De oudheidkenner

Part 8

Chapter 83,881 wordsPublic domain

„Ik zie hen best,” zeide Mucklebackit, „zij zitten daar beneden, als kraaien in de mot; maar denkt gij hen te helpen met krassen, als eene oude meeuw voor een slagregen? Steven, jongen, breng den mast naar boven! Ik haal hen op, even als vroeger de jenever- en brandewijnsvaten! Breng het houweel; – maak een gat voor den mast; – bind den stoel aan den ketting vast! – hecht en stevig!”

De schippers hadden den mast uit eene boot mede gebracht, en daar thans bijna al de jonge borsten uit den omtrek, deels uit belangstelling, deels uit nieuwsgierigheid verschenen waren, stond de mast weldra vast in den grond. Eene ra, dwars tegen den rechtop staanden mast, en eene lijn, door katrollen gaande, vormde eene soort van kraan, waarmede men een welverzorgden en vastgemaakten leuningstoel naar de rots kon laten zakken, waarop zich de ongelukkigen bevonden. Maar de vreugde, die dezen bij het ontwaren der toebereidselen ter hunner verlossing gevoelden, werd merkelijk getemperd, toen zij het gevaarlijke middel zagen, dat hen naar boven brengen moest. De stoel zwaaide eenige voeten van de plaats, waar zij zich bevonden, in de ledige luchtruimte, door den storm in alle richtingen geslingerd, slechts door eene lijn gehouden, welke de toenemende duisternis bijna onzichtbaar maakte. En was het gewaagd, op zulk wrak tuig naar boven te stijgen, men liep daarbij het verschrikkelijke gevaar, van door den wind, of door de slingeringen van het touw tegen de scherpe rotspunten geslagen te worden. Maar om dit gevaar zoo veel mogelijk te verminderen, had de ervaren zeeman tegelijk met den stoel eene andere lijn naar beneden gelaten, die daaraan vastgemaakt, en beneden vast gehouden, zou kunnen dienen om de beweging van den stoel eenigzins vaster en meer geregeld te maken. Evenwel werd er een moed vereischt, dien de wanhoop alleen geven kon, om zich, onder het gehuil der stormwinden en regenvlagen, met overhangende steilten boven het hoofd, en een onpeilbaren afgrond onder de voeten, aan zulk een gevaarte toe te vertrouwen. Hoe verschrikkelijk groot intusschen het gevaar zich overal aan oog en oor voordeed; hoe bedenkelijk en gewaagd het middel om zich te redden ook scheen, besloten nochtans Lovel en de oude bedelaar, na een oogenblik beraads, om er zich van te bedienen, en, nadat Lovel, niet zonder groot gevaar, de voldoende sterkte van de lijn beproefd had, vonden zij het raadzaam Isabella in den stoel te plaatsen, en het aan de voorzichtigheid en zorg van hunne vrienden toe te vertrouwen om haar behouden naar de kruin der rots op te hijschen.

„Laat mijn vader eerst gaan!” riep Isabella uit, „om Gods wil, mijne vrienden, brengt hem eerst in veiligheid!”

„Dat kan niet,” zeide Lovel; „uw leven moet het eerst gered worden; – de lijn, tegen uw gewicht bestand, zou kunnen –”

„Neen, neen, neen! ik wil naar zulk eene zelfzuchtige reden niet hooren.”

„Maar gij moet er naar hooren, schoone dame;” sprak Ochiltree; „want het leven van ons allen hangt er van af. Daarbij, als gij daar op den top der hoogte gekomen zijt, kunt gij hun een duidelijk bericht geven, hoe het hier op ons Patmos gesteld is; – en Sir Arthur is niet in staat om dat te doen, naar het mij voorkomt.”

Getroffen door de juistheid van deze redeneering, riep, Isabella uit: „Dat is waar – zeer waar! ik ben bereid, om de eerste kans te wagen. Wat moet ik onze vrienden daar boven zeggen?”

