Part 3
Met het krieken van de morgen werd de haan op z’n ongewone slaapplaats wakker. Misschien had ie wel ’n vreemd gevoel, omdat ie zichzelf niet meer zien kon, want hij was erg onrustig. Hij sprong van z’n sport en liep over de planken zoodat de beide jongens al heel gauw ontwaakten door het getik van hanepooten op het hout. Koen was het eerst wakker en keek uit z’n bed en schrok ’n beetje toen hij het gescharrel van de haan hoorde, zonder dat ie van het beest ook maar ’n veertje te zien kon krijgen. Hij keek naar Piet. Die was ook wakker en keek net zoo verbaasd uit z’n bed als Koen.
„’t Is toch raar hoor,” zei hij bij wijze van goeiemorgen en Koen zei niemendal.
Ze stonden allebei op, waschten zich en trokken hun kleeren aan.
Toen haalde Piet wat mais uit z’n broekzak en strooide de korrels voor zich op de grond. Dat was de haan gewoon van Piet en onmiddellijk kwam ie aanstappen. Gulzig, als hanen doen, wanneer er geen kippen bij zijn, pikte hij de korrels op en nu zagen de twee toeschouwers het gekste ding gebeuren, waaraan ze heelemaal niet gedacht hadden. De maiskorrels gingen omhoog, zakten achter elkaar omlaag en bleven ergens ’n eindje van de grond op ’n hoopje zitten. De mais die niet met de verdwijn-machine behandeld was, bleef zichtbaar!
„Nou zit de mais in z’n krop,” zei Piet.
„Zooiets geks heb ik nog nooit gezien,” vond Koen. „Wat zou er nou met die mais gebeuren?”
„Ik denk,” antwoordde de boerenjongen die verstand van kippen had, „dat de mais net als altijd wel langzaam verteren zal en dan komt ze van z’n krop in z’n maag en dan zal d’r langzamerhand wel niks meer van te zien zijn.”
De haan hoorde nu de kippen buiten, die uit het hok kwamen en ’n haan kraaide. Dat kon de voormalige witte niet uitstaan. Als er ’s morgens gekraaid moest worden dan behoorde hij dat te doen. Die andere hadden niks te kraaien zoolang hij er nog was. Gingen ze ver genoeg uit z’n buurt, dan kon het hem minder schelen, maar zoo vlak bij dat was majesteitsschennis. Hij vloog dus op de vensterbank, kraaide zoo hard hij kon, zoodat de haan daarbeneden, die het gewaagd had ’n bek open te doen, angstig omhoog keek, natuurlijk gereed om onmiddellijk de de vlucht nemen. Maar hij zag de gevreesde witte baas van de kippetjes heelemaal niet en bleef dus maar staan. Hij kraaide zelfs nog ’n keertje. Dat was iets te veel voor de onzichtbare en klappend met de vleugels vloog hij omlaag, tevergeefs nageoogd door Koen en Piet. Ze zagen beneden de kippen uit elkaar stuiven toen er daar zooiets uit de lucht over hen heen en tusschen hen door fladderde, dat ze niet zien konden. Maar de haan die gekraaid had en met z’n hals uitgerekt loerde naar z’n gevreesde tegenstander kwam er bekaaid af. Hij stond klaar om te vluchten, want hij hoorde de vijand aankomen, maar die had ’m eer hij nog ’n besluit had kunnen nemen welke kant ie uit zou gaan, al bij z’n kuif te pakken.
De aangevallen haan was heelemaal de kluts kwijt en moest het toelaten dat de ander hem de kam leelijk havende. Doch toen pakte hij z’n biezen en poetste op goed geluk de plaat. Daar was het de witte om te doen. De jongens hoorden hem kraaien en met de vleugels slaan. De kippen om hem heen keken naar het scheen ’n beetje er van op. Ze draaiden tenminste hun halzen en koppen naar alle kanten. Opeens kreeg ’n ouwe kip, die het dichtst bij de onzichtbare haan was, blijkbaar de nog altijd zichtbare maiskorrels in de gaten. De kip prakkezeerde er niet over, dat die maiskorrels daar toch wel ’n beetje vreemd ’n eindje boven de aarde schenen te zweven. Maiskorrels zijn maiskorrels, al zweven ze ook in de lucht, meende misschien dat kippetje en ze pikte er naar. Maar ze pikte alleen de haan, die ze niet zag en die was zoo’n malle behandeling door z’n kippen niet gewend. Haneman pikte waarschijnlijk terug en de kip ging er onmiddellijk vandoor.
