De verdwijn-machine

Part 4

Chapter 44,364 wordsPublic domain

„Hoezoo gevaarlijk?” zei Piet met ’n onnoozel gezicht. „’t Is niks gevaarlijker dan gisteren.”

„Ik meen het gevaar van ontdekt te worden.”

„O, meen je dat. Nou, als ze ’t ontdekken dan is ’t nog niet erg. Ze komen er vandaag of morgen toch achter.”

„Begin je dat ook in de gaten te krijgen? Laten we het dan nu maar dadelijk aan vader gaan zeggen, dan kan ie dat meteen aan die amerikaansche professor schrijven.”

„Ben je mal jô... We vertellen er heelemaal nog niks van. Waarom zouen we dat nou al doen? ’t Wordt nou pas lollig. Je zal eens zien hoe fijn ik er m’n broer vannacht mee tusschen neem.”

„Wat??... Moeten we ’t nou nog al niet vertellen? Maar ik laat me door jou niet langer tegenhouen. Ik ga ’t zeggen.”

„Da’s flauw hoor. Maar als jij ’t vertellen wil, ga je gang. Je zal zien dat je vader ’t kistje inpakt en dadelijk wegstuurt.”

„Nou, dat is toch ook de bedoeling dat die professor z’n eigendom weer terugkrijgt.”

„Krijgt ie ’t dan niet terug als wij er eerst nog die telefoonpaal mee onzichtbaar maken, zooals we afgesproken hebben?”

„Jawel, maar nou vader d’r zoo ver achter is, dat het instrument hier in de buurt moet zijn, hield ik er maar liever mee op.”

„Laten we ’t dan morgenochtend vertellen. Ik zou ’t zoo lollig vinden als we er die opschepper van ’n Klaas eerst nog eens mee konden foppen. Je hebt zelf gehoord wat ie zei.”

„Ja ’n beetje opschepperig was het wel,” gaf Koen lachend toe. „Met dat machientje zouen wij ’m onzichtbaar kunnen maken, zonder dat ie er zelf wat van merkte.”

„O zoo. Maar dat wil ik nog niet eens. Laat mij maar es begaan met ’m. Je kan d’r op rekenen, dat ie niet in slaap zal vallen en om ’m zelf onzichtbaar te maken zou die minstens moeten slapen, want anders had ie ons met ’t kistje zoo in de smiezen.”

„Da’s nog al duidelijk.”

„Maar we kunnen misschien wel wat anders onzichtbaar maken. Help jij?”

„Ik wel. Maar ik ben toch ’n beetje bang voor je broer, dat wil ik je wel zeggen.”

„O, ik ook, daar niet van. Je kan er op aan als ie iemand in z’n knuisten kreeg vannacht, zou die ’t slecht hebben. Klaas is zoo sterk als ’n os. En bang is ie ook niet. Dat zijn we bij ons geen van allen. Als we wat met hem uithalen, moet ie er niks van in de gaten krijgen. Maar die paal moet er eerst aan gelooven. Dat doen we vanavond als Klaas slaapt.”

„En hij zou waken?”

„Doet ie ook, maar dan gaat ie eerst ’n paar uur maffen. Hij zal wel opstaan als de anderen naar bed gaan. Met die paal komen we klaar zonder dat we d’r bij zijn.”

„Zonder dat we d’r bij zijn?”

„Ja zeker, ’t zal me nog al geen tijdje duren eer zoo’n dikke paal verdwenen is. Als wij daar bij moesten blijven met dat ding, dan hadden we alle kans dat we ontdekt werden. Moet ik niks van hebben.”

„Dus je wou dat kistje bij de paal zetten vanavond?”

„Ja dat wou ik en we binden die rooie knop aan de paal vast. Dan kan ie op z’n eentje onzichtbaar worden.”

„Maar als de een of andere op die manier het kistje eens ontdekte?”

„Ook niet erg... zijn we meteen overal af. Hoeven we heelemaal niks te zeggen.”

„Dan wou ik maar dat vader het kistje daar vond.”

„Ik niet hoor. Je zal morgenochtend eens wat beleven als die paal verdwenen is zonder dat Klaas er iets van gemerkt heeft.”