„Goed toe te zien, dat het touw niet tegen de zijden der steilte wrijft, en dat zij den stoel voorzichtig aflaten en ophalen. – Wij zullen roepen, als wij klaar zijn!”

Met de zorgvuldige oplettendheid van een vader voor zijn kind, bond Lovel Isabella, door middel van zijn zakdoek, das en des bedelaars lederen riem, vast aan den rug en de leuningen van den armstoel, nauwkeurig de hechtheid van elken knoop beproevende, terwijl Ochiltree Sir Arthur gerust stelde.

„Wat begint gij met mijne dochter? – Wat voert gij uit? – Men zal haar niet van mij scheiden. – Isabella! blijf bij mij, ik beveel het u!”

„Om Gods wil, Sir Arthur, houd u stil, en dank den hemel, dat er wijzere lieden zijn dan gij, om het werk te doen,” riep de bedelaar, eindelijk door het onredelijk geschreeuw van den armen Baronet uitgeput.

„Vaarwel, vader!” stamelde Isabella, – „vaarwel mijne – mijne vrienden!” en de oogen sluitende volgens den raad van den ervaren Adams, gaf zij het teeken aan Lovel, en deze aan hen die boven waren. Zij werd naar boven getrokken, terwijl Lovel den stoel in de richting hield, door de lijn die hij beneden greep. Met een kloppend hart staarde hij de zwevende, witte gestalte na, tot de stoel den bovensten rand der steilte bereikt had.

„Moed nu, jongens! moed nu!” riep de oude Mucklebackit, die als kapitein handelde; „draait de ra een weinig. – Nu, zoo, – daar zit zij op het drooge!”

Een luid hoezee! kondigde den gelukkigen uitslag aan hare vrienden beneden, die ook dadelijk met een hartelijk hoezee! antwoordden. In zijne verrukking, ontdeed Monkbarns zich van zijn overrok, om er de jonge dame in te hullen, en zou daarbij mede zijn jas en vest uitgetrokken hebben, als hem de zorgvuldige Caxon niet weêrhouden had. „Voorzichtig! voorzichtig, mijnheer! Gij zult u een doodelijke hoest op den hals halen! – in veertien dagen zijt gij de koû niet kwijt, die gij van nacht opdoet, – en dat zou ons slecht aanstaan. – Neen, neen! – daar staat het rijtuig dicht bij; laten twee van ons de jonge dame daar naar toe brengen!”

„Gij hebt gelijk,” zei de oudheidkenner, terwijl hij de mouwen en de kraag van zijn rok weêr toemaakte; „gij hebt gelijk, Caxon, dit is een ellendige nacht, om in te zwemmen! – Isabella, sta toe, dat ik u naar het rijtuig geleide!”

„Om alles ter wereld niet, eer ik mijn vader in veiligheid zie!”

Met weinige, duidelijke woorden, die te kennen gaven, hoezeer haar moed de natuurlijke vrees bij zulk een ontzettend gevaar overwonnen had, beschreef zij hoe het beneden gesteld was, en welke de wenschen van Lovel en Ochiltree waren.

„Gij hebt gelijk, – groot gelijk! – ik zou zelf den zoon van Gamelyn van Guardover op droog land willen zien. Mij dunkt, hij zou den eed van afzwering onderteekenen, en de Ragmanrol op den koop toe, en erkennen, dat Koningin Maria niet beter was dan zij behoorde te zijn, om bij mijne flesch ouden Portwijn te zitten, die hij versmaadde eer ze half leêg was. – Maar hij is nu behouden, en daar komt hij aan,” – (want de stoel was weêr naar beneden gelaten, en Sir Arthur, zich zelven haast onbewust, daarin vastgemaakt,) „daar komt hij; – haalt op, jongens! – voorzichtig! – een stamboom met honderd takken hangt aan een tienstuivers touw; – de geheele baronie van Knockwinnock aan drie slagen hennep; – respice finem, respice finem; – zie naar het einde; – zie naar het touweinde! – Welkom, welkom, mijn goede oude vriend, op vast land, ofschoon ik niet zeggen kan op warm en droog land!”

