De stille kracht

Part 15

Chapter 153,897 wordsPublic domain

Zij ontdeed zich van kimono en sarong; en, naakt, zag zij even in den spiegel hare silhouet van melkige molligheid, de rondingen van een vrouw van veel liefde. Het blonde haar goudde zich, en een parelglans droop van hare schouders over haar hals en verschaduwde weg tusschen hare kleine ronde borsten. Zij hief hare haren op, zich bewonderend, bestudeerend, of een rimpel zich plooide, aanvoelende of hard haar vleesch was. Hare eene heup welfde zich, daar zij steunde op het eene been en een lange lijn van blank aangelichte golving bootste streelend langs dij en knie, vloeiende weg bij de wreef van haar voet... Maar zij schrikte op in die studie van bewondering: zij wilde zich haasten. Snel wrong zij hare haren samen en wreef zij zich in met een schuim van zeep, en nemende de gajong [63], stortte zij het water over zich uit. In lange vlakke stralen viel het zwaar van haar neêr, en als marmer glansde zij, gepolijst op schouders, borst en heupen, in het licht van het kleine lampje. Nog meer wilde zij zich haasten, opziende naar het venster of de kamprets weêr binnen zouden vliegen... Ja, zij zoû voortaan zich toch vroeger baden. Buiten was het al nacht. Zij droogde zich schielijk, in een ruwen handdoek. Zij wreef zich even, vlug, met de witte zalf, die Oerip altijd bereidde, haar toovermiddel van jeugd, lenigheid, harde blankheid. Op dit oogenblik zag zij op haar dij een klein rood spatje. Zij lette er niet op, denkend aan iets in het water, een blaadje, een dood insect. Zij wreef het af. Maar zich wrijvend, zag zij op haar borst twee, drie grootere spatjes, donker vermillioen. Zij werd plotseling koud, niet wetend, niet begrijpend. Weêr wreef zij zich af; en zij nam den handdoek, waar de spatjes al achterlieten iets viezigs als van dik bloed. Een rilling huiverde over haar van hoofd tot voeten. En plotseling zag zij. Uit de hoeken van de badkamer, hoe, en vanwaar zag zij niet, kwamen de spatjes aan, eerst klein, nu grooter, als uitgespogen door een kwijlenden sirih-mond. Stervenskoud gaf zij een gil. De spatten, dikker, werden vol, als purperen kwalsters uitgespogen, tegen haar aan. Haar lichaam was vuil bezoedeld met een groezelig, rinnende rood. Eén spat sloeg neêr op haar rug.... Op het groenige wit van den vloer vlakkelden de smerige spuugselen, dreven zij uit in het nog niet weggeloopen water. In het bassin bezoedelden zij het water ook en smolten viezig uit-een. Zij zag geheel rood, vuil bezoedeld, als onteerd door een schande van vies vermillioen, dat onzichtbare sirih-kelen van uit de hoeken der kamer samenschraapten en spogen naar haar toe, mikkend in hare haren, op hare oogen, op hare borsten, op haar onderbuik. Zij gaf gil op gil, geheel krankzinnig van het vreemde gebeuren. Zij stortte op de deur, wilde ze openen, maar er haperde iets aan den kruk. Want het slot was niet gesloten, de grendel was er niet voor. In haar rug voelde zij herhaaldelijk spugen, en van haar billen droop het rood. Zij gilde om Oerip en zij hoorde de meid aan de andere zijde der deur, buiten, trekken, en duwen. Eindelijk gaf de deur toe. En radeloos, gek, dol, krankzinnig, naakt, bezoedeld, stortte zij in de armen van hare meid. De bedienden liepen toe. Uit de achtergalerij zag zij aanloopen, Van Oudijck, Theo, Doddy. In hare uiterste krankzinnigheid, wijd de oogen gesperd, schaamde zij zich, niet om hare naaktheid, maar om haar bezoedeling... De meid had de kimono, ook bezoedeld, gegrepen van den kruk der deur, en sloeg ze haar meesteres om.

—Blijf weg! gilde zij radeloos. Kom niet dichter! krijschte zij gek. Oerip, Oerip, breng mij naar het zwembad! Een lamp, een lamp... in het zwembad!

—Wat is er, Léonie?

Zij wilde niets zeggen.

—Ik... heb... getrapt... op een pad! schreeuwde zij uit. Ik ben bang... voor schurft...! Kom niet dichter... Ik ben naakt! Blijf weg, blijf weg! Een lamp, een lamp... een làmp dan toch... in het zwembad!! Neen... Otto! Blijf weg! Blijven jullie allemaal weg! Ik ben naakt! Blijf weg! Bawa... la... a... a... mpoè! [64]

Door elkaâr liepen de bedienden. Eén bracht een lamp, in het zwembad...

—Oerip! Oerip...

Zij klampte zich aan de meid.

—Zij hebben mij bespogen... met sirih...! Zij hebben... mij... bespogen... met sirih...!! Zij... hebben... mij bespogen... met sirih...!!!

—Stil Kandjeng... kom meê, in het zwembad...!

—Wasch mij, Oerip! Oerip... in mijn haren, in mijn oogen... o God, ik proèf het in mijn mond...!!

Zij snikte radeloos los, de meid sleepte haar meê...

—Oerip... zie... eerst... preksa... of ze ook spugen... in het zwembad!!

De meid trad binnen, rillende.

—Er is niets, Kandjeng.

—Gauw dan, baad mij, wasch mij, Oerip....

Zij wierp de kimono af; haar mooi lichaam in het licht van de lamp werd zichtbaar als met vies bloed bezoedeld.

—Oerip, wasch mij.... Neen, haal geen zeep.... Met water alleen.... Laat mij niet alleen! Oerip, wasch mij dan toch hier.... Verbrand de kimono! Oerip....

Zij dook in het zwembad, zij zwom radeloos rond; de meid, half naakt, dook mede, wiesch haar....

—Gauw Oerip.... gauw, alleen maar het allervuilste.... Ik ben bang! Straks... straks spugen zij hier.... In de kamer, Oerip.... nu.... nu overwasschen, in de kamer, Oerip!! Roep, dat er niemand mag zijn, in den tuin! Ik wil de kimono niet meer om. Gauw, Oerip, roep, ik wil weg van hier!

De meid riep door den tuin, in het Javaansch.

Léonie, druipend, steeg uit het water, en naakt, nat, ijlde zij langs de bediendenkamers, de meid achter haar aan. In huis kwam Van Oudijck, krankzinnig van ongerustheid, loopen naar haar toe.

—Weg, Otto! Laat me alleen! Ik ben.... naakt!! gilde zij.

En zij stortte zich in hare kamer, en, Oerip binnen, sloot zij alle deuren.

In den tuin kropen de bedienden bij elkaâr, onder het afdak der galerij, vlak bij het huis. Zacht rommelde de donder, en stil begon het te regenen.

III.

Léonie, ziek een paar dagen van zenuwkoorts, bleef in bed. In Laboewangi sprak men er over, dat het spookte, in het rezidentie-huis. Op de wekelijksche bijeenkomsten in den Stadstuin, als de muziek speelde, als de kinderen en jongelui op den open steenen dansvloer dansten, waren de fluisterende gesprekken aan de tafeltjes over het vreemde gebeuren in het rezidentie-huis. Dokter Rantzow werd er naar gevraagd, maar hij wist alleen te vertellen wat de rezident hem verteld had, wat mevrouw Van Oudijck hem zelve had verteld: haar schrik in de badkamer voor een kolossale pad, waarop zij getrapt had, gestruikeld was. Door de bedienden echter wist men meer, maar als de een vertelde over het gooien met steenen, het spuwen met sirih, lachte de ander, en noemde het praatjes van baboe’s. Zoo bleef eene onzekerheid hangen. In de couranten, van Soerabaia tot Batavia toe, verschenen echter korte vreemde berichten, die niet duidelijk waren, maar veel te raden gaven.

Van Oudijck zelve sprak er over met niemand, niet met zijn vrouw, niet met zijn kinderen, met de ambtenaren niet, en niet met de bedienden. Maar eens kwam hij doodsbleek uit de badkamer, met dolle, groote oogen. Hij ging echter rustig naar binnen, beheerschte zich en niemand merkte iets. Toen sprak hij met den chef der politie. Aan het rezidentie-erf grensde een oud kerkhof. Nacht en dag werd dit nu bewaakt en bewaakt de achtermuur van de badkamer. De badkamer zelve werd echter niet meer gebruikt en men baadde zich in de logeerbadkamers.

Zoodra mevrouw Van Oudijck hersteld was, ging zij naar Soerabaia, logeeren bij kennissen. Zij keerde niet meer terug. Zij had door Oerip langzamerhand, zonder ostentatie, zonder Van Oudijck er over te spreken, alle hare kleêren in laten pakken, en allerlei kleinigheden, waaraan zij gehecht was. Den eenen koffer na den anderen werd haar gezonden. Toen Van Oudijck eens, bij toeval, in haar slaapkamer kwam, vond hij die, op de meubels na, leêg. In haar boudoir was ook allerlei verdwenen. Hij had niet gemerkt het zenden der koffers, maar nu begreep hij, dat zij niet weêr zoû komen. Hij schreef zijn eerstvolgende receptie af. Het was December, en voor de Kerstvacantie, zouden uit Batavia René en Ricus komen voor een week of tien dagen, maar hij schreef de jongens af. Toen werd Doddy te logeeren gevraagd op Patjaram, bij de familie de Luce. Hoewel hij, uit zijn instinct van volbloed Hollander, niet hield van de de Luce’s, gaf hij toe. Ze hielden daar van Doddy: zij zoû het er vroolijker hebben dan op Laboewangi. Dat zijn dochter niet ver-Indischen zoû, was een ideaal, dat hij opgaf. Plotseling ook ging Theo weg, door Léonie’s invloed in Soerabaia, op groote mannen van den handel, in eens zeer voordeelig geplaatst bij een kantoor van export en import. Nu, in zijn groote huis, was Van Oudijck alleen. Daar de kokkie en de spen waren weggeloopen, vroegen Eldersma en Eva hem steeds ten eten bij hen, zoowel rijsttafel als diner. Bij hen aan tafel sprak hij nooit over zijn huis, en er werd nooit over gesproken. Over wat hij in het geheim met Eldersma sprak, als secretaris, met Van Helderen sprak, als controleur-kotta, spraken deze beiden ook nooit, als zwijgende onder een ambtsgeheim. De chef der politie, die anders, iederen dag, kort zijn rapport deed: dat niets bizonders was voorgevallen, of dat er een brand was geweest, of een man was verwond, deed nu echter lange, geheime rapporten: de deuren van het kantoor werden dan gesloten, opdat de oppassers buiten niet luisteren zouden. Langzamerhand liepen alle bedienden weg, trokken zij ’s nachts stilletjes weg, met hun families en huisraad, en in eene vuile leêgte bleven hunne woningen achter. Zij bleven zelfs niet in de rezidentie. Van Oudijck liet hen gaan. Hij behield alleen Kario, en de oppassers: en de gestraften, iederen dag, verzorgden den tuin. Zoo, van buiten, bleef het huis schijnbaar onveranderd. Maar van binnen, waar niets werd verzorgd, lag het stof dik op de meubels, aten witte mieren de matten op, sloegen schimmel en vochtvlekken uit. De rezident ging er nooit door, bewoonde alleen zijn slaapkamer en kantoor. Op zijn gezicht was een somberheid gekomen, als een bittere stilzwijgende vertwijfeling. Nauwgezetter dan ooit was hij op zijn werk, straffer spoorde hij zijne ambtenaren, als dacht hij aan niets dan aan de belangen van Laboewangi. In zijne pozitie van izolement had hij geen vriend en hij zocht er geen. Hij droeg alles alleen. Alleen, op zijne schouders, op zijn rug, die kromde onder eene naderende oudheid, droeg hij het zware gewicht van zijn huis, dat verging; zijne huiselijkheid, die verongelukte in het vreemde gebeuren, dat hij niet uit kon vinden, trots zijne politie, zijn wachters, zijn persoonlijke wakingen: trots zijn stille spionnen. Hij vond niets uit. Men zeide hem niets. Niemand bracht iets aan het licht. En het vreemde gebeuren ging voort. Een groote steen vernielde een spiegel. Hij liet, kalm, opruimen de scherven. Zijn natuur was niet om te gelooven aan de bovennatuurlijkheid der gebeurlijkheden en hij geloofde ook niet. Dat hij niet vond de schuldigen en de verklaring der feiten maakte hem stil razend. Maar hij geloofde niet. Hij geloofde niet als hij zijn bed bezoedeld vond en Kario aan zijn voeten hem bezwoer, dat hij niet wist hoe. Hij geloofde niet, als het glas, dat hij opnam, brak in heele kleine scherfjes. Hij geloofde niet als hij boven zich hoorde aanhoudend stampen met een plagerig gehamer. Maar zijn bed was bezoedeld, zijn glas brak, het gehamer was een feit. Hij onderzocht die feiten, nauwgezet als hij een strafzaak had onderzocht, en niets kwam aan het licht. Kalm bleef hij in zijne verhouding met Europeesche en Javaansche ambtenaren en met den Regent. Niemand merkte iets aan hem, en, trotsch, ’s avonds, werkte hij door, aan zijn schrijftafel terwijl het stampte en het hamerde, en in den tuin de nacht, als betooverd, donsde.

Buiten, op de trap, kropen de oppassers bij elkaâr, luisterden zij, fluisterden zij; schuw omkijkend naar hun heer, die schreef, een frons van werkaandacht tusschen zijn brauwen.

—Zoû hij het niet hooren?

—Jawel, jawel: hij is toch niet doof....

—Hij moet het hooren....

—Hij denkt het te kunnen uitvinden met djàgà’s.... [65]

—Er komen soldaten van Ngadjiwa.

—Van Ngadjiwa!

—Ja. Hij vertrouwt niet de djàgà’s. Hij heeft geschreven aan den toean majoor.

—Om soldaten?

—Ja, er komen soldaten....

—Zie hem fronsen zijn wenkbrauwen....

—Hij werkt maar door.

—Ik ben bang: ik zoû nooit durven blijven, als het niet moest.

—Zoolang hij er is, durf ik blijven....

—Ja.... hij is dapper.

—Hij is flink.

—Hij is een dappere man.

—Maar hij begrijpt het niet.

—Neen, hij weet niet wat het is....

—Hij denkt, dat het ratten zijn....

—Ja, hij heeft, boven, onder het dak, laten zoeken naar ratten.

—Die Hollanders weten niet.

—Neen, ze begrijpen niet.

—Hij rookt veel....

—Ja, wel twaalf sigaren per dag.

—Hij drinkt niet veel.

—Neen.... alleen ’s avonds zijn whiskey-soda.

—Zoo straks zal hij er om vragen....

—Niemand is bij hem gebleven.

—Neen. De anderen hebben begrepen. Ze zijn allen weg.

—Laat gaat hij naar bed.

—Ja. Hij werkt veel.

—Hij slaapt toch nooit ’s nachts. Alleen ’s middags.

—Zie hem fronsen....

—Hij werkt maar door....

—.... Oppas!

—Daar roept hij....

—Kandjeng!

—Bawa whiskey-soda!

—Kandjeng....

De eene oppasser stond op, om den drank te halen. Hij had alles vlakbij, in het logeergebouw, om niet in huis behoeven te komen. Dichter schoven de anderen bij een, en fluisterden door. De maan drong door de wolken en verlichtte den tuin en de waterplas als met een vochtige mist van betoovering, doodstil. De eene oppasser had den drank bereid, bood hurkend aan.

—Zet hier neêr, zeide Van Oudijck.

De oppasser zette het glas op de schrijftafel, en kroop weg. De andere oppassers fluisterden.

—Oppas! riep Van Oudijck na een oogenblik.

—Kandjeng!

—Wat heb je geschonken in dit glas?

De man beefde, kroop weg aan Van Oudijcks voeten.

—Kandjeng: het is geen vergif, bij mijn leven, bij mijn dood: ik kan het niet helpen, Kandjeng. Trap mij, dood mij: ik kan het niet helpen, Kandjeng.

Het glas zag okergeel.

—Haal mij een ander glas en schenk hier in....

De oppasser ging, rillende.

De anderen zaten dicht bij elkaâr, voelende elkanders lichaam, door het bezweette laken der uniformen en keken bang uit. De maan rees lacherig, spottend als een slechte fee uit hare wolken; hare vochtige, doodstille betoovering, zilverde over den wijden tuin. In de verte, uit den achtertuin, kermde op een kreet, als van een kind, dat werd geworgd.

IV.

—En mevrouwtje, hoe gaat het? Hoe gaat het met het spleen? Bevalt Indië u wat beter vandaag?

Zijn woorden klonken Eva joviaal toe, terwijl zij hem komen zag door den tuin, bij achten, om te komen dineeren. Er was in zijn toon niets anders dan de joviale begroeting van een man, die hard gewerkt heeft aan zijn schrijftafel, en nu blij is een lieve mooie vrouw te zien, aan wier tafel hij zoo straks zal zitten. Zij verwonderde zich, zij bewonderde hem. Er was in hem niets van iemand, die den geheelen dag in een verlaten huis getreiterd werd door onbegrijpelijk en vreemd gebeuren. Nauwlijks was er een wolk van droefgeestigheid over zijn breede voorhoofd; nauwlijks een zorg in zijn even krommen, breeden rug, en de joviale trek om zijn dikken snor lachte er als altijd. Eldersma trad nader en in zijn groet, in zijn handdruk was als een stille vrijmetselarij van samenweten, een vertrouwelijkheid, die Eva ried. En Van Oudijck dronk zijn bittertje, gewoon weg, sprak over een brief van zijne vrouw, die vermoedelijk naar Batavia zoû gaan; zeide, dat René en Ricus in den Preanger logeerden bij een vriend, op een koffie-land. Waarom zij allen niet waren om hem heen, waarom hij geheel verlaten was van huisgezin en bedienden, hij sprak er niet over. In de intimiteit van hun kring, waar hij nu iederen dag tweemaal kwam eten, had hij er nooit over gesproken. En hoewel Eva er niet naar vroeg, maakte het haar in hooge mate zenuwachtig. Zoo vlak bij, bij het spookhuis, welks pilaren zij overdag kon schemeren zien in de verte door het loover der boomen, voelde zij iederen dag zich zenuwachtiger. Den geheelen dag, om haar heen, fluisterden de bedienden, spiedden zij schuw in de richting van de bespookte residinân. Des nachts, niet kunnende slapen, hoorde zij zelve of zij iets vreemds vernam: het kermen van de kindertjes. Te overvol van geluid was de Indische nacht, om haar niet rillen te doen op haar bed. Door het imperatieve brullen der vorschen om regen, om regen, om altijd meer regen nog, het aanhoudend gekwaak met éentonige brulkeel, hoorde zij rondtooveren duizende geluiden, die haar hielden uit den slaap. Er door heen sloegen de tokkè’s, de gekko’s als uurwerken hun slagen, als vreemde uren van geheimzinnigheid. Den geheelen dag dacht zij er aan. Ook Eldersma sprak er niet van. Maar als zij Van Oudijck zag komen aan haar rijsttafel, aan haar diner, moest zij klemmen de lippen, om hem niets te vragen. En het gesprek liep over allerlei, maar nooit over het vreemde gebeuren. Na de rijsttafel liep Van Oudijck weêr even over; na het diner, om tien uur, zag zij den rezident weêr verdwijnen in tuinschaduwen, die spookten. Met een rustigen tred, iederen avond, ging hij terug door den betooverden nacht, naar zijn verlaten en ellendig huis, waar vóor zijn kantoor de oppasser en Kario dicht gehurkt zaten tegen elkaâr, en werkte hij voor zijn schrijftafel nog laat. En hij klaagde nooit. Hij onderzocht nauwkeurig, door geheel de kotta, maar niets kwam aan het licht. Alles bleef gebeuren in ondoorgrondelijk mysterie.

—En mevrouwtje, hoe bevalt Indië u van avond?

Het was, een beetje, altijd de zelfde aardigheid, maar zij bewonderde, iederen dag, zijn toon. Een moed, een sterkte van zelfvertrouwen, een zekerheid van zijn eigen weten, een geloof aan wat hij zèker wist, klonk metaalhel uit zijn stem. Er was, hoe rampzalig hij zich voelen moest—hij, de man van het huiselijk innige en de man der koele praktijk—in een huis, door de zijnen verlaten en vol onverklaarbaar gebeuren, geen zweem van vertwijfling en neêrslachtigheid in zijn volhardenden mannelijken eenvoud. Hij ging zijn gang, hij deed zijn werk, nauwgezetter dan ooit—hij onderzocht. En aan Eva’s tafel had hij altijd een opgewekt gesprek, met Eldersma zoo over zaken er even door: over promotie, over de politiek in Indië, en de nieuwe manie om van uit Holland Indië te laten regeeren door leeken, die van toeten noch blazen wisten. En levendig praatte hij en zonder zich op te schroeven, rustig-weg, gezellig, tot Eva hem bewonderde, iederen dag meer en meer. Maar haar, sensitieve vrouw, werd het een nerveuze obsessie. En eens, ’s avonds, even een paar passen meêgaande met hem, vroeg zij hem. Of het niet verschrikkelijk was, of hij het huis niet kon verlaten, of hij niet op tournée kon gaan, voor langen, langen, tijd. Zij zag zijn gezicht bewolken, omdat zij er over sprak. Maar toch vriendelijk, antwoordde hij, dat het zoo erg niet was, al was het onverklaarbaar, en dat hij zich sterk maakte dat gegoochel wel uit te vinden. En hij voegde erbij, dat hij eigenlijk moest op tournée, maar dat hij niet ging, om niet den schijn te hebben te vluchten. Toen drukte hij haar vluchtig de hand, zeide haar zich niet nerveus te maken en daar maar niet meer over te denken, te praten. Dit laatste klonk als een minzaam gebod. Zij drukte zijn hand weêr, tranen in hare oogen. En zij zag hem gaan, met zijn kalmen flinken pas en verdwijnen in den nacht van zijn tuin, waar door het brullend geroep der vorschen om regen de betoovering wel om moest donzen. Toen rilde zij daar zoo te staan en spoedde zich naar huis. En zij vond haar huis, haar ruime huis, klein en zoo open en beschermingloos voor de immense Indische nacht, die van overal binnen kon komen.

Maar zij was niet de eenige, die onder den indruk was van het geheimzinnige gebeuren. Over geheel Laboewangi drukte het neêr met zijne onverklaarbaarheid, die zoo streed tegen het feitelijke van iederen dag. In ieder huis werd er over gesproken, al was het ook fluisterend, om de kinderen niet bang te maken, en de bedienden niet te laten merken, dat men onder den indruk was van het Javaansche gegoochel, zooals de rezident het zelve genoemd had. En een angst, eene somberheid, deed de menschen ziek worden van zenuwachtig spieden en luisteren in de van geluid overvolle nachten en wademde dik donzig grauw neêr over de stad, die zich dieper scheen te verschuilen in het loover van hare tuinen, en gedurende de vochtige avondschemeringen geheel wegdook in een dof zwijgende gelatenheid en bukken onder het mysterie. Toen dacht Van Oudijck sterke maatregelen te nemen. Hij schreef den majoor—kommandant van het garnizoen te Ngadjiwa—te komen met een kapitein, een paar luitenants, een compagnie soldaten. Dien avond dineerden de officieren, met den rezident en Van Helderen bij Eldersma. Zij haastten het maal af, en Eva, aan het hek van den tuin zag hen allen gaan: de rezident, de secretaris, de controleur, te samen met de vier officieren, den donkeren tuin van het spookhuis in. Het rezidentie-erf werd afgezet, het huis omsingeld, het kerkhofterrein bewaakt. En de mannen, allen, gingen de badkamer in.

Zij bleven er den geheelen nacht. En den geheelen nacht bleven afgezet en omsingeld erf en huis. Tegen vijf uur kwamen zij er uit, en namen dadelijk, gezamenlijk, een zwembad. Over wat hun gebeurd was, spraken zij niet, maar hun nacht was verschrikkelijk geweest. Nog den volgenden morgen werd de badkamer omvergehaald.

Allen hadden zij Van Oudijck beloofd niet over dien nacht te spreken en Eldersma wilde aan Eva niets zeggen, Van Helderen niets aan Ida. Ook de officieren, in Ngadjiwa, zwegen. Zij zeiden alleen, dat de nacht in de badkamer te onwaarschijnlijk was geweest, dan dat men hunne woorden zoû gelooven. Eindelijk liet een der jonge luitenants zich iets van zijn avontuur ontvallen. En een verhaal van sirih spugen, steenen werpen, van een vloer, die aardbeefde, terwijl zij er met stokken en sabels op hadden geslagen, en dan nog van iets onzegbaars afgrijselijks, dat in het badwater was gebeurd, deed de ronde. Iedereen maakte er iets bij. Toen het verhaal Van Oudijck bereikte, herkende hij er nauwlijks in den verschrikkelijken nacht, die, ook zonder fantazie, verschrikkelijk genoeg was geweest.

Eldersma had intusschen opgemaakt het rapport van hun gezamenlijk waken en zij onderteekenden allen het onwaarschijnlijk verhaal. Het rapport bracht Van Oudijck persoonlijk naar Batavia, en reikte het over aan den Gouverneur-Generaal. Sedert berustte het in de geheime archieven der regeering.

De Gouverneur-Generaal ried Van Oudijck aan voor korten tijd met verlof naar Holland te gaan, hem verzekerende, dat dit verlof geen invloed zoû uitoefenen op zijne reeds spoedig te verwachten promotie tot rezident-eerste-klasse. Hij weigerde echter deze gunst, en ging terug naar Laboewangi. De eenige concessie, die hij zich deed, was, dat hij zijn intrek bij Eldersma nam, tot het rezidentie-huis gereinigd zoû zijn. Maar van den vlaggestok op het rezidentie-erf bleef waaien de vlag...

Terug van Batavia, ontmoette Van Oudijck, om dienstzaken, dikwijls den Regent, Soenario. En in zijn omgang met den Regent bleef de rezident correct en streng. Toen had hij een kort gesprek, eerst met den Regent, en daarna met zijn moeder, de Raden-Ajoe Pangéran. Deze beide gesprekken duurden niet langer dan twintig minuten. Maar het scheen, dat die weinige woorden van groot en dreigend gewicht waren geweest.