„Maar hoe wou jij dat kistje weer in huis halen als je broer overal rondsluipt, misschien wel met ’n geweer. Daar heb jij zeker ook niet aan gedacht.”

„Jawel... komt wel in orde. Dat doen we waar Klaas bij is.”

„Je maakt me nieuwsgierig Piet.... maar ’t lijkt me toch wel lollig ook. Hoe doe je dat dan?”

„Ga maar mee dan zal ik ’t je vertellen.”

Zij gingen samen naar huis terug en naar het zolderkamertje waar het geheimzinnig kistje klaar gezet moest worden voor het gebruik dat ze er die avond van dachten te maken. Piet liep op z’n teenen eerst even naar de stal om te kijken of Klaas soms al sliep. Maar de slaapplaats op de stal was nog leeg. Piet lachte stilletjes en nam vlug het geweer mee dat boven het bed van Klaas hing.

Koen keek verwonderd toen hij Piet terug zag komen met het geweer, maar hij begreep al gauw wat de bedoeling was toen hij zag dat Piet het kistje voor de dag haalde.

„Ga je dat geweer onzichtbaar maken?” vroeg hij lachend.

„En of en meteen eens probeeren of het ding werkt als je er niet bij bent. Kijk nu bind ik die rooie knop tegen het geweer. Maak jij nou maar de machine aan de gang. Ziezoo en nou hangen we er wat voor of we leggen er wat overheen en dan gaan we naar beneden.”

„Wat moeten we er overheen gooien... die blauwe kiel van jou?”

„Leg maar over, dat ding van jou ook maar, hoe heet dat ook weer.”

„M’n cape.”

„Nou kan geen mensch er meer wat van zien. Ga nou maar mee.”

„’t Is gevaarlijk,” vond Koen. „Als er eens iemand boven kwam, werd het zoo ontdekt.”

„Loop rond,” zei Piet. „D’r komt toch ’s avonds nooit iemand hier boven.”

Toen ze in het groote woonvertrek kwamen, zat de heele familie koffie te drinken, wat ze natuurlijk iedere avond om die tijd deden. Nadat dat afgeloopen was, begonnen moeder en Mie voor het avondeten te zorgen en daarna werd er gegeten en dan ging de heele familie naar bed. Klaas was er niet bij die avond. Die was ’n uurtje op één oor gaan liggen, zei Mie. Als de anderen naar bed gingen, zou hij geroepen worden om op wacht te trekken.

„Is ie naar bed?” vroeg Piet, die heel goed wist dat ie niet naar bed was.

„Welnee,” zei de andere broer, „hij ligt in ’t hooi.”

„Waarom doet ie dat?” vroeg Koen.

„Wel jongen,” zei de boerin, „je komt makkelijker uit het hooi dan uit je bed.”

„Hij liever dan ik,” zei de broer. „Ik mot er niks van hebben om zoo’n nachtje op te blijven als er zulke rare dingen gebeuren.”

Na het koffiedrinken verdwenen Koen en Piet weer stilletjes naar het zolderkamertje om te gaan kijken of het geweer van Klaas al onzichtbaar geworden was.

Doch daar deden ze ’n vreemde ontdekking. De kolf was verdwenen maar de rest van het geweer was nog net even zichtbaar als te voren.

„Da’s gek,” zei Piet. „Kijk es je kan die ijzeren schroeven allemaal zien zitten en dat glimmende ijzer onder tegen de kolf ook. ’t Is net of het allemaal in de lucht zweeft.”

„Net als met de mais,” zei Koen. „Om ’t heelemaal onzichtbaar te hebben, zouen we die stukken metaal ook nog eens moeten behandelen. Ik merk dat je met die machine alleen dingen onzichtbaar kunt maken die uit één stuk zijn, een geheel zie je.”

„Dat kan wel Koen, maar ’t wordt op die manier ’n raar geweer. Maar nou ga ik ’t eerst eventjes weer boven Klaas z’n bed hangen.”

„Och jô, hij ziet het toch dadelijk, nou ’t er zoo uitziet.”

„Mô je niet gelooven. Als Klaas z’n geweer gaat halen, is ’t pikkedonker. En zoek dan onderhand ’n stuk touw op, want we moeten zoo meteen het kistje uit het raam laten zakken.”

