Part 7
Koen was niet erg op z’n gemak. Wat zou er gebeuren als de burgemeester en de veldwachter er aan te pas kwamen. Die zouden natuurlijk alles onderzoeken en iedereen ondervragen. Dan moest ie aan ’t liegen en daar had Koen ’n verbazende hekel aan. Was het nu maar niet z’n vader geweest die het varken onzichtbaar gemaakt had. Dat was het naarste van alles. Hij wist niet eens of ie wel goed liegen kon. En dan kwam er nog bij dat, als het gerecht er aan te pas komt en je staat dan te liegen, het nog veel erger wordt. Hij had het nu al benauwd als ie er aan dacht. Je vader verraden is niet alles, maar tegen ’n burgemeester staan te liegen of het gedrukt is, dat was ook geen baantje. Wist ie maar wanneer die veldwachter kwam, dan kon ie met Piet het bosch ingaan tegen die tijd. Piet zou er ook wel niet veel mee op hebben, dacht ie.
Piet kwam al gauw met het touw en toen grepen ze met hun allen de zeug beet, die niet zuinig schreeuwde. Het beest was niet erg op dat trekken en sjorren gesteld. De biggen vlogen verschrikt in ’t rond en stonden toen op ’n afstand allemaal met de koppen omhoog nieuwsgierig de zaak af te kijken.
Het varken had gauw genoeg ’n strik om een van z’n achterpooten, maar toen het afgeloopen was had ie geen enkel oor meer. ’t Waren nog maar stompjes. Klaas had de zeug zoo stevig bij d’r ooren vastgehouden dat alle modder er af gegaan was en toen zag je natuurlijk geen ooren meer. De staart was ook verdwenen. Dat had Dirk ’m gelapt. Die had het varken bij de staart vastgehouden. Ook kon je nu hier en daar door het heele beest heen kijken.
Zoodra het varken vrij was, ging het naar de biggen en die vonden zeker dat hun moeder er nog heel goed uitzag, want ze liepen al gauw ouder gewoonte achter d’r aan.
„Die merken niks, niemendal aan d’r,” zei de boer, „maar ik vind het ’n mirakels mispunt.”
„’t Is heelemaal geen varken meer,” zei Klaas. „Ik wou da ’k die vent had, die ’t ’m gelapt heeft.”
„Ga maar gauw naar de veldwachter,” zei de boer, „en vraag of ie dadelijk hier komt.”
Klaas liep naar de veldwachter en de anderen gingen maar weer naar het roggeveld.
Koen bleef ’n beetje met Piet achter en begon toen over de veldwachter en de burgemeester. Hij zei dat ie erg benauwd was voor dat onderzoek, maar Piet zei dat ie daar geen steek om gaf, want dat ze hen toch niks zouen vragen.
„Maar die veldwachter zal ons toch ondervragen.”
„Ben je mal. Als ie nou aan je neus kon zien dat je d’r wat van af wist. Maar zoo slim is ie niet.”
„Weet je wat ik doe,” zei Koen opeens, „ik ga maar niet mee met je naar het veld.”
„Wat ga jij dan doen?”
„Ik wou naar huis. Ik zal aan vader zeggen dat de veldwachter vanmiddag komt.”
„O,... ja jouw vader zal die wel ondervragen. Ik ga met je mee.”
„Da’s goed.”
Zoo kwam het dan dat m’nheer Bruggemans ’s morgens om elf uur de twee jongens het tuintje zag binnenstappen. Hij lag in de hangmat en de jongens zagen hem niet zoo dadelijk. Maar mevrouw Bruggemans zat bij het tafeltje voor het huis te lezen. Ze keek op toen de jongens het hekje opendeden en Koen vroeg dadelijk naar z’n vader. Toen moeder hem gezegd had waar vader was, vroeg Koen of ze ’t al wist van ’t varken en mevrouw Bruggemans knikte eens en zei:
„Sneu hoor. De vrouw is er heelemaal van overstuur en de boer ook. Jammer nu ze met het beest naar de tentoonstelling wilden. Piet vindt het zeker ook wel naar hè?”