Terwijl Oldbuck naar gewoonte verder doordraafde, bevond zich Sir Arthur behouden in de armen zijner dochter, die zich met de teederste aandoening aan hem vasthield en daarna, zich een gezag aanmatigende, dat de omstandigheden schenen te vorderen, aan eenigen der omstanders opdroeg, om hem naar het rijtuig te brengen, terwijl zij beloofde weldra zelve te volgen. Aan den arm van een ouden landman, begaf zij zich toen weêr naar den rand der rots, waarschijnlijk om ooggetuige te zijn van het behoud van hen, die het gevaar met haar gedeeld hadden.

„Wie komt daar aan?” zeide Oldbuck, toen de stoel nog eenmaal naar boven steeg. „Wat drommel is dat voor een zeevisch?” En toen de fakkels de ruwe gelaatstrekken en de grijze haren van den ouden Ochiltree verlichtten, – „hoe! zijt gij het? – Kom, oude spotboef, ik moet, of ik wil of niet, vriend met u zijn; – maar wie duivel is uw makker daar beneden?”

„Iemand, die alléén wel twee van ons waard is, Monkbarns! Het is de jonge vreemdeling, dien men Lovel noemt, – en hij gedroeg zich heden nacht, alsof hij tien levens te verliezen had en die allen op het spel wilde zetten, liever dan dat iemand anders gevaar zou loopen! – Voorzichtig, heeren! als gij hebben wilt, dat een oude man u zegene; – denkt, dat er niemand beneden is, om den stoel te bestieren! – Past op den hoek van de Kattebel! – let op den Crummicks-hoorn!”

„Ja, ja, voorzichtig!” herhaalde Oldbuck; „het is mijn rara avis – mijn zwarte zwaan! – mijn phenix der medereizigers; – draag zorg voor hem, Mucklebackit!”

„Zoo veel alsof hij een anker brandewijn was, meer kan ik niet doen! – Ho! ho, vrienden! naar boven met hem!”

Lovel liep inderdaad veel meer gevaar, dan zijne voorgangers. Hij woog niet zwaar genoeg, om zijn opstijgen te midden van zulk een stormwind veilig te maken, en de slingerende beweging bracht hem telkens in het doodsgevaar van tegen de rotsen verpletterd te worden. Maar hij was jong, stout, en vlug, en slaagde, met behulp van des bedelaars stevigen met ijzer beslagen staf, dien hij volgens den raad van den eigenaar bij zich gehouden had, om zich voor de zijden der steilten en van de nog veel gevaarlijker rotspunten te beveiligen, welke hem telkens bedreigden. Als eene lichte veder in de ledige ruimte gedreven, met eene beweging, die tegelijk de hersenen met schrik vervulde en bedwelmde, behield hij nochtans zijn moed, zijne behendigheid en tegenwoordigheid van geest, en eerst toen hij behouden op de kruin der klip aangeland was, gevoelde hij zich een oogenblik ontsteld. Toen hij uit eene soort van onmacht bijkwam, keek hij angstig in het rond. Het voorwerp, dat hij het meeste wenschte te zien, was reeds in de verte. Nog even kon hij de witte kleeding van Isabella onderscheiden, terwijl zij het pad volgde, dat haar vader gegaan was. Zij had getoefd, tot zij den laatste van het gezelschap buiten gevaar gezien en door de schorre stem van Mucklebackit de verzekering bekomen had, dat „de klant er met heele beenderen afgekomen, en alleen wat van streek was.” Maar Lovel wist niet, dat zij te zijnen opzichte eene deelnemende belangstelling getoond had, die hij, hoezeer ze niets meer te kennen gaf dan wat zij een vreemdeling, die in zulk een tijdstip van nood haar hulp verleend had, verschuldigd was, nochtans blijmoedig gekocht zou hebben, door het trotseeren van nog veel grootere gevaren, dan die waaraan hij dien avond was blootgesteld geweest. Den bedelaar had zij reeds gevraagd, om den nacht op Knockwinnock te komen doorbrengen. Hij verontschuldigde zich. – „Dan moet ik u morgen bij mij zien!”

De oude man beloofde te gehoorzamen. – Oldbuck stopte hem iets in de hand. Ochiltree bekeek het bij het fakkellicht, en gaf het terug. „Neen, neen! ik neem nooit goud aan; – en behalve dat, Monkbarns, zoudt gij er morgen vroeg berouw over hebben. Toen zich naar de groep visschers en boeren wendende: „Nu, heeren! wie wil mij een avondmaal geven en wat zuiver stroo om op te liggen?”

„Ik!” „en ik!” „en ik!” antwoordden vele vriendelijke stemmen.

„Wel, nu ik dat zie, en ik maar in één schuur te gelijk slapen kan, wil ik mij bij Saunders Mucklebackit neêrleggen. Hij heeft altijd een droppeltje van iets versterkends in huis, – en, kinderen, ik hoop het te beleven om u allen te herinneren, dat gij mij huisvesting en een aalmoes beloofd hebt!” – Dit zeggende, vertrok hij met den visscher.

Oldbuck maakte zich meester van Lovel. – „Geene schrede verder van nacht naar Fairport! – gij moet met mij huiswaarts, naar Monkbarns. Wel, man! gij zijt een held geweest, – een volmaakte Sir William Wallace, in alle opzichten! Kom, mijn goede jongen! neem mijn arm; – ik ben niet al te vast ter been in zulk een wind; maar Caxon zal ons helpen. Hier, gij oude suffert! Kom aan de andere zijde! – En hoe drommel kwaamt gij daaronder op die helsche Lijsje’s Schoot, zoo als ze het noemen? Lijs, zeggen zij, – vervloekte heks! – Zij spreidt haar voddig vaandeltje of vrouwenbanier uit, gelijk al de overigen van hare sekse, om hare aanbidders in dood en verderf te storten.”

„Ik ben tamelijk aan het klimmen gewend, en heb lang de vogelaars nagegaan, hoe zij het maken bij het bestijgen der klippen.”

„Maar hoe kwaamt gij er toe, in Gods naam, om het gevaar van den knorrigen Baronet en van zijne veel beminnelijker dochter te ontdekken?”

„Ik zag hen van den rand der steilte.”

„Van den rand! – ei zoo! – en wat dreef u dumosa pendere procul de rupe? – ofschoon dumosa niet de gepaste benaming is; – wat duivel lokte u naar den rand van de klip?”

„Wel! – ik zie gaarne het samenpakken van een opkomenden storm; – of, om in uwe klassieke taal te spreken, mijnheer Oldbuck, suave est mari magno, en zoo voorts; – maar hier zijn wij aan den weg naar Fairport. Ik moet u goeden nacht wenschen!”

„Geene schrede verder, geen voet, geen duim en, als Antiquarius gesproken, geene shathmont, over de beteekenis van welk woord menigeen, die tot ons vak wil behooren, zich het hoofd heeft gebroken. Het is mij duidelijk, dat men lezen moet salmont’s-lengte, in plaats van shatmont’s-lengte. Gij weet, dat de ruimte die men voor den doortocht van een zalm door eene sluis, een dijk of een vijver laten moet, volgens de wet, de lengte is, binnen welke een volwassen varken zich kan omkeeren; – nu heb ik plan, te bewijzen, dat, daar men op het land levende wezens dus gebruikte, om de maat onder water te bepalen, men ook veronderstellen kan, dat de waterbewoners gebruikt werden als maatstaf om de uitgestrektheid van het land te meten, shathmont, – salmont; [13] – gij ziet de nauwe overeenstemming der klanken; twee hh en eene t weggelaten, en eene l aangenomen, dat maakt al het verschil! Gave God, dat geene oudheidkundige afleiding ooit grootere afwijkingen gevorderd had!”

„Maar, mijn goede heer, ik moet waarlijk naar huis gaan, ik ben door en door nat.”

„Gij zult mijn kamerjapon hebben, man! en mijne pantoffels, en u de antiquarische koorts op den hals halen, zoo als men de pest krijgt, door het dragen van besmette kleederen; – maar ik weet, waaraan het hapert; – gij vreest den ouden vrijer lastig te vallen. Maar zijn er niet de overgeschotene brokken van die kostelijke kippenpastei, die, meo arbitrio, beter koud is dan warm; – en die flesch van mijn ouden Port, waarvan de malle, waanzinnige Baronet (wien ik het niet vergeven kan, nu hij den hals niet gebroken heeft,) juist één glaasje gebruikt had, toen zijn zwak brein op hol gebracht werd door Gamelyn van Guardover?”

Met deze woorden, sleepte hij Lovel voort, tot zij binnen de Pelgrimspoort te Monkbarns kwamen. Nimmer, misschien, trokken er twee voetgangers door, die meer de rust behoefden; want de uitgestane vermoeienissen waren voor Monkbarns rechtstreeks in strijd met zijne dagelijksche gewoonten; en zijn jonger en sterker metgezel had dien avond zielsaandoeningen ondergaan, die hem veel meer geschokt en afgemat hadden, dan de buitengewone inspanning zijner lichaamskrachten.

NEGENDE HOOFDSTUK

„Zijt ge onversaagd, sprak zij, zoo kunt gij hier vernachten: Ons best vertrek was steeds het spookvertrek, helaas! Maar kan uw wakk’re moed gerust het spel verwachten Van rammelend gordijn- en ketenengeraas; Behoudt uw kloeke tong dan nog de macht van spreken, Als een ontzettend spook zich aan uw bed vertoont; Vraagt gij ’t dan stout: waarom ’t is aan zijn graf ontweken, Welaan, zoo wijs ik u de kamer, waar het woont!”

Eene ware geschiedenis.

Zij bereikten de kamer, waar zij gegeten hadden, en werden hartelijk door mejufvrouw Oldbuck verwelkomd.

„Waar is het jongere vrouwmensch?” vroeg de oudheidkenner.

„Inderdaad, broeder, te midden van de verwarring, wilde Mary niet naar mij luisteren; zij stoof weg naar het Halket-head –het is vreemd, dat gij haar dáár niet gezien hebt!”

„Hoe! – wat, – wat zegt gij, zuster? – is de deern in een nacht als deze uitgeloopen naar de Halket-head rotsen? Goede Hemel! de ellende van dezen nacht is nog niet voorbij!”

„Maar gij wilt mij niet aanhooren, Monkbarns, gij zijt zoo driftig en ongeduldig?”

„Gekheid, vrouw!” hernam de onstuimige en ontroerde oudheidkenner „waar is mijne lieve Mary?”

„Juist, waar gij zelf moest zijn, Monkbarns! – boven, en in een warm bed.”

„Dat had ik willen zweren,” zeide Oldbuck lachende, maar merkelijk verlicht, „ik had het willen zweren; – de luie aap zou zich er niet om bekommeren, al waren wij allen verdronken! waarom zeidet gij, dat zij uitgegaan was?”

„Maar gij liet mij niet uitspreken, Monkbarns! Zij ging uit, en kwam terug met den tuinman, zoodra zij zag, dat niemand van de klip gestort, en Isabella Wardour behouden in het rijtuig was. Zij is nu een kwartier tehuis; want het slaat nu tien uur; – het arme kind was door en door nat, en ik deed een glas Xeres in haar gortnat.”

