden. Als ’n zoeklicht gleed de dikke lichtkegel eerst langs de weg en daarna aan weerskanten over het veld. De lichtstralen raakten de telefoondraden en toen werd mijnheer Bruggemans aandacht getrokken naar de witte porceleinen isolators die op hun gegalvaniseerd ijzeren stangen aan de paal waren bevestigd. Natuurlijk moest toen ook de fietslantaarn de paal zichtbaar maken maar tot m’nheer Bruggemans groote verwondering was er geen paal te bekennen. Toch liepen de draden met ’n bocht omhoog naar de porceleinen dingen, die in de lucht leken te hangen.
„Hé!” mompelde m’nheer Bruggemans en met groote stappen beende hij de weg op tot ie met z’n neus haast tegen de onzichtbare paal aan liep. Hij stak de hand uit en bevoelde de paal. Die was er. Maar zien kon je er niets meer van. Het ijzeren plaatje met het nummer scheen daar boven m’nheer Bruggemans hoofd in de lucht te zweven en nog wat hooger deden de isolators hetzelfde. Maar het malste was dat je nu ook ’n gat in de grond zag, ’n diep gat. Ook dat stuk van de telefoonpaal was onzichtbaar geworden. Doch toen zag m’nheer Bruggemans ook de roode knop en het touwtje waarmee Piet de knop tegen de paal gebonden had. En natuurlijk ook het koffertje met het kistje erin.
In ’n ommezien zat m’nheer Bruggemans op z’n knieën en bekeek met z’n neus bijna op het koffertje aandachtig het heele toestel. Z’n lantaarn verlichtte nu enkel nog het kleine plekje op de grond waar het koffertje stond.
Na eenige oogenblikken richtte m’nheer Bruggemans zich ’n beetje op liet het licht van z’n lantaarn de heele omtrek nauwkeurig langzaam afspeuren. Hij bemerkte blijkbaar niets dat op onraad leek. Daarna bukte hij zich weer over het koffertje, haalde ’n nagelschaartje uit z’n vestzak en knipte voorzichtig het touw door waarmee de roode knop tegen de paal gebonden was. Nog voorzichtiger plaatste hij de knop in het kistje, alsof hij bang was dat het ding hem oogenblikkelijk onzichtbaar zou maken. Toen blies hij z’n lantaarn uit, nam het koffertje bij het hengsel en m’nheer Bruggemans draafde er bijna mee naar huis.
Voor de deur die op ’n kier stond, trok hij z’n schoenen uit, stapte onhoorbaar naar binnen en keek om de hoek van de deur of hij mevrouw Bruggemans ook nog zag. Die was echter al naar bed en toen sloot m’nheer Bruggemans de deur van de slaapkamer, ging weer naar buiten en sloot de luiken.
„Ziezoo,” prevelde m’nheer Bruggemans, „nu zullen we eens zien wat we daar opgedaan hebben. Het is bepaald het wondermachien van die professor en degeen die het daar bij de paal gezet heeft zal wel raar opkijken als ie terugkomt om z’n machientje te halen.”
Voorzichtig deed ie het koffertje weer open, nam het kistje er uit en bekeek het nogeens nauwkeurig onder de lamp. Toen kreeg hij evenals Koen de papieren in de gaten.
„Ah!” zei m’nheer Bruggemans bijna hardop. „Papieren!”
Een oogenblik later zat hij verdiept in de lectuur. En hij las al de bladen achter elkaar door. Onder het lezen had ie verscheiden malen met het hoofd geknikt alsof hij er alles van begreep en toen hij aan ’t eind was, nam hij z’n notitieboekje en begon verschillende dingen uit de papieren op te teekenen.
„Ziezoo,” zei m’nheer Bruggemans in zichzelf, „nu weet ik er alles van. Morgen schrijf ik weer aan die professor dat z’n uitvinding terecht is. Maar eerst zal ik er zelf toch eens ’n paar proeven mee nemen. Het is haast te wonderlijk om het te gelooven en als ik die haan en dat geweer en nu die telefoonpaal weer niet zelf onder m’n neus gehad had, zou ik er om lachen.”