Dat alles zagen de twee jongens uit hun zoldervenster afspelen. Ze moesten er om lachen of ze wilden of niet, want het leek wel of er daar beneden in de kippenwereld rare dingen gebeurden. Daar net had de onzichtbare weer ’n andere haan te pakken gehad, die ’n beetje vriendelijk deed tegen ’n kip. En ’n oogenblik later waren er twee kippen tegelijk tegen de onzichtbare aangewandeld, waarvan ze blijkbaar allebei schrokken. Hoe de witte haan er zich onder hield, was natuurlijk niet na te gaan. Maar Koen dacht er het zijne van en zei toen ze de kamer uitgingen:
„’t Spijt me dat we dat met die haan gedaan hebben.”
„Mij heelemaal niet,” antwoordde Piet. „De witte is alleen onzichtbaar geworden. Verder is er niks aan hem veranderd, dat weet ik vast.” En ’n oogenblik later: „Je moet er nog niks van aan je vader zeggen hoor.”
„Ben je bang?” vroeg Koen.
Maar Piet zei lachend:
„Geen steek. Als ze d’r achter komen, lachen ze er allemaal om, dat zal je zien. Maar ik wou eerst es graag zien hoe de anderen het vinden zonder dat ze weten wat er eigenlijk aan de hand is.”
„Ze zullen niet weten wat ze er van maken moeten,” meende Koen. Maar hij vond het voorstel van Piet nogal leuk en wat kwam ’t er ook op aan of ’t ’n dag langer verborgen bleef? ’t Was met de haan nou toch gebeurd en al vond ie dat toch eigenlijk ’n beetje ongezellig voor die haan, hij kon ’t toch niet ongedaan maken. Hij geloofde nu ook wel dat de witte er niets onder geleden had.
M’nheer en mevrouw Bruggemans waren natuurlijk nog lang niet bij de hand, maar bij de boerenfamilie kon Koen al terecht. Dat deed ie iedere morgen dan ook. Berte stond ook niet zoo vroeg op, maar Mie wel. Koen at ’s morgens vroeg net als Piet en Mie ’n dikke boterham met spek, roggebrood natuurlijk. Hij kreeg er melk bij, maar Piet en Mie moesten het maar doen met ’n beetje nat, dat ze koffie noemden. Het rare goedje scheen hun best te smaken bij de dikke sneden roggemik, want ze dronken er altijd heel wat kommetjes van. De boer en de groote jongens zaten nog zoo’n beetje te geeuwen, maar moeder de vrouw liep al bezig in en uit. Toen stopte de boer z’n pijp, stak hem aan en zei opeens: „Kom, opschieten jongens.” Doch op datzelfde moment (de jongens en ook Piet stonden al op) kwam moeder voor de zooveelste maal binnen en zei:
„Vader, kijk jij eris naar de kippen. Wat die mankeeren weet ik niet. Ze doen zoo vreemd.”
„Daar heb je ’t al,” dacht Koen met ’n beetje angst, maar Piet zei doodleuk:
„Dat heb ik ook al gemerkt moeder.”
„Och wat,” zei de boer, „wat zou d’r nou met die kippen zijn. Niks natuurlijk.”
De boer beschouwde de kippen als ’n soort minderwaardig vee, waar hij eigenlijk niets mee noodig had. Dat was werk van de vrouw. Die verzorgde ze en die verkocht de eieren. Hij bemoeide zich er niet mee. Hoogstens verkocht ie soms op verzoek van de vrouw wat jonge hanen of oude hennen, maar meestal liet ie dat ook nog over aan de jongens. Die kippen waren ’m om zoo te zeggen te min. Toch ging ie achter z’n vrouw naar buiten, gevolgd door de groote zoons en Mie, terwijl Piet en Koen ’n beetje achteraan bleven.
