De oudheidkenner

Part 3

Chapter 33,745 wordsPublic domain

Er verliep, inderdaad, eenigen tijd, eer Lovel door den dikken dampkring onderscheiden kon, welk soort van hol zijn vriend tot zijn verblijf had uitgekozen. Het was een kamer met een hooge verdieping en van middelbare grootte, slechts verlicht door hooge en nauwe tralievensters. Het eene einde daarvan was geheel bezet met boekenkasten, veel te klein voor het aantal der daarin geplaatste boekdeelen, die daarom in twee en drie rijen achter elkander gedrongen stonden, terwijl ontelbare anderen over den vloer en op de tafels, tusschen een mengelmoes van landkaarten, teekeningen, perkamentsnippers bundels papier, stukken van oude wapenrustingen, zwaarden, dolken, helmen en Hooglandsche schilden verstrooid lagen. Achter den zetel van den heer Oldbuck (een oude met leder overtrokken armstoel, tamelijk afgesleten door lang gebruik,) stond een ongemeen groot eikenhouten kabinet, op welks hoeken Hollandsche cherubijnen met groote hoofden en scheeve troniën tusschen twee kleine, uitgespreide eendenvleugeltjes, pronkten. De bovenste kap was versierd met borstbeelden, Romeinsche lampen en offerschalen, waaronder ook een paar bronzen beelden prijkten. De muren van het vertrek waren gedeeltelijk behangen met afzichtelijke, oude tapijten, die het beroemde bruiloftsfeest van den Ridder Gaweine [3] voorstelden, en waarbij men de leelijkheid van de bruid [4] volkomen recht had laten wedervaren; ofschoon de Ridder, naar zijn uiterlijk voorkomen te oordeelen, wat het gebrek aan schoonheid der dame betreft, minder reden tot klagen had, dan hem de dichter schijnt toegekend te hebben. Het overige gedeelte der kamer was beschoten met zwart eikenhout, waartegen twee of drie mannen-portretten in volle wapenrusting hingen, – Oldbuck’s lievelingshelden uit de Geschiedenis van Schotland, – en even zoo vele starende gezichten met pruiken en gegalonneerde rokken van zijn eigen voorouders. Een groote, ouderwetsche tafel was bedekt met een menigte papieren, perkamenten, boeken en allerhande kleinigheden, die zich door