Hij zat ’n oogenblik in gedachten en keek onderzoekend de kamer rond. Hij was nieuwsgierig om te weten hoe ’t in z’n werk ging en zocht nu naar iets waarop hij de kracht van de machine zou kunnen beproeven. Wat zou hij nemen? ’n Oogenblik keek hij naar ’n vaasje op de schoorsteenmantel. Maar als dat onzichtbaar werd zouden ze het dadelijk missen en m’nheer Bruggemans was niet van plan aan iemand anders dan aan professor Wells iets van het vinden der machine te vertellen. Hij had besloten de zaak geheim te houden, zelfs tegenover mevrouw Bruggemans. Als hij er niemand iets van meedeelde, kreeg hij ook geen last met de dieven, die ’t bij de paal gezet hadden en geen vervelende drukte met de politie. Hoofdzaak was, dat Professor Wells z’n kistje terugkreeg en daar zou hij voor zorgen.
Zoo dacht m’nheer Bruggemans erover en toen besloot hij maar iets onzichtbaar te maken, dat hij in z’n zak kon bewaren. Dan merkte niemand er iets van en hij had toch aan z’n nieuwsgierigheid voldaan. Hij voelde in z’n zak en het eerste voorwerp dat hij aanraakte leek hem al heel geschikt voor de proef. Het was ’n barnsteenen sigarenpijp. M’nheer Bruggemans legde de pijp voor zich op tafel en begon de bewerking zooals hij die gelezen had in de papieren uit het koffertje.
Het kwam precies allemaal uit zooals het in die papieren stond en de pijp was binnen vijf minuten onzichtbaar. Toen was m’nheer Bruggemans tevreden. Hij deed het kistje met de papieren weer in het koffertje en daarna deed hij na eenig nadenken hetzelfde wat Koen en Piet gedaan hadden. Hij verstopte het koffertje van professor Wells in ’n kleerenkoffer.
M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en rookte die uit z’n onzichtbare pijp. Hij vond het toch buitengewoon. Z’n sigaar scheen ’n eindje voor z’n mond in de lucht te zweven en als hij ’n trekje deed zag hij ’n dun rookstreepje. Dat pijpje was ’n wonderding, dat ie zuinig zou bewaren. Wat zouden z’n kennissen in de stad daar gek van opkijken als hij op die manier ’n sigaar zat te rooken.
Slaap had m’nheer Bruggemans heelemaal niet. Hij zat te denken over de uitvinding van professor Wells en hij keek zoo af en toe eens in z’n notitieboekje, waarin hij aanteekeningen gemaakt had uit de papieren in het koffertje. „Sjonge, sjonge,” dacht m’nheer Bruggemans, „je kan er alles mee onzichtbaar maken... En met die andere machine die hij ook heeft uitgevonden kan je daarna de dingen weer zichtbaar maken ook. Als ik die andere machine ook had zou ik het wel eens willen probeeren met mezelf. Het moet toch verbazend leuk zijn als je onzichtbaar rondloopen kon. Kom, ik schrijf nog maar dadelijk aan die professor in Yale. Die man zal blij zijn met mijn brief.”
M’nheer Bruggemans ging aan ’t pennen en schreef door tot het heele vel papier vol was. Hij had de professor alles meegedeeld, hoe hij het koffertje gevonden had en dat ie zoo vrij geweest was de papieren eens door te lezen. Dat ie daarna ’n sigarenpijp onzichtbaar gemaakt had, maar hij schreef ook dat er al ’n onzichtbare haan op het boerenerf rondliep en dat er ’n onzichtbare telefoonpaal aan de weg stond. Degenen die het kistje voor hem in bezit gehad hadden waren er dus ook al mee aan ’t werk geweest en m’nheer Bruggemans schreef dat het vermoedelijk de dieven waren die het kistje gestolen hadden, maar dat het nu veilig in ’n koffer opgeborgen was en dat hij het veilig zou bewaren tot de eigenaar het terug kwam halen.
„Ziezoo, morgen vroeg gaat die brief op de post en dan heeft hij ’m over acht dagen.”
M’nheer Bruggemans deed de brief in ’n envelop, schreef er het adres op en stak hem in z’n portefeuille. Daarna blies hij de lamp uit en ging naar bed.
Toen Piet en Koen wakker werden liepen de kippen al over het erf en had de onzichtbare witte al ’n paar keeren z’n zwarte tegenstander bij de kam gehad.
