Part 9
„Wel zeker, wel zeker; – ieder huis in dit land, dat eenigzins oud is, heeft zijne geesten en zijne spookkamer, en gij moet onze woning voor niet minder aanzien, dan die van onze buren. De spoken zijn wel wat uit de mode geraakt; maar ik heb den tijd gekend, dat gij, met het aanwezen van den geest in eenig heerenhuis te betwijfelen, gevaar zoudt geloopen hebben om zelf tot een geest gemaakt te worden, zoo als Hamlet zegt. Ja, als gij aan het bestaan van Roodkapje in het kasteel van Glenstryrim getwijfeld hadt, zou de oude Sir Peter Pepperbrand u op zijn kasteelplein hebben uitgedaagd, en indien gij uw wapen niet zeer behendig wist te voeren, zou hij u als een kikkert op zijn eigen erf aangeregen hebben. Ik zelf ontsnapte eens ter nauwernood aan zulk een gevecht; maar ik verontschuldigde mij ootmoedig, en erkende Roodkapje; want zelfs in mijne jeugd was ik geen vriend van de monomachia, of tweestrijd, en ging liever met den geleerde, dan met den krijgsman om, – en het kan mij weinig schelen wie daarom mijn moed betwijfelt. God dank! nu ben ik oud, en kan mijne drift bot vieren, zonder in de noodzakelijkheid te zijn, om die met het blanke staal te verdedigen.”
Hier trad Mejufvrouw Oldbuck weder in de kamer met een bijzonder deftig gelaat. „Mijnheer Lovel’s bed is gereed, broeder! Schoone lakens, – goed gelucht, – wat vuur in den haard, – zeker, mijnheer Lovel, het was niet om de moeite, – en ik wensch u wel te rusten; maar, –”
„Gij hebt besloten, om dat zoo veel mogelijk te beletten.”
„Ik? – Dat heb ik zeker niet gezegd, Monkbarns!”
„Mijne lieve jufvrouw,” zeide Lovel; „vergun mij te vragen, wat toch die vleiende ongerustheid omtrent mijn welzijn beteekent?”
„Monkbarns hoort er niet gaarne van spreken; maar hij weet zelf, dat de kamer een slechten naam heeft. Men weet zeer goed dat het dáár was, dat de oude Robert Tull, de stadsschrijver sliep, toen hij die wonderbaarlijke inlichtingen kreeg omtrent het groote proces tusschen ons en de heeren van Mosselklip. Het heeft honderden gekost, mijnheer Lovel, want de processen werden lang geleden, evenmin als tegenwoordig, zonder geld gevoerd, – en de Monkbarns van dien tijd, onze grootvader, mijnheer Lovel, zoo als ik te voren zeide, – stond op het punt, om veroordeeld te worden, bij gebrek van één papier. Monkbarns weet wel, wat voor een papier het was: maar ik ben zeker, dat hij mij niet zal helpen met mijne historie; – maar het was een papier van groot belang bij het proces, en wij moesten het verliezen, omdat wij het stuk niet hadden. Welnu, – de zaak moest dienen voor de zitting van het hof op een bepaalden dag, en de oude Robert Tull, de stadsschrijver kwam over, om nog een laatst onderzoek te doen naar het stuk, dat ontbrak, eer onze grootvader naar Edinburg ging, om bij de behandeling van de zaak tegenwoordig te zijn: dus was er niet veel tijd te verliezen. Het was maar een onwetende suffert, die Robert, zoo als ik gehoord heb; maar hij was toen stadsschrijver te Fairport, en de Monkbarns gebruikten hem in hunne rechtszaken, wegens hunne betrekking tot de stad, zoo als gij weet, –”
„Zuster Grizel, dit is onuitstaanbaar!” viel Oldbuck haar in de rede. „Bij den Hemel! gij zoudt de geesten van alle abten van Trotcosey sedert de dagen van Waldemar uit hunne graven hebben kunnen doen verrijzen, in den tijd, dien gij tot de bezwering van één enkel spook besteed hebt. Leer beknopt te zijn in uwe verhalen. Volg den korten stijl na van den ouden Aubrey, een ervaren geestbezweerder, die zijne aanteekeningen over deze onderwerpen op eene korte, zaakrijke wijze maakte; exempli gratia: „Te Cirencester, 5 Maart 1670, was er eene verschijning; – gevraagd zijnde, of een goede, of een kwade geest? antwoordde hij niet, maar verdween oogenblikkelijk, met een zonderlingen geur en een welluidenden klank.” Vide zijne Mengelschriften, blz. achttien, en, zoo veel ik mij herinneren kan, omtrent het midden van de pagina.”
„O, Monkbarns, mensch! denkt gij, dat iedereen zoo geleerd is als gij? – maar gij houdt er van de menschen voor den gek te houden; – gij doet dat met Sir Arthur, ja zelfs met den dominé!”
„De natuur is mij vóor geweest, Grizel, ten opzichte van deze beiden, en nog in éen ander geval, waarvan ik niet spreken zal; – maar neem een glas ale, Grizel, en ga voort met uw verhaal; want het wordt laat.”
„Jenny is bezig met uw bed te warmen, Monkbarns, en gij moet toch wachten totdat zij klaar is. – Wel, ik was juist tot het onderzoek gekomen, door onzen grootvader Monkbarns met den ouden Robert Tull ingesteld; maar wat zij deden, zij konden niets vinden, om hen te helpen; en zie, – nadat zij eene menigte lederen zakken met papieren leêg geschud en doorsnuffeld hadden, kreeg de stadsschrijver zijn glaasje punch; – maar niet meer dan noodig was, om de stof uit zijne keel te spoelen: want wij waren hier nooit groote drinkers, mijnheer Lovel; – maar die man had zich zoo gewend aan het drinken en klinken met de schouten en schepenen, als zij over de gemeente zaken vergaderden, (en dat was bijna alle avonden,) dat hij zonder dat niet slapen kon. Nu, hij kreeg dan zijn glaasje punch en ging naar bed – maar midden in den nacht werd hij verschrikt wakker! – na dien tijd is hij nooit meer recht bij zijn stuk geweest, en juist vier jaren daarna, kreeg hij op denzelfden datum eene beroerte. Het kwam hem voor, mijnheer Lovel, alsof hij de gordijnen van het bed hoorde rammelen, en hij stak er het hoofd uit, denkende, die goede man! dat het de kat was; – maar hij zag, – de Hemel sta ons bij! – ik ril er van, ofschoon ik de historie wel twintigmaal verhaald heb, – hij zag een welvarenden ouden heer, in den maneschijn, naast zijn bed staan, met een ouderwetschen rok vol knoopen en lissen, en dat gedeelte van zijne kleeding, waarover het eene dame niet past te spreken, was heel breed en wijd, met vele plooien, als dat van een Hamburgschen schipper; – daarbij had hij een baard, en op de bovenlip een ontzettend langen knevel, die opwaarts krulde; en er waren nog vele andere bijzonderheden, daar Robert Tull van vertelde, maar die nu vergeten zijn: want het is eene oude historie. Wel nu, Robert was een eerlijk man voor een stadsschrijver, en was minder bang, dan men had mogen verwachten. Hij vroeg den geest, wat hij in vredes naam wilde? – En de geest antwoordde in eene onbekende taal. Toen, zeide Robert, beproefde hij ’t met het Celtisch; want hij kwam, in zijne jeugd, uit de Hooglanden van Glenlivat, maar dat wilde niet lukken. Wel nu, in zijne vrees, vielen hem een paar woorden Latijn te binnen, die hij in zijne stukken placht te gebruiken, – en nauwelijks had hij den geest daarmede aangesproken, of deze wierp hem zooveel Latijn naar het hoofd, dat de arme Robert Tull, die volstrekt geen geleerde was, er geheel van verpletterd stond. Hij vatte nochtans moed en herinnerde zich den Latijnschen naam van het stuk, dat hij zocht. Het was eene soort van kaart, naar ik mij verbeeld; want de geest schreeuwde maar: Carter, Carter!”.
„Carta, gij taalschendster!” riep Oldbuck; „als mijn voorvader geene betere taal geleerd had in de andere wereld, zal hij toch ook niet zijn Latijn vergeten hebben, dat hem zoo beroemd op deze aarde maakte.”
„Wel, wel, zoo zij het; Carta dan; maar zij, die mij de historie vertelden, zeiden Carter; – hij schreeuwde dus Carta, als het Carta wezen moet, en gaf aan Robert een teeken om hem te volgen. Tull vatte moed als een Hooglander, sprong uit het bed, nam van zijne kleederen meê, wat hem het eerste voor de hand kwam, en volgde het spook, trap op, trap af, naar de plaats, die wij de hooge duiventil noemen, – een kleine toren aan den hoek van het huis, waar een stapel oude kisten en koffers stonden, – en daar gaf de geest Robert met één voet een stoot, en schopte hem met den anderen tegen dat oude, Oostindische gevaarte van een kabinet, dat mijn broeder nu naast zijne schrijftafel heeft staan; waarna hij als een tabakswolkje verdween, en Robert in een zeer beklagenswaardigen toestand achterliet.”
„Tenues secessit in auras, zeide Oldbuck, „et mansit odor, – mijnheer! Maar zeker is het, dat het stuk gevonden werd in eene lade van dit vergeten repositorium, hetwelk vele andere belangrijke papieren bevatte, die nu behoorlijk schoon gemaakt en geschikt zijn, en welke aan mijne voorzaten, de eerste bezitters van Monkbarns, schijnen te hebben toebehoord. Hetgeen men dus op eene vreemde wijze terugvond, was het oorspronkelijke Charter, de Abdij, met de daarbij behoorende landen van Trotcosey, Monkbarns en anderen, tot eene leenheerlijkheid verheffende, ten behoeve van den eersten Graaf van Glengibber, een gunsteling van Jakob VI. Het is door den Koning onderteekend te Westminster, den zeventienden Januari van het jaar onzes Heeren duizend zes honderd en twaalf – dertien. Overigens is het de moeite niet waard om de namen der getuigen te noemen.”
„Ik wenschte liever,” zeide Lovel, „uw gevoelen te vernemen over de wijze, hoe men die ontdekking deed.”
„Had ik eene autoriteit noodig, om de overlevering omtrent het oude huis Monkbarns te staven, ik zou u niemand minder dan den heiligen Augustinus noemen kunnen, die ons de geschiedenis verhaalt van een afgestorvene, die aan zijn zoon verscheen, dien men wegens eene reeds betaalde schuld vervolgde, en hem de plaats aanwees, waar de kwitantie te vinden was [14]. Maar ik kleef veeleer het gevoelen aan van Lord Bacon, die zegt, dat de verbeeldingskracht in een zeer nauw verband staat met het geloof aan wonderwerken. Van oudsher bestond er een ongerijmd verhaal, dat in die kamer de geest spookte van mijn voorvader Oldobrand Oldenbuck; – hij was een vreemdeling, en droeg zijne volkskleeding, waarvan men bij overlevering eene nauwkeurige beschrijving heeft; en er bestaat inderdaad een portret van hem, – naar men veronderstelt door Reginald Elstracke, – en waarop hij voorgesteld wordt op de drukkerij, met eigen hand aan de pers werkende, bij het afdrukken van zijne zeldzaam gewordene uitgave der Augsburgsche Geloofsbelijdenis. Hij was een even goed schei- als werktuigkundige, en eene van deze twee hoedanigheden was te dien tijd in dit land genoeg, om er ten minste een tooversprookje van te maken. De bijgeloovige oude schrijver Robert had dit alles gehoord, en geloofde het zeer waarschijnlijk, en in den slaap brachten hem de plaats en de herinnering aan mijn voorvader op dat van zijn kabinet terug, dat met de dankbare oplettendheid, die de oudheden en de nagedachtenis onzer voorouders veelal ten deel valt, in het duivenhok geduwd was, om het uit den weg te hebben. – Voeg er nu eene genoegzame hoeveelheid overdrijving bij, dan hebt gij den sleutel tot het geheim.”
„O, broêr, broêr! Maar Dr. Heavysterne, broêr! – wiens slaap zoo akelig gestoord werd, – die verklaarde, voor geheel, Monkbarns, geen tweeden nacht in de groene kamer te willen doorbrengen, zoodat Mary en ik genoodzaakt waren, de onze af te staan.”
„Nu ja, Grizel, de dokter is een goede eerlijke Duitscher, die vele verdiensten heeft, op zijne wijze; maar, even als velen zijner landslieden, is hij een liefhebber van het geheimzinnige. Den geheelen avond bracht gij te zamen over spoken sprekende door, terwijl hij u vertelsels opdischte van Mesmer, Shröpfer, Cagliostro en andere hedendaagsche voorstanders van de kunst, om geesten te doen verrijzen, schatten te ontdekken, en zoo voorts, in ruil tegen uwe vertelsels van de groene slaapkamer. En daarbij overwegende, dat de Illustrissimus anderhalf pond Schotsche schapenribbetjes gebruikte voor zijn avondmaal, zes pijpen rookte, en ale en brandewijn naar verhouding dronk, dan verwondert het mij niet, dat hij een aanval van nachtmerrie kreeg. – Vergun mij nu, mijnheer Lovel, u vóor te lichten naar uw vertrek. Gij hebt zeker rust noodig, – en ik vertrouw, dat mijn voorzaat te veel besef zal hebben van de plichten der gastvrijheid, om u in eene nachtrust te storen, die gij door uw manhaftig en ridderlijk gedrag zoo goed verdiend hebt.”
Met deze woorden nam de oudheidkenner een grooten kandelaar op van zwaar zilver en ouderwetschen vorm, waarvan hij deed opmerken, dat die gemaakt was van zilver in het Hartzgebergte gevonden, en het eigendom was geweest van den persoon zelven, die dezen avond de stof tot het gesprek geleverd had. En nu wees hij den weg door eene menigte donkere en tochtige gangen, nu eens klimmende, dan weêr dalende, tot zij het vertrek bereikten, dat voor zijn jongen gast bestemd was.
TIENDE HOOFDSTUK
Wanneer de middernacht bij eene donk’re maan, Het zwarte rouwkleed spreidt, en mensch en dieren zwijgen; Wanneer de klokken ’t uur eentoonig langzaam slaan, Waarop de dooden stil uit hunne graven stijgen; Zoo zie ik wel geen schim mij volgen op den hiel, Geen’ ontevred’nen geest mijn legerstede nad’ren; Maar ak’lig spookt het dan in ’t diepste mijner ziel: – Ik zie verdwenen hoop, en ’t bloed stolt in mijne ad’ren.
W. R. Spencer.
Toen zij in de zoogenaamde groene kamer gekomen waren, plaatste Oldbuck den kandelaar op eene toilettafel, vóor een zeer grooten spiegel met een zwart Chineesch verlakten rand, omgeven van toiletdoosjes in denzelfden smaak, en keek eenigszins ontroerd rond. „Zelden,” zeide hij, „kom ik in dit vertrek, en nooit, zonder mij aan eene sombere droefgeestigheid over te geven; – niet opgewekt door de kinderachtige ongerijmdheden, waarvan Grizel u vertelde; maar voortspruitende uit eene vroegere ongelukkige neiging. – Het is in oogenblikken als deze, mijnheer Lovel, dat wij de veranderingen, door den tijd veroorzaakt, gevoelen. Wij hebben dezelfde voorwerpen vóór ons; – deze onbezielde dingen, waarop wij als eigenzinnige kinderen, als onstuimige jongelingen, als nadenkende en bedaarde mannen staarden, zijn en waren onveranderlijk; maar, wanneer wij ze in onzen kouden, gevoelloozen ouderdom aanschouwen, kunnen wij dan, – veranderd in onzen gemoedsaard, in onze neigingen, en in onze gewaarwordingen, – veranderd in onze gestalte, in ons uiterlijk, in onze krachten, – kunnen wij dan nog wel dezelfden genoemd worden? Of zien wij niet eerder met een soort van verwondering op ons vorig bestaan terug, als op dat van een ander wezen, onderscheiden van hetgeen wij nu werkelijk zijn? De wijsgeer, die zich van den beschonken Filippus op den nuchteren Filippus beriep, koos geen zoo verschillenden rechter, als wanneer hij zich van Filippus den jongeling op Filippus den grijsaard beroepen had. Onwillekeurig overmeestert mij de gewaarwording, zoo heerlijk uitgedrukt in een dichtstuk, dat ik heb hooren voorlezen: [15]
„Een kindsche traan mijn oog bevocht, Weemoedig wordt mijn hart; Den klank toch, dien ’k toen hooren mocht, Hoor ik nog onverward. Zoo gaat het in den grijzen staat; Nog treurt de wijze man Meer om hetgeen de tijd hem laat, Dan wat de tijd hem nam.”
„Wel nu, de tijd geneest iedere wonde, en ofschoon het litteeken overblijft en soms pijnigt, gevoelt men echter niet meer de smarte van het eerste oogenblik, toen ze ons toegebracht werd.” – Met deze woorden, drukte hij Lovel hartelijk de hand, wenschte hem goeden nacht, en vertrok.
Stap voor stap kon Lovel zijn gastheer zich hooren verwijderen door de verschillende gangen van het huis, en elke deur, die deze achter zich toedeed, klonk al doffer en doffer. Lovel, thans van de wereld afgescheiden, nam den kandelaar op, en onderzocht zijn slaapvertrek. Het vuur brandde helder. Mejufvrouw Grizel had de oplettendheid gehad om er een voorraad hout bij te laten, als hij verkiezen mocht door te stoken, en het vertrek had een aangenaam, hoewel geen vroolijk voorkomen. Het was behangen met een tapijt uit de fabrieken van Arras, in de zestiende eeuw geweven, dat de geleerde boekdrukker, van wien wij zoo dikwijls gewaagden, mede gebracht had, als een kunstwerk van het vasteland. Het stelde eene jacht voor: en daar de takken der boomen zich over het behangsel verspreidden, en het groen dus de heerschende kleur was, had het vertrek de benaming van de groene kamer gekregen. Stijve figuren, in oude Vlaamsche kleederdracht, met bonte wambuizen, bezet met linten, korte manteltjes en wijde broeken, waren bezig met hunne verschillende soorten van hazewinden, of jachthonden, gekoppeld vast te houden, of dreven ze op het wild aan. Anderen vielen met hartsvangers, zwaarden en ouderwetsche snaphanen, herten en everzwijnen aan, die tot staan gebracht waren. Op de takken der geweven boomen zaten vogels van verschillenden aard, elk met zijne eigenaardige bonte vederen. Het scheen alsof de vruchtbare verbeelding van den ouden Chaucer den Vlaamschen kunstenaar bezield had; en Oldbuck had dan ook de volgende dichtregels van dien voortreffelijken ouden dichter, met Gothische letter, op een soort van rand doen borduren, en onder aan het tapijt laten zetten:
„Zie! hoe die groete eycken zich heffen in accoert, Ende onder ’t malsche gras preyckt als koerenaeren, Negen voet van elkaer ghene sin naebuer stoert, Met breide tacken rick vol van nuewe blaeren, Ontsproenghen in die sonne sein Gulden roed ende glinstrend gruen.”
Op een ander vak bevond zich het volgende oude vers:
„Ende viele harten ende seer viele hinden, Waeren voer mi ende achter mi te vinden; Van paeuwen van cudden crioelde ’t wout, Boucken ende geyten doorgraesden ’t hout; Enbe hoeg in die boemen en Eyckhoerns zaeten, Die sproenghen of cloemmen of noeten aeten.”
Het bekleedsel van het ledekant was verschoten donker groen, in overeenstemming met het behangsel, maar van latere dagteekening en van een minder bekwamen meester. De zware, breede stoelen met gevulde zittingen en zwart ebbenhouten ruggen, waren in denzelfden smaak geborduurd, en boven den ouderwetschen schoorsteenmantel hing een groote spiegel, waarvan de lijst met de versiersels van de toilettafel overeenkwam.
„Ik heb wel eens gehoord,” mompelde Lovel, terwijl hij een vluchtiger blik wierp op de kamer en hare stoffering, „dat de spoken dikwijls het beste vertrek in het huis kiezen voor hun oponthoud, en ik kan den smaak van wijlen den drukker der Augsburgsche Geloofsbelijdenis niet afkeuren.” Maar hij vond het zoo moeielijk, om zijne gedachten te vestigen op de verhalen, die men hem gedaan had van een vertrek, dat er zoo bijzonder voor geschikt scheen, dat het hem bijna speet, de onrustige gewaarwordingen, gedeeltelijk van vrees, gedeeltelijk van nieuwsgierigheid, niet te gevoelen, die met de oude ontzag en verwondering verwekkende overleveringen strookten, en waarvan hem de droevige zekerheid van zijne eigene hopelooze liefde thans geheel bevrijdde. Want hij gevoelde alleen, wat de volgende regels uitdrukken:
„Ach, liefdeloos meisje! hoe deedt gij veranderen De stemming van mijn hart! Dat hart, onverschillig omtrent alle anderen, Wordt als het uwe hard!”
Hij poogde evenwel eenigszins de gewaarwordingen bij zich op te wekken, welke, onder andere omstandigheden, eigen aan zijn toestand zouden geweest zijn; maar hij was te zeer met andere gedachten vervuld, om aan zijne verbeeldingskracht vrij spel te laten. De herinnering, dat Isabella Wardour hem niet had willen herkennen, toen zij genoodzaakt geweest was zijn gezelschap te dulden, terwijl zij duidelijk deed blijken, dat zij hem opzettelijk vermeden had, zou reeds alleen genoeg zijn geweest om hem geheel bezig te houden. Maar hierbij voegden zich nog andere herinneringen, die, hoewel ze hare aangename zijde hadden, hem evenwel meer ontroerden, – hare redding van den rand des afgronds, – de gelukkige bijstand, dien hij haar had kunnen verleenen, – en, – wat was zijne belooning? – Zij verliet de klip, terwijl zijn lot nog onbeslist was, – terwijl het nog onzeker was, of haar redder, die zijn leven zoo roekeloos voor haar gewaagd had, dat leven er niet bij had ingeschoten. De dankbaarheid vorderde ten minste eenige belangstelling in zijn lot. – Maar neen! zij kon niet zelfzuchtig en onrechtvaardig zijn; – dit kon niet met haren aard strooken. Zij wilde slechts de hoop voor altijd uitblusschen en dat juist uit medelijden met hem, om eene neiging te smoren, waaraan zij niet beantwoorden kon.
Maar ook deze verliefde redenering scheen niet geschikt, om hem met zijn lot te verzoenen; hoe beminnelijker toch hij zich Isabella Wardour voorstelde, des te ongelukkiger was het voor hem, als hij alle hoop moest opgeven. Hij was zich wel bewust hare vooroordeelen over eenige punten uit den weg te kunnen ruimen; maar, ook in het uiterste besloot hij, bij zijn eerst opgevatte voornemen te volharden, om zich te overtuigen, dat zij opheldering wenschte, eer hij die opdrong. En hoe hij ook de zaak beschouwde, hij vond volstrekt geene reden, om ze als hopeloos te beschouwen. Zij scheen eenigzins verlegen, zoowel als zeer verwonderd, toen Oldbuck hem aan haar voorstelde, en wellicht diende haar ernst alleen om hare verlegenheid te verbergen. Dus wilde hij geene uitzichten opgeven, die hem reeds zoo veel smart veroorzaakt hadden. Ontwerpen, avontuurlijk als het brein, dat ze smeedde, vervingen elkander, en zweefden door elkaâr in zijn hoofd, verward, als de stofdeeltjes in den zonneschijn, en bleven hem, lang nadat hij zich neêrgelegd had, de rust benemen, die hij zoo zeer behoefde. Eindelijk, mismoedig over de onzekerheid en moeielijkheden, die elk plan schenen te belemmeren, bepaalde hij zich tot het voornemen eener krachtige poging, om zijne liefde „als dauwdroppels van ’s leeuwen manen” af te schudden, en daartoe die studiën en den levensloop te hervatten, welke zijne onvergolden liefde zoo lang gestoord had. In dit besluit trachtte hij zich nu te versterken, door alles wat hem de trots zoowel als de rede kon ingeven. „Zij moet zich niet verbeelden,” zeide hij, „dat ik van een toevalliger dienst, aan haar of haren vader bewezen, misbruik wil maken, om mij aan haar op te dringen, terwijl zij mij, buiten dat, geen recht daartoe toekent. Ik wil haar niet meer zien. Ik wil naar een land terug keeren, waar, zoo geene schoonere, althans menige even schoone en minder hoogmoedige vrouwen zijn dan Isabella Wardour. Morgen neem ik van deze noordsche kusten afscheid, en tevens van haar, die even koud en ondankbaar is, als de luchtstreek.” – Na zich eenigen tijd in deze bittere overpeinzingen verdiept te hebben, kreeg de natuur eindelijk de overhand, en hij viel, in weêrwil van zijn toorn, zijne twijfeling en zijne gejaagdheid, in den slaap.