Nu was het zóó met de kippen, dat zoodra ’s morgens de vrouw buiten kwam, het heele kippenleger rumoerig naar haar toe kwam en op ’n kippedrafje achter haar aanmarcheerde overal waar ze heenging. Stond de vrouw stil dan stonden alle kippen en hanen om haar heen. Maar heel vooraan stond altijd de witte als rechtmatige aanvoerder van het regiment en de andere hanen hielden zich wijzelijk op de achtergrond. Dan strooide de vrouw uit ’n groote bak met volle handen het ochtendvoer, er voor zorgende dat ook de achterste hun rechtmatige portie kregen.
„Wat is d’r nou met jouw kippies?” informeerde de boer.
„Wel nou... kijk maar zelf, hoe mal ze hier vooraan doen... Enne... heeremetijd waar is de witte haan?”
„De witte haan?” zei de boer. „Ja, waar is die witte haan?.... D’r zullen toch geen dieven op de werf geweest zijn vannacht?”
„Ik heb niks gehoord,” zei de oudste zoon.
„Ik ook niet,” bevestigde de tweede.
„En we hadden ’t toch moeten hooren,” zei de eerste weer. „In de stal hoor je alles.”
„Kiep, kiep, kiep, kiep!” riep de vrouw met ’n heel hooge stem. „Als ie in de buurt was, zou die nou wel komen,” voegde ze er bij.
Maar de witte haan kwam niet, want hij stond vlak voor haar, het beest begreep zeker dat het om hem te doen was, want opeens hoorden ze allemaal vlakbij zijn „tok, tok, tok”.
„Ik hoor ’m,” riep Mie en toen keken ze allemaal overal rond en de vrouw liet ’n onderzoekende blik gaan over het heele kippenleger, om te zien of de haan er toch niet ergens tusschen stond.
Koen voelde zich ’n beetje raar. Hij moest het nu zeggen, dacht ie. En toen keek hij Piet eens aan. Maar die knipte enkel maar ’n oogje tegen hem en zette ’n gezicht of hij het verloop van de zaak erg naar z’n zin vond.
De vrouw strooide toen maar het ochtendvoer uit, want ze had geen tijd om zich nog langer met de kippen bezig te houden. Het speet haar wel dat de witte er niet was, doch ’n kip meer of minder maakte op zoo’n groote hoop toch niet veel uit. Over zooiets kon je in het boerenbedrijf je niet zoo heel druk maken.
Ze maakte al aanstalten om naar binnen te gaan en de boer stapte ook al op, toen Mie, die met ’n handjevol mais gehurkt zat om naar gewoonte de kippen, die tam genoeg waren uit haar hand te laten pikken, opeens riep:
„Jakkes, wat is dat nou!”
„Wat heb je?” zei moeder.
„Wel... Kijk es... D’r pikt iets de korrels weg en ik weet niet wie het doet.”
De kippen hadden ruimte gemaakt voor de haan die niemand zag. Het was zijn recht om er vooraan bij te zijn als er uit de hand gevoerd werd. En daar maakte hij ook thans gebruik van. Hij pikte wat ie maar kon.
Moeder zag ook die rare beweging van maiskorrels en de boer kreeg het ook in de gaten. Die riep z’n oudste jongens erbij en toen zaten ze allemaal om de onzichtbare haan heen, die voortdurend maar korrels pikte.
Toen greep de boer opeens naar de korrels die de onzichtbare haan in z’n krop had en kreeg natuurlijk de haan te pakken.
„Wel allemachies!” zei de boer zacht. Maar hij liet de haan niet los, al vond ie ’t ook nog zoo eng iets in z’n hand te hebben, dat ie niet zien kon.
„Wat heb je?” informeerde moeder nieuwsgierig.
„Wat ik heb?... Dat weet ik niet... Maar ’t lijkt allemachies veel op ’n haan. Ik voel z’n kop... en z’n staart ook.” De boer had de haan in de linkerhand en ze zagen allemaal hoe hij met de rechter al sprekend ergens overheen tastte.
„Wat doe je toch gek,” zei de vrouw. „Wat klets je nou van ’n haan die je in je handen hebt en ik zie niks.”
„Voel zelf maar es,” zei de boer.
