Part 14
—Jawel, drong Eva aan. Laat ze hier komen: je ziet haar den heelen dag; ze slaapt onder de hoede van kokkie: ik kleed haar aan, en ze heeft niets te doen dan te zorgen, dat mijn slaapkamer netjes is. Jij kunt haar dat dan leeren.
—Zoo jong nog, ’nja; pas tien jaar.
—Jawel, drong Eva aan: laat zij je nu zoo helpen. Hoe heet ze?
—Mina, ’nja.
—Mina? Neen! zei Eva. Zoo heet al de djaït. We zullen een anderen naam voor haar vinden....
Saïna bracht het kindje, heel verlegen, een streepje bedak op het voorhoofd, en Eva kleedde haar netjes aan. Het was een heel mooi kindje, zacht donzig bruin, en liefjes in haar frissche kleêrtjes. Zij stapelde al zorgzaam de sarongs in de kleêrenkast, en legde er geurige witte bloemen tusschen: de bloemen moesten iederen dag verwisseld worden met frissche. Uit een aardigheid, omdat zij zoo aardig met die bloemetjes deed, noemde Eva haar Melati.
Een paar dagen daarna hurkte Saïna neêr bij haar njonja.
—Wat is er, Saïna?
Of het kindje maar weêr terug mocht naar het natte huisje, in de kampong.
—Waarom?! vroeg Eva, verbaasd. Heeft je kindje het hier dan niet goed?
Ja, dat wel, maar het kindje hield maar meer van het huisje, zei Saïna verlegen; de njonja was heel lief, maar de kleine Mina hield maar meer van het huisje.
Eva was boos, en liet het kindje gaan, met de nieuwe kleêrtjes, die Saïna heel eenvoudig weg meênam.
—Waarom mocht het kind niet blijven? vroeg Eva aan de latta kokkie.
De kokkie dorst eerst niet zeggen.
—Kom, waarom niet, kokkie? drong Eva aan.
Omdat de Kandjeng het meisje Melati had genoemd... Met namen van bloemen en vruchten werden... alleen genoemd... de dans-meisjes.... legde de kokkie als geheimzinnig uit.
—Maar waarom heeft Saïna mij dat niet gezegd? vroeg Eva, verbolgen. Dat wist ik immers volstrekt niet!
—Verlegen... zei de kokkie, verontschuldigend. Minta ampon, ’nja.
Het waren kleine voorvallen, zoo in haar dagelijksch leven van huisvrouw, anecdoten in hare huishouding, maar zij werd er bitter om, omdat zij er in voelde een scheiding, die altijd bestond tusschen haar en de menschen en dingen van Indië. Zij kende het land niet, zij zoû de menschen nooit kennen.
En de kleine teleurstelling in die epizoden vulde haar met evenveel bitterheid als de groote der illuzies had gedaan, omdat haar leven, in de, iederen dag terugkeerende, kleinigheden van hare huishouding, zelve kleiner werd en kleiner.
ZESDE HOOFDSTUK.
I.