Piet zei dat ie ’t erg naar vond, maar hij zei het met ’n half lachend gezicht, waaruit mevrouw Bruggemans opmaakte, dat Piet ’n ongevoelige jongen was. Koen begreep Piet z’n gezicht beter. Hij wist dat Piet om het onzichtbaar worden van het varken nou niet zoo heel veel gaf. Hij vond het alleen maar jammer, dat ze er nu niet mee naar de tentoonstelling konden.
Koen vertelde aan z’n moeder dat het varken bij stukjes en beetjes hoe langer hoe onzichtbaarder werd en dat de boer om de veldwachter gezonden had en dat ie van plan was het ook bij de burgemeester te gaan aangeven. Hij deed het expres nog al luid, dan kon z’n vader goed alles hooren. Want die ging het toch het meest aan.
M’nheer Bruggemans had het dan ook heel goed gehoord, want hij riep Koen en toen die met Piet voor de hangmat stond, moesten ze de heele historie nog eens haarfijn aan hem vertellen. Tot groote verwondering van Koen en Piet lag m’nheer Bruggemans om ’t heele zaakje hartelijk te lachen en hij zei, dat ie zeker ging kijken als die veldwachter er bij kwam. Piet werd er zelfs ’n beetje kwaad om.
Zoo’n stadsche m’nheer scheen heelemaal niet op de hoogte te zijn van de belangrijkheid van die landbouwtentoonstelling, en ook niet te kunnen begrijpen wat ’n teleurstelling het voor zijn vader was om niet eens te spreken van de strop die hij er aan had. En toen vertelde hij aan m’nheer Bruggemans dat z’n vader nu geen kans had op de geldprijs, die hij zeker zou gekregen hebben, want zoo’n varken met zoo’n mooie toom beste biggen vond je in de heele Veluwe niet.
„Da’s zeker jammer,” stemde m’nheer Bruggemans toe en hij voegde er bij dat degeen die het varken onzichtbaar gemaakt had dat maar betalen moest. Binnenkort zou die professor Wells wel uit Amerika komen met de andere helft van de machine. Hij had nu al twee brieven aan hem geschreven en dan zou die zeker wel eventjes dat varken weer zichtbaar willen maken. Dat kwam dus allemaal wel terecht.
„Je vader denkt er licht over,” zei Piet toen ze alleen waren. „Maar als de burgemeester het ontdekt en dat kan best, dan is jouw vader d’r gloeiend bij.”
„Als jij je mond maar houdt,” zei Koen.
„Dat doe ik Koen. Ik zeg niks.”
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Waarin de veldwachter rare dingen beleeft, de burgemeester ongeloovig blijkt en de dorpelingen op onderzoek uitgaan, waarbij ze allemaal raar terecht komen.
De veldwachter had natuurlijk van het heele verhaal, dat Klaas hem gedaan had, geen steek begrepen. De goeie man was wel niet zoo’n buitengewone slimmerd maar hij liet zich dan toch maar zoo niet op klaarlichten dag wijs maken, dat er onzichtbare varkens konden bestaan. En dan nog wel ’n varken dat onzichtbaar werd waar je bijstond! ’t Was zeker ’n mop van die boerenjongens die hem er eens tusschen wouen nemen. Doch dan moesten ze vroeger opstaan. D’r was er in de heele gemeente niet een glad genoeg, die hem d’r in liet vliegen.
„Zoo, zoo,” zei de veldwachter lachend, „en is dat die groote zeug van je vader?”
„Ja die is het,” antwoordde Klaas. „En moeder is d’r heelemaal kapot van.”
„Dat wil ik wel gelooven,” zei de veldwachter nog altijd lachend. „Maar weet jij wel Klaas dat het ’n strafbaar feit is als je bij de politie met valsche aangiften aan boord komt?”
„Valsche aangiften?” zei Klaas. „Denk jij dat ik je wat sta voor te liegen? Ga dan maar dadelijk mee dan kan je het zelf zien. ’t Varken is nog niet heelemaal onzichtbaar. D’r loopen nog ’n paar pooten van ’m in ’t land.”