Maar daar had de vrouw voorloopig geen trek in naar het scheen. Doch de oudste zoon durfde beter.
„Wat heb je toch?” zei ie tegen z’n vader. „Lâ mij ook es voelen.”
„Nou nog mooier,” zei ie na ’n oogenblik met z’n hand gevoeld te hebben. „Maar dat lijkt op ’t gevoel net de witte. Zeg Piet voel jij es. Jij ken ’m beter dan wij.” Toen kwam Piet met ’n effen gezicht en voelde ook. „Geef ’m es hier,” zei hij daarna en hij nam de haan uit z’n vaders hand en droeg hem zooals ie dat zoo dikwijls deed en wat de haan heel prettig vond. Van plezier riep ie dan ook tok tok zoodat iedereen het hoorde.
„’t Is vast de witte,” verklaarde Piet. „Dit is z’n kam. Voel maar,” voegde hij er bij, zich tot Mie wendend die de haan ook heel goed kende.
„Hij is ’t,” bevestigde Mie. „Z’n staart is ’t ook.”
„Jullie bent geen van allen goed,” zei de vrouw. Maar toen ze ook de hand uitgestoken had en het onzichtbare beest voelde, gaf ze haast ’n gil.
„Gooi weg,” riep ze, „lâ los dat ding, Piet.”
„De haan los laten?” zei Piet. „Wel daar gaat ie.”
Ze zagen aan de kippen die uit elkaar stoven toen de onzichtbare tusschen hen in terecht kwam, dat het werkelijk de haan moest zijn, die ze gevoeld hadden, maar ze gaapten elkaar zwijgend aan, want natuurlijk begrepen ze er geen sikkepit van.
Piet was de eerste die sprak.
„Wat zou er met die haan gebeurd zijn?” vroeg hij met ’n onnoozel gezicht. „Hij is ’t sekuur. Kijk maar es daar heeft ie de zwarte te pakken.”
Ze zagen het allemaal. Maar ’t was ’n mal gezicht die zwarte te zien, die precies deed alsof ie tegen ’n andere haan stond te vechten ofschoon hij ’t oogenschijnlijk deed tegen de leege ruimte. De zwarte sprong omhoog en pikte wat ie kon, maar de onzichtbare was verreweg de baas. Het bloed liep de zwarte al uit de kam. Tot opeens de zwarte er weer vandoor ging.
Toen hoorden ze allemaal de onzichtbare witte luidop kraaien. Hij had het, net als altijd, weer gewonnen.
„We staan hier onze tijd maar te verleuteren,” zei de boer eindelijk. „Vooruit aan ’t werk jongens.” En toen tegen Piet: „Je krijgt ’n dubbeltje als je dat... dat ding de nek omdraait.”
De jongens gingen met elkaar pratend het land in en de boer volgde langzaam.
De vrouw ging met Mie naar binnen en Piet, alleen gebleven met Koen, zei lachend: „Hoe was ’t ie?”
„We moeten het zeggen,” zei Koen beslist.
„En je zal ’t wel laten,” antwoordde Piet. „’t Wordt nou pas lollig.”
„Noem jij ’t maar lollig. We staan te liegen dat de stukken er afvliegen.”
„Liegen? Wie liegt er? Ikke niet. Ik zeg heelemaal niks... en jij hebt ook nog geen stom woord gezegd. Om te liegen moet je je mond opendoen.”
„Je kan ook liegen met je mond dicht,” meende Koen.
„Nee, dat bestaat niet. Dominee heeft ons geleerd dat onwaarheid zeggen liegen is. Hebben wij iets gezegd dat niet waar was?”
„De waarheid verzwijgen, kan ook liegen zijn of tenminste net zoo erg.”
„Zoo? Hoe leg jij dat uit?”
„Wel als ’t noodig is dat je de waarheid zegt en je doet het niet...”
„O... bedoel je ’t zoo! ’t Is heel niet noodig dat wij de waarheid nou al zeggen.”
„Dat vind ik wel.”
„Och jô, wat geeft ’t nou of we dat nog ’n poosje voor ons houen. We doen er immers geen mensch kwaad mee.”