„Recht zoo, Grizel! recht zoo; – dat vrouwvolkje vertroetelt elkander altijd! Maar hoor, mijne eerwaardige zuster! – het woord eerwaardig verschrikke u niet: het geeft vele prijzenswaardige hoedanigheden te kennen, behalve die van den ouderdom; en ook deze is eervol, ofschoon het de laatste hoedanigheid is, waarmede de vrouwen zich gaarne gevleid zien! Maar overweeg mijne woorden: laat Lovel en mij dadelijk het overschot hebben van de kippenpastei en de rest van den portwijn.”

„De kippenpastei, – de portwijn, – wel, broeder! – er waren slechts een paar beentjes over, en nauwelijks een droppel wijn meer!”

Het gelaat van den oudheidkenner betrok, ofschoon hij te goed opgevoed was, om in tegenwoordigheid van een vreemdeling lucht te geven aan zijne ontevredenheid en verwondering over het verdwijnen van de spijzen, waarop hij zeker gerekend had. Maar zijne zuster kende deze teekens van gramschap. „O, lieve Monkbarns, is het de moeite waard, om daar zoo veel leven om te maken?”

„Ik maak geen leven, zoo als gij het noemt, vrouw!”

„Maar is het de moeite waard, zoo zuur te kijken om een paar beentjes? – En gij zult de waarheid hooren: gij moet weten, de dominé kwam, de waardige man, – hij was geheel en al van streek, dat spreekt, over uw deerniswaardig lot, zoo als hij het noemde, (want gij weet, hoe keurig hij in zijne woorden is,) en hij wilde hier wachten, tot hij vernemen kon, hoe het waarschijnlijk met u allen zou afloopen. Veel heerlijks zeide hij van de verplichting, om zich aan den wil der Voorzienigheid te onderwerpen, de waardige man! – ja, dat deed hij!”

„De waardige man!” hervatte Oldbuck op denzelfden toon: „Het zou hem niet spijten als Monkbarns weldra aan eene vrouwelijke erfgename kwam, dat geloof ik – en, terwijl hij zich bezig hield met den Christenplicht van vertroosting tegen dreigend onheil, veronderstel ik dat de kippenpastei en mijn goede portwijn verdwenen!”

„Waarde broeder! hoe kunt gij van zulke kleinigheden spreken, na zoo gelukkig aan den dood ontsnapt te zijn?”

„Beter, dan mijn avondmaal aan den dominé ontsnapt is, Grizel! – Er is zeker niets meer van over, veronderstel ik?”

„Wel, Monkbarns! gij spreekt, alsof er geen ander vleesch in huis was! Het zou u niet bevallen hebben, als ik den beleefden man niet eenige geringe verversching aangeboden had, nadat hij van de pastorie was komen wandelen.”

Oldbuck neuriede en bromde half en half het einde van het oude Schotsche liedje:

„Eerst aten zij de witte poddings, En dan de zwarten, o! Toen dacht de man zoo bij zich zelv’ De duivel huist daar, o!”

Zijne zuster haastte zich zijn misnoegen te doen bedaren, door hem eenige overblijfsels van het middagmaal voor te zetten. Hij sprak van eene andere flesch wijn; maar beval bij voorkeur een glas brandewijn aan, die inderdaad voortreffelijk was. Daar Lovel niet kon overgehaald worden, zich in de fluweelen slaapmuts en den gebloemden kamerjapon van zijn gastheer uit te dossen, drong Oldbuck, die vermeende eenige kennis van de geneeskunde te hebben, er op aan, dat hij zich zoodra mogelijk naar bed zou begeven, en sloeg voor ’s morgens vroeg een bode (den onvermoeiden Caxon) naar Fairport te zenden, om andere kleederen te halen.

Dit was de eerste wenk voor jufvrouw Oldbuck, dat de jonge vreemdeling dien nacht haar gast zou zijn; en zij ontstelde daarover zoo zeer, dat, als het bovenstuk van haar hoofdtooisel, dat wij reeds beschreven hebben, minder zwaar geweest ware, de grijze haarlokken overeind zouden gerezen zijn en het van zijne plaats verdrongen hebben.