De jongens hadden zich ’n beetje verslapen. Op ’n andere tijd zou vader, Klaas of iemand anders gestuurd hebben om Piet uit bed te trommelen, want verslapen was iets waar vader niet van hield. Er was ’n tijd van opstaan en aan ’t werk gaan en daar had ieder op de boerderij zich maar aan te houden. Doch die morgen was Klaas half uitgeslapen op z’n omgekeerde tobbe wakker geworden en herinnerde zich dadelijk alles van de vorige avond. Toen was ie gauw om het huis heen geloopen en vond daar de voordeur open, die m’nheer vergeten had te sluiten, en het half onzichtbare geweer tegen de muur in de gang. Deuren openlaten is iets verschrikkelijks bij de boeren. Overdag mag je open laten wat je wil, maar als je naar bed gaat, moet alles potdicht.
Klaas bedacht gauw dat ie van die open voordeur maar niks aan vader zou zeggen, want dan kreeg hij natuurlijk op z’n kop. Ook zou ie ’t maar verzwijgen dat ie bijna de heele nacht had zitten slapen op de tobbe. Dat wist toch geen mensch dacht ie. Maar het rare geweer nam ie mee en toen hij weer bij het achterhuis kwam, hoorde hij al gestommel binnen. De lui waren dus op.
Klaas ging naar binnen en ’t eerste wat ie deed was z’n vader, z’n moeder, z’n broer en Mie het geweer onder de neus te houden. En die keken mal!
„Wa’s dat nou weer?” informeerde moeder.
En Klaas legde haar uit dat het zijn geweer was.
Vader betastte het en Dirk de andere broer ook. Maar moeder wou het voor geen geld aanraken en Mie deed het toen ook maar niet. Klaas deed onderhand ’n omstandig verhaal van z’n wacht, dat ie niks verdachts gezien of gehoord had en dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan was.
Toen ie zoover was, kwamen Koen en Piet binnen. Ze zeiden maar niemendal. Dat was het veiligst en ze snapten al gauw dat Klaas althans van het koffertje niets afwist. Ze bekeken het rare geweer alsof ze het nooit van hun leven gezien hadden en Piet deed zoo verbaasd als ie maar kon. Zoo ’n huichelaar! Niemand had dan ook het minste argwaan tegen die twee.
Klaas sprak niet van de onzichtbare telefoonpaal. Hij scheen daar dus ook niets van te weten. Als je uit het venster van de kamer keek kon je die paal net nog boven ’n paar appelboomen uit zien steken. Koen en Piet hadden dat tersluiks al gedaan. Ze zagen de draden en de witte porceleinen potten in de lucht hangen, doch de anderen hadden het zoo druk over het geweer en Klaas z’n wachthouderij dat ze niet een enkele keer het venster uitkeken. Als ze het gedaan hadden zouden ze misschien toch de paal niet dadelijk gemist hebben. Dingen die je altijd voor je neus hebt staan, zie je niet meer en je mist ze ook niet onmiddellijk als ze weg zijn.
Terwijl de oudere jongens de melkemmers opnamen om te gaan melken in het weiland dat het verst van de boerderij lag, stonden Piet en Koen al op vader te wachten die altijd zelf de koeien molk die dichtbij liepen in ’n stuk land in de buurt van de telefoonpaal. Piet molk al mee en Koen stond er gewoonlijk bij te kijken. Hij had dat melken ook al eens geprobeerd, maar dat was hem niet erg meegevallen. Vooreerst had ie ’t al niet erg lekker gevonden dat je zoo met je hoofd tegen zoo’n koeien lijf zat en toen de koe hem ’n oogenblik later tot groot vermaak van Piet ondersteboven gooide had Koen het melken maar voor goed opgegeven. Toch ging hij iedere morgen graag mee en nu ze langs die onzichtbare paal moesten deed ie ’t nog liever. Dat kon goed worden.
Als de boeren ’s morgens gaan melken hoor je wel het geklos van hun klompen zoolang ze nog niet in ’t zachte gras loopen en het gerinkel van de emmers aan de kettingen van het juk. Maar praten hoor je de boeren zelden. Ze hebben elkaar niet veel te vertellen en misschien zijn ze ook nog niet heelemaal goed wakker. Vader liep ook zwijgend vooruit, puffend aan z’n pijp. De blauwe rookwolken krinkelden boven z’n pet uit. Piet droeg het juk met de emmers. Als ze vol waren droeg vader ze zelf. Piet en Koen waren vol aandacht voor de boer die zwijgend en dampend voor hen uitliep. Hij naderde hoe langer hoe meer de paal. Nou moest ie ’t toch gauw merken dat ’t ding weg was. Maar tot groote verwondering van Koen en Piet stapte de boer de onzichtbare paal voorbij zonder op te kijken.