Koen wou daar weer tegen opkomen, want hij was het met Piet niet eens, dat ze er geen mensch kwaad mee deden. Doch op dat oogenblik kwam Mie met Berte en mevrouw en mijnheer Bruggemans de hoek van het huis om. Mie was de eenige die ernstig keek. M’nheer schaterde het uit. Mevrouw lachte niet zoo uitbundig, maar leek het toch ook erg grappig te vinden en Berte lachte haast net zoo hard als d’r vader.
„Hahahaha... waar is die haan die geen mensch zien kan!” riep m’nheer Bruggemans al in de verte. En toen ie vlak bij was: „Neemaar ’t is om je dood te lachen. Hahahaha! ’n Onzichtbare haan!”
„Ik wist niet dat er nog zulke bijgeloovige menschen waren,” zei nu ook mevrouw met ’n glimlach, „’t Is zonde... hoe komen ze er bij!”
„Onzin,” riep m’nheer weer. „Inbeelding! Hahahaha... Onzichtbare hanen bestaan niet. Zeg Piet jij hebt er zeker gisteravond van verteld hè. Van die amerikaansche professor met z’n machine... Ze zullen gedroomd hebben!”
„Mie heeft het ons verteld, jongens, van die onzichtbare haan die uit haar hand pikte,” zei Berte. „’t Kan toch niet hè... ’t Is allemaal gekheid.”
„Ik heb ’m ook in m’n handen gehad,” zei Koen nu. „D’r is ’n onzichtbare haan.”
„Hou je mond jongen met je nonsens... Begin jij nou ook al. Je komt mij maar niet met die dwaasheden aan boord hoor.”
„’t Is toch waar m’nheer,” zei Piet. „Als u even wacht, zal ik de haan wel halen. ’t Is onze witte.”
Piet liep weg en ging tusschen de kippen, scherp uitkijkend, want ’t was nu ’n toer om de witte te ontdekken. Piet riep zacht: „Kiep, kiep, kiep,” in de hoop dat de witte zich wel zou laten verlokken, zooals altijd. Toen bukte hij voorzichtig, stak z’n hand uit en greep naar iets. M’nheer Bruggemans, z’n vrouw en Berte keken nieuwsgierig en m’nheer zei toen ie zag wat wat Piet deed:
„Die jongen is stapel. Kijk nou es, daar komt ie me waarachtig aanloopen net of ie iets draagt. Zou die aap nou werkelijk denken, dat ie mij wat wijs kan maken?”
„Hier is de haan m’nheer,” zei Piet.
„Jawel slimmerd, dat zie ik,” antwoordde m’nheer Bruggemans lachend. „Moet je vroeger opstaan hoor.”
„Voel u maar,” zei Piet weer.
„Kan je begrijpen.”
„Mag ik eens voelen?” vroeg Berte lachend, en ze deed het meteen. Doch onmiddellijk zei ze: „Gunst, ’t is echt ’n haan.”
„Wat?” kwam er uit Mijnheer Bruggemans’ mond en meteen stak hij zelf de hand uit. „Sapperloot!... Da’s vreemd... interessant... ’t Lijkt werkelijk ’n haan of zooiets. Laat mij dat ding eens vasthouden Piet.”
„Asjeblieft,” zei Piet en hij gaf de haan over.
M’nheer Bruggemans pakte het dier voorzichtig bij de vleugels op de manier van ’n kippenkoopman als ie ’n kip uit de mand neemt. Zoo werd echter de witte nooit aangepakt en hij protesteerde hevig door luid te tokken. Maar m’nheer Bruggemans stoorde zich aan dat hanenprotest niet en betastte de haan met z’n vrije hand van onder tot boven.
„Pooten,” prevelde hij... „z’n staart... z’n buik... ’t is werkelijk ’n haan... au!”
„Dat was z’n bek,” zei Piet lachend.
„Man je bloedt!” riep mevrouw.
M’nheer Bruggemans stond al met z’n bloedende vinger in z’n mond en de onzichtbare haan had ie van schrik losgelaten.
VIERDE HOOFDSTUK.
Waarin m’nheer Bruggemans ’n raar geweer te zien krijgt, ’n telefoonpaal onzichtbaar wordt en de wondermachine zelf ook verdwijnt.
De boerenfamilie had het de heele dag over niets anders gehad dan over de witte haan, die hoewel uit het gezicht verdwenen er toch nog scheen te zijn. De boer zelf zei het minst van allen. Hij wreef maar aldoor langs z’n kin, wat ie altijd deed als hij over ’n moeilijkheid zat te tobben. De groote jongens waren van oordeel dat het onmogelijk was, maar dat je het toch gelooven moest als je zoo’n haan, die je niet zag, dan toch maar tusschen je vingers had. Mie vond het eng voor zichzelf en naar voor de witte. Moeders mond had er de heele dag niet over stil gestaan en het slot was, dat ze verklaarde niet in ’n huis te willen blijven waar zulke dingen plaats hadden. De boer had daarop maar wijselijk geen antwoord gegeven, want je kon toch maar zoo je heele hebben en houden niet in de steek laten, omdat er ’n onzichtbare witte haan rondliep. D’r zijn zooveel onzichtbare dingen om je heen, waarvoor je toch niet verhuizen gaat.
Piet was de eenige die heelemaal niets zei. Hij had het kunnen verklaren, als ie gewild had, maar toen Koen hem aanspoorde het te doen, gaf Piet ten antwoord dat z’n vader er dan onmiddellijk ’n finaal einde aan maken zou door het tooverkistje op z’n minst stuk te trappen.
En toen legde Koen er zich maar weer bij neer, want het kistje van professor Wells door ’n paar boerenklompen te laten behandelen, leek hem toch wel wat kras.
Maar hij hield er z’n mond ook over tegen z’n eigen vader, waar Piet ook al de oorzaak van was. Want die hield vol dat m’nheer Bruggemans het weer niet verzwijgen zou voor de boer en dan ging het toch naar de maan. Als zijn vader zich eenmaal voorgenomen had iets stuk te trappen, dan werd het ook stukgetrapt.
„Maar heeft je vader dan gezegd, dat ie het zou stuktrappen?”
„Nee, dat heeft ie niet, maar dat kon ik aan z’n gezicht wel zien en dat is net ’t zelfde.”
„Dan zal ik er ook maar niks van aan vader zeggen,” gaf Koen toe. „Maar we doen er ook niks mee hoor.”
„Misschien wel niet,” antwoordde Piet... „Ik had anders iets geprakkezeerd, waar we lol mee konden hebben. We zullen nog wel es zien hè?”
„Wat had je dan geprakkezeerd?” vroeg Koen nieuwsgierig.
„Kom mee dan zal ik het je uitleggen.”
Ze wandelden samen het veld in.
Toen ze terugkwamen, zat de heele boerenfamilie bij de familie Bruggemans in het tuintje voor het huis waar achter de groene doornheg de dahlia’s bloeiden en de hooge zonnebloemen. Dat voortuintje was zoolang de familie Bruggemans er was, voor deze bestemd. De boeren kwamen er nooit anders dan om onkruid te wieden, behalve Mie natuurlijk en Piet.
Er moest dus wat aan de hand zijn, volgens Koen en Piet, die de vergadering al in de gaten hadden toen ze nog ’n eind van de boerderij af waren.
„Ze hebben ’t over de witte,” zei Piet lachend. „Daar wil ik om wedden.”
„Misschien hebben ze het kistje ontdekt,” zei Koen met ’n beetje angst.
„Als dat maar niet waar is,” zei Piet, die ook plotseling ’n beetje benauwd werd.
„Ik ga niet naar huis,” verklaarde Koen.
„Maar ik wel,” zei Piet. „Ik wil best weten waar ze ’t over hebben.”
Toen ze in het tuintje kwamen, was m’nheer Bruggemans aan ’t woord.
„Nou moeten jullie je niet overstuur maken,” legde m’nheer uit. „Ik geef toe dat het vreemd is. Maar er is zooveel vreemds in de wereld. We weten niet hoe het met die haan in z’n werk gegaan is. Doch als we daarachter komen, zullen we wel weer zien dat het heel natuurlijk was.”
„Noemt u dat natuurlijk?” zei de boerin. „Nou ik noem het heel onnatuurlijk.”