„Wat is dat nou weer?”

„O, wil jij ’t soms onder je arm nemen en er zoo de deur mee uit wandelen als we naar de telefoonpaal gaan?”

„Nee dat kan niet, daar heb je gelijk aan.”

Even later had Koen ’n flink eind touw en Piet had het rare geweer boven het bed gehangen.

Ze zaten nu in het kamertje, terwijl het al begon te schemeren, een gunstig oogenblik af te wachten om er met het kistje vandoor te gaan, zonder dat iemand het merkte. Het werd om de boerderij al stiller en stiller. M’nheer en mevrouw Bruggemans zaten zeker met Berte aan de andere kant van het huis in het tuintje. Daar zaten ze iedere avond soms heel lang. En de andere menschen waren in de groote boeren-huiskamer. Dat was ook iedere avond zoo.

„Nou moeten we ’t maar es probeeren,” zei Piet. „Ik ga naar beneden en dan laat jij het ding zakken. Maar ik zal eerst es kijken of het veilig is.”

Piet sloop weg en ’n oogenblik later zag Koen hem beneden op het erf rondloeren. Even daarna wenkte Piet naar boven en Koen liet het leeren koffertje met ’t wonderkistje er in behoedzaam uit het venster zakken.

Piet greep het en was er in ’n ommezien mee tusschen de struiken. Koen ging nu ook naar beneden en volgde Piet op z’n geheimzinnige tocht door het kreupelhout. Op die manier kwamen ze zonder door iemand gezien te worden bij de paal van de rijkstelefoon die op ’n afstand van ’n paar honderd meter van het huis verwijderd aan de weg stond.

„’t Zal wel lang duren,” meende Koen. „’t Is ’n heel stuk hout zoo’n paal.”

„Hindert niet,” antwoordde Piet. „We zetten het heele toestel hier maar neer en we binden die rooie knop tegen de paal aan. Wij gaan naar huis.”

„En wou jij dan het koffertje hier laten?”

„Wel ja, waarom niet? D’r komt hier geen mensch voorbij en al kwam er iemand dan zien ze in het donker het ding nog niet.”

„En wanneer halen wij ’t dan weer terug?”

„Vanavond laat. Laat mij daar maar voor zorgen.”

„Als Klaas hier rondloopt met z’n geladen geweer?”

„Ja. Ik ga hem ’n poosje gezelschap houen. Dat vindt ie wel lollig.”

„Dus jij wilt vroeg opstaan om het kistje te halen.”

„Nee ik wil niet vroeg opstaan, tenminste niet vroeger dan anders. Ik ga niet naar bed.”

„O, zeg die knop zit prachtig tegen die paal hè?”

„Fijn hoor. Laten we nou maar hard naar huis hollen, anders krijgen we weer ’n standje. Ze zullen al wel aan de pap zitten.”

Bij de boer aten ze elke avond pap met stroop en Koen deed er trouw aan mee, al was ’t heelemaal geen stadsche gewoonte. Maar Koen vond die boerenmanier van leven zoo slecht nog niet.

Ze kwamen net nog vroeg genoeg, ofschoon moeder al had opgeschept en Klaas was er ook. Vader bepraatte met hem wat ie doen moest als ie iets ontdekte die nacht. Hij moest in dat geval maar gauw komen waarschuwen, dan zouen ze die baas, die van die gekke kunsten op het erf durfde uithalen wel mores leeren. M’nheer Bruggemans had ook beloofd dat ie dadelijk bij de hand zou zijn als ze hem noodig hadden. Klaas meende dat ie ’t wel alleen af zou kunnen. Hij zou z’n jachtgeweer maar meenemen. Met dat jachtgeweer schoot ie in de winter nog wel es stiekem ’n konijn of ’n haas. Dat mag wel niet, maar de boeren zien in zoo’n beetje stroopen geen kwaad. Die beesten eten onze vruchten op, zeien ze en dus mogen wij hen wel weer opeten.