De veldwachter lachte opeens niet meer. Hij keek Klaas eens aan en vond dat ie erg mal deed. Die arme jongen was bepaald stapelgek geworden. De veldwachter knikte alsof ie ’t met zichzelf eens geworden was. Hij zou Klaas naar huis brengen en dan konden ze de dokter laten komen. En daar hij gelezen had, dat je zeer zachtzinnig met gekken moet omgaan, besloot hij erg vriendelijk tegen hem te doen en hem maar gelijk te geven al vertelde hij hem ook nog zulke dwaze dingen.
Maar voor alle gebeurlijkheden stak hij de handboeien in z’n zak en deed ie z’n sabel om. Je kon nooit weten. Klaas mocht onderweg eens onverwachts ’n woeste bui krijgen.
„Zoo Klaas,” zei hij toen hij even binnen geweest was om die dingen te krijgen en z’n vrouw gezegd had wat ie ging doen, „dan ga ik maar dadelijk met je mee. Ik wil dat onzichtbare varken toch ook wel es zien.”
„Nou,” antwoordde Klaas terwijl ze stevig doorstapten, terwijl de vrouw van de veldwachter achter de gordijntjes van de voorkamer hen nakeek, „misschien is d’r nog wel ’n stukkie van over als we d’r gauw bij zijn. Laten we maar dadelijk naar ’t land gaan waar ’t varken loopt.”
„Nee Klaas,” zei de veldwachter, „dat mot je nou es aan mij over laten. We gaan eerst naar je huis. Ik moet je vader d’r eerst nog es over spreken.”
„Moet jij weten,” zei Klaas weer. „Maar as je niet gauw maakt dat je er bij bent, is al ’t slik d’r af en dan is ’t varken niet meer te zien.”
De veldwachter antwoordde maar niets. Op zoo’n onzin dee je maar beter je mond te houen. Maar hij dacht: „Sjonge, sjonge, wat heit die Klaas het te pakken. En wat is toch een mensch die ze niet meer alle vijf bij mekaar heit!” Maar na ’n poosje zei ie: „Zeg Klaas zijn ze van jullie niet in het roggeveld?”
„Jawel,” antwoordde Klaas.
„Nou, dan moesten we daar langs gaan. ’t Ligt toch bijna in onze weg. We hoeven er om zoo te zeggen niks voor om te loopen.”
„Mij goed,” zei Klaas. „Dan kan vader meteen met ons meegaan.”
„De zaak marcheert boven verwachting,” dacht de veldwachter. „Ik heb ’t er niks op begrepen om lang alleen met zoo’n jongen te loopen. Als ie verkeerd wou, zat ik er leelijk mee. ’t Is ’n stevige knaap die Klaas en ik zou de handen vol aan ’m hebben als ie verkeerd wou.”
Ze liepen stevig door en kwamen tot groote opluchting van de veldwachter binnen ’n paar minuten aan ’t roggeveld waar de boer en Dirk stevig aan de arbeid waren.
Toen ze de veldwachter met Klaas zagen aankomen, lieten ze ’t werk rusten en de boer begon dadelijk:
„Zoo veldwachter da’s aardig van je dâ je zoo dadelijk mee gekomen bent. Ja man, d’r gebeuren hier rare dingen. Daar zal je van opkijken. ’t Begon met de witte haan en toen was de telefoonpaal weg. Maar dat zal Klaas je al wel verteld hebben.”
De opluchting die de veldwachter gevoeld had, toen ie op ’t roggeveld kwam, was ineens weg. Hij kreeg het tamelijk benauwd. Die boer had het nog erger te pakken dan Klaas. Die had alleen maar gesproken van het groote varken. Maar nou moest je die boer hooren.
„Ja, wat zal ik je zeggen,” zei de veldwachter. „Misschien was het ’t beste dat ik er eerst de burgemeester van in kennis stelde, vindt je ook niet?”
De veldwachter dacht: „Als ik maar eerst hier vandaan ben.”
Doch de boer antwoordde:
„Nee veldwachter ga jij nou eerst mee, dan kan je ’t zelf verbaliseeren voor ’t varken heelemaal weg is.”
