De oudheidkenner

Part 11

Chapter 113,992 wordsPublic domain

„Ze vermindert wel eenigzins den roem van mijn voorvader, ten aanzien van voorzichtigheid en wijsheid; – sed semel insanivimus omnes; – wie is er, die niet eenmaal in zijn leven eene dwaasheid beging? Men zegt, dat mijn voorvader gedurende zijne leerjaren bij den afstammeling van den ouden Faust, dien het volkssprookje onder den naam van Faustus aan den duivel overlevert, zich liet begoochelen door een nietig schepseltje, – de dochter van zijn meester, Bertha genoemd. Zij wisselden ringen met elkander, of voerden, zoo als het gebruik toen was, de eene of andere niets beteekenende plechtigheid uit om elkaar onderlinge liefde te verzekeren, en Aldobrand ving zijne reis door Duitschland aan, gelijk het een eerlijken ambachtsman betaamde, – en zoo als te dien tijd de gewoonte vorderde; want ieder werkman maakte zijn toer door het Rijk, en beoefende zijn beroep in al de voornaamste steden, eer hij zich ergens bepaald vestigde. Dit was eene wijze gewoonte; want daar dergelijke reizigers in iedere stad bij die van hun ambacht als broeders opgenomen werden, waren zij altijd zeker om kundigheden te verkrijgen, of mede te deelen. – Mijn voorzaat, te Neurenberg teruggekeerd, vernam, dat zijn oude meester onlangs gestorven was, en dat twee of drie mededingers, waaronder zelfs een paar half verhongerde adellijke spruiten, zich opdeden, die mejufvrouw Bertha het hof maakten, van wie verteld werd, dat zij door haars vaders dood, in het bezit was geraakt van een vermogen, dat zeer goed tegen zestien adellijke kwartieren opwegen kon. Maar Bertha, die voor eene vrouw nog al verstand bezat, had de gelofte gedaan van geen man te zullen trouwen, dan die met haar vaders drukpers wist te werken. Die kunst was in dien tijd zeldzaam en bewonderenswaardig; de uitvlucht verloste haar dan ook niet alleen dadelijk van hare adellijke aanbidders, die even gaarne met een tooverroede, als met de zethaak van den drukker zouden hebben willen omgaan; maar ook eenige der gewone drukkers ondernamen de proef te vergeefs, daar geen hunner genoegzaam meester van de kunst was; – maar ik verveel u?”

„Volstrekt niet. Ik bid u, mijnheer Oldbuck, ga voort; ik luister met buitengewone belangstelling.”

„Wel – het is inderdaad niets dan gekheid, – maar hoe het zij, Aldobrand kwam te Neurenberg aan, in de gewone kleeding, zoo als wij het noemen zouden, van een drukkersknecht, – dezelfde, waarin hij Duitschland doorreisd, en met Luther, Melanchthon, Erasmus en andere geleerde mannen verkeerd had, die zijne kunde, en de macht, die hij bezat om die te verspreiden, niet verachtten, hoewel beide onder zulk een nederig uiterlijk verborgen waren. Maar wat in de oogen van de wijsheid, van den godsdienst, van de geleerdheid en de wijsbegeerte eerbiedwaardig was, scheen gering en verachtelijk in de oogen van een onnoozel en verwend meisje; en Bertha weigerde haren vorigen minnaar in het gescheurde wambuis, met eene lederen muts, schoenen met spijkers, en het schootsvel van een reizenden handwerksman, te herkennen. Hij eischte echter het recht om tot de proef toegelaten te worden; en toen de overige mededingers, òf den wedstrijd geweigerd, òf wel het werk zoo slecht ten uitvoer hadden gebracht, dat de duivel zelf het niet zou hebben kunnen lezen, al had zijne zaligmaking er van afgehangen, waren alle oogen op den vreemdeling gevestigd. Aldobrand trad bevallig voor, zette een stuk, zonder eene enkele letter, scheiteeken of komma te vergeten, bracht het over zonder dat zich iets in het minste verplaatste, en trok eene eerste proef zoo netjes en vrij van drukfeilen, alsof die eene persrevisie geweest ware! Allen juichten den waardigen opvolger van den onsterfelijken Faust toe; – het blozende meisje erkende hare dwaling, dat zij eerder op het oog, dan op het verstand vertrouwd had, en de gelukkige bruidegom koos dadelijk tot zijne leus de toepasselijke woorden: „Kunst macht Gunst.” – Maar wat scheelt u? – gij zijt in diep gepeins? Wel, – ik heb u immers gezegd, dat dit geen onderwerp was voor den denkenden man; – daar vind ik juist den Ossiaanschen tweestrijd onder mijne vingers!”

„Vergeef mij, mijnheer Oldbuck,” zeide Lovel; „gij zult mij wellicht zeer kinderachtig en wispelturig vinden; maar gij scheent te vooronderstellen, dat Sir Arthur, volgens alle regels der beleefdheid, op een bezoek van mij rekent?”

„Kom, kom! ik kan u verontschuldigen; en wanneer gij ons zoo gauw moet verlaten, als gij zegt, wat is er aan gelegen, hoe hoog gij in zijner gunst staat? – En ik waarschuw u, dat mijne verhandeling over de wijze van kampen aan te leggen, eenigszins uitvoerig is, en ons al den tijd, dien wij heden middag kunnen uitwinnen, zal bezig houden, zoodat gij den Ossiaanschen pennestrijd zult moeten missen, als wij er den morgen niet aan toewijden. Wij zullen ons naar mijn groen priëel, naar mijn heiligen hulstboom ginds begeven, en het dáár fronde super viridi hebben.

„Een hoezee! een hoezee! zij dien boom gewijd; Is vriendschap oprechtheid? is liefde beleid?”

„Maar, wezenlijk!” vervolgde de oude heer, „nu ik u zoo aanzie, begin ik te gelooven dat gij wel van eene andere meening zoudt kunnen zijn. Amen! van ganscher harte! – Ik laster niemands stokpaardje als hij het slechts niet tegen het mijne aanrijdt; richt hij zijne lans op die wijze, dan moet hij op zijne oogen passen. – Wat antwoordt gij, – in de taal der wereld of der lage wereldlingen, als gij u tot dien bekrompen sfeer vernederen kunt, – zullen wij blijven of gaan?”

„Wel dan, in de taal der zelfzucht, die de heerschende taal der wereld is, – laat ons maar gaan.”

„Amen, amen! sprak de Graaf Maarschalk,” [16] antwoordde Oldbuck, terwijl hij zijne pantoffels ruilde tegen een paar stevige wandelschoenen met slopkousen, van zwart laken. Hij verlengde slechts de wandeling door eene kleine afwijking naar het graf van Jan Girnell, den laatsten kloostervoogd, die op Monkbarns gewoond had. Op een heuvel, liefelijk naar het zuiden hellende, en over twee of drie heerlijke plaatsen in de verte, het gezicht op de zee en de Mosselklip aanbiedende, lag onder een ouden eikenboom een met mos begroeide steen, die ter nagedachtenis van den beroemden man een opschrift droeg welks vermolmde letters, naar de verzekering van den heer Oldbuck, die echter door velen betwijfeld werd, in dezer voege konden ontcijferd worden:

Hier Daen van de Girnelt lit, Haeve ende gued en hat hi nit. In sine tyd elcks wijfs henne eiere lei, Ende hat elcks goeds mans haert kiendekes er by; Hi veilde ’t schepel in parte vyve, Vier voer die heilighe Kercke ende ein voer die arme wyve.

„Gij ziet,” zeide hij, „hoe bescheiden de vervaardiger van dit grafschrift in zijne aanbeveling is; hij verhaalt ons, dat de eerlijke Jan vijf kwart uit het schepel kon maken, dat hij het vijfde deel aan de vrouwen van het kerspel gaf, en de overige vier aan den abt en het kapittel verrekende, – dat in zijn tijd de hennen der boerinnen altijd eieren legden, (dat dank hun de drommel, als zij een vijfde gedeelte van des abts koren kregen,) en dat de woning van elken braven man met kinderen gezegend was, – een wonderwerk, dat zij, even als ik, als geheel onverklaarbaar hebben moeten beschouwen! – Maar wij zullen Jan van Girnell verder ongemoeid laten rusten, en ons naar het gele zand begeven, waar de zee zich, thans als een verslagen vijand, van den grond verwijdert, waarop hij ons gisteren avond slag leverde.”

Dit zeggende, sloeg hij den weg in naar het strand. Op de duinen zag men vier of vijf hutten door visschers bewoond, wier booten, hoog op het strand gehaald, de welriekende geuren verspreidden van pik, smeltende onder eene brandende zon, vermengd met die der vischgraten en andere vuiligheden, waarvan de Schotsche hutten gewoonlijk omgeven zijn. Ongehinderd door deze verfoeielijke reuken, zat eene vrouw van middelbare jaren, met een gelaat, dat duizend stormen getrotseerd kon hebben, een net te verstellen aan de deur van eene der hutten. Een zakdoek, vast om haar hoofd gebonden, en een soort van buis, dat vroeger aan een man toebehoord had, gaven haar een mannelijk voorkomen, hetwelk vermeerderd werd door hare sterke, buitengemeen groote gestalte en schorre stem.

„Wat hebt gij vandaag noodig, edele heer?” sprak of liever schreeuwde zij Oldbuck toe, „frissche schelvisschen van allerlei grootte en heerlijke tarbot?”

„Hoe veel voor de tarbot en schelvisch?” vroeg de oudheidkenner.

„Vier blanke shillings en zes stuivers,” antwoordde de waternimf.

„Vier groote duivels en zes kleine!” hernam de oudheidkenner; „denkt gij, dat ik gek ben, Maggie?”

„En denkt gij,” hervatte het vischwijf, de armen in de zijde zettende, „dat mijn man en mijne jongens naar zee zullen gaan in een weêr, als gisteren en vandaag, – zulk eene zee, als nu nog, – en niets voor hun visch krijgen, en nog op den koop toe uitgescholden worden, Monkbarns? Het is geen visch, dat gij koopt, – het zijn menschenlevens.”

„Wel, Maggie, ik zal u een goed bod doen; – ik bied u een shilling voor de tarbot en de schelvisch, of zes stuivers voor elk afzonderlijk, – en indien al uw visch zoo goed betaald wordt, zullen, denk ik, uw man en uwe zonen eene goede reis gemaakt hebben.”

„Ik wilde liever, dat de boot op de Bell-rots stuk geslagen ware! Een shilling, – twaalf stuivers, – voor die twee schoone visschen! dat is me een bod!”

„Wel dan, oude heks! breng uw visch naar Monkbarns, en zie, wat mijne zuster er voor geven wil?”

„Neen, neen, Monkbarns, de drommel ook! – ik heb liever met u zelven te doen; want ofschoon gij hard genoeg zijt, jufvrouw Grizel is toch nog vasthoudender.” (Op zachteren toon.) „Ik zal ze u laten voor drie shillings en zes stuivers.”

„Achttien stuivers, of niets!”

„Achttien stuivers!” (luidkeels, – vol verbazing, langzaam overgaande in eene soort van droevig geween.) – „Gij wilt ze dan niet hebben?” (en luider toen zij zag, dat hij heenging:) – „ik zal ze u geven, – en, – en, – en een half dozijn krabben toe, om de saus te maken, voor drie shillings en een borrel!”

„Een daalder dan, Maggie, en een borrel!”

„Wel dan, mijnheer, gij moet uw zin hebben; maar een borrel is geld waard, nu de stokerijen stilstaan!”

„En ik hoop, dat ze nooit weêr in werking zullen komen,” zei Oldbuck.

„Ei ja! – dat valt u en uws gelijken, groote lui, gemakkelijk te zeggen, die overvloed aan alles, vuur en brand, eten en kleeding hebt, en droog en vergenoegd bij den haard zit; – maar als gij geen vuur, geen eten, geene droge kleederen hadt, en van koû vergingt, en met een beklemd hart zat, wat nog het ergste van alles is, met juist één dubbeltje op zak, – zoudt ge niet blij zijn om er een borrel voor te koopen, die voor brand en kleeding en avondmaal en hartversterking op den koop toe dienen zou tot den volgenden morgen toe?”

„Dat is waar, – zeer waar, Maggie! – is uw man op zee? – al heden morgen vertrokken, na zijne vermoeienis van gisteren?”

„Wel zeker is hij op zee, Monkbarns! hij vertrok heden morgen om vier uur, terwijl het nog al spookte op zee, na den wind van gisteren, en onze boot danste op het water als een kurk.”

„Wel, hij is een werkzaam mensch. Breng den visch naar Monkbarns.”

„Dat zal ik doen, – of ik zal liever de kleine Jenny sturen; zij zal harder loopen; maar om den borrel zal ik zelve bij Jufvrouw Grizel aangaan, en zeggen, dat gij me gezonden hebt.”

Een allervreemdst uitziend schepsel, dat voor eene soort van meermin, had kunnen doorgaan, en in eene plas tusschen de rotsen aan het waden was, werd door de heesche stem harer moeder uit het water geroepen; en nadat deze het kind eerst wat netjes gemaakt had, zoo als zij het noemde, door het éénige kleedingstuk, dat het bedekte, en dat nauwelijks tot aan de knieën reikte, met een soort van rooden mantel te omhangen, werd het met den visch in een mand, weggezonden en met een verzoek van Monkbarns er bij om dien voor ’t middagmaal gereed te maken. – „Het zou lang geduurd hebben,” zeide Oldbuck met zeer veel zelfbehagen, „eer mijn vrouwvolkje zulk een redelijken koop met de oude heks getroffen had; ofschoon zij dikwijls een uur lang, onder het venster van mijne studeerkamer, met haar vieren staan te kibbelen, en schreeuwen en vechten als meeuwen in een stormwind. – Maar, kom, laten wij onzen weg naar Knockwinnock vervolgen.”

TWAALFDE HOOFDSTUK

Bedelaars? – De eenigste vrijen in uwen staat; Vrijer dan schattingvrij, die geene wetten erkennen, Geen landvoogd dienen, noch band van godsdienst kennen, Dan welken zij afleiden uit hunne oude gewoonten, Of zich zelven geven, – toch zijn het geene muiters.

Brome.

Met verlof van onze lezers, zullen wij nu de langzame, hoewel krachtige schreden van den oudheidkenner vooruitloopen, wiens gedurig stilhouden, als hij zich omkeerde, om Lovel iets merkwaardigs in den omtrek te wijzen, of eenige geliefde stelling met meer klem te betoogen dan de beweging der wandeling toeliet, hunne vorderingen zeer vertraagde.

De vermoeienissen en gevaren van den vorigen avond beletten Isabella Wardour niet, op haar gewoon uur op te staan, en aan hare dagelijksche bezigheden te gaan, zoodra zij zich gerust gesteld had omtrent de gezondheid van haren vader. Sir Arthur leed slechts nog aan de gevolgen der groote ontroering en buitengewone vermoeienis; maar deze waren genoeg, om hem op zijne kamer te doen blijven.

Alleronaangenaamst voor Isabella was de terugblik op de gebeurtenissen van den vorigen dag. Zij was haar leven en dat van haren vader verschuldigd aan hem, wien zij boven alle anderen, het minst wenschte iets verplicht te zijn, omdat zij ook juist hem bezwaarlijk de geringste dankbaarheid kon betuigen, zonder eene hoop aan te moedigen, die wellicht voor beiden noodlottige gevolgen zou kunnen hebben. „Waarom toch moest ik zulke diensten, met zoo veel persoonlijk gevaar bewezen, van iemand ontvangen, wiens romantische liefde ik zoo onophoudelijk heb trachten tegen te gaan? Waarom moest het toeval hem nu dit voordeel op mij geven? En waarom, – och, waarom, moet ook thans een half gesmoord gevoel in mijn eigen hart, in weêrwil van mijn verstand, bijna juichen, dat hem die kans te beurt viel?”

Terwijl Isabella zich dus zelve van wispelturigheid en grillen beschuldigde; zag zij aan het einde der laan, niet haren jongeren en meer geduchten redder naderen, maar den ouden bedelaar, die zulk eene hoofdrol in het melo-drama van den vorigen avond gespeeld had.

Zij schelde om hare meid. „Laat den ouden man boven komen!”

De meid keerde binnen weinige minuten terug. – „Hij wil volstrekt niet boven komen, freule! – hij zegt, dat zijne schoenen met spijkers nog nooit op een tapijt geweest zijn, en dat, met ’s hemels zegen, ze er nooit op zullen komen. Zal ik hem in de dienstboden-kamer brengen?”

„Neen, – ik moet hem spreken. Waar is hij?” Want zij had hem uit het gezicht verloren, toen hij het huis naderde.

„Hij zit in de zon op de steenen bank, op het plein, naast het venster van de huiskamer.”

„Zeg hem, daar te blijven; – ik zal beneden komen en uit het venster met hem spreken.”

Zij ging dadelijk naar beneden, en vond den bedelaar, half zittende half leunende op de bank naast het venster. Adam Ochiltree, oud en bedelaar als hij was, had waarschijnlijk toch eenige bewustheid van den gunstigen indruk, welken zijne groote gestalte, gebiedende gelaatstrekken, en zijn lange witte baard en haar maakten. Men had van hem de opmerking gemaakt, dat hij zelden in eene houding gezien werd, die deze persoonlijke voorrechten niet op het voordeeligst deden uitkomen. Zoo als hij thans lag, half achterover, met zijne gerimpelde, hooggekleurde wang, en zijn helder grijs oog naar den hemel gericht, met zijn staf en zak naast zich, en eene eenvoudige wijsheid in zijn blik met een spottend lachje op het gelaat, terwijl hij een oogenblik op het plein rondkeek, en dan weder het oog omhoog sloeg, zou hem een kunstenaar tot het model hebben kunnen nemen van een ouden wijsgeer der Cynische school, peinzende over de ijdelheid der wereldsche dingen, en het onzekere der menschelijke bezittingen, en hemelwaarts ziende naar die bron, vanwaar alleen iets duurzaam goeds kan verwacht worden. Isabella, nu met hare rijzige en bevallige gestalte aan het open venster verschijnende, dat van het plein slechts gescheiden was door de traliën, waarmede men, in oude tijden, de benedenvensters van een kasteel verzekerde, wekte eene belangstelling van anderen aard, en had eene romantische verbeeldingskracht kunnen herinneren aan eene gevangen jonkvrouw, die haar lijden aan een pelgrim verhaalde, opdat hij de dapperheid van elken ridder, dien hij ontmoette, mocht inroepen, om haar uit de harde gevangenschap te verlossen.

Nadat Isabella haren dank in bewoordingen betuigd had, die zij dacht, dat het aangenaamst zijn zouden, en welke de bedelaar verklaarde zijne verdiensten verre te boven te gaan, begon zij zich op eene wijze uit te drukken, die zij veronderstelde, dat meer ingang vinden zou. „Zij wist niet,” zeide zij, „wat haar vader voornemens was voor hun redder te doen; maar zeker zou het iets zijn, dat hem, zijn leven lang, rustige en gemakkelijke dagen verschaffen zou; – indien hij zijn intrek op het kasteel wilde nemen, zou zij bevel geven, –”

De oude man lachte en schudde het hoofd. „Ik zou uwe deftige dienstboden tot last en schande zijn, dame, en ik ben tot dusver niemand tot schande geweest, dat ik weet.”

„Sir Arthur zou strenge bevelen geven.”

„Gij zijt zeer goed; – ik twijfel er niet aan; – ja, ik twijfel er niet aan; maar er zijn dingen, die een meester kan gebieden, en ook anderen, die hij niet gebieden kan. Ik geloof wel, dat hij hun bevelen zou de handen van mijn lijf af te houden – (en ik geloof ook, dat zij dat buitendien zouden doen), en hij zou ook wel zorgen, dat zij mij mijne soep en een stukje vleesch gaven; – maar gelooft gij, dat Sir Arthur het spottend woord en den minachtenden blik zou kunnen beletten; of maken, dat zij mij het eten met dien vriendelijken oogopslag gaven, die het zoo smakelijk maakt; of dat hij hun het geheime spotten en de kleine steken zou kunnen verbieden, die meer leed doen, dan het ergste schelden? – Ik ben ook de luiste oude vent die er ooit leefde; en, om u de ronde waarheid te zeggen, ik zou een zeer slecht voorbeeld geven in eene geregelde huishouding.”

„Nu dan, Adam, wat dunkt u van een net huisje met een tuin, en den dagelijkschen middagkost, en niets te doen, dan wat in den tuin te spitten, als gij er lust in hadt?”

„En hoe dikwijls denkt gij, dat ik er lust in zou hebben, Freule? Misschien één- of tweemaal tusschen Lichtmis en Kermis. En al ging alles naar mijn zin, alsof ik Sir Arthur zelf was, dan zou ik het toch niet uithouden, altijd op dezelfde plaats te zijn, en nacht op nacht dezelfde balken en dwarshouten boven mijn hoofd te zien. En dan heb ik zoo wat mijne eigene grillen, die in een rondzwervenden bedelaar niet hinderen, die zich aan niemands luimen behoeft te storen; maar weet ge – Sir Arthur heeft ook de zijne; – en ik zou die bespotten of er om lachen, en gij zoudt kwaad worden, en dan was ik in staat, mij te verhangen!”

„O, gij zijt een bevoorrecht mensch, Adam! – wij zullen u alle mogelijke vrijheid geven. Dus laat u raden, – en denk aan uw ouden dag!”

„Maar ik ben nog niet zoo heel oud, – toen ik eens aan den gang kwam was ik gisteren nog los genoeg, en buigzaam als een aal. – En dan, wat zouden de menschen in den omtrek doen, als zij den ouden Adam Ochiltree missen moesten, die het nieuws en de kwinkslagen van de eene woning in de andere brengt, met peperkoek voor de meisjes, – en de jongens hunne netten helpt verstellen, en de vrouwen hare ketels lapt, en de kinderen hunne rieten sabels en grenadiersmutsen maakt, en vliegenklappen voor de heeren en dan nog op den koop toe meer oude gezangen en vertelsels kent, dan iemand in het geheele graafschap, en iedereen lachen doet, bij wien hij komt? – Waarlijk, Freule! ik kan mijn beroep niet neêrleggen, het zou een algemeen verlies zijn!”

„Wel nu, Adam, als gij denkt, dat gij zoo onmisbaar zijt, en zelfs het vooruitzicht van onafhankelijkheid u niet kan doen wankelen, –”

„Neen, neen, Freule! – het is juist omdat ik onafhankelijker blijf, zoo als ik ben. Ik vraag in elk huis niet meer dan één maal, of wellicht maar een mondvol; – weigert men het hier, ik krijg het dáár; – zie, men kan niet zeggen, dat ik van iemand in het bijzonder afhang, maar van de geheele landstreek over het algemeen.”

„Nu dan, beloof mij slechts, dat gij mij het zult laten weten, als gij, op uw ouden dag, niet meer in staat, om uw gewonen gang te gaan, verlangt eene vaste woonplaats te kiezen; – en neem inmiddels dit aan!”

„Neen, neen, ik neem niet veel geld te gelijk aan, dat is tegen den regel; – en, – ofschoon het niet beleefd schijnt, zoo iets te zeggen; – men zegt, dat het geld bij Sir Arthur zelven schaarsch wordt, en dat hij zich ten gronde richt met zijn spitten en graven naar lood en koper daar ginds!”

Hoezeer Isabella reeds een voorgevoel had van hetgeen Ochiltree zeide, hoorde zij nochtans niet zonder ontroering, dat haar vaders verlegenheid reeds zoo algemeen bepraat werd: alsof de laster zich ooit een zoo aangenamen buit liet ontglippen, als het struikelen der braven, den val der machtigen, en het verarmen der rijken. – Zij zuchtte diep. – „Wel, Adam! laat de menschen maar praten wat zij willen, wij hebben genoeg, om onze schulden te betalen, – en om u onzen dank te betuigen is eene der eersten; – ik bid u dus dringend, dit geld aan te nemen!”

„Om den een of anderen nacht tusschen stad en dorp beroofd en vermoord te worden, – of, wat even erg is, in aanhoudende vrees te leven? Ik ben niet,” – (de stem latende dalen, tot een gefluister, en scherp in het rond ziende:) „ik ben niet geheel van alles ontbloot; en al kom ik ook in een sloot te sterven, zullen zij nog genoeg in dezen ouden blauwen rok vinden, om mij als Christen-mensch te begraven, en daarbij de jongens en meisjes nog iets voor het lijkbewaken te geven. Zie, zoo is er gezorgd voor de uitvaart van den ouden bedelaar, en meer is er niet noodig! – Zoo iemand van mijns gelijken ooit eene banknoot wilde wisselen, wie denkt gij, zou zoo dwaas zijn, hem ooit meer eene liefdegift te geven? Als een loopend vuur zou het weldra door het geheele land verspreid zijn, dat de oude Adam zoo iets gedaan had, en dan, verzeker ik u, – al klaagde ik mij dood, – geen mensch zou mij een mondvol vleesch of een stuiver meer geven.”

„Is er dan niets, dat ik voor u doen kan?”

„O ja; – ik zal als naar gewoonte om mijn aalmoes komen, en nu en dan wil ik wel wat snuif hebben, – en gij zoudt den veldwachter kunnen verzoeken, mij niet te plagen, en een goed woord doen bij Sander Netherstanes, den molenaar, dat hij zijn grooten hond aan de ketting legt; – ik zou niet willen dat hij het arme dier kwaad deed; want het is juist zijn plicht om de bedelaars, zoo als ik ben, aan te blaffen. – En dan is er noch iets; maar gij zult het zeer onbeschaamd van iemand als ik ben vinden, om er van te spreken.”

„Wat is het, Adam? – zoo het u betreft, zal het geschieden, als het in mijn vermogen is.”

„Het gaat u zelve aan, en het is in uwe macht, en het moet er uit! Gij zijt eene schoone jonge dame, en goed, en waarschijnlijk ook rijk; – maar wees nooit meer zoo hard tegen dien jongen Lovel, als gij eenigen tijd geleden waart, op eene wandeling langs de Briery-heuvels, toen ik u beiden zag en hoorde, ofschoon gij mij niet zien kondet. – Wees verstandig met den jongen; want hij houdt veel van u, en hij was het, en niet ik, die Sir Arthur en u gisteren redde.”

Hij sprak deze woorden zacht, maar duidelijk, en ging daarop, zonder een antwoord af te wachten, naar eene deur, die naar de vertrekken der dienstboden leidde, en trad zoo het huis binnen.