„Wa’s dat nou?” zei Koen zacht. „Hij ziet het niet!”
„Wacht maar even” zei Piet even zacht.
Vlak voor de paal bleef Piet staan en Koen natuurlijk ook. Piet keek aandachtig in de lucht. De boer liep door.
„Vader!”
De boer draaide zich om.
„Nou? Kom, vort!”
Kom vort beteekende: kom vooruit, maar Piet kwam niet, keek aldoor in de lucht.
„Wat sta je te kijken?”
„De paal!” zei Piet.
„Paal?”
De boer kwam met groote stappen terug. Hij begreep wat er aan de hand was.
„De paal is weg,” zei Piet.
„Hij staat er nog,” zei Koen, „maar hij is onzichtbaar.”
„Dat bedoel ik ook,” zei Piet weer.
„Te deksel,” mompelde de boer, „’t wordt erg. Piet ga je moeder roepen.”
„Moeten we eerst niet gaan melken?” vroeg Piet.
„Doe wat ik je zeg, ga je moeder halen.”
Piet holde weg en ’n oogenblik later kwam ie alweer aanhollen, terwijl de boerin ’n beetje langzamer achter hem aankwam. Maar dat ze zich haastte, kon je wel zien. Ze droogde d’r handen aan haar voorschoot af onder het loopen.
Toen ze bij de paal stond, ze stonden er met hun vieren omheen, herhaalde de boer nog eens: „’t Wordt te erg.”
En de boerin zei haast huilend: „Als ’t zoo door gaat, is er over ’n week niks meer.”
Piet streek eens met z’n hand langs de onzichtbare paal en zei: „Je kan ’m alleen maar niet meer zien, maar anders is ie nog net als vroeger. Voel zelf maar.”
Doch de boerin had er geen zin in, maar de boer pakte resoluut de paal beet.
„Piet heeft gelijk moeder,” zei de boer en toen zei Piet weer:
„Kijk maar moeder ik kan er in klimmen,” en hij begon ook meteen maar.
Koen zag hem omhoog gaan en dat leek ’m nou net iets om na te doen. Klimmen in ’n paal die je niet zag. Hij deed het meteen.
De boer en z’n vrouw zagen met sprakelooze verbazing de jongens omhoog gaan langs niemendal. ’t Was zoo’n gek gezicht, dat ze geen van tweeën ’n woord konden uitbrengen.
Toen liet Koen zich naar beneden glijden en Piet kwam vlak achter hem aan. De boerin gaf ’n gil en de boer zei: „Hè!” Maar Piet en Koen lachten allebei.
„Dat moest vader zien,” zei Koen, „maar hij is nog niet op.”
„Kom,” zei de boer, „de koeien staan al te wachten.”
„Ik kan niet zeggen hoe akelig ik het vind” zei de boerin. „Ik blijf hier geen dag meer. ’t Was net of die jongens zoo maar uit de lucht kwamen vallen.”
De boer gaf daar geen antwoord op. Hij stak z’n pijp aan en Piet nam de melkemmers weer op. De boer marcheerde zwijgend naar het weiland en liet de vrouw gewoon staan. Maar die bleef daar niet. Ze maakte rechtsomkeert en liep haastig naar huis terug.
Piet molk zwijgend ’n paar koeien. Hij was er nog niet zoo vlug mee als vader of de oudere broers. De boer molk er in dezelfde tijd wel vier. Maar die zei onder het werk óók niemendal. Bij dat werk werd nooit gepraat. Alleen hoorde Koen die in de buurt wat rondscharrelde zoo nu en dan de stem van de boer of van Piet als die grommig wat riepen tegen de koe die niet rustig wou blijven. Koen liep te denken over het verdwijnen van de verdwijn-machine. Wie zou dat ding op de kop getikt hebben? Het was toch wel heel toevallig dat er net iemand langs die telefoonpaal moest komen en nog wel in de donker dat koffertje moest ontdekken. Als z’n vader met Klaas het gevonden hadden, dan was het begrijpelijk. Maar Klaas had van het koffertje niet gerept en van de onzichtbare telefoonpaal wist ie ook niets af. En Klaas had nog gezegd dat m’nheer Bruggemans al gauw naar bed gegaan was. Dat hadden ze net nog gehoord toen ze die morgen de kamer binnenkwamen. Koen z’n vader had het dus ook niet ontdekt zonder dat Klaas er bij was. Misschien had ’n voorbijkomende fietser het bij het licht van z’n fietslantaarn in de gaten gekregen. Wie weet. Maar in ieder geval waren ze ’t kwijt en professor Wells kreeg het nu misschien nooit terug. En opnieuw had Koen spijt dat ie zich telkens door Piet had laten overhalen om er z’n vader voorloopig niets van te vertellen. Hij kon niet ontkennen dat het nu zijn schuld was als de eigenaar het nooit meer terugzag. Piet had ook meegedaan, dat was waar, maar hij had het gevonden en hij had daarvan dadelijk kennis moeten geven aan z’n vader. Nu was het evenwel te laat. Er was niets meer aan te doen.