Klaas had net uitgesproken toen er aan de deur werd getikt en m’nheer Bruggemans binnentrad. Dat deed ie anders nooit. Maar nu kwam hij even zeggen dat ie ook nog ’n poosje op wou blijven om met Klaas de ronde te doen. Hij wou zelf wel es kijken of er ’t een of ander gebeuren zou.

De boer vond dat erg aardig van m’nheer en de vrouw niet minder. Klaas had er ook niemendal op tegen, want al zei hij er niets van, hij vond het nu het heelemaal donker was geworden buiten toch wel ’n beetje angstig. Niet dat ie bang was in donker. Daar had ie heelemaal geen last van. Maar met die onzichtbare dingen was ’t toch niet pluis. Hij had in de krant van mevrouw Bruggemans gelezen van die amerikaansche uitvinding, maar hij geloofde het nog maar half en dat die dingen nu net bij hen op ’t erf moesten gebeuren... nee ’t was toch niet alles al had je ’n geweer bij je. Je kon ’t maar nooit weten. En daarom was ie toch blij dat m’nheer Bruggemans zoo vriendelijk was om hem ’n poosje gezelschap te houden. De eerste uren waren de naarste. Dan moest je er nog zoo heelemaal aan wennen.

„Nou,” zei de boer, dan gaan wij maar onder de wol. Als m’nheer zoo vrindelijk wil zijn Klaas ’n poosje gezelschap te houen, dat vonden ze dan allemaal maar wat aardig.

„Dan betrekken wij de wacht maar, Klaas. Heb je voor mij ook soms niet ’n geweer?”

„Jawel,” zei Klaas. „Je kan ’t mijne krijgen. Das ’n heel beste spuit. Ik kan vader z’n geweer wel vatten.”

Koen voelde dat Piet hem onder de tafel aanhoudend zat aan te stooten. En als ie dan even opkeek naar Piet z’n gezicht dan zag ie maar al te duidelijk dat z’n kameraad het heele geval erg naar z’n zin vond. Maar Koen had er minder schik van. Hij kon het nog maar niet zoo aardig vinden dat z’n vader met dat rare geweer zou gaan loopen. Zoolang ie er mee in donker bleef was ’t niemendal. Maar als Klaas ’t nu dadelijk ging halen, dan kwam de heele zaak onmiddellijk al aan de dag en hij voelde wel dat ie zich niet goed zou kunnen houden. Vooral niet als er misschien aan hem iets zou gevraagd worden, want liegen daar deed ie niet aan. ’t Liefst had ie alles nu toch maar verteld, maar die Piet hield ’m er van terug. Morgen, had Piet gezegd, tenminste zooiets. Maar hij nam zich voor om er morgen in ieder geval ’n eind aan te maken. Dat geheimdoen was toch niks voor hem.

Gelukkig ging Klaas het geweer niet halen. Dat gebeurde pas toen ze allemaal met m’nheer Bruggemans naar buiten gingen. Toen zei Koen z’n vader:

„Nou menschen gaan jullie maar gerust naar bed. Ik zal met Klaas dat zaakje wel eris opknappen. Ga nou je spuit maar halen.”

Koen en Piet waren naar hun zolderkamertje gevlogen en lagen daar uit het venster te loeren. De boer was met de anderen ook weer naar binnen gegaan. M’nheer Bruggemans stak ’n sigaar op en liep wat heen en weer. Klaas kwam ook nog niet gauw terug. Maar eindelijk kwam ie toch en de jongens hoorden hem zeggen:

„Asjeblieft m’nheer, hier heb je mijn geweer. Ik heb dat van vader. Maar ik kon ’t zoo gauw niet vinden. ’t Mijne heb ik altijd zoo. Dat hangt altijd boven me bed.”

„Geef maar op Klaas,” hoorden de jongens m’nheer Bruggemans zeggen. „Is ’t geladen?”

„Nou en of!”

Koen en Piet zagen dadelijk daarop het vuurpuntje van de sigaar opgloeien. M’nheer Bruggemans had zeker ’n hevige trek aan z’n sigaar gedaan. Daarna hoorden ze Klaas vragen of ze geen lantaarn zouden aansteken, waarop m’nheer Bruggemans antwoordde dat ie z’n fietslantaarn bij zich had, maar dat ze die wel zouden aansteken als het noodig mocht zijn. Ze moesten de zaak in de duisternis onderzoeken.

„Nou,” fluisterde Koen, „dan mogen ze ook wel wat zachter praten, anders hooren de boosdoeners toch alles.”

En Piet zei daarop lachend maar ook heel zacht:

„En die boosdoeners zitten veilig hier op zolder. Ga je mee naar beneden?”

„Naar beneden?” zei Koen verbaasd. „Ik moet naar bed jô!”

„Maar we moeten toch eens gaan kijken wat ze uitvoeren. Verbeeld je dat ze het koffertje vinden bij die paal.”

„Zouen ze daarheen gaan?”

„Welnee jô, ze blijven hier op het erf.”

„Waarvoor zouden wij dan gaan kijken? Ik ga veel liever slapen ook.”

„Ga jij dan maar slapen. Ik klim het raam uit.”

„’t Raam uit? Hoe doe je dat? Je hebt het laddertje toch niet laten staan?”

„Nee, ’t laddertje is er niet. Dan kreeg ik van vader op me kop. Ik weet er wel wat anders op.”

Hij haalde ’n touw ergens vandaan. Koen begreep dat ie dat expres voor dat doel daar had geborgen, maar Piet legde hem uit dat z’n broers, vooral Klaas, daarvan vroeger ’s winters gebruik maakten, wanneer ze ’s nachts zonder dat vader het wist gingen stroopen.

„Doen ze dat ’s nachts ook al?” vroeg Koen.

„Met de lichtbak,” zei Piet. „Vader wil niet hebben dat ze er ’s nachts op uit gaan, maar ze doen ’t toch wel es. En dan moeten ze hieruit, want vader sluit de deuren zelf en dan neemt ie de sleutels mee.”

Koen vond zoo’n klimpartij aan ’n touw toch wel leuk en ofschoon hij wist dat z’n vader het wel heel niet zou goedkeuren, ging ie toch maar langs het touw naar beneden. Piet was al voorgegaan en samen slopen ze nu langs het achterhuis naar het voortuintje. Als m’nheer Bruggemans die tuin ingegaan was met Klaas dan moest ie al heel gauw ontdekken dat z’n geweer er ’n beetje raar uitzag, want de lamp brandde nog in de voorkamer waar mevrouw Bruggemans nog zat te lezen. De jongens konden uit hun schuilplaats tusschen een paar struiken net in de kamer zien. Er was niemand als Koen z’n moeder die heel stil telkens ’n blad van haar boek omsloeg. De twee nachtwakers waren zeker de andere kant opgegaan en nu wachtten de jongens geduldig tot ze terug zouden komen van hun ronde. Piet had wel eerst naar de telefoonpaal gewild maar Koen had het afgeraden. Je kon nooit weten of ze die kant niet ’n eindje waren opgeloopen en als ze hen ontdekten liep het mis.

Eindelijk hoorden ze stemmen. M’nheer Bruggemans praatte voor ’n schildwacht veel te luid en de jongens kropen een beetje verder onder de struiken toen de stem al duidelijker werd. Klaas konden ze niet zoo goed hooren. Die sprak wat zachter. Maar die was ook meer ’s nachts er op uit geweest en die wist dat je in den nacht ’n stem heel ver hooren kunt. M’nheer Bruggemans konden ze heel duidelijk verstaan.

„Drommels,” zei m’nheer Bruggemans, „m’n vrouw is warempel nog op. Die vergeet altijd de klok als ze zit te lezen. Klaas ik zal haar even gaan zeggen dat het al over tienen is.”

„Nou komt ie met z’n geweer in ’t licht,” fluisterde Piet, „zal je wat beleven.” Ze loerden samen door de blaren en zagen m’nheer met Klaas de tuin in loopen. „Daar heb je ’t al,” zei Koen. „Klaas merkt ’t.”

Klaas was plotseling in het smalle paadje blijven staan en gaapte z’n geweer aan of tenminste dat gedeelte van het geweer dat zichtbaar gebleven was.

„Wat heb je?” vroeg m’nheer Bruggemans zich omkeerend. „Wat kijk je beteuterd. Waar kijk je zoo naar?”