Dikwijls waren de morgens frisch, rein gewasschen door de overvloedige regens, en in den jongen zonneschijn der eerste ochtenduren doomde uit de aarde op een teeder waas, een blauwige uitwissching van iedere te scherpe lijn en kleur, zoodat de Lange Laan met hare villa-huizen en dichte tuinen zich huifde in het bekoorlijke en vage van een droomlaan: de droompilaren ijl oprijzende als een vizioen van zuilenkalmte, de daklijnen zich veredelende in hare onduidelijkheid, de tinten der boomen en silhouetten der looverkruinen zich louterende in zachte pastel-doezelingen van wazig roze, en waziger blauw, met een enkelen helleren schijn van ochtendgeel, en purperen verte-streep van dageraad, en over heel dit krieken dauwde eene frischheid, als een sprenkelbad, dat in sprenkeldruppels ijl opfonteinde uit dien gedrenkten grond en terugparelde in de kinderlijke zachtheid van de allereerste zonnestralen. Dan was het of iederen morgen de aarde en hare wereld begon voor de eerste maal en of de menschen niet anders zouden zijn dan pas geschapen in een jeugd van naïveteit en paradijs-onwetendheid. Maar de illuzie van dit ochtendkrieken duurde maar een enkel oogenblik, nauwlijks enkele minuten: de zon, hooger stijgende, ontgloeide uit haar waas van maagdelijkheid, de zon bralde op en stak-uit haar trotschen aureool van priemende stralen, goot neêr haar brandenden goudschijn, godetrotsch te heerschen haar oogenblik van dien dag, want de wolken tasten zich al te samen, kwamen grauw aangevaren als strijdhorden van donkere geesten, aanspokende en blauwig diepzwart en dikzwaar loodgrijs, en overwonnen de zon en verpletterden dan de aarde onder blanke stortvallen van regen. En de avondschemering, gauw en haastig, zakkende het eene floers over het andere, was als een overstelpende droefenis van aarde, natuur en leven, waarin zij vergaten die seconde van paradijs in den morgen; de witte regen ruischte neêr als een alles verdrinkende weemoedsmart; de weg, de tuinen dropen, en dronken den waterval tot zij als moerasplassen en overstrooming schemerden in den duisterenden avond: een spookkille mist wademde op als met het beweeg van loome geestwaden, die zweefden over de plassen, en de kille huizen, klein verlicht met hun walmende lampen, waarom wolken van insecten zwermden, overal neêrstervend met verzengde vleugels, vulden zich met een killere melancholie, een schaduwende angstigheid voor het aandreigende buiten, voor de almachtige wolkenhorden, voor het grenzenlooze groote, dat met windvlagen aanruischte uit het verre, verre onbekende: hemelgroot, uitspanselwijd, waartegen de opene huizen als niet beveiligd schenen, waarin de menschen klein waren en nietig met al hunne beschaving en wetenschap en ziele-emotie, klein als wriemelende insecten, onbeduidend, overgegeven aan het spel der van verre aanwaaiende reuzenmysteries.
Léonie Van Oudijck, in de half verlichte achtergalerij van het rezidentie-huis, praatte met Theo, met zachte stem, en Oerip hurkte bij haar neêr.
—Het is onzin, Oerip! zeide zij wrevelig.
—Heusch niet, Kandjeng, het is geen onzin, zeide de meid. Ik hoor ze iederen avond.
—Waar? vroeg Theo.
—In den waringin van het achtererf, hoog, in de hoogste takken.
—Het zijn loeaks! [50] zeide Theo.
—Het zijn geen loeaks, toean! hield de meid vol. Massa, Oerip zoû niet weten hoe loeaks miauwen! Kriauw, kriauw, doen ze! Dit, wat wij iederen nacht nu hooren, dat zijn de pontianaks! [51] Het zijn de kleine kindertjes, die huilen in de boomen. De zielen van de kleine kindertjes, die huilen in de boomen!
—Het is de wind, Oerip....
—Massa, Kandjeng, Oerip zoû den wind niet kunnen hooren! Boe...hh! waait de wind en dan bewegen de takken. Maar dit zijn de kleine kindertjes, die kreunen in de hoogste twijgjes en de takken bewegen dan niet. Alles is dan doodstil.... Dit is tjelaka [52], Kandjeng.
—En waarom zoû het tjelaka zijn....
—Oerip weet wel, maar durft niet zeggen, Tentoe [53], zal de Kandjeng boos zijn.
—Kom, Oerip, zeg het nu??
—Het is om de Kandjeng Toean, de Toean Residèn.
—Waarom?
—Verleden met de passer malam op de aloon-aloon en de passer malam voor de orang-blanda, in de kebon-kotta [54]....
—Nu, wat toen?
—Toen was de dag niet goed uitgerekend, volgens de petangans. Het was een ongelukkige dag.... En met de nieuwe put...
—Nu wat, met de nieuwe put?
—Toen is er geen sedeka [55] gegeven. Niemand gebruikt ook de nieuwe put. Iedereen haalt water uit de oude put.... Ook al is het water niet goed. Want uit de nieuwe put rijst de vrouw met het bloedende gat in de borst.... En nonna Doddy....
—Wat?
—Nonna Doddy heeft hem zien loopen, den witten hadji!! Dat is niet een goede hadji, de witte hadji.... Dat is een spook. Tweemaal heeft de nonna hem gezien, op Patjaram en hier.... Hoor, Kandjeng!
—Wat?
—Hoort u niet? In de hoogste twijgen kermen de kinderzieltjes. Het waait nu niet op het oogenblik. Hoor, hoor, dat zijn geen loeaks! Kriauw, kriauw doen de loeaks, als ze krolsch zijn! Dat, dat zijn de zieltjes....!
Zij luisterden alle drie. Werktuigelijk drukte Léonie zich dichter aan tegen Theo. Zij zag doodsbleek. De ruime achtergalerij, met de altijd gedekte tafel, strekte zich lang uit in het sombere licht van een enkele petroleum-hanglamp. De plassige achtertuin schemerde nattig op uit den nacht der waringins, tikkelende van druppels, maar onbewogen in ondoordringbare fluweelige looverenmassa’s. En een onverklaarbaar, nauwlijks waarneembaar gekreun, als een zacht geheim van gekwelde kleine zielen zeurde hoog boven, als in de lucht, als in de heel hooge takken der boomen. Nu was het een korte kreet, dan was het een steunen als van ziek kindje, dan was het zacht snikken als van gemartelde meisjes....
—Wat voor beesten zouden dat zijn? zei Theo. Zijn het vogels of insecten?....
Het gekerm en gesnik was heel duidelijk. Léonie zag spierwit en zij trilde over haar lichaam.
—Wees toch niet bang, zei Theo. Het zijn natuurlijk beesten....
Maar hijzelve was krijtwit van angst, en toen zij elkander in de oogen zagen, begreep zij, dat ook hij bang was. Zij klemde zijn arm, perste zich tegen hem aan. De meid hurkte diep, nederig, in-een, als duldende alle noodlot van onverklaarbare geheimzinnigheid. Zij zoû niet ontvluchten. Maar in de oogen der blanken was als éen denkbeeld, éen denkbeeld om te vluchten. Plotseling, zij beiden, de stiefmoeder, de stiefzoon, die brachten schande over het huis, waren zij bang, als met éene bangheid, bang als voor een straf. Zij spraken niet, zij zeiden elkander niets; zij bleven tegen elkaâr aan, begrijpende elkanders beven, zij beiden blanke kinderen van den Indischen grond van geheim,—die van hunne kinderjaren af hadden geademd de geheimzinnige lucht van Java, onbewust hadden gehoord het vaag aandonzende mysterie, als een muziek van gewoonheid, een muziek, die zij niet hadden geteld, alsof het mysterie gewoonheid was. Toen zij zoo stonden en beefden en zagen elkander aan, stak de wind op, en voerde meê het geheim der zieltjes, en voerde de zieltjes meê: de takken bewogen woest door elkaâr, en nieuwe regen viel neêr. Een huiverende kilheid woei aan, vulde het huis; een tochtslag woei de lamp uit. En in den donker bleven zij nog een oogenblik, zij, trots de openheid der galerij, bijna in den arm van haar zoon en haar minnaar; de meid, duikende aan hunne voeten. Maar toen maakte zij zich los uit zijn arm, maakte zij zich los uit die zwarte beklemming van duisternis en angst, waardoor ruizelde de regen; huiverkil woei de wind en zij wankelde naar binnen, op het punt in zwijm te vallen. Theo, Oerip volgden haar. Die middengalerij was verlicht. Het kantoor van Van Oudijck stond open. Hij werkte. Besluiteloos bleef Léonie staan, met Theo, niet wetende wat te doen. De meid, prevelend, verdween. Toen was het, dat zij hoorden suizen, en een kleine ronde steen vloog door de galerij, viel ergens neêr. Zij gaf een gil, en achter het schutsel, dat het kantoor, waar Van Oudijck aan zijn schrijftafel zat, scheidde van de galerij, stortte zij zich, alle voorzichtigheid kwijt, op nieuw in Theo’s armen. Zij sidderden tegen elkaârs borst aan. Van Oudijck had haar gehoord, hij stond op, kwam van achter het schut. Zijn oogen knipten, als moê van werken. Léonie, Theo, hadden zich hersteld.
—Wat is er, Léonie...
—Niets, zeide zij, niet durvende zeggen, niet van de zieltjes, niet van den steen, bang voor de straf, die dreigde. Zij, Theo, stonden als schuldigen, beiden spierwit en bevend. Van Oudijck, nog bij zijn werk, zag niets.
—Niets, herhaalde zij. De mat is stuk, en... en ik struikelde bijna. Maar ik woû je wat zeggen, Otto...
Hare stem trilde, maar hij hoorde het niet, blind voor haar, doof voor haar, nu hij nog als verdiept in zijn stukken was.
—Wat dan?
—Oerip heeft mij doen raden, dat de bedienden gaarne een sedeka hadden, omdat er een nieuwe put op het erf gebouwd is...
—Die put, die al twee maanden oud is?
—Zij gebruiken er het water niet van.
—Waarom niet?
—Ze zijn bijgeloovig, weet je; ze willen het water niet gebruiken voor de sedeka gegeven is.
—Dat had dan dadelijk moeten gebeuren. Waarom hebben zij het mij niet dadelijk door Kario laten vragen? Ik denk niet aan dien onzin uit mezelf. Maar ik had ze toen de sedeka wel gegeven. Nu is het mosterd na den maaltijd. De put is al twee maanden oud.
—Het zoû toch wel goed zijn, zei Theo. Papa, u weet zelf hoe Javanen zijn: ze zullen de put niet gebruiken, als ze geen sedeka gekregen hebben.
—Neen, zeide Van Oudijck onwillig, schuddende het hoofd. Nu een sedeka te geven, heeft niet de minste beteekenis. Ik had het gaarne gedaan, maar nu, na twee maanden, is het onzin. Zij hadden het dan maar dadelijk moeten vragen.
—Toe, Otto, smeekte Léonie. Ik zoû de sedeka maar geven. Je doet er mij pleizier meê.
—Mama heeft het Oerip al zoo half beloofd... drong Theo zacht aan.
Zij stonden bevende voor hem, spierwit, als smeekelingen. Maar in hem, afgetobd, denkende aan zijn stukken, was een starre onwil, al kon hij zelden zijn vrouw iets weigeren.
—Neen, Léonie, zeide hij beslist. En je moet nooit iets belooven, waar je niet zeker van bent...
Hij wendde zich af, ging het schutsel om, zette zich aan zijn werk.
Zij zagen elkander aan, de moeder, de stiefzoon. Langzaam, doelloos, gingen zij van daar, naar de voorgalerij, waar een vochtige duisternis dreef tusschen de aanzienlijk opgaande pilaren. Door den plassenden tuin zagen zij een witte gedaante komen. Zij schrikten, bang nu voor alles, met iedere silhouet denkende aan de straf, die hun in vreemdheid zoû gebeuren, zoolang zij bleven in het ouderlijk huis, waar zij schande over hadden gebracht. Maar toen zij beter uitspiedden herkenden zij Doddy. Zij kwam thuis; zij zeide sidderend, dat zij bij Eva Eldersma was geweest. In waarheid had zij gewandeld met Addy de Luce, en zij hadden voor den regen geschuild in de kampong. Zij was heel bleek, zij sidderde, maar Léonie en Theo zagen het niet in de duistere voorgalerij, evenals zijzelve niet zag, dat hare stiefmoeder bleek was, dat Theo bleek was. Zij sidderde zoo, omdat zij, in den tuin—Addy had haar tot het hek gebracht—met steenen was geworpen. Zij dacht aan een brutalen Javaan, die haar vader haatte en zijn huis en zijn huisgezin, maar in de duistere voorgalerij, waar zij zwijgend dicht naast elkaâr, als in radeloosheid, zag zitten haar stiefmoeder en haar broêr, voelde zij in eens—zij wist niet waarom—dat het geen brutale Javaan was geweest....
Zij zette zich bij hen, zwijgend. Zij zagen uit naar den donkeren vochtigen tuin, waarover de wijde nacht aanzweefde als met reuzevleêrmuizenwieken. En in de woordelooze melancholie, die grauwe schemering zeefde tusschen de blankende pilaren, van statigheid, voelden zij zich alle drie, Doddy alleen, maar stiefmoeder en stiefzoon samen, stervensbang en verpletterd om het vreemde, dat gebeuren ging....
II.
En trots hunnen angst, zochten zij elkaâr des te vaker, zich voelende samen verbonden door een nu onbreekbare samenvoeging. Des middags sloop hij in hare kamer, en trots hunnen angst, omhelsden zij elkander woest en bleven dan dicht bij elkaâr.
—Het moet onzin zijn, Léonie.... fluisterde hij.
—Ja, maar wat is het dan, fluisterde zij terug. Ik heb toch het gekerm gehoord, en den steen hooren suizen door de lucht....
—En dan....
—Wat?
—Als het iets is.... stel, dat het iets is, dat wij niet verklaren kunnen.
—Maar ik geloof er niet aan!
—Maar ik nog minder.... Maar alleen....
—Wat?
—Als het iets is.... àls het iets is, dat wij niet kunnen verklaren, dan....
—Dan wat?
—Dan is.... het.... niet om ons! fluisterde hij bijna onhoorbaar. Oerip zei het immers zelf. Dan is het om papa!
—Ach, maar het is te dwaas....
—Ik geloof ook niet aan dien onzin.
—Het kermen.... dat is van beesten.
—En die steen.... moet gegooid zijn door een ellendeling.... een van de bedienden, een vent, die zich aanstelt.... of is omgekocht....
—Omgekocht? Door wien?
—Door.... den.... Regent....
—Ach Theo!
—Oerip zei, het gekerm kwam aan van de Kaboepaten....
—Wat meen je?!
—En dat zij van daar uit papa plagen wilden...
—Plagen?
—Omdat de Regent van Ngadjiwa was ontslagen.
—Zei Oerip dat....?
—Neen, neen, dat zei ze niet. Dat zeg ik. Oerip zei, dat de Regent tooverkracht had. Dat is natuurlijk onzin. Die kerel is een lammeling.... Hij heeft lui omgekocht.... om papa te treiteren.
—Maar papa merkt er niets van....
—Neen.... We moeten het hem ook niet zeggen.... Dat is het beste.... We moeten het niëeren.
—En de witte hadji, Theo, dien Doddy tweemaal gezien heeft.... En als ze bij Van Helderen tafel laten dansen, ziet Ida hem ook....
—Ach, natuurlijk ook een handlanger van den Regent....
—Ja, dat zal het wel zijn.... Maar het is toch ellendig, Theo.... Mijn Theo, ik ben bang!
—Voor dien onzin! Kom!
—Als het iets is, Theo.... dan is het niet om ons?
Hij lachte.
—Ach wat! Om ons! Het is voor-den-gek-houderij.... van den Regent....
—Wij moesten niet meer samen komen....
—Jawel, ik hoû van je, ik ben dol op je.
Hij zoende haar razend en zij waren beiden bang. Maar hij blageerde.
—Kom, Léonie, wees niet zoo bijgeloovig....
—Als kind vertelde mijn baboe mij....
Zij fluisterde aan zijn oor een verhaal. Hij werd bleek.
—Ach, wat een onzin, Léonie!
—Er zijn vreemde dingen, hier, in Indië.... Als ze wat begraven van je, een zakdoek of een stukje haar.... dan kunnen ze.... met alleen bezweringen.... maken, dat je ziek wordt en wegkwijnt, en sterft.... zonderdat éen dokter vermoedt wat de ziekte is....
—Dat is ònzin!
—Dat is heusch waar!
—Ik wist niet, dat je zoo bijgeloovig was!
—Ik heb er vroeger nooit aan gedacht. Ik denk er nu eerst aan, den laatsten tijd.... Theo, zoû er iets zijn?
—Er is niets.... dan elkaâr te zoenen.
—Neen Theo.... wees stil, doe niet. Ik ben bang.... Het is al laat. Het wordt zoo gauw donker. Papa is al op, Theo. Ga nu weg, Theo.... door het boudoir. Ik wil gauw mijn bad nemen. Ik ben tegenwoordig bang als het donker wordt.... Met die regens is er geen schemering.... Het overvalt je in eens, de avond.... Verleden had ik geen licht in de badkamer laten brengen.... en toen was het er al zoo donker.... om half zes.... en twee kamprets [56] vlogen er rond; ik was zoo bang, dat ze in mijn haar zouden vast gaan zitten.... Stil.... is dat papa....?
—Neen.... Dat is Doddy.... die speelt met haar kakatoe.
—Ga nu weg, Theo.
Hij ging, door het boudoir, wandelde den tuin in. Zij stond op, sloeg een kimono om over den sarong, dien zij maar los geknoopt onder de armen droeg en riep Oerip.
—Bawa barang mandi! [57]
—Kandjeng....!
—Waar ben je, Oerip?
—Hier, Kandjeng....
—Waar was je....?
—Hier voor uw tuindeur, Kandjeng.... Ik wachtte! zei de meid, met beteekenis, meenende, dat zij wachtte tot Theo weg was.
—Is de Kandjeng Toean al op?
—Soeda,.... heeft al gebaad, Kandjeng.
—Breng dan mijn badgoed.... Steek het lampje aan, in de badkamer.... Verleden was het lampeglas er gebroken, en het lampje niet gevuld....
—De Kandjeng baadde vroeger ook nooit met licht....
—Oerip.... is er van middag.... iets.... gebeurd?
—Neen.... alles was kalm.... Maar ach, als de avond valt.... Alle bedienden zijn bang, Kandjeng.... De kokkie wil niet meer blijven.
—Ach, wat een soesa.... Oerip, beloof haar vijf gulden.... prezent.... als zij blijft....
—Ook de spen is bang, Kandjeng....
—Ach, wat een soesa.... Ik heb nooit zooveel soesa gekend, Oerip....
—Neen, Kandjeng.
—Ik heb altijd mijn leven zoo goed kunnen regelen.... Maar dit zijn dingen....!
—Apa bolè boeat, Kandjeng! [58]... De dingen, machtiger dan de mensch....
—Zouden het heusch geen loeaks zijn.... en een kerel, die gooit met steenen?
—Massa, Kandjeng.
—Nu.... breng maar mijn badgoed.... Vergeet niet het lichtje op te steken....
De meid ging. Het begon al duister te zeven uit de met regen befloersde lucht. Doodstil lag het groote rezidentie-huis in den nacht van zijn reuze-waringins. En de lampen waren nog niet ontstoken. In de voorgalerij, alleen, dronk Van Oudijck thee, liggende op een rieten stoel, in nachtbroek en kabaai.... In den tuin hoopten zich de dikke schaduwen op, als waden van onstoffelijk fluweel, die zwart neêrvielen uit de boomen.
—Toekan lampoe! [59] riep Léonie.
—Kandjeng!
—Steek toch de lampen op! Waarom begin je zoo laat? Steek het eerst op de lamp in mijn slaapkamer....
Zij ging, naar de badkamer.... Langs de lange rei der goedangs en bediendenkamers, die den achtertuin afsloot, ging zij. Zij zag op naar de waringins van wiens hoogste takken zij verleden gehoord had het gekerm der zieltjes. De takken bewogen niet, geen adem van wind suizelde, de lucht was beklemmend zwoel van dreigenden onweêrregen, regen, te zwaar om te vallen. In de badkamer, ontstak Oerip het lichtje.
—Heb je alles gebracht, Oerip?
—Saja, Kandjeng....
—Heb je niet vergeten den grooten flacon met de witte ajer-wangi? [60]
—Ini apa [61], Kandjeng?
—Nu, dan is het goed.... Geef mij voortaan toch een fijneren handdoek voor mijn gezicht. Ik zeg je altijd een fijnen handdoek te geven. Ik hoû niet van die grove....
—Ik zal er even een halen.
—Neen, neen! Blijf hier, blijf zitten voor de deur....
—Saja, Kandjeng....
—Zeg, je moet door een toekan-besie [62] de sleutels hier laten nazien.... We kunnen de badkamer niet sluiten... Dat is toch te gek, als er logés zijn...
—Ik zal er morgen aan denken.
—Vergeet het niet...
Zij sloot de deur. De meid hurkte neêr voor de gesloten deur, geduldig, lijdzaam, onder de kleine en de groote dingen van het leven, alleen kennende trouw aan hare meesteres, die haar mooie sarongs gaf en zooveel voorschot als zij wilde.
In de badkamer schemerde het kleine nikkelen lampje aan den wand over het groenige marmer van den nattigen vloer, over het water, dat boordevol stond in het gemetselde vierkante bassin.
—Ik zal ’s middags maar vroeger baden! dacht Léonie.