ZESDE HOOFDSTUK.
Waarin Koen en Piet ’n ontdekking doen en m’nheer Bruggemans ’n onzichtbaar varken ziet.
Toen ze van melken thuis kwamen, was m’nheer Bruggemans al op. Dat was iets bizonders. Die kwam anders nooit voor achten uit de veeren.
„Wat zou er aan de hand zijn?” zei Koen tegen Piet toen ie z’n vader zoo vroeg al in het tuintje zag zitten.
„Moeder heeft hem zeker uit z’n bed geklopt om te vertellen van die telefoonpaal.”
Dat was echter niet zoo. M’nheer Bruggemans was al op toen moeder terugkeerde. Ze zag hem in het tuintje en was dadelijk over de onzichtbare paal begonnen. M’nheer Bruggemans had niet veel geantwoord, alleen maar wat om de boerin gerust te stellen.
„Weet u ’t al van de paal?” vroeg Koen dadelijk.
M’nheer Bruggemans knikte.
„Wij zijn er al in geklommen,” zei Koen weer lachend.
„Zoo,” zei m’nheer Bruggemans ook lachend, „’t Zal wel ’n gek gezicht geweest zijn.”
„U had vader moeten zien en moeder,” zei Piet.
„Dat wil ik graag gelooven.”
„Gaat u ook niet eens kijken?” informeerde Koen.
„Ik kom er zoo meteen langs met de fiets.”
„Gaat u fietsen?”
„Even ’n boodschap.”
Verder werd er niet over gepraat. M’nheer Bruggemans bracht z’n brief aan Professor Wells zelf op de post. Toen hij terugkwam wachtte de boer en de boerin op hem en toen begonnen ze natuurlijk weer over die paal. Mevrouw Bruggemans deed nu hard mee met de boerin. Ze zei, dat ze ’t ook erg eng vond. Als dat zoo doorging bleef ze niet langer en de boerin verklaarde nogmaals dat ze stellig ook niet bleef. De boer zei niet veel en m’nheer Bruggemans praatte als ’n advokaat om de vrouwen gerust te stellen. Hij verklaarde dat het ’n heel natuurlijke zaak was, wel ’n beetje vreemd, maar er gebeurden zooveel vreemde dingen in de wereld waarover toch niemand zich ongerust of bang maakte.
Doch de boerin hield vol dat ze wèl bang was. Ze hield niet van die akeligheden. Wie had er nou ooit gehoord van ’n telefoonpaal die je op klaarlichten dag niet zien kon. M’nheer mocht zeggen wat ie wou, maar zij wou wel eens weten of zoo iets ’n natuurlijke paal was.
En toen verklaarde mevrouw Bruggemans vlak tegen de meening van m’nheer Bruggemans in, dat zoo’n paal, de onnatuurlijkste paal van de wereld was.
M’nheer Bruggemans merkte wel dat ie met die vrouwen niet opschoot. Hij zei niemendal meer en stak ’n sigaar op.
De boerin en mevrouw Bruggemans gingen het huis in en m’nheer Bruggemans ging in de hangmat liggen om de krant te lezen. Koen en Piet lagen op ’n afstand in het gras achter de heg.
M’nheer Bruggemans had geen erg in de jongens anders was ie misschien ’n beetje voorzichtiger geweest. Nu haalde hij z’n onzichtbare sigarenpijp uit z’n zak en draaide het ding in z’n vingers rond. Daarna hield hij het tegen het licht alsof hij er door wou zien. Vervolgens blies hij er door en bekeek het daarna opnieuw. Even later strekte hij z’n arm uit om ’n grasspriet te plukken die hij daarop door het pijpje haalde. M’nheer Bruggemans had bemerkt dat z’n pijp na het rooken van die sigaar ’s nachts niet onzichtbaar gebleven was. Rook geeft roet en er zat ’n klein beetje roet in de pijp. Dat wilde m’nheer Bruggemans er uit hebben, want dat kon je zien.
