De oudheidkenner

Part 10

Chapter 103,763 wordsPublic domain

Zelden is, na hevige ontroeringen, de slaap gezond of verkwikkelijk. Die van Lovel werd gestoord door eene menigte zonderling verwarde droombeelden. Hij was een vogel, – hij was een visch, – of hij vloog als de een, en zwom als de ander, – hoedanigheden, die hem weinige uren te voren zeer te pas zouden gekomen zijn. Dan was Isabella Wardour eene Sireen of een paradijsvogel, haar vader een Triton of eene zeemeeuw, en Oldbuck beurtelings een bruinvisch of eene waterraaf. Deze aangename verbeeldingen gingen afwisselend gepaard met al de gewone verwarde voorstellingen van een koortsachtigen droom: de lucht wilde hem niet dragen; het water scheen hem te branden; – de rotsen waren zacht als donzen kussens, zoodra hij er tegen geslingerd werd; – wat hij ook ondernam, mislukte op eene wonderbare en onverwachte wijze, – en wat hij ook zag, verdween als hij het nader wilde gadeslaan of aanraken, soms onder de wonderlijkste gedaanteverwisselingen; terwijl hij gedurende al dien tijd eenigszins bewust bleef van de begoocheling, en er zich te vergeefs van poogde te bevrijden door wakker te willen worden. Dit zijn alle koortsachtige kenteekens, maar al te goed bekend aan hen die met de nachtmerrie, door de geleerden Ephialtis genoemd, vervolgd worden. Ten laatste schikten zich deze dolle droombeelden tot een eenigszins meer geregeld geheel, zoo inderdaad niet Lovel’s verbeeldingskracht; (eene der levendigste zijner gaven), hem langzamerhand op eene meer geregelde wijze het tooneel voorstelde, dat de slaap hem minder duidelijk geschetst had. Ook kan het wezen, dat zijn koortsachtige toestand iets bijdroeg tot de schepping der verschijning.

Dit mogen de geleerden beslissen; wij zullen alleen zeggen, dat, na eene reeks van de verwarde droombeelden, welke wij beschreven hebben, onze held, – want voor zoodanig moeten wij hem erkennen, – in zoo verre zijne bewustheid terugkreeg, dat hij zich kon herinneren waar hij was, en dat de geheele stoffeering der groene kamer zich aan zijne sluimerende oogen vertoonde. – En hier zij het mij vergund, nog eenmaal op het plechtigste te betuigen, dat, als er nog ouderwetsch geloof genoeg onder het tegenwoordig spotachtig en twijfelziek geslacht mocht bestaan, om te veronderstellen dat hetgeen volgt veeleer de indruk was door de oogen, dan door de verbeeldingskracht ontvangen, wij die leer niet bestrijden. Lovel was dan, – of verbeeldde zich te zijn, – geheel wakker in de groene kamer, starende op de flikkerende vlammen, welke de nog onverbrande overblijfsels der takkebossen opzonden, als ze éen voor éen in de gloeiende kolen vielen, waarin het voornaamste gedeelte van den stapel, waartoe ze behoord hadden, reeds veranderd was. Onwillekeurig verrees het oude vertelsel van Odobrand Oldenbuck, en zijne geheimzinnige bezoeken aan de bewoners der groene kamer voor zijn geest, en ter zelfder tijd, zoo als wij dikwijls in droomen ontwaren, gevoelde hij eene angstige en benauwde verwachting, die zelden mist om ons dadelijk de denkbeeldige voorwerpen onzer vrees duidelijk voor te stellen. De vlammen in den schoorsteen werden hoe langer hoe helderder, en zoo schitterend, dat ze de geheele kamer verlichtten. Het tapijt golfde onstuimig aan den wand, tot de donkere gestalten er op begonnen te leven. De jagers stieten in den horen; – het hert scheen te vluchten, het everzwijn zich te verweren, en de honden het eene te vervolgen en het andere aan te vallen: het gebrul der dieren, door de honden verscheurd, het geschreeuw der jagers, en het gekletter van de hoefslagen der paarden werd van alle kanten gehoord; terwijl iedere groep, in de volle drift der jacht, de bezigheden verrichtte, die de kunstenaar afgebeeld had.

Lovel beschouwde deze vreemde vertooning zonder verwondering, – waaraan de verbeeldingskracht in den slaap zelden onderhevig is; – maar met een benauwd gevoel van huivering en schrik. Eindelijk verliet een der geweven jagers, terwijl Lovel meer bepaaldelijk op hem staarde, het tapijt en naderde het bed van den slaper. Nader gekomen, scheen de gestalte te veranderen. Zijn jachthoren werd een groot boek met bronzen sloten, zijn jachtmes veranderde in een van die bonten barets, welke de Burgemeesters van Rembrandt dragen; zijne kleeding bleef onveranderd, maar zijne gelaatstrekken, niet langer bewogen door de drift der jacht, werden ontzagwekkend en streng, zoo als best voegde aan den eersten bezitter van Monkbarns, volgens de beschrijving die zijne afstammelingen den vorigen avond van hem gegeven hadden.

Met deze gedaanteverandering bedaarde het gejoel en rumoer onder de overige personages op het tapijt, en de verbeelding van den droomende werd nu uitsluitend gevestigd op de ééne gestalte, welke voor hem stond. Lovel poogde dezen ontzagwekkenden persoon met eene soort van bezwering, naar den aard der omstandigheden, aan te spreken; maar zijne tong, zoo als bij de meeste verschrikkelijke droomen plaats heeft, weigerde haren dienst, kleefde aan zijn verhemelte. Aldobrand hield den vinger omhoog, als om den gast, die zich in zijn vertrek bevond, het stilzwijgen op te leggen, en ving toen bedaard aan het oude boek, dat hij in de linkerhand hield, te ontsluiten. Toen het opengeslagen was, doorbladerde hij het een oogenblik haastig, en zich daarna oprichtende, en het boek in de linkerhand opgeheven houdende, wees hij op de bladzijde, welke hij opgeslagen had. Ofschoon onze droomer de taal niet verstond, werden nochtans zijne oogen en aandacht sterk getroffen door den regel, welken de gedaante hem scheen te willen inprenten; de woorden er van vlamden als met een bovennatuurlijk licht, en bleven diep in zijn geheugen gegrift. Het spook sloeg nu het boek dicht, en oogenblikkelijk werd de kamer vervuld met de klanken eener bekoorlijke muziek. – Lovel sprong in zijn bed op, en ontwaakte thans geheel en al. De muziek bleef echter steeds nog in zijne ooren, en hield niet op, voordat hij duidelijk de wijs van eene oude Schotsche ballade onderscheiden kon.

Hij zat overeind in zijn bed, en trachtte zich van de droombeelden te bevrijden, die den geheelen nacht door zijne hersens vervuld, en zijne rust zoo zeer gestoord hadden. De stralen der morgenzon vielen door de half geslotene blinden, en verlichtten het vertrek. Hij keek rond naar het behangsel; maar de bonte groepen van zijden en geweven jagers stonden vast aan de muren gehaakt; slechts de morgenkoelte, die zich een weg door het eventjes openstaande vensterraam had gebaand en over het behangsel streek, deed het zacht trillen. Lovel sprong uit het bed, en eene kamerjapon omwerpende, die men met de meeste oplettendheid voor hem klaar gelegd had, begaf hij zich naar het venster, dat het uitzicht over de zee had, die nog steeds, zoo als het geloei der baren aankondigde, ontroerd bleef door den storm van den vorigen avond, hoewel de morgen schoon en helder straalde. Het venster van een toren, die in een rechten hoek met den kamermuur vooruitstak, en dus zeer nabij Lovels vertrek was, stond half open, en van daar hoorde hij nu weêr dezelfde muziek, waardoor zeer waarschijnlijk zijn droom gestoord werd. De klanken hadden tegelijk met het bovennatuurlijke tevens veel van hunne bekoorlijkheid verloren; – thans hoorde hij niets meer dan eene wijs, vrij goed op de klavecimbel uitgevoerd; zoo sterk werkt de verbeelding ten opzichte der kunstwerken. Eene vrouwenstem zong, niet zonder smaak en met groote eenvoudigheid, eene soort van lied of lofzang, van den volgenden inhoud:

„Wat zit gij, grijsaard, droef en stom, Bij dien bemosten bouwval neêr? Wenscht gij die vroegre pracht weêrom, Denkt ge aan dien luister van weleer?

„Kent gij mij niet,” zoo vangt hij aan, „Zoo vaak misbruikt, zoo vaak belacht, En beurtelings in trotschen waan Begeerd, beschuldigd en veracht?

„Ik blaas als over brandend vlas Mijn adem over ’t menschdom heen. Wat gistren rijk en bloeiend was, Stort morgen als dit puin ineen.

De tijd is kort, zie in dit glas, Hoe ’t zand zich spoedt met snellen val; Denk dat er eens – wie weet hoe ras! – Voor u geen tijd meer wezen zal.”

Terwijl het gezang voortduurde, had Lovel zich weêr naar bed begeven. De denkbeelden, die het opwekte, waren aangenaam en romantisch, zoodat hij er een groot behagen in schepte, en thans zeer gaarne de moeielijke taak, om zijn toekomstig gedrag te bepalen tot later op den dag uitstelde, en zich overgevende aan den zoeten sluimer, waarin hem de muziek wiegde; viel hij in een gezonden en verkwikkelijken slaap, waaruit hij eerst laat door den ouden Caxon gewekt werd, die in zijne kamer sloop, om bij hem de diensten van kamerdienaar te verrichten.

„Ik heb uw rok uitgeborsteld, mijnheer,” zei de oude man, toen hij bemerkte, dat Lovel wakker was, „de knecht bracht hem heden morgen van Fairport; want die, welken gij gisteren aanhad, is nog niet droog, hoewel hij den geheelen nacht in de keuken bij het vuur gehangen heeft; – en ik heb uwe schoenen gepoetst. Ik geloof niet, dat gij mij noodig zult hebben, om uwe haren op te binden; want” (met eene kleine zucht) „al de jonge heeren dragen ze tegenwoordig kort; – maar ik heb de krultang meêgebracht, om ze, als gij het goedvindt, een beetje om het voorhoofd te krullen, eer gij naar beneden gaat bij de dames.”

Lovel, die intusschen weêr opgestaan was, wees de dienst van den ouden man van de hand, maar vergezelde de weigering met een douceur, welke Caxon’s teleurstelling geheel en al vergoedde.

„Het is jammer, dat hij de haren niet opgebonden en gepoederd draagt,” zei de oude kapper, toen hij in de keuken kwam, waar hij, onder het een of ander voorwendsel, driekwart van zijn ledigen tijd, dat wil zeggen den geheelen dag doorbracht; – „het is wel jammer van zulk een schoon jong mensch.”

„Loop heen, oude gek!” antwoordde Jenny Rintherout, „wildet ge dat mooie bruine haar met uw vet insmeren, en het dan met meel poeieren, als de oude pruik van den dominé? – Ge komt om je ontbijt, veronderstel ik? – hier, daar is soep, – het zal beter zijn, dat ge daaraan en aan de karnemelk slobbert, dan je met het hoofd van mijnheer Lovel te bemoeien; – ge zoudt het mooiste en heerlijkste haar bederven, dat er in geheel Fairport, stad en graafschap, te vinden is.”

De arme barbier zuchtte over de minachting, waarin zijne kunst zoo algemeen gevallen was; maar Jenny was eene te gewichtige persoon, om haar door tegenspreken te beleedigen. Vreedzaam alzoo in de keuken gezeten, slikte hij terzelfder tijd zijne vernedering, en den inhoud van eene schaal, die eene Schotsche kan krachtige havermeelsoep bevatte.

ELFDE HOOFDSTUK

Dan dacht hij, de verschijning kwam van Hooger hand, Die deed de beelden staan of stijgen aan den wand; Dan weêr, dat alles slechts in de verbeelding lag, Los overblijfsel, slechts herinnering van den dag.

Wij moeten nu de lezers verzoeken, zich te verplaatsen in het ontbijtvertrek van den heer Oldbuck, die met verachting van de hedendaagsche thee en koffij, zich more majorum, krachtiger onthaalde op een stuk koud rundvleesch, en eene soort van sterk bier, mum genaamd, gebrouwd van weit en bittere kruiden, welks naam echter nu slechts nog gevonden wordt in de accijns-wetten onder de meer bekende namen van appelwijn en andere belastbare dranken. Lovel, die zich liet overhalen, om het te proeven, stond op het punt van het afschuwelijk te noemen; maar hij hield zich in, toen hij bedacht, dat dit zijn gastheer ten hoogste beleedigen zou, die den drank jaarlijks met bijzondere zorg liet toebereiden, volgens een aloud recept, dat hij van den reeds meer gemelden Aldobrand Oldenbuck gevonden had. De gastvrijheid der dames verschafte Lovel een ontbijt meer naar den hedendaagschen smaak, en terwijl hij het met haar deelde, werd hij door zijdelingsche navorschingen geplaagd over de wijze, hoe hij den nacht had doorgebracht.

„Broêr! wij kunnen den heer Lovel heden morgen geen compliment maken, dat hij er bijzonder goed uitziet; – maar hij wil volstrekt niet bekennen, dat het aan eenige storing zijner nachtrust toe te schrijven is. Het is zeker, dat hij er zeer bleek uitziet, en toen hij hier kwam, was hij bloeiend als eene roos.”

„Maar, zuster, bedenk, dat die roos gisteren avond door zee en wind heen en weêr geslingerd is als een hoop zeegras, en hoe drommel zoudt gij willen, dat ze heden nog hare kleur behield?”

„Ik gevoel mij zeker nog eenigszins vermoeid,” zeide Lovel, „in weêrwil van de heerlijke verkwikkingen, waarmede mij uwe gastvrijheid voorzien heeft.”

„Och mijnheer!” antwoordde jufvrouw Oldbuck, terwijl zij hem met een glimlach aanzag, die te kennen geven moest, dat zij harer zaak zeker was, „gij wilt uit beleefdheid voor ons niet bekennen, dat men u gestoord heeft.”

„Wezenlijk, ik ben in het geheel niet verontrust geweest; want zoo iets kan ik van de muziek niet zeggen, waarmede mij de eene of andere vriendelijke toovergodin verrast heeft.”

„Ik dacht wel, dat Mary u met haar gerammel wakker zou maken; zij wist niet, dat ik een reet van uw venster opengelaten had; want, van den geest niet te spreken, moest de groene kamer bij hoogen wind eens gelucht worden. – Maar ik geloof, dat gij meer gehoord hebt, dan het gerammel van Mary heden morgen. – Wel nu, de mannen zijn stoute schepsels; zij durven maar alles aan; zeker, als ik iets van dien aard had moeten uitstaan, – ik meen iets dat bovennatuurlijk is, ik zou het in eens hebben uitgeschreeuwd en het geheele huis op de been gebracht hebben, wat er ook van gekomen ware; – en de dominé, durf ik zeggen, zou het ook gedaan hebben, en dat heb ik hem ook wel gezegd. Ik ken niemand, dan mijn broêr, Monkbarns zelven, die er zoo zou hebben door heen getast, behalve u, mijnheer Lovel!”

„Zulk een geleerd man, als mijnheer Oldbuck, zou niet blootgesteld wezen aan de verlegenheid, waarin zich de heer, van wien gij gisteren spraakt, zich bevond.”

„Ei! ei! gij weet nu ook, waaraan het hapert: – aan de taal. Hij heeft middelen op zijne eigene hand, om alle soorten van spoken, God weet waarheen, te verbannen; maar men zou niet gaarne onbeleefd zijn jegens een zijner voorouders, al spookte hij nog zoozeer. – Zeker, broêr, als ooit iemand weêr in de kamer slapen moet, wil ik het recept beproeven, dat gij mij in een boek hebt laten zien; ofschoon het christelijker ware, dunkt mij, dat gij de mattenkamer in orde liet brengen. Het is er wel wat vochtig en somber, dat is zeker; maar wij hebben zelden eene logeerkamer noodig.”

„Neen, neen, zuster, vochtigheid en duisternis zijn erger dan spoken; de onzen zijn geesten des lichts: – gij moest liever zelve het tooverrniddel beproeven.”

„Dat zou ik gaarne doen, Monkbarns, als ik de bestanddeelen er van maar had, zoo als die in mijn kookboek opgenoemd zijn. Daar is ijzerkruid en anijskruid in, – dat heugt mij; – onze David Dibble zal er wel uitkomen, al geeft hij er geen Latijnsche namen aan, – en peperkorrels; nu die hebben wij genoeg want –”

„Hypericon, malloot! schreeuwde Oldbuck; „Waaraan denkt gij? of gelooft gij, dat de geesten, ofschoon uit lucht bestaande, door een recept tegen een windje te verdrijven zijn? – Deze wijze Grizel, mijnheer Lovel, herinnert zich (hoe nauwkeurig, moogt gij zelf oordeelen,) een toovermiddel, waarvan ik haar eens sprak, en dat haar bijgeloovig brein zoo zeer schijnt getroffen te hebben, dat zij het veel beter onthouden heeft, dan al de degelijke dingen, die ik in de laatste tien jaren vertelde. – Maar menig ander oud wijf –”

„Oud wijf, Monkbarns!” riep mejufvrouw Oldbuck, haren gewonen onderworpen toon eenigszins vergetende, „gij zijt waarlijk niet al te beleefd!”

„Ik blijf echter rechtvaardig, Grizel! Ik begrijp onder dezelfde benaming menigen beroemden naam, van Jamblichus af, tot Aubrey toe, die hun tijd verspild hebben met denkbeeldige middelen uit te vinden tegen niet bestaande kwalen. – Maar ik hoop, mijn jonge vriend, dat gij, met of zonder betoovering, – versterkt door de kracht der Hypericon,

„Met anijs- en met ijzerkruid, Dat ’t spel van heks en spoken stuit,”

of ongewapend en weêrloos tegen de aanvallen der onzichtbare wereld, nog wel een tweeden nacht zult wagen aan de verschrikkingen van het spookvertrek, en een anderen dag schenken aan uwe getrouwe vrienden.”

„Ik wenschte hartelijk, dat ik het kon; maar –”

„Spreek mij van geen maar; – ik ben er zeer op gesteld!”

„Ik ben u ten hoogste verplicht, waarde heer, maar –”

„Nu hoor eens, – alweêr maar! – ik haat dat maar; – maar is mij een veel afgrijsselijker klank, dan neen zelf. Neen is een stugge, eerlijke vent, die ruw en rond zijn gevoelen zegt; – maar is een kruipend, draaiend koppelwoord, dat den beker wegrukt, op het oogenblik dat men hem aan de lippen brengt.”

„Maar neemt het vorig goede weg; Weg dan met dat ja, maar! Ja, maar is als een stokkenknecht, Op zondaars wachtend na ’t gerecht.

„Wel,” antwoordde Lovel, wiens voornemens op dit oogenblik wezenlijk nog wankelend waren, „de herinnering aan mij zal zich bij u niet met zulk een ellendig woord verbinden. Ik vrees, dat ik weldra Fairport zal moeten verlaten, – en ik wil, daar gij zoo goed zijt het te wenschen, van deze gelegenheid gebruik maken, om nog één dag hier door te brengen.”

„En het zal u vergolden worden, mijn jonge vriend! Ten eerste zal ik u het graf laten zien van Jan van Girnell, en dan zullen wij langzaam langs het strand wandelen, na ons eerst van de hoogte van het water verzekerd te hebben, (want wij willen geene avonturen, geen klim- en hijschwerk meer,) tot aan het kasteel van Knockwinnock, en vragen, hoe de oude ridder en mijne schoone vijandin het maken; – wat niets meer is dan de beleefdheid vordert; en verder, –”

„Vergeef mij, waarde heer, maar wellicht ware het beter, dat gij uw bezoek tot morgen uitsteldet; – ik ben een vreemdeling, zoo als gij weet. –”

„En zijt daarom te meer gehouden, om uwe beleefdheid te toonen, zou ik denken. Maar vergeef mij, een woord genoemd te hebben, dat wellicht bij den oudheidkenner alleen te huis behoort; – ik ben nog van de oude school.

„Wanneer men mijlen galoppeerde Naar zijne schoone van het bal, Te hooren of geen koû haar deerde.”

„Wel, als – als, – als gij denkt, dat men erop rekent; – maar ik geloof, dat ik beter deed met weg te blijven.”

„Neen, neen, vriend; ik ben niet ouderwetsch genoeg, om u te dringen tot hetgeen u onaangenaam is, – volstrekt niet! – Het is mij genoeg, dat ik eenige remora, eenige reden tot uitstel, eenig beletsel ontdek, waarnaar ik het recht niet heb te vragen. Wellicht zijt gij ook nog eenigszins vermoeid; – ik verzeker u, dat ik middelen zal vinden, om uwe geestvermogens te onderhouden, zonder uwe ledematen af te matten. Ik ben zelf geen vriend van al te sterke beweging. – Eenmaal daags eene wandeling in den tuin is beweging genoeg voor een denkend wezen, men moet een dwaas of een vossenjager zijn, om meer te verlangen. Wel, waar zullen wij meê beginnen? – met mijne verhandeling over de kunst van kampen aan te leggen? – maar deze hou ik in petto, als eene hartsterking na het eten. Ik zal u den pennestrijd laten zien tusschen Mac-Cribb en mij over Ossian’s Gedichten; ik ben het eens met den scherpzinnigen eilandbewoner; – hij met de voorstanders der echtheid. Die strijd begon met zachte, honigzoete, maagdelijke beleefdheid; maar is al doende scherper en heviger geworden; – het geschrift heeft reeds iets gekregen van den stijl van den ouden Scaliger. – Ik hoop maar niet, dat de schelm iets van Ochiltree’s verhaal zal te weten komen; maar, in het ergste geval, zou ik hem geducht kunnen havenen over den gestolen Antigonus. Ik zal u zijn laatsten brief eens geven en het blad met mijn antwoord: – het is nog al raak!”

Dit zeggende, trok de oudheidkenner eene lade open, en begon eene menigte oude en nieuwe geschriften te doorschommelen. Maar het ongeluk wilde, dat deze geleerde heer zich meermalen in het geval van zeer vele andere geleerden en ongeleerden bevond, en leed onder hetgeen Harlequin l’embarras des richesses noemt; – met andere woorden, de rijkdom van zijne verzamelingen belette hem dikwijls het voorwerp te vinden, waarnaar hij zocht. „Verwenschte papieren! – Ik geloof,” zei Oldbuck, terwijl hij alles ten onderste boven keerde, – „ik geloof, dat zij zich als de sprinkhanen vleugels maken, en wegvliegen. Maar zie hier, beschouw intusschen dezen kleinen schat!”

Met deze woorden gaf hij Lovel een eiken kistje over, aan de hoeken met zilveren rosetten en knopjes voorzien. – „Druk, bid ik u, op dat knopje,” zeide hij, toen hij merkte, dat Lovel aan het slot werkte. Lovel deed het; het deksel vloog open, en vertoonde een dun boekje, in kwarto formaat, keurig in zwart leder gebonden. „Daar mijnheer Lovel, daar is het werk, waarvan ik u gisteren avond sprak; – de zeldzame kwarto uitgave van de Augsburgsche Geloofsbelijdenis, de grondslag en tevens het bolwerk der Hervorming, opgesteld door den geleerden en eerbiedwaardigen Melanchthon, verdedigd door den Keurvorst van Saksen en andere kloekmoedige mannen, die voor hun geloof zelfs tegen een machtigen en overwinnenden Keizer opstonden, – en gedrukt door den weinig minder eerbied- en prijzenswaardigen Aldobrand Oldenbuck, mijn gelukkigen voorvader, in weêrwil van de despotieke pogingen van Filips II, om terzelfder tijd de burgerlijke en godsdienstige vrijheid te vernietigen. Ja, mijnheer! wegens het drukken van dit werk, werd deze uitstekende man door zijn ondankbaar vaderland verdreven, en genoodzaakt, zijne huisgoden hier, te Monkbarns, te midden der puinhoopen van bijgeloof en heerschzucht, over te brengen. Aanschouw zijn eerwaardige beeldtenis, mijnheer Lovel, en eerbiedig de eervolle bezigheid, waarin hij voorgesteld wordt, als persoonlijk aan de pers werkende, ter verspreiding van christelijke en staatkundige kennis. En ziehier zijn lievelingsspreuk, het onafhankelijke zelfvertrouwen uitdrukkende, dat niets aan de bescherming van anderen wil verschuldigd zijn, dan hetgeen door verdiensten verkregen wordt, – dus die vastheid van gemoed, die onverzettelijke volharding te kennen gevende, door Horatius aanbevolen. Hij was inderdaad een man, die, te midden van de vernieling zijner drukkerij, zijner persen, vormen en letters, onverzettelijk zou zijn gebleven. Lees, zeg ik, zijne leuze: want elke drukker had er ééne, toen deze heerlijke kunst het eerst beoefend werd. Die van mijn voorzaat was, zoo als gij ziet, de Hoogduitsche spreuk: „Kunst macht Gunst,” – dat is, verstand of voorzichtigheid, in het aanwenden van onze natuurlijke talenten en goede gaven, zal ons genegenheid en bescherming verwerven, ook als vooroordeel of onkunde ons tegenwerken.”

„En dat,” zeide Lovel, na een oogenblik in gepeins gezwegen te hebben „dat is dus de beteekenis van deze Duitsche woorden?”

„Zonder twijfel; – gij ziet, hoe toepasselijk ze zijn op de bewustheid van innerlijke waarde, en voortreffelijkheid in eene nuttige en vereerenswaardige kunst. Ieder drukker, zoo als ik u reeds gezegd heb, had in die dagen zijne leuze, zijn motto, zijne spreuk, als ik het zoo noemen mag, zoo goed als de dappere ridders, die zich met vechten en steekspelen ophielden. Mijn voorzaat was zoo trotsch op de zijne, alsof hij het op het slagveld had aangenomen; ofschoon het eerder de uitbreiding der kennis, dan het bloedvergieten gold. En niettemin is er eene familie-overlevering, dat eene omstandigheid, die vrij romanesk was, hem deze spreuk deed aannemen.”

„En welke omstandigheid, waarde heer, is dat geweest?”