De oudheidkenner

Part 4

Chapter 43,699 wordsPublic domain

„Zeer juist, en men heeft het altijd voor de juiste uitlegging gehouden. Ik zie wel dat wij iets van u zullen maken, zelfs eer ge nog een bril draagt ofschoon gij de sporen van het schoone kamp, op het eerste gezicht eenigzins onduidelijk vondt.”

„Door den tijd, mijnheer, en met goed onderricht. –”

„Zult gij leeren? – Daar twijfel ik niet aan. Bij uw eerst volgende bezoek op Monkbarns, zal ik u iets ter lezing geven; mijn kleine verhandeling „over de Kunst van Legerplaatsen aan te leggen,” met eenige bijzondere „Aanmerkingen over de sporen van oude Verschansingen, onlangs door den Schrijver ontdekt in het kamp van Kinprunes. Ik geloof den onmiskenbaren toetssteen daarin aangewezen te hebben van hetgene men voor oudheden houdt. Ik stel vooraf eenige algemeene regels over den aard, van wat men in dergelijke gevallen als beslissend kan aannemen. Gelieve intusschen, bij voorbeeld, op te merken, dat ik mij zou kunnen bedienen van den beroemden dichtregel van Claudianus.

„Ille Caledoniis posuit qui castra pruinis.”

Want pruinis, ofschoon uitgelegd als rijp te bedoelen, waaraan ik beken, dat wij op deze noordoostelijke zeekust eenigzins onderhevig zijn, kan eveneens een plaatselijke benaming wezen, te weten; prunes; het castra Pruinis positum zou dan zijn het kamp van Kinprunes. Maar ik laat dat daar, uit vrees, dat de woordenvitters daarin gelegenheid mochten vinden, om mijn Castra te doen neêrdalen tot den zoo veel lateren tijd van Theodosius, die eerst in 367, of daar omstreeks, door Valentinianus naar Brittanië gezonden werd. Neen, mijn lieve vriend, ik beroep mij op het oog der menschen; – is hier niet de Decumaansche poort? en daar zou, zonder de verwoesting van den noodlottigen ploeg, zoo als mijn geleerde vriend het uitdrukt, de Praetoriaansche poort zijn. – Aan uw linker hand kunt gij eenige sporen van de porta sinistra zien, en aan de rechter, één zijde van de porta dextra, bijna onverminkt! – Hier dan zullen wij ons plaatsen, op dezen tumulus, die de grondslagen bevat van verstoorde gebouwen, – het middelpunt, – zonder twijfel, het Praetorium van het kamp. Van deze plaats, nu slechts van het overige der verschansing te onderscheiden door haar geringe verhevenheid en groenere zoden, mogen wij veronderstellen, dat Agricola het onmetelijke leger der Caledoniërs heeft aanschouwd, dat de helling van genen tegenoverliggenden heuvel bezette, terwijl het voetvolk, op de hoogte verschijnende, in rijen achter elkander, hun slagorde op het voordeeligste uitbreidde, volgens het terrein, en het paardevolk en de covinnarrii, waardoor ik versta die in de strijdwagens waren, een geheel andere soort van menschen dan de hedendaagsche Britsche Wagenmenners met hun vier paarden, – zich in de vlakte aan den voet van den berg bevonden.

– Zie dan, Lovel, – zie – Zie, hoe die heerdrom ginds komt van ’t gebergte zinken! De gulden rustingen als drakenschelpen blinken; Hun tocht schijnt donderstorm, die alles stelt ter neêr – Zie en aanschouw, en dan zie Rome nimmer weêr! –

„Ja, waarde vriend, van deze standplaats is het waarschijnlijk, – zelfs bijna zeker, – dat Agrippa gadesloeg, hetgeen onze Beaumont [7] zoo voortreffelijk schildert! – Van dit zelfde Praetorium. –”

Een stem achter hem, brak eensklaps deze hoogdravende beschrijving af. – „Praetorium hier, Praetorium daar: mij heugt, dat men er aan werkte!”