„Weet je wat,” dacht de veldwachter, „ik zal ’m z’n zin maar geven. Tegen drie man ben ik toch niet opgewassen en als ’t heelemaal verkeerd gaat, sla ik d’r met m’n lat op in.”
Hij ging dus mee.
Maar de boer nam hem niet dadelijk mee naar het land waar de zeug liep. Hij ging eerst naar huis.
Dat was wel niet erg naar de zin van de veldwachter, die zich voorgenomen had zoo gauw mogelijk te maken, dat ie weg kwam. Doch er was niets aan te doen, hij durfde niet weigeren. Hij hoopte nu maar dat de boerin tenminste nog goed bij d’r verstand zou zijn.
Maar dat viel hem niet mee. De boerin was volgens hem nog gekker dan de rest. Ze begon ook al dadelijk over het varken en over de witte haan en de telefoonpaal en de veldwachter was blij, toen m’nheer Bruggemans, die hij ’n paar maal op het dorp gezien had, binnenkwam. Nu kreeg hij in ieder geval hulp als ’t er op aankwam.
Toen m’nheer Bruggemans z’n mond evenwel opendeed, vond de veldwachter dat m’nheer Bruggemans het nog erger te pakken had dan de overigen. M’nheer Bruggemans zat hem namelijk uit te leggen, dat die verdwijningen heel natuurlijk waren en de veldwachter, die er geen kop of staart aan kon vastmaken, zei maar aldoor:
„Ja, dat zal wel,” of „daar heb je gelijk aan.”
Maar het zweet van benauwdheid stond hem op z’n voorhoofd en nog nooit had hij zoo vurig gewenscht ergens vandaan te komen.
Om er ’n eind aan te maken, hij was vast van plan zoodra hij buiten kwam gewoon op de vlucht te slaan, stelde hij maar voor, eens te gaan kijken naar het varken en ze stonden allemaal haast tegelijk op om mee te gaan. Met hun allen, m’nheer Bruggemans bleef ook niet achter, liepen ze naar het land en de veldwachter zag geen kans aan z’n voornemen om op de vlucht te gaan gevolg te geven, want ze omringden hem alsof hij hun gevangene was. Tenminste dat dacht de veldwachter. Piet en Koen waren ook al van de partij.
De veldwachter meende, dat ie in ’t land ’n gewoon kompleet varken zou te zien krijgen en dat al die gekken hem zouden trachten wijs te maken dat ze het geen van allen zagen. Doch hij was nog nauwelijks het hek door of hij bleef verschrikt en beteuterd staan. Hij zag duidelijk dertien biggen, doch daarvoor liep één donkere varkenspoot.
„Zie je ’t nou,” zei de boer. „D’r is nog één poot van zichtbaar omdat er modder op zit.”
De veldwachter veegde met z’n groote rooie zakdoek langs z’n gezicht. Zoo iets raars had ie nog nooit gezien. Doch er kwam geen woord over z’n lippen. Hij begon in te zien dat die menschen die hij allemaal voor gek versleten had, volkomen bij hun verstand waren. Maar wat ie daar voor z’n neus zag, dat was nog erger dan ’n heel huis vol gekken. Wie had daar nou ooit van gehoord, dat je op klaarlichten dag in ’n wei ’n varkenspoot zou zien loopen met dertien biggen. En dan wou die stadsche m’nheer ’m nog wijsmaken dat het de natuurlijkste zaak van de wereld was en dat de een of ander het gedaan had met ’n verdwijn-machine.
„M’nheer,” zei de veldwachter eindelijk, „je mag praten wat je wilt, maar ik vind het de onnatuurlijkste zaak die je maar bedenken kunt. En van je verdwijn-machine geloof ik geen steek. Weet je wat ik vind? Ik vind het rechtaf akelig. En ik geloof heelemaal niet dat aan die poot nog meer van ’n varken zit.”
„Maar dat heb je dan toch leelijk mis,” zei de boer. „Ik zal je dadelijk overtuigen. Piet breng jij de zeug es hier.”