„Laat mij jullie nou es vertellen wat ik er van weet. Toevallig vond ik vandaag de krant waar het in stond. D’r is ’n professor in Amerika die ’n toestel heeft uitgevonden, waarmee naar hij beweerde, de dingen onzichtbaar konden worden. Ik wou ’t eerst niet gelooven, maar nou die haan van jullie onzichtbaar geworden is, geloof ik het wel. Vanzelf wordt een haan niet onzichtbaar, da’s duidelijk hè. Dus moet er iemand met zoo’n toestel hier aan ’t werk geweest zijn.”
Toen Koen z’n vader zoo hoorde praten, voelde hij zich allesbehalve op z’n gemak. Het ontbrak er nog maar aan dat ie zei: „Koen heeft het”. Piet gaf hem ongemerkt ’n duwtje en dat kon niet anders beteekenen dan „Houd je mond”. En het plannetje dat Piet hem had medegedeeld was zoo verlokkend, dat ie toch ook maar liever z’n mond dicht hield. Als z’n vader tenminste het kistje al niet gevonden had.
Doch toen mijnheer Bruggemans doorpraatte, werd die vrees weggenomen. M’nheer Bruggemans wist niemendal.
„Ik zou jullie aanraden eens goed op te letten,” ging hij voort, „of er geen vreemd volk op de boerderij komt. Het kon wel eens wezen dat de een of de ander die in het bezit van dat instrument is, er hier proeven mee neemt. Dat moet wel want de onzichtbare haan is er het bewijs van. Ik zelf zal ook ’n oogje in ’t zeil houden en ik zal onmiddellijk aan die Amerikaan schrijven, want die is het ding kwijt.”
„Als het is als je zegt m’nheer,” zei de boer, „van dat toestel, dan zou ik wel es willen weten wie d’r hier op de werf zou willen komen met zoo’n ding zonder dat we hem in de gaten krijgen! Heeft een van jullie iemand vreemds hier gezien moeder? Jullie bent de heele dag bij huis.”
De boerin verklaarde dat er buiten de postbode en ’n koopman die ze heel goed kende, niemand op de werf geweest was.
„Ho, ho,” zei m’nheer Bruggemans, „ze zullen wel zoo dom niet zijn er overdag mee hier te komen. Als ze zoo iets doen, doen ze het ’s nachts, dat begrijp je toch zeker wel.”
„Dan zullen we vannacht maar eens de wacht houen,” zei de boer.
„Laat mij dat maar es opknappen,” zei de oudste zoon. „De eerste de beste die ik onder m’n vingers krijg, komt er niet heel meer tusschen uit.”
„Behalve als die je onderhand onzichtbaar maakt,” zei Piet opeens.
„Jakkes,” riep de boerin, „waar haalt die jongen ’t vandaan.”
Maar de anderen zaten zwijgend, totdat de oudste eindelijk zei: „Nou dat mot ie dan maar es probeeren.”
„Flink!” zei m’neer Bruggemans, „met jou kan ik praten.”
Zoo werd er dan besloten dat Klaas die nacht de wacht zou houden en m’nheer Bruggemans gaf de boerin de ouwe krant mee waarin ze zelf lezen kon over de uitvinding van professor Wells.
Toen de boerenfamilie weg was, zei m’nheer Bruggemans: „Die menschen zouden in staat zijn aan hekserij te gaan gelooven.”
„’t Ligt voor de hand hè,” antwoordde mevrouw, „als er zulke geheimzinnige dingen in je huis gebeuren. Gelukkig maar dat je die krant nog had. Nu hoeven ze zich niet zoo ongerust te maken. Maar ’n beetje griezelig vind ik het zelf toch ook.”
„Och kom,” zei m’nheer. „Groote gekheid. ’t Is heel natuurlijk. Maar we moeten de dader zien te ontdekken.”
Daarna ging m’nheer Bruggemans in huis om papier voor z’n brief aan professor Wells in Amerika te halen.
Koen en Piet gingen de tuin uit en toen ze buiten het gehoor van de familie waren zei Koen:
„Nou wordt het toch gevaarlijk, Piet, om dat ding nog langer geheim te houden en er verder proeven mee te nemen. Dat zal je zelf moeten toestemmen.”