„Heere beware ons!” riep de ontstelde dame uit.

„Wat is er, Grizel?”

„Als ik u eventjes spreken kon, Monkbarns!”

„Spreken! – Waarover? – Ik verlang naar bed; – en deze arme jongen ook; – laat maar dadelijk een bed voor hem gereed maken.”

„Een bed? – De hemel beware me!” steunde weder Grizelda.

„Wel, wat scheelt er aan? Zijn er geene bedden en kamers genoeg in huis? Was het niet vroeger een oud hospitium, waarin men, zoo als ik op goede gronden zeggen kan, alle nachten bedden spreidde voor een twintigtal pelgrims?”

„O, waarde Monkbarns, wie kan zeggen, wat men in die oude tijden deed? – maar in onzen tijd! – bedden! – ja wel, er zijn bedden genoeg en ook kamers genoeg, maar gij weet zelf, dat de bedden niet beslapen, en de kamers niet gelucht zijn, sedert de Hemel weet hoe lang. – Als ik het geweten had, hadden Mary en ik van nacht naar de pastorie kunnen gaan; Rebekka is zeer verlangend om ons te zien, (en de dominé ook, broeder!) maar nu, – wel! wel!”

„Hebben wij niet de groene kamer, Grizel?”

„Ja, die hebben wij, en die is behoorlijk in orde, ofschoon er niemand in sliep sedert Dr. Heavysterne, en –”

„En wat?”

„En wat? Gij weet zelf zeer goed, hoe hij den nacht daar doorbracht. Gij zult den jongen heer aan zoo iets niet willen blootstellen, niet waar?”

Lovel, dezen woordentwist aanhoorende, kwam tusschenbeide, en betuigde, dat hij veel liever naar huis wilde wandelen, dan hun de minste ongelegenheid veroorzaken, – dat de beweging hem goed zoude doen, – dat hij, even goed ’s nachts, als over dag, den weg naar Fairport vinden kon, – dat de storm bedaard was, en zoo voorts; terwijl hij er bijvoegde al wat de beleefdheid aan de hand kon geven als aanleiding, om van eene gastvrijheid ontslagen te worden, die de lieden van het huis veel lastiger scheen te wezen, dan hij bij mogelijkheid had kunnen veronderstellen. Maar het gehuil van den wind en het kletteren van den regen tegen de vensters, gevoegd bij de herinnering aan de doorgestane vermoeienissen, zouden Oldbuck, ook wanneer hij minder achting voor zijn jongen vriend had gevoeld dan wezenlijk het geval was, belet hebben zijn vertrek te gedoogen. Daarbij was zijne eer er mede gemoeid, dat hij zich vrij en onafhankelijk van het vrouwvolkje toonde. – „Neem plaats, ga zitten; – ga zitten, man!” herhaalde hij: „en gij zoudt zoo vertrekken? Veel liever ontkurkte ik nooit van mijn leven eene enkele flesch meer, en hier komt er eene puik puik, met sterke ale – geen namaaksels, afkooksels, – maar gebrouwd van Monkbarnsche gerst. Jan van Girnell trok er nooit eene betere open, om een zwervenden minnezanger, of pelgrim, over het laatste nieuws uit Palestina uit te vragen. En om u den lust te benemen van te vertrekken, weet, dat bijaldien gij het doet, uw roem als wakkere ridder voor altijd verloren is. Wel, man, het is een avontuur, in de groene kamer te Monkbarns te slapen! – Zuster, ik verzoek u te zorgen, dat die in orde komt! En, ofschoon de dappere Heavysterne veel leed en angst doorstond in dat bekoorlijk vertrek, is dit geen reden, waarom een moedige ridder als gij, bijna tweemaal zoo lang, en minder dan half zoo zwaar als hij, de betoovering niet zou te gemoet gaan en verijdelen!”

„Hoe? een spook, veronderstel ik?”