De jongens keken met volle aandacht. Het was net of m’nheer Bruggemans met hen ’n gebarenspelletje speelde en zij moesten raden wat ie deed. Ze raadden ’t allebei zonder tegen elkaar ’n woord te durven zeggen, want ze lagen geen tien pas van de hangmat af. En ze raadden beiden goed, want Piet maakte al gauw tegen Koen met z’n mond het gebaar van rooken en Koen knikte dat ie ’t begreep. En nu wisten ze meteen wie de verdwijn-machine mee genomen had.
Ze gingen ’n oogenblik later ’n eindje verder liggen, om niet gehoord te worden door m’nheer Bruggemans en toen zei Piet.
„Je vader heit ’m.”
„Ja,” zei Koen, „blij toe.”
„Hij heit er z’n sigarepijpie mee te pakken gehad.”
„Ja en hij dacht er niet aan dat wij hem zien konden.”
„Stom van ’m.... maar ik ben toch blij dat ik het weet. Waarom zou die er niks van zeggen?”
„Weet ik niet.”
„Waar zou die ’m bewaren?”
„Weet ik ook niet.”
„Moeten we es afloere.”
„Afloeren?”
Koen had er nog nooit aan gedacht z’n vader te beloeren. Dat leek ’m wel het gekste ding dat er bestaan kon, je vader afloeren.
„Nee,” zei Koen, „dat doe ik niet. Als vader dat ding bewaren wil, heb ik er niet meer mee noodig. Hij zal van morgen wel met ’n brief voor die m’nheer naar de post geweest zijn. Nou komt het nog goed terecht, zal je zien.”
„Zou die d’r nou niks meer mee doen?”
„Weet ik niet. Ik denk van niet.”
Piet was opgestaan en zei: „Ga je mee?” Hij was al te lang van huis. Vader had ’m misschien noodig bij ’t werk. Koen stond ook op en onder ’t gaan zei Piet:
„Nou moet je aan je vader niet laten merken dat je het weet van die pijp.”
„Zoo wijs ben ik uit me zelf wel,” antwoordde Koen. „Ik weet nergens van. Ik ben veel te bang dat vader er achter komt dat wij die machine gehad hebben.”
Toen ze op de boerderij kwamen moesten ze dadelijk mee naar de roggeakkers. Daar werd hard gewerkt. Ieder had de handen vol en Koen hielp dapper mee. Geen mensch had tijd om over onzichtbare dingen te denken, laat staan er over te praten. Om twaalf uur gingen ze niet eens naar huis voor het middageten. Mie en Berte met Flip achter zich aan, brachten ’n heele lading spekpannekoeken, van die dikke waar het vet langs droop. De hongerige kerels aten als wolven en de jongens deden voor de grooten niet onder. Koen at als ’n boer, maar hij had ook gewerkt als ’n boer. Berte en Mie namen de schaal weer mee toen de pannekoeken op waren en gingen met Flip naar huis terug. De boeren kropen uit de zon achter de roggeschoven en gingen op hun buik of op hun rug liggen, al naar dat ze het makkelijkste vonden om ’n middagdutje te doen en Koen deed net als zij. Als je ’s morgens vroeg uit de veeren komt, hard werkt en spekpannekoeken eet, slaap je achter zoo’n roggeschoof net zoo lekker als in je bed, al lig je maar op de stoppels. Na ’n uur rust werd de boer het eerst wakker en die riep de anderen. Toen begon het harde werken weer net als ’s morgens en het zweet droop hen daarbij langs de rooie koppen. Het was ook zoo brandend heet op dat roggeveld en er was geen zuchtje wind. Ze hadden allemaal groote grove strooien hoeden op, maar de kielen en vesten hadden ze uitgegooid. Met bloote armen en nekken zwoegden ze tot het weer melktijd was. Toen gingen ze allemaal naar huis om de emmers te halen en daarna, toen ze met de melk thuis kwamen, stonden de dikke roggemikboterhammen al weer te wachten en die smaakten Koen weer net zoo goed als ’s middags de vette pannekoeken.
Toen de boterhammen op waren, werden de paarden ingespannen en met twee boerenwagens ging het naar de akker. Dat was voor Koen het mooiste werk van de heele dag, de rogge thuis halen.