Maar de jongens hoorden geen antwoord van Klaas. Die scheen zoo verbouwereerd dat ie geen woord kon uitbrengen. M’nheer Bruggemans keek Klaas aan en begon toen zichzelf ook eens te bekijken en hij keek natuurlijk het eerst naar z’n rechterbeen omdat ie dacht dat Klaas daar wat aan zag. Doch m’nheer Bruggemans had nog nergens erg in, want hij droeg het geweer aan de riem.

„Wat is er toch met me?” vroeg m’nheer Bruggemans nog eens. Terwijl hij dat zei nam hij zonder er bij te denken het geweer van z’n schouder en toen zag hij het natuurlijk ook.

„Lieve hemel,” zei m’nheer Bruggemans, „wat ’s dat voor ’n ding. Ik heb de kolf verloren!”

Doch ’n oogenblik later zag hij dat de draagriem nergens meer aan vast zat en toch net deed of er wat aan hing.

„’t Is half weg.” zei Klaas opeens. „M’nheer ze hebben onderweg het geweer half onzichtbaar gemaakt.”

M’nheer Bruggemans betastte het heele geweer en merkte dat het nog heelemaal aanwezig was, maar dat je het gedeelte dat van hout gemaakt was niet meer zien kon. Voelen kon je het daarentegen net als altijd. Ook merkte hij nu dat het metaal onder aan de kolf nog wèl zichtbaar was en hij zag ook de schroeven.

„Da’s ’n gekke geschiedenis,” prevelde m’nheer, zoo zacht dat de twee in de struiken het ternauwernood konden hooren. En daarna zei hij wat luider:

„Heb jij dat geweer boven je bed vandaan gehaald?”

„Ja m’nheer en toen was het er nog heelemaal.”

„Het is er nu ook nog heelemaal. Maar heb jij het heelemaal gezien?”

„Ik heb het heel niet gezien,” zei Klaas. „Ik heb het in de donker maar zoo meegepakt.”

„Dan kan het wel vroeger onzichtbaar gemaakt zijn,” zei m’nheer. „Onderweg kan het onmogelijk gebeurd zijn. Ik heb niks gevoeld. Laten we even in huis gaan bij m’n vrouw. Ik moet dat geweer eens wat nauwkeuriger bekijken.”

Ze gingen samen naar binnen en toen trok Piet Koen mee.

„Waar ga je heen?” fluisterde die.

„Kijken,” fluisterde Piet terug.

„Dan zien ze ons.”

„Nee, ga maar mee.”

Piet ging vooruit en zoo slopen ze als ’n paar inbrekers langs het huis tot ze bijna bij het open venster waren waarachter mevrouw Bruggemans had zitten lezen. Toen bukte Piet en zat ’n oogenblik later onder het venster met Koen naast zich. Als er iemand in de kamer z’n hoofd naar buiten gestoken had zou hij onmiddellijk de jongens hebben kunnen zien. Maar daarbinnen hadden ze het zoo druk met het half onzichtbare geweer dat niemand er aan dacht naar buiten te zien en bovendien dachten ze geen van drieën in de verste verte aan Koen of Piet, net zoomin als dat ze vermoeden konden, dat die twee jongens meer wisten van dat geheimzinnige onzichtbaar worden dan zij met hun allen.

Koen hoorde z’n moeder allerlei uitroepen doen van verbazing, hij hoorde Klaas nu en dan wat mompelen dat ie niet verstaan kon en hij hoorde z’n vader volhouden dat er die dag iemand in de boerderij moest geweest zijn die het geweer gedeeltelijk onzichtbaar gemaakt had. M’nheer hield verder vol dat die man of wat het dan ook mocht geweest zijn, bepaald in z’n werk gestoord was anders had ie het geweer wel heelemaal onzichtbaar gemaakt.

Weer kreeg Koen groote lust op te staan en aan z’n vader alles te vertellen. Maar hij deed het toch weer niet, want Piet trok hem aan z’n mouw en sloop weg. Koen volgde.

„Nou moeten we gauw naar de telefoonpaal,” fluisterde Piet toen ze weer veilig ’n hoek van het huis om waren.

„Goed,” antwoordde Koen, maar hij had er niet veel zin in.