Piet en Koen gingen naar de poot en ’n oogenblik later had Piet het touw vast dat aan ’n onzichtbare achterpoot gebonden was. Dat touw had de veldwachter nog heelemaal niet gezien omdat het tusschen het gras lag. De zeug liet zich gewillig door Piet en Koen voortdrijven, want het beest was erg mak. Alleen de biggen holden weer weg. Even later stonden ze allemaal om het varken heen en de veldwachter kon nu zelf voelen dat de zeug werkelijk bestond. Eerst was hij ’n beetje huiverig om ’t beest aan te raken, maar toen de anderen het ook deden, vermande hij zich.
„’t Is warempel ’n heel varken,” prevelde hij, „’n compleet varken, maar je ziet er geen spat van. En jullie zegt dat je zoo’n haan ook hebt en dat die telefoonpaal ook zoo is? Dat wil ik dan ook wel eris constateeren, want ik moet het dadelijk aan de burgemeester rapporteeren.”
„Dat kan,” zei de boer, „ga maar mee.”
Ze lieten hem de onzichtbare haan betasten die Piet voor hem ving en daarna gingen ze in optocht naar de paal.
„Sjonge, sjonge, daar heb ik niet van terug hoor,” verklaarde de veldwachter. „En wat denken jullie nou te doen? Want neem me niet kwalijk, maar volgens mij kan dat zoo niet voortgaan. Daar moet wat tegen gedaan worden.”
„Juist,” antwoordde de boer. „Zoo mag ik het hooren. D’r moet wat tegen gedaan worden. Jij bent van de politie en jij moest nou eris ’n paar nachten de wacht hier houen. Misschien snap jij die lui. Jij hebt daar meer verstand van dan wij.”
„Tja... dat zal niet gaan... Ik heb over dag m’n dienst zie je en ’s nachts ben ik graag thuis, dat begrijp je ook wel. Maar ik zal d’r eens met de burgemeester over parlementeeren en wat die gelast dat zullen we dan doen.”
„Best veldwachter, dan ga ik vanavond zelf ook nog es naar de burgemeester.”
„Nou... as ik jou was, dee ik dat niet... laat het maar liever aan mij over.”
„Nee ik wil de burgemeester zelf d’r wel eris over onderhouen.”
„Zooals je wilt,” zei de veldwachter, „maar ’t is eigenlijk mijn werk.”
De veldwachter ging heen met z’n handen op z’n rug. Je kon aan hem zien, dat ie over het vreemde geval liep na te denken.
„Zie je nou wel,” zei Piet toen ie met Koen alleen was. „Hij heeft niks gevraagd.”
„Nee, maar dat zal de burgemeester wel doen als ie vanavond komt. Die zal ’t wel anders aanpakken denk ik.”
„Dat zullen we afwachten. Jouw vader lijkt me niks bang voor veldwachters, Koen. Ik ben nieuwsgierig hoe die tegen de burgemeester doen zal. Geloof jij, dat ie vertellen zal, dat hij ’t gedaan heeft?”
„Dat weet ik niet Piet, maar liegen zal ie er niet om. Dat weet ik vast.”
„Hoe weet jij dat nou?”
„Omdat vader ’n hekel heeft aan liegen. Hij werd altijd gloeiend nijdig als wij ’t deden al was het ook nog zoo’n klein leugentje voor de grap.”
„Dan zal hij er wel mee voor de dag moeten komen als de burgemeester hem ondervraagt. De burgemeester is niet zoo stom als de veldwachter zie je.”
Koen was nu werkelijk ’n beetje ongerust over z’n vader. Maar m’nheer Bruggemans zelf scheen heelemaal niet ongerust. Die deed net als altijd. Hij lag in de hangmat te lezen maar hij ging ’n keer of wat naar het varken kijken, doch niemand zag daar iets vreemds in. Zooiets komt niet elken dag voor en dan is het zeer begrijpelijk als je er ’n beetje nieuwsgierig naar bent. Heel veel was er echter aan het varken niet meer te zien. Niet meer dan het touw dat achter het beest aansleepte.
De veldwachter was naar de burgemeester gegaan om rapport uit te brengen zooals hij dat noemde. Toen-ie begon, had de burgemeester kalm geluisterd. Dat deed ie altijd als de veldwachter kwam om wat te vertellen. Maar toen de veldwachter ’n poosje aan de praat was, onderbrak de burgemeester hem en zei, dat ie met zulke malle smoesjes niet bij hem moest aankomen. Daar was burgemeester niet van gediend. Hij wist allang dat de boeren bijgeloovig waren. Maar ’n veldwachter behoorde daaraan niet mee te doen. Die moest wijzer wezen.
„Maar burgemeester het is echt waar. Ik heb het toch zelf gezien,” zei de veldwachter ’n beetje in z’n eer getast omdat de burgemeester er blijkbaar geen woord van geloofde.
„Wat heb jij gezien? ’n Onzichtbaar varken? Dat kan je niet zien.”
„D’r liep nog één poot van burgemeester. Ik heb m’n oogen niet in m’n zak. Wat ik zie, dat zie ik.”
„Dat kan wel, maar hou nou asjeblieft je mond. Als je me niks anders te vertellen hebt, ruk je maar uit. Begrepen?.... Enne.... wat ik nog zeggen wou.... je gaat naar die boer en je zegt hem, dat ik niet te spreken ben voor hem als ie me ook met dat flauwe vertelseltje aan boord wil komen. Daarvoor ben ik geen burgemeester om bakersprookjes aan te hooren.”
De veldwachter kwam heelemaal uit het veld geslagen bij z’n vrouw. Eerst zei hij geen stom woord, maar z’n vrouw, die wel zag dat er wat aan haperde, begon hem uit te vragen, zooals ze altijd deed als er wat bizonders aan de hand was, dat ze ook graag weten wou en toen kwam de veldwachter langzamerhand los.
De vrouw smulde van het verhaal. Dat was nou eens iets echt griezeligs. Zooiets hadden ze in geen jaren in de gemeente beleefd. Dat zou ze eens gauw aan d’r buurvrouw vertellen.
Maar de veldwachter die al lang zenuwachtig was, sloeg opeens met z’n vuist op de tafel, wat ie wel durfde bij z’n vrouw maar niet bij de burgemeester, en hij verbood nijdig, dat z’n vrouw er iets van zou vertellen tegen wie ook. „Het moest ’n geheim blijven.”
„Nou, nou,” suste de vrouw, „maak je maar niet overstuur. Jij bent altijd nijdig hier als je met de burgemeester wat gehad hebt. Sla dáár op de tafel.”
En ze liep meteen de deur uit om het toch maar te gaan vertellen aan de buurvrouw. De veldwachter had gezegd, dat het ’n geheim was en dat zei ze dan ook aan de buurvrouw. Ze vertelde het in vertrouwen en het moest „onder ons” blijven.
Dat beloofde de buurvrouw onmiddellijk en toen de veldwachtersvrouw weg was, ging ze er dadelijk mee het dorp in, zoodat de historie van de onzichtbare haan, de telefoonpaal en het groote varken dezelfde avond al tweemaal de ronde gedaan had in het dorp.
Iedereen was er van op de hoogte en toen de arbeid was afgeloopen en de mannen, die van hun werk kwamen er ook mee in kennis gesteld waren, kon je op het dorp overal groepjes menschen zien staan die het wonderverhaal stonden te bespreken.
De grootste hoop stond voor de smidse, en de smid zelf was de president van de vergadering. De zwarte smid stond tegen de deurpost van de smederij geleund met z’n gespierde armen over elkaar. Andere avonden ging hij zich altijd eerst wasschen voor hij buiten kwam, maar bij deze gelegenheid had ie zich geen tijd gegund. Hij was zoo van achter het aambeeld naar buiten gekomen.
Die smid was op het dorp ’n soort orakel, dat overal raad op wist. Hij had volgens z’n eigen zeggen allerlei wonderlijke dingen beleefd en als iemand ’s avonds een of andere griezelige historie vertelde, wist de smid er altijd een die nog griezeliger was.
Doch nu stond ie gebluft. Zoo iets wonderlijks als het verhaal van de veldwachter, daar stond ie paf van. En toen zei ie maar, dat de burgemeester wel gelijk zou hebben, dat er van het heele zaakje niets aan kon zijn.
Maar ’n jonge kerel, die heel wat keertjes bij nacht en ontij er op uit geweest was om konijnen te stroopen en dus niet bang was in ’t donker, vond dat ze het zaakje met hun allen best eens konden gaan onderzoeken. De telefoonpaal wisten ze allemaal te staan en nu vond hij het ’t eenvoudigste om eens even te gaan zien of het ding er nog stond of niet.
Dat waren verscheidene dorpelingen met hem eens, doch toen zei er een dat ie ’s middags nog langs die weg gekomen was op de fiets en dat ie toen niks gemerkt had.
„Zag jij de paal dan?” vroeg de smid.
„Nee dat niet... ik heb aan die heele paal niet gedacht. Maar als ie er niet meer gestaan had, zou ik het gezien moeten hebben. Zooiets merk je wel.”
„Da’s nog zoo zeker niet,” zei ’n ander. „Ik ga kijken, wie gaat er mee?”
De smid was dadelijk bereid met nog ’n stuk of zes anderen. De rest vond het wat te ver uit de buurt.
„Och wat,” zei de smid, „in twintig minuten zijn we d’r.”
Maar de anderen waren niet mee te troonen en dus gingen ze met hun zessen op het pad. Toen ze het dorp doorgingen, sloten zich nog eenige nieuwsgierigen bij hen aan en die wisten te vertellen dat de veldwachter er al op uit was met de rijksveldwachter en de koddebeier.
Toen ze bij de paal kwamen, was het pikkedonker. Ze vonden allemaal dat het nog zelden zoo donker geweest was als die avond. Maar de strooper hield vol, dat ie nog heel goed alles kon onderscheiden.
„Dan heb jij zeker katteoogen,” zei de smid. „Ik zie geen snars.”
„Nou,” zei weer ’n ander, „als jij nog zoo goed kan zien, moet jij mij es vertellen of je de telefoonpaal ziet of niet.”
„Nee,” antwoordde de strooper, „zien doe ik ’m niet maar ik voel ’m en als jullie nou een van allen ’n lucifertje aansteekt, dan wed ik, dat we ’m allemaal zien kunnen ook. Hier staat het ding nog net als altijd, wat ik je brom.”
Er werden minstens vier lucifers tegelijk aangestoken en zoodra die vlammetjes hun beetje licht gaven, riep de strooper:
„Verroest, ’t ding is d’r niet en toch hou ik er m’n hand tegen.”
Ze hadden allemaal die hand gezien met niets d’r in. En nu bleven ze aan ’t lucifers aanstrijken en ze zagen het allemaal dat de paal weg was. Toen kwam er een op de idee ’n krant, die hij in z’n zak had in brand te steken en bij die flambouw konden ze de draden in de lucht zien en de porceleinen potten die nergens houvast aan schenen te hebben en toch daar maar hoog boven stijf bleven staan.
De man die de krant aangestoken had, brandde z’n vingers omdat ie al maar naar boven keek. Hij riep „au” en liet het restje van de krant vallen, dat even hoog opflikkerde en op de grond met ’n beetje roode gloed uitdoofde. Daarna was het nog donkerder dan te voren en de zes dorpelingen stonden daar doodstil in de plotselinge duisternis en zeien geen stom woord.
Tot er een het lichtschijnsel uit de boerderij opmerkte en toen niets beter te zeggen wist dan:
„In de boerderij hebben ze nog licht op.”
Het flauwe lichtschijnsel dat uit de kamer van m’nheer Bruggemans kwam, die de luiken niet dicht had, kikkerde de zes moedige mannen dadelijk ’n heeleboel op. Toen ze zoo plotseling in de duisternis gestaan hadden bij die onzichtbare paal, waren ze allemaal ’n tikje benauwd geweest. Zelfs de strooper had het te pakken gekregen.
De smid verbrak het eerst het stilzwijgen: