Part 13
Zij had zich nog nooit zoo gevoeld, maar er was niet tegen te strijden. Langzaam, iederen dag, maakte Indië haar zoo, ziek van ziel. Frans van Helderen was haar eenige troost. Deze jonge controleur, die nooit geweest was in Europa, die geheel zijne opvoeding had gehad te Batavia, zijn examens had gedaan te Batavia, blond, gedistingeerd, met zijn lenige hoffelijkheid,—met zijn type van onzegbare vreemde nationaliteit, was om zijne bijna exotische ontwikkeling dierbaar geworden aan hare vriendschap. Zij zeide hem hoe zij die vriendschap heerlijk vond en hij antwoordde niet meer met zijne liefde. Er was te veel liefs, zoo, in hunne verhouding. Er was in iets idealistisch, waaraan zij beiden behoefte hadden. In hunne omgeving van gewoonheid glansde die vriendschap voor hen uit als een heel exquize glorie, waarop zij beiden trotsch waren. Hij kwam veel—vooral nu zijne vrouw op Tosari was—en in de avondschemeringen wandelden zij naar den vuurtoren, die aan zee stond als een kleine Eiffel-kandelaber. Over die wandelingen werd veel gesproken, maar zij stoorden er zich niet aan. Op het fondament van den vuurtoren zetten zij zich, zagen uit naar de zee, en luisterden naar de verte. Prauwen, spookachtig, met zeilen als nachtvogels, gleden in het kanaal, met het zeurige zingen der visschers. Een weemoed van levensgelatenheid, van kleine wereld en kleine menschen, waarde om onder de sterre-tintelluchten, waar, mystiek, het Zuiderkruis opdiamantte, of, Turksch half, de maan soms hoornde. En boven dien weemoed van zeurzingende visschers, wrakwankele prauwen, van kleine menschen onder aan den kleinen glimptoren, dreef een grondelooze immensiteit: luchten en eeuwige lichten. En uit de immensiteit dreef het onzegbare aan, als het bovenmenschelijk goddelijke, waarin al het klein menschelijke verzonk, versmolt.
—Waarom eenige waarde te hechten aan het leven, als ik morgen misschien dood ben, dacht Eva; waarom al dat gewirwar en die drukte van menschen, als morgen misschien alles dood is....
En zij zeide het hem. Hij antwoordde, dat een ieder leefde niet voor zich en zijn tijdstip van heden, maar voor allen, en voor de toekomst.... Maar zij lachte bitter, haalde de schouders op, vond hem banaal. En zij vond zichzelve ook banaal, te denken zulke dingen, die al zoo dikwijls waren gedacht. Maar toch, niettegenstaande haar zelfkritiek, bleef haar drukken die obsessie van het nuttelooze van leven, als morgen alles kon dood zijn. En eene atoomkleinte vernederde hen, henbeiden, daar zittende, kijkende in de wijdte van luchten en eeuwige lichten.
Toch hadden zij lief die oogenblikken, waren ze in hun leven alles, want als zij niet te veel voelden hunne kleinte, spraken zij over boeken, muziek, kunst en over de groote hooge dingen van het leven. En zij voelden, dat zij, niettegenstaande den leestrommel en de Italiaansche opera, van Soerabaia, niet meer waren op de hoogte. Zij voelden de groote hooge dingen heel ver van hen. En een heimwee, voor beiden nu, zich niet meer zoo klein te voelen, beving hen, naar Europa. Beiden hadden zij gaarne weg gewild, weg naar Europa toe. Maar zij konden geen van beiden. Het kleine dagelijksche leven hield hen gevangen. Toen, als van zelve, harmonisch samen, spraken zij over wat ziel en wezen was en al het geheimzinnige ervan.
Al het geheimzinnige. Zij voelden het aan de zee, in de lucht, maar, stil, zochten zij het ook in de trippelende poot van een tafel. Zij begrepen niet, dat geest of ziel zich kon openbaren door een tafel, waar zij ernstig de handen oplegden, en die door hun fluïde van dood tot leven werd. Maar àls zij oplegden de handen, leefde de tafel, en zij moesten wel gelooven. Volgens vreemd alfabet kwamen verward dikwijls de letters, die zij aftelden, en de tafel, als bestuurd door een spotgeest, had telkens neiging te plagen, te verwarren, plotseling op te houden en grof te zijn en vuil. Samen lazen zij boeken over spiritisme, en zij wisten niet of zij gelooven zouden of niet.
Het waren stille dagen van stille eentonigheid in het regenruischende stadje. Hun leven met elkaâr was als iets oneigenlijks, als een droom, die waasde door den regen heen. En het was Eva als een plotseling ontwaken toen, op een middag, zij buiten loopend in de vochtige laan, en wachtende op Van Helderen, Van Oudijck haar naderen zag.
—Ik was juist op weg naar u toe, mevrouwtje! sprak hij opgewonden. Ik woû u juist wat komen vragen. Wil u mij weêr eens helpen?
—Waarmeê, rezident?
—Maar zeg mij eerst, is u niet wel? U ziet er tegenwoordig niet goed uit.
—Het is niets ernstigs, zeide zij, mat lachend. Het zal wel weêr overgaan. Waarmee kan ik u helpen, rezident?
—Er moest iets gedaan worden, mevrouwtjelief en wij kunnen niet zonder u. Mijn vrouw zei van morgen ook: vraag het maar aan mevrouw Eldersma....
—En wat dan?
—U weet, mevrouw Staats, van den overleden stationchef. De arme vrouw blijft achter met niets, alleen met haar vijf kinderen en eenige beren.
—Hij heeft zich van kant gemaakt?
—Ja. Het is heel treurig. En wij moeten haar helpen. Er is veel geld daarvoor noodig. Lijsten laten rondgaan, dat zal niet veel geven. De menschen zijn vrijgevig genoeg, maar zij hebben den laatsten tijd al zoo veel geofferd. Met den Fancy-fair waren ze dol. Op het oogenblik zal er niet veel te geven zijn, met het einde van de maand. Maar in het begin van de volgende maand, begin Januari, mevrouwtje, een komedie-voorstelling van Thalia. Heel vlug, een paar aardige salonstukjes, en zonder onkosten. Een entrée van ƒ 1.50, ƒ 2.50 misschien, en als u het op touw zet, is de zaal vol, komen ze van Soerabaia. Daar moet u me meê helpen, niet waar, mevrouwtje.
—Maar rezident, zei Eva moê. Pas die tableaux-vivants. Niet boos zijn, maar ik heb er geen lust in, altijd komedie te spelen.
—Jawel, jawel, het moet.... drong Van Oudijck opgewonden voor zijn plan, een beetje hoog, aan.
Zij werd kribbig. Zij hield van hare onafhankelijkheid en vooral in deze dagen van spleen was zij te mistroostig, in deze dagen van droom voelde zij zich te wazig om dadelijk lief gevolg te geven aan dat verzoek van zijn gezag.
—Heusch, rezident, ik weet dezen keer niets, antwoordde zij kort. Waarom doet mevrouw Van Oudijck het niet zelf....
Zij schrikte, toen zij, kribbig, dat zeide. Naast haar loopende, ontstelde hij, en zijn gezicht betrok. De opgewonden vroolijke trek, de joviale lach om zijn dikken snor was plotseling weg. Zij zag, dat zij wreed was geweest en had wroeging. En voor het eerst, plotseling, zag zij in, dat hij, hoe verliefd ook op zijn vrouw, niet goed keurde, haar zich onttrekken aan alles. Zag zij in, dat hij er onder leed. Het was of dat licht voor haar werd, in zijn karakter: zij zag het voor het eerst en duidelijk.
Hij wist niet te antwoorden: zoekende naar zijne woorden, zweeg hij.
Toen zeide zij, aanhalig:
—Niet boos zijn, rezident. Het was niet aardig van me. Ik weet wel, dat mevrouw Van Oudijck die beslommeringen vervelend vind. Ik neem ze haar gaarne uit de handen. Ik zal alles doen wat u verlangt.
Zenuwachtig, had zij de tranen in de oogen.
Hij zag haar, glimlachend nu, wat schuin onderzoekend aan.
—Wat is u toch nerveus. Maar ik wist wel, dat u een goed hart had. En mij niet zoû laten zitten met mijn plan. En die goede moeder Staats zoû willen helpen. Maar niet duur zijn, mevrouwtje, en geen onkosten, geen nieuwe décors. Alleen uw geest, uw talent, uw mooie dictie van Fransch of Hollandsch—wat u wilt. Daar zijn we nu eenmaal trotsch op in Laboewangi en al dat moois—wat u ons kosteloos geeft—is geheel voldoende om de voorstelling te doen slagen. Maar wat is u nerveus, mevrouwtje? Waarom huilt u? Is u niet wel? Zeg mij, kan ik wat voor u doen?
—Mijn man niet zoo veel werk geven, rezident. Ik heb nooit iets aan hem.
Hij maakte een gebaar van niet helpen kunnen.
—Het is zoo, het is vreeslijk druk, gaf hij toe. Is dat de zaak?
—En mij het goede van Indië leeren inzien.
—Is het dan dàt?
—En nog een heele boel meer....
—Heeft u heimwee? Bevalt Indië u niet langer, bevalt Laboewangi u niet meer, waar wij u allen op de handen dragen...? U oordeelt over Indië verkeerd. Probeer eens het goede in te zien.
—Ik heb het geprobeerd.
—Gaat het niet langer?
—Neen....
—U is te verstandig om niet het goede van dit land te zien.
—U heeft dat land te lief om onpartijdig te zijn. En ik kan ook niet onpartijdig zijn. Maar zeg mij de goede dingen.
—Waarmeê zal ik beginnen. Het goede, wat men kan doen als ambtenaar voor land en volk, en dat in voldaanheid terugslaat op onszelve. Het heerlijke, mooie werken voor dat land en dat volk: het vele en harde werken, dat hier vol een leven vult.... Ik spreek niet van al het bureau-werk van uw man, die secretaris is. Maar ik spreek hem later, als hij assistent-rezident is!
—Hoe lang moet dat nog duren....!
—Het ruime materieele leven dan?
—Waaraan de witte mieren knagen.
—Dat is valsch vernuft, mevrouw....
—Wel mogelijk, rezident. Alles is ontstemd in en om mij, mijn vernuft, mijn piano, en mijn arme ziel.
—De natuur dan?
—Ik voel mij er zoo niets in. De natuur overweldigt me en eet me op.
—Uw eigen werkkring?
—Mijn werkkring.... een van de goede dingen van Indië....
—Ja. Ons, materieele menschen van praktijk, nu en dan eens te bezielen met uw geest.
—Rezident, wat een komplimentjes! Is dat alles om de tooneeluitvoering!
—En met dien geest goed te doen aan moeder Staats?
—Zoû ik geen goed kunnen doen in Europa?
—Zeer zeker, zeide hij kort. Ga maar naar Europa, mevrouw. Word in Den Haag maar lid van Armenzorg; met een blikje op uw deur en een rijksdaalder.... in den hoeveel tijd?
Zij lachte.
—Nu wordt u onrechtvaardig. Ook in Holland wordt veel goed gedaan.
—Maar voor éen ongelukkige doen wat wij, wat u nu doen zal.... wordt dat ooit in Holland gedaan? En zeg mij niet, dat hier minder wordt armoê geleden.
—Dus...?
—Dus is er hier veel goeds voor u. Uw werkkring. Het werken voor anderen, materieel en moreel. Laat Van Helderen niet te veel met u dwepen, mevrouw. Hij is een charmante jongen, maar te litterair in zijn maandelijksche contrôle-rapporten. Ik zie hem daar aankomen en ik moet weg. Dus ik reken op u?
—Geheel en al.
—Wanneer de eerste vergadering, met het Tooneelbestuur, en de dames?
—Morgenavond, bij u, rezident?
—Top. Ik zal de lijst rond laten zenden. Wij moeten veel geld maken, mevrouw.
—Wij zullen ze helpen, moeder Staats, zeide zij zacht.
Hij drukte haar de hand, ging weg. Zij voelde zich week, zij wist niet waarom.
—De rezident heeft me voor je gewaarschuwd, omdat je te litterair was! plaagde zij Van Helderen.
Zij zette zich in de voorgalerij. De lucht brak open: een blank gordijn van regen daalde in rechte plooien van water. Een plaag van sprinkhanen sprong door de galerij. Een wolk van zeer kleine vliegjes ruischte in de wandhoeken als een eolische harp. Eva en Van Helderen legden de handen op het tafeltje en het hief met een ruk zijn poot op, terwijl de torren om hen heen zwermden.
III.
Lijsten gingen rond. De tooneelvoorstelling werd ingestudeerd, na drie weken gespeeld en het Tooneelbestuur reikte den rezident een som van bijna vijftienhonderd gulden over voor moeder Staats. Hare schulden werden betaald; voor haar een huisje gehuurd, en haar gezet in een kleine modezaak, waarvoor Eva schreef naar Parijs. Alle dames van Laboewangi deden moeder Staats een bestelling, en in nog geen maand tijds was de vrouw niet alleen voor een volslagen ondergang behoed, maar was haar leven geregeld, gingen hare kinderen weêr naar school, en had zij een aardige broodwinning. Dat alles was zoo vlug en zonder ostentatie in zijn werk gegaan, men gaf zoo ruime giften op de lijsten, de dames bestelden zoo gemakkelijk een japon of een hoed, die zij niet noodig hadden, dat Eva verbaasd was. En zij moest zich bekennen, dat het egoïste, het eigen-ikkige, het minder-beminnelijke, dat zij zoo dikwijls zag in hun sociale leven: omgang, conversatie, intrigue, kwaadsprekerij, in eens op den achtergrond was verdrongen door een solidair talent tot goeddoen, eenvoudig weg, omdat het moest, omdat het niet anders kon, omdat de vrouw geholpen moest worden. Door de beslommeringen voor de voorstelling gerukt uit haar spleen, opgewekt tot vlug doen, waardeerde zij dit goed-mooie in hare omgeving en zij schreef er zoo enthouziast over naar Holland, dat hare ouders, voor wie Indië een gesloten boek was, glimlachten. Maar hoewel deze epizode iets zachts en weeks en waardeerends in haar had opgewekt, was het maar een epizode, en was zij de zelfde, toen de emotie er om voorbij was. En niettegenstaande zij voelde om zich heen de afkeuring van Laboewangi, bleef zij doorgaan geheel haar leven te vinden in de vriendschap van Van Helderen.
Want er was verder zoo weinig. Het clubje van getrouwen, dat zij met zoo veel illuzie om zich heen had verzameld, dat zij te dineeren vroeg, waarvoor haar huis altijd open was—wat was het eigenlijk? Zij vond de Doorn de Bruijns en de Rantzows nu goed als onverschillige kennissen, maar niet meer als vrienden. Zij vermoedde, dat mevrouw Doorn de Bruijn valsch was, dokter Rantzow was haar te burgerlijk, te plat, zijne vrouw een onbeduidende Duitsche huisvrouw. Tafel lieten zij wel dansen, maar zij hadden schik in de inepte stommigheden, de vuiligheden van den spotgeest. Zij met Van Helderen, vatte het hoog ernstig op, al vond zij die tafel eigenlijk toch komiek. En zoo bleef er niemand over dan Van Helderen voor hare sympathie.
Maar in hare bewondering was Van Oudijck gekomen. Zij had hem plotseling in zijn karakter gezien en hoewel geheel verschillend van de artistieke bekoring, die haar tot nog toe uitsluitend in karakters had aangetrokken, zag zij de mooie lijn ook in dezen man, die totaal niet artistiek was, die van kunst niet het minste idee had, maar die zoo veel moois had in zijn eenvoudig mannelijke opvattingen van plichtbesef en in de kalmte, waarmeê hij droeg de teleurstelling van zijn huiselijk leven. Want zij zag het, Eva, dat al aanbad hij zijn vrouw, hij Léonie niet goedkeurde in hare onverschilligheid omtrent al de belangen, die zijn leven uitmaakten. Zag hij verder niets, was hij verder blind voor alles van den huiselijken kring, deze teleurstelling was zijn geheim en zijn leed, waarvoor hij niet blind was, in het diepst van zichzelven.
En zij bewonderde hem, en hare bewondering was als eene openbaring, dat kunst niet altijd het hoogste was in de dingen van het leven. Zij begreep plotseling, dat de overdreven aanstellerij met kunst in onzen tijd, een ziekte was, waaraan zijzelve geleden had, en nog leed. Want wat was zij, wat deed zij? Niets. Hare ouders, beiden, waren groote kunstenaars, zuivere artisten en hun huis was een tempel en hunne eenzijdigheid was te begrijpen en te vergeven. Maar zij? Zij speelde vrij goed piano, dat was alles. Zij had wat idee en smaak, dat was alles. Maar indertijd had zij met andere jonge meisjes gedweept en zij herinnerde zich nu dat malle dwepen, dat elkaâr filozofeerende brieven schrijven in een nageaapten modernen stijl, met reminiscenties aan Kloos en Gorter. Zoo, in haar spleen, bracht toch haar peinzen haar verder, en ging evolutie door haar heen. Want het was in haar, het kind harer ouders, bijna ongelooflijk, dat zij niet altijd kunst het hoogste zoû vinden.
En er was in haar dat spel en weêrspel van zoeken en denken om te vinden haar weg, nu zij zich geheel verloren had in een land, vreemd aan hare natuur, tusschen menschen, op wie zij, zonder het hen te laten merken, neêrzag. In het land poogde zij te vinden het goede, om het aan hare natuur eigen te maken en het te waardeeren; tusschen de menschen was zij blijde die enkelen te vinden voor hare sympathie en hare bewondering; maar het goede bleef voor haar epizode; de enkele menschen uitzondering, en trots al haar zoeken en denken, vond zij haar weg niet en zij bleef in hare ontstemming van vrouw, die te Europeesch, te artistiek was,—niettegenstaande hare zelfkennis en kunstverloochening—om met welbehagen rustig te leven in een Indische binnenstad, aan de zijde van haar in bureauwerk verloren man; in een klimaat, dat haar ziek maakte; een natuur, die haar overweldigde; een omgeving, antipathiek.
En in de helderste oogenblikken van dit spel en weêrspel was het de duidelijke vrees, de vrees, die zij van alles het helderst voelde, de vrees, die zij aan voelde donzen, zij wist niet van waar, zij wist niet waar heen, maar wemelend over haar hoofd, als met de suizende sluiers van een noodlot, dat door de zwoele regenluchten streek....
In deze ontstemmingen had zij haar clubje van getrouwen niet om zich verzameld, want zijzelve deed geene moeite en haar kennissen begrepen haar te weinig om haar op te zoeken. Zij misten in haar de vroolijkheid, die hen eerst had aangetrokken. Nu kwam de ijverzucht en vijandelijkheid meer los en men sprak veel over haar: zij was aanstellerig, pedant, ijdel, trotsch, zij had pretenties van altijd de eerste te willen zijn in de stad; zij deed maar of zij rezidentsvrouw was en gaf prenta aan iedereen. Eigenlijk toch was zij niet mooi, kleedde zij zich onmogelijk, was haar huis onbegrijpelijk ingericht. En dan haar verhouding met Van Helderen, hunne avondwandelingen bij den vuurtoren. Op Tosari, in den kletstroep van het kleine, nauwe hôtel, waar de gasten zich vervelen als zij geen uitstapjes doen en dus in hunne nauwe voorgalerijtjes bijna zitten in elkanders intimiteit, loeren in elkanders kamertjes, luisteren aan de dunne beschotjes—op Tosari hoorde Ida ervan, en het was genoeg om in het Indische vrouwtje op te wekken hare blanke nonna-instincten en plotseling, zonder verklaring, hare kinderen aan Eva te ontnemen. Van Helderen, voor een paar dagen boven komende, vroeg zijne vrouw hiervan uitlegging, vroeg haar waarom zij Eva beleedigde, door, zonder reden, haar de kinderen te ontnemen en bij zich boven te nemen, waar zij de hôtelrekening aanzienlijk vermeerderde, en Ida maakte een scène, met luide woorden, met zenuwtoevallen, waarvan het geheel hôtelletje daverde, die iedereen de ooren deed spitsen, en als een waaiende wind het bobbelende geklets opzweepte tot een zee. En zonder verdere verklaring brak Ida met Eva. Eva trok zich terug. Tot in Soerabaia, waar zij eens ging boodschappen doen, hoorde zij het lasteren en leuteren, en zij werd zoo wee van hare wereld en hare menschen, dat zij zich stil terug trok in zichzelve. Zij schreef Van Helderen niet meer te komen. Zij bezwoer hem zich met zijne vrouw te verzoenen. Zij ontving hem niet meer. En zij was nu geheel alleen. Zij voelde, dat zij in geene stemming was om iets van troost te vinden bij wie ook van hare omgeving. Voor stemmingen als de hare was er in Indië geen sympathie en geen medebegrip. En daarom sloot zij zich op. Haar man werkte. Maar zij wijdde zich meer aan haar jongen: zij dompelde zich geheel in de liefde voor haar kind. Zij trok zich terug in de liefde voor haar huis. Dat was nu het leven van nooit uitgaan, van nooit iemand zien, van nooit iemand spreken, van nooit andere muziek hooren, dan haar eigene. Dat was nu de troost zoeken in haar huis, haar kind, en haar lectuur. Dat was de vereenzelviging, waartoe zij na hare eerste illuzies en energieën gekomen was. Nu voelde zij altijd het heimwee naar Europa, naar Holland, naar hare ouders, naar menschen van een artistieke ontwikkeling. En nu werd het de haat voor het land, dat zij toch eerst had gezien overweldigend groot mooi, met zijne koninklijke bergen, en met het donzende mysterie in natuur en in mensch. Zij haatte nu die natuur en die mensch en het mysterie maakte haar bang.
Nu vulde zij haar leven met te denken aan haar kind. Haar jongen, de kleine Onno, was drie jaar. Zij zoû hem leiden, een man van hem maken. Zoodra hij geboren was, had zij die vage illuzies gehad van haar zoon later een groot kunstenaar te zien, het liefst een groot schrijver, wereldberoemd. Maar zij had geleerd sedert dien tijd. Zij voelde, dat kunst niet het hoogste, altijd, is. Zij voelde, dat er hooger dingen zijn, die zij in haar spleen, wel is waar, soms verloochende, maar die er toch waren, glanzend groot. Die dingen waren om het worden van Toekomst; die dingen waren vooral om Vrede, Recht en Verbroedering. O, de groote verbroedering van wat arm was en rijk—nu, in haar eenzaamheid dacht zij er over als het hoogste ideaal, waaraan gewerkt kon worden, zooals beeldhouwers werken aan een monument. Recht, vrede, zouden dan volgen. Maar het eerst moest de verbroedering benaderd worden en zij wilde, dat haar zoon er aan arbeiden zoû. Waar? In Europa? In Indië? Zij wist het niet; zij zag dat niet voor zich. Zij zag het eerder in Europa dan in Indië. In Indië bleef voor alle hare gedachten het onverklaarbare, het raadselachtige, het bange. Wat was dat toch vreemd....
Zij was een vrouw voor idealen. Misschien was dit alleen, simpel, de verklaring voor wat zij voelde en vreesde, in Indië.
Je hebt geheel verkeerde indrukken omtrent Indië, zeide haar man soms. Je ziet Indië heelemaal verkeerd. Stil? Je denkt, dat het hier stil is? Waarom zoû ik zoo veel te werken hebben in Indië als het stil was in Laboewangi. Honderde belangen van Europeanen en Javanen behartigen wij.... De kultuur is hier zoo krachtig beoefend als maar kan.... De bevolking neemt toe, neemt altijd toe.... Vervallen, een kolonie, waar zooveel omgaat....? Dat zijn van die idiote ideeën van Van Helderen. Ideeën van bespiegeling, uit de lucht gegrepen, en die jij nabespiegelt.... Ik begrijp niet zooals je Indië ziet, tegenwoordig.... Er is een tijd geweest, dat je oog hadt voor het mooie en interessante hier.... Dat schijnt nu heelemaal voorbij.... Je moest eigenlijk maar naar Holland....
Maar zij wist, dat hij het heel eenzaam zoû hebben: daarom wilde zij niet gaan. Later, als haar jongen ouder was, dan moèst zij gaan. Maar dan zoû Eldersma zeker wel assistent-rezident zijn geworden. Nu had hij nog zeventien controleurs, secretarissen boven zich. Dat was zoo al sedert jaren, dat uitzien naar een ver verwijderde toekomst van promotie als het smachten naar een fata-morgana. Rezident worden, daar dacht hij zelfs niet aan. Assistent-rezident een paar jaar, en dan naar Holland, met pensioen....
Zij vond het een troosteloos bestaan, zich zoo afbeulen, voor Laboewangi...
Zij leed aan malaria, en hare meid, Saïna, pidjiette haar, masseerende met de lenige vingers hare pijnlijke leden.
—Saïna, het is, als ik ziek ben, te lastig, dat je in de kampong woont. Verhuis van avond nog hierheen, met je vier kinderen.
Saïna vond dat lastig, veel soesa.
—Waarom?
En zij verklaarde het. Haar huisje was haar nagelaten door haar man. Zij was er aan gehecht, hoewel het heel bouwvallig was. Nu, in de regenmoesson, regende het dikwijls in, en dan kon zij niet kooken en kregen de kinderen geen eten. Het laten repareeren, ging moeilijk. Zij kreeg een ringgit [49] in de week van de njonja; zestig cent ging al op aan rijst. Dan iederen dag een paar centen visch, klapperolie, sirih, een paar centen brandstof... Neen, het huisje repareeren ging niet. Bij de Kandjeng njonja zoû zij het veel beter hebben, op het erf veel beter. Maar het zoû soesa zijn, een bewoner voor het huisje te vinden omdat het zoo bouwvallig was en de njonja wist, dat geen huis in de kampong mocht leêg staan: daar stond groote boete op... Zij bleef dus maar liever wonen, in haar natte huisje... ’s Nachts kon zij wel blijven waken bij de njonja; haar oudste dochtertje paste dan op de kleintjes.
En, onderworpen aan haar klein bestaan van kleine ellende, liet Saïna haar lenige vingers, sterk-zacht drukkend, glijden over de zieke leden van haar meesteres.
En Eva vond het troosteloos, dit leven van éen rijksdaalder in de week, met vier kinderen, in een huisje, waar het inregende, zoodat men er niet koken kon.
—Laat mij zorgen voor je tweede dochtertje, Saïna, zei Eva op een anderen dag.
Saïna aarzelde, glimlachte: zij had dat liever niet, maar durfde het niet zeggen.