Ze slopen om het huis heen en wilden juist in de struiken kruipen toen Klaas als ’n donkere schim van de tegenovergestelde kant kwam. De jongens stonden plotseling doodstil. Geen vin verroerden ze meer. Wachten tot Klaas weg was, dat was alles wat ze te doen hadden. Ze hielden de adem in, Klaas kwam dichterbij. Nu was ie geen vier stappen meer van hen af. Nog ’n paar seconden, dan was ie voorbij. Opeens scheen Klaas zich te bedenken. Hij stond stil. Koen kreeg ’n gevoel in z’n keel of hij hoesten moest en hij kneep z’n lippen stijf op elkaar. Z’n oogen wendde hij niet van de donkere schaduw af die Klaas was. Soms zag hij hem heel duidelijk, doch dan opeens leek de heele Klaas wel verdwenen, was alles gelijk zwart. Tot Klaas weer ’n beweging maakte, dan zag ie ’m weer duidelijk.

Wat duurde dat lang! Waarom talmde die Klaas daar nou zoo lang? Koen kon bijna niet meer stil staan.

Dat duurde zoo nog ’n heele tijd. Hoe lang dat wist Koen niet. Maar ’t leek heel erg lang. En toen ging Klaas opeens zitten op ’n omgekeerde tobbe die daar stond. Piet stiet Koen zacht aan. Dat beteekende zeker dat ie zich nog stiller moest houden dan ie al deed. Koen vond het alles behalve lollig. Klaas zat daar vlak voor hen met het geweer dwars op z’n knieën. Ze konden nu niet meer weg. En als Klaas zoo zitten bleef, moesten zij daar blijven staan en als het dan zoo meteen dag werd waren ze er gloeiend bij. Nee, het was geen aangename positie.

Opeens trok Piet hem weer aan z’n mouw en toen kwam Piet met z’n hoofd heel dicht bij Koen z’n oor en Koen hoorde Piet fluisteren: „Hij maft.”

Meteen verdween Piet onhoorbaar tusschen de struiken en Koen was er gauw bij om hetzelfde te doen.

’n Oogenblik later stonden ze op de weg en gingen ze voorzichtig naar de paal. Ze wisten precies waar die stond en bovendien hoorden ze boven zich het gezoem van de twee draden die altijd ’n liedje zongen als er ’n beetje wind was. Maar het was zoo pikkedonker dat ze van de paal geen steek konden zien.

„Hier heb ik ’m,” fluisterde Piet.

„Ik voel ’m ook,” zei Koen.

„Hij zal nou wel heel onzichtbaar zijn,” meende Piet. „De machine heeft nu minstens twee uur gewerkt.”

„Denk ik ook wel,” zei Koen.

„Zeg,” fluisterde Piet, „da’s ook wat... ik voel de machine nergens, voel jij es”.

„Ik voel niks,” zei Koen. „’t Heele ding is weg.”

VIJFDE HOOFDSTUK.

Waarin mijnheer Bruggemans met de verdwijn-machine begint te werken en de boer en de boerin iets onmogelijks zien.

Zwijgend waren ze naar de boerderij teruggekeerd en langs het touw hadden ze veilig hun zolderkamertje bereikt. Onder het uitkleeden had Piet nog gezegd: „’t Is gestolen.”

En Koen had geantwoord: „We hadden het daar niet zoo alleen moeten laten staan. ’t Was stom.”

Toen lagen ze allebei onder de wol en vergaten het heele kistje. Ze hadden slaap.

Klaas zat nog altijd op de omgekeerde tobbe te slapen met het geweer dwars op z’n knieën.

De eenige die nog op was en klaar wakker, dat was m’nheer Bruggemans en die zat in de voorkamer bij het tuintje met de luiken dicht vlak bij de tafel waarboven de petroleumlamp brandde en voor hem stond het leeren koffertje met de verdwijn-machine van professor Wells en m’nheer zat aandachtig te lezen in de papieren die Koen maar met moeite en ten deele had kunnen ontcijferen. M’nheer Bruggemans had er niet zooveel moeite mee als Koen. Hij las dat engelsch net zoo gemakkelijk als hollandsch.