Beiden keken te gelijk om, Lovel niet zonder verwondering, en Oldbuck met een mengeling van verrassing en verontwaardiging over zulk een onbeleefde stoornis. Een toehoorder was, ongezien en ongehoord, genaderd, terwijl de oudheidkenner in het midden zijner vurige beschrijving was, en Lovel beleefd en oplettend toeluisterde. Hij had het uiterlijk van een bedelaar; – een in de oogen gedrukten hoed met breeden rand; een langen witten baard, die zich met zijn grijze haren vereenigde; door den ouderdom sterk geteekende, maar krachtige en sprekende gelaatstrekken, die door weêr en wind donker bruin geverwd waren; een langen blauwen rok, met een blikken plaatje op den rechter arm; een paar zakken, dwars over den schouder geslagen, om de onderscheidene etenswaren te bergen, als hij liefdegiften ontving van hen, die weinig rijker dan hij zelf waren, – dit alles kondigde dadelijk den bedelaar van beroep aan, en een van die bevoorrechte klasse, welke men in Schotland „’s Konings genadelieden,” of wel eens Blauwrokken noemt.

„Wat zegt gij; Adam?” vroeg Oldbuck, in de hoop dat hem zijn ooren bedrogen hadden: „waar spreekt gij van?”

„Van dit werk, mijnheer!” antwoordde de onverschrokken Adam; „mij heugt, dat het aangelegd werd.”

„Dat het aangelegd werd? Oude gek! het was al klaar eer gij geboren waart, en het zal er wezen nadat gij gehangen zijt, man!”

„Gehangen of verzopen, hier of daar, levend of dood, – mij heugt, dat het aangelegd werd.”

„Gij, – gij,” – stamelde de oudheidkenner, even verlegen als vergramd, „gij zwervende landlooper, wat duivel weet gij er van?”

„Wel, ik weet er dit van, Monkbarns; en waarom zou ik u een leugen vertellen? – Ik weet er juist dit van, dat voor ongeveer twintig jaren, ik en een paar andere vlugge kerels en de metselaarsknechts, die den langen dijk dáár aanlegden, en een stuk of wat koeherders, ons aan het werk zetten, en dat kleine ding hier maakten, dat gij het, – het Praetorium noemt, en wel voor een feest bij de bruiloft van den ouden Aiken Drum, – en een lief werkje was het bij guur en regenachtig weêr! En ik weet er nog dit van; als gij den omtrek opgraaft, zoo als het schijnt, dat gij reeds begonnen zijt te doen, zult gij een steen vinden, als gij hem niet al gevonden hebt, waarop een der metselaarsgezellen een lepel sneed, en om den ouden bruidegom te plagen, zette hij er vier letters op: A. D. L. L., dat is Aiken Drum’s Lange Lepel, want Aiken kwam uit Fife en was een baas in het eten.”

Lovel waagde het heimelijk een blik op onzen oudheidkenner te werpen; maar wendde dien snel af, met een gevoel van diep medelijden. Want, zoo iemand onzer lezers ooit een jong meisje van zestien jaren gadesloeg, wier droomen van trouwe liefde, bij een onverwachte ontdekking, in duigen vallen, of een knaapje, dat zijn kaartenhuisje door een kwaadwilligen makker ziet omver blazen, – wij kunnen hem gerust verzekeren, dat Jonathan Oldbuck van Monkbarns, zich even onnoozel voordeed, en niet minder verslagen daar stond.

„Er heeft hier een misverstand plaats,” zei hij, terwijl hij zich ijlings van den bedelaar afwendde.

„Volstrekt niet van mijn kant,” antwoordde de stugge bedelaar; „ik handel nooit in misverstanden; want die geven misrekeningen. – Nu, Monkbarns, deze jonge heer, – met uw verlof, bekommert zich weinig om een kerel als ik, en evenwel wed ik, dat ik hem zeggen zal, waar hij gisteren avond tusschen licht en donker geweest is, of hij moest liever niet hebben, dat ik in gezelschap van anderen daar over spreek.”

Het bloed vloog Lovel naar het gezicht, en hij bloosde als een jongeling van twee en twintig jaren.

„Stoor u niet aan den ouden schelm,” zei Oldbuck; „geloof niet, dat ik slechte gedachten van u heb, uithoofde van uw beroep; het zijn alleen vooringenomene dwazen en lafbekken, die daaraan onderhevig zijn. Gij herinnert u wat de oude Cicero, in zijn redevoering pro Archia poeta, van een uwer broederschap zeide. „Quis nostrum tam animo agresti acduro fuit, – ut – ut –” het latijn is mij ontschoten, ziehier, waar het op neêrkomt „wie onzer was zoo woest en onbeschaafd, dat hij niet aangedaan werd bij den dood van den grooten Roscius, wiens gevorderde leeftijd, ver van ons op zijn afsterven voor te bereiden, veeleer deed hopen, dat een zoo bevallige, zoo voortreffelijke man in zijn kunst van het algemeene lot der sterfelijken bevrijd zou blijven.” Dus sprak de Vorst der Redenaren van het tooneel en van hen, die het beoefenen.”

De woorden van den ouden heer troffen Lovels oor zonder eenigen bepaalden indruk op zijn geest te maken, daar hem de gedachte bezig hield, hoe of de oude bedelaar, die hem steeds met een tergende houding en een doordringend oog bleef aanzien, iets van hetgeen hem betrof, was te weten gekomen. Hij stak de hand in den zak, als het gereedste middel, om hem zijn verlangen te kennen te geven dat hij zwijgen moest, en terwijl hij hem een aalmoes gaf, eerder afgeperst door vrees dan door liefdadigheid, keek hij hem nadrukkelijk aan; hetgeen de bedelaar, die van beroep een gelaatkundige was, zeer goed scheen te verstaan.

„Zijt onbezorgd, mijnheer! ik ben geen praatjesmaker; maar er zijn meer oogen in de wereld, dan de mijne,” zei hij, terwijl hij Lovels gift in den zak stak, met zulk een zachte stem dat hij alleen het hooren kon, en met een blik die duidelijk te kennen gaf wat hij verder verzweeg. Toen zich naar Oldbuck wendende: – „Ik ga naar de pastorij, mijnheer. Heeft mijnheer daar iets te bestellen, of aan sir Arthur, want ik ga ook tegen den avond naar het kasteel van Knockwinnock?”

Oldbuck ontwaakte als uit een droom, en zei, terwijl hij zijn aalmoes in Adams slappen, smerigen en gehavenden hoed legde, op een toon waarin hij zijn misnoegen trachtte te verbergen: „Ga, ga naar Monkbarns – laat men u daar iets te eten geven, – of wacht, – als gij naar de pastorij, of naar Knockwinnock gaat, behoeft gij niet te spreken van uw malle historie!”

„Hoe, ik? – God beware mij daarvoor, mijnheer! niemand zal daarvan iets uit mijn mond hooren, niet meer, dan of de kleine wal daar sedert Noachs zondvloed gestaan had. Maar, mijnheer, men zegt, dat gij aan Jan Howie akker tegen akker van uw best bouwland voor dit lapje heigrond gegeven hebt! Nu, als hij u wezenlijk het walletje voor een oud werk aangepraat heeft, dan geloof ik nooit, dat de koop gehandhaafd zal worden, als gij het voor den rechter wilt brengen, en zeggen dat hij u om den tuin geleid heeft.”

„Tergende schurk!” mompelde de verontwaardigde oudheidkenner in zich zelven, „ik wilde, dat ge onder beulshanden waart, dat uw rug er voor boette!” – en dan op zachteren toon, – „praat er niet meer van, Adam! – het is alles een misverstand!”

„Waarlijk, dat geloof ik ook,” vervolgde zijn plaaggeest, die vermaak scheen te scheppen om de smartelijke wonde meer en meer te vergrooten, „waarlijk, dat geloof ik ook, en niet lang geleden nog zei ik tegen de oude Gemmels: geloof nooit, vrouwtje, zei ik, dat Monkbarns zulk een domme streek zou begaan hebben, om een grond, die wel vijftig shillings den bunder waard is, voor iets te geven, dat geen halve shilling gelden zou. Neen, neen, zei ik, reken er op, dat de heer van Monkbarns gefopt is door dien schelm van een Jan Howie. „Maar, goede hemel, hoe kan dat wezen,” zei zij, „daar de heer van Monkbarns zoo geleerd in de boeken is, dat hij zijns gelijken niet in den omtrek heeft, en Jan Howie nauwelijks verstand genoeg heeft, om zijn koeien uit zijn moestuin te houden?” – Wel, zei ik, gij zult zien, dat hij misleid is door het een of ander van zijn oude vertelsels; – want gij weet wel, mijnheer, verleden nog met dat koperen Schotsche muntje, dat ge voor een ouden penning hieldt. –”

„Loop naar den duivel!” riep Oldbuck; maar voegde er toen, als iemand, die bewust is dat hij zich in de macht van zijn vijand bevindt, vriendelijk bij: „pak je weg naar Monkbarns; en als ik terug kom, zal ik u een flesch bier in de keuken zenden.”

„De Hemel beloone u, edele heer!” antwoordde Adam met de echte, nederige, klagende stem van een bedelaar, en terwijl hij zijn stok weder opnam, sloeg hij den weg in naar Monkbarns, maar zich omkeerende, zei hij: „Hebt gij ooit het geld weêrgekregen, dat gij den marskramer voor dat driestuiversstukje gaaft?”

„Verwenschte kerel! pak je weg!”

„Wel, wel, heer! God zegen ons! – Ik hoop, dat gij het ook van Jan Howie winnen zult, en dat ik het nog beleven en zien mag!” Met deze woorden verwijderde zich de oude bedelaar, den heer Oldbuck van herinneringen bevrijdende, die hem niets minder dan aangenaam waren.

„Wie is die praatzieke oude?” vroeg Lovel, zoodra de bedelaar hen niet meer hooren kon.

„O, een der plagen van het land. – Ik ben altijd tegen armgestichten en werkhuizen geweest; – ik geloof echter, dat ik er nu vóór zal stemmen, om dezen schurk opgesloten te krijgen. O, zulk een oude bedelaar leert u even goed kennen, als zijn tafel, – wordt zoo gemeenzaam als zeker beestje, dat, volgens Shakespeare, liefde beteekent [8], – waarmede zijn beroep hem wel eens in aanraking brengt. Wie hij is? – wel, hij is overal te huis; – hij is soldaat, liedjeszanger, en reizende ketellapper geweest, en nu is hij bedelaar. Ons dwaas volkje in de buurt bedierf hem, door om zijn grappen te lachen en steeds de kwinkslagen van Adam Ochiltree in den mond te hebben.”

„Hij is zonder twijfel zeer vrijmoedig, en dat is toch de ziel van de geestigheid.”

„O ja, vrijmoedig genoeg; hij bedenkt altijd de een of ander verwenschte, onwaarschijnlijke leugen, om iemand te sarren, zoo als die wartaal, welke hij zoo even uitsloeg; – niet, dat ik mijn verhandeling in het licht zal geven, eer ik de zaak grondig onderzocht heb.”

„In Engeland,” zei Lovel, „zou men zulk een bedelaar weldra den mond stoppen.”

„Ja, uw diakens en dienders met hun geesel, zouden weinig toegeeflijkheid voor zijn luimen toonen. Maar hier, waarachtig, is hij een soort van bevoorrechte kwelgeest; een der laatste staaltjes van den voormaligen Schotschen bedelaar, die zich tot een bepaalde streek beperkte, en de nieuwskramer, de liedjeszanger, en soms de geschiedkundige van het land was. Die schelm daar, kent meer oude balladen en overleveringen, dan eenig ander mensch in dit of de vier omliggende gemeenten. En, alles samengenomen,” vervolgde hij, bedarende, bij de opsomming van Adams goede eigenschappen, „de kerel heeft toch ook iets goeds. Hij droeg zijn hard lot steeds met frisschen moed, en het zou wreed zijn hem den troost te misgunnen van zich over zijn meer gelukkige medemenschen vroolijk te maken. Het genoegen om mij voor het lapje gehouden te hebben, zoo als gij jonge heeren het noemen zoudt, zal voor hem een paar dagen lang zoo goed als spijs en drank zijn. Maar ik moet terugkeeren, om hem op te zoeken, of hij zal zijn vervloekte praatjes het halve land door verspreiden.”

Met dit gezegde namen de twee vrienden afscheid van elkander; de heer Oldbuck ging naar zijn hospitium te Monkbarns, en Lovel vervolgde zijn weg naar Fairport, waar hij, zonder eenige verdere ontmoeting, aankwam.

VIJFDE HOOFDSTUK

Launcelot Gobbo. Geef acht! Nu zal ik een storm opwekken.

De koopman van Venetië.

De voorstellingen in den schouwburg te Fairport waren begonnen; maar er verscheen geen Lovel op het tooneel; ook was er eigenlijk niets in de kleeding of in het gedrag van den jongen heer van dien naam, dat den heer Oldbuck recht gaf te gissen, dat zijn reisgenoot als tooneelspeler om de volksgunst dingen wilde. De oudheidkenner ondervroeg geregeld een ouden barbier, die de eenige pruiken, welke nog, in weêrwil van de belastingen [9] en den heerschenden smaak, in het stadje gekruld en gepoederd werden, opmaakte, en tot dat einde zijn tijd tusschen de drie klanten verdeelde, die de mode hem overgelaten had; – geregeld, zeg ik, vroeg de heer Oldbuck dezen man, wat nieuws het tooneel van Fairport opleverde? dagelijks verwachtende, dat hij de aanstaande optreding van den heer Lovel vernemen zou, als wanneer hij besloten had, zich, ter eere van zijn jongen vriend, op onkosten te jagen, en niet alleen zelf naar den schouwburg te gaan, maar er zijn zuster en nicht ook heen te brengen. Doch de oude Jacob Caxon meldde hem niets, wat hem tot den gewichtigen stap van plaatsen te bespreken, kon verleiden.

Hij berichtte integendeel, dat er zich te Fairport een man ophield, die een raadsel was voor de gansche stad (waardoor hij de ledigloopers verstond, die, bij gebrek van eigen bezigheden, zich met die van anderen bemoeien). Hij zocht geen omgang, maar vermeed veeleer dien, welke hem, wegens zijn goede manieren, en wellicht ook uit nieuwsgierigheid, aangeboden werd.

Niets kon geregelder zijn, of geleek minder op een fortuinzoeker, dan zijn wijze van leven, die zoo eenvoudig, maar tevens zoo geregeld was, dat allen, met wie hij te doen had, hem als uit één mond prezen.

„Dit zijn geen deugden van een tooneelheld,” dacht Oldbuck bij zich zelven, en hoewel door gewoonte hardnekkig in zijn eenmaal opgevatte gevoelens, had hij ze nochtans in dit geval moeten laten varen, zoo niet Caxon, onder anderen gezegd had dat: „men soms den jongen heer in zijn eenzaamheid hardop hoorde spreken, en in zijn kamer rondstappen, juist alsof hij tot den troep behoorde.”

Deze éénige omstandigheid echter uitgezonderd, was er niets, dat den heer Oldbuck in zijn gevoelen bevestigen kon; en het bleef steeds een hoogstbelangrijke en raadselachtige vraag, wat een welopgevoed jonkman, zonder vrienden, zonder betrekkingen, en zonder eenige beroepsbezigheden, te Fairport te doen had. Hij scheen even weinig smaak te vinden in het drinken van Portwijn, als in het whist-spelen. Hij bedankte er voor, aan de tafel der afdeeling vrijwilligers, die onlangs opgericht was, te eten, en hij weigerde de feesten bij te wonen der beide partijen, die toen het stadje Fairport, gelijk andere meer voorname plaatsen, verdeelden. Hij was te weinig aristocraat, om zich bij het genootschap der Koninklijke Echtblauwen te voegen, en niet democraat genoeg, om zich met de vereeniging der zich noemende Vrienden van het Volk te verbroederen, die de stad insgelijks het geluk had in haar midden te bezitten. Van de koffijhuizen had hij een bepaalden afkeer, en, ik zeg het met leedwezen, voor de theegezelschappen gevoelde hij geen grootere sympathie. In het kort: sedert de naam van Lovel in romans en schouwspelen gebruikt werd, en dit is reeds lang, is er nooit een heer Lovel geweest, van wien men zoo weinig stelligs wist, en die zoo algemeen alleen door negatieve hoedanigheden uitmuntte.

Maar er was één zeer gewichtige negatieve hoedanigheid onder: niemand wist iets ten nadeele van den heer Lovel; want had er het minste bestaan, dan was het weldra ruchtbaar geworden, daar de natuurlijke zucht, om kwaad van zijn buren te spreken, in dit geval, niet zou gematigd zijn geworden door eenig medelijden met zulk een ongezellig schepsel als hij was. Één omstandigheid maakte hem echter eenigzins verdacht. Bij zijn eenzame wandelingen werd zijn potlood veel gebruikt, en uit meer dan één gezichtspunt had hij de haven van Fairport met den seintoren, ja zelfs met de batterij van vier stukken er bij afgeteekend, wat van eenige kwaadwilligen het gerucht hadden doen uitgaan, dat de geheimzinnige vreemdeling zeker een Fransche spion was. De Sheriff maakte dus bij den heer Lovel zijn opwachting; maar na dit bezoek scheen deze alle vermoedens bij den overheidspersoon te hebben doen verdwijnen, daar deze hem niet alleen verder ongestoord liet, maar ook, zoo als geloofwaardige berichten meldden, tweemaal aan zijn tafel noodigde, waarvoor Lovel echter telkens beleefd bedankte. Den aard nochtans van het gehouden gesprek hield de magistraatspersoon geheim, zoowel voor het publiek in het algemeen, als voor zijn substituut, zijn klerk, zijn vrouw en zijn twee dochters, die anders zijn geheime raad uitmaakten in alle zaken, die tot zijn ambt behoorden.

Daar al deze bijzonderheden door Caxon getrouw aan zijn patroon overgebracht werden, rees Lovel in de achting van zijn voormaligen reisgenoot. „Een bescheiden, verstandig jongmensch,” zei hij bij zichzelven, „die het beneden zich acht in de dwaasheden en ongerijmdheden van het volkje van Fairport te deelen. Ik moet iets voor hem doen, – ik moet hem ten eten noodigen. – Ik zal Sir Arthur schrijven op Monkbarns te komen, om kennis met hem te maken; ik moet dit evenwel met mijn vrouwenvolk overleggen.”

Na gehouden raadsvergadering, werd er een bijzondere bode, namelijk niemand anders dan Caxon zelf besteld, om naar het Kasteel van Knockwinnock te gaan, met een brief „voor den Hoogwelgeboren Heer Arthur Wardour van Knockwinnock, Baronet.” De inhoud daarvan luidde aldus:

„Mijn waarde Sir Arthur!

„Dinsdag den 17den dezer, s. n. houd ik een Caenobitisch symposion op Monkbarns, en ik verzoek u, met klokslag van vier, daarbij tegenwoordig te wezen. Kan en wil mijn schoone vijandin, Freule Isabella, ons de eer aandoen van u te vergezellen, zoo zal mijn vrouwenvolk maar al te trotsch zijn op de hulp van zulk een bondgenoote in zaken van weêrstand tegen wettige tucht en rechtmatig oppergezag. Zoo niet, zend ik mijn vrouwen dien dag naar de pastorij. Ik heb een jongen vriend, dien ik u wenschte voor te stellen, wiens aard boven de lichtzinnigheid van dezen tijd verheven is, – die ouderen van dagen eerbiedigt, en tamelijk wel bekend is met de klassieke schrijvers. – En daar zulk een jongeling een natuurlijken afkeer van het volkje te Fairport hebben moet, wenschte ik hem in eenig niet minder verstandig dan vereerend gezelschap te brengen. Ik ben, waarde Sir Arthur; enz. enz. enz.”

„Haast u met dezen brief, Caxon!” zei de oude heer, terwijl hij hem het stuk signatum atque sigillatum voorhield; „spoed u naar Knockwinnock, en breng antwoord terug. Ga zoo snel, alsof de vergaderde Stads-Raad op den Provoost, en de Provoost op u en zijn versch gepoederde pruik zat te wachten.”

„Och, mijnheer,” antwoordde de bode, met een diepen zucht, „die tijden zijn lang voorbij. Geen Provoost van Fairport heeft een pruik gedragen na den tijd van den ouden Provoost Jervie, – en die had nog een heks van een meid, die de pruik opmaakte met behulp van een eindje kaars en wat meel. Maar mij heugen de dagen, Monkbarns, dat de Stedelijke-Raad van Fairport veel liever hun stadsschrijver, of hun slokje brandewijn na de zittingen zou gemist hebben, dan elk hunner een bepoederde, goed gekrulde eerbiedwaardige pruik op zijn hoofd! Och, mijnheer, geen wonder, dat de gemeente ontevreden is en zich tegen de wet verzet, als men de Raadslieden de Baljuwen, de Dekens en de Rechters zelven, met hoofden ziet, zoo naakt en kaal als mijn pruikebol.”

„En van binnen even goed voorzien, Caxon! Maar pak je weg; – gij doorziet de openbare aangelegenheden zeer goed, en hebt zeker de oorzaak van onze volksonlusten even juist gevat als de Provoost zelf het zou kunnen doen. Maar pak je nu weg, Caxon!”

En Caxon vertrok, en begon zijn tocht van ongeveer een uur gaans.

„Hij hompelde – maar ’t hart was koen: Hij deed zijn best, – kon hij meer doen?”

Terwijl hij den heen- en terugtocht aflegt, zal het niet ongepast zijn, dat wij den lezer eenigzins bekend maken met den voornamen heer, bij wien hij als afgezant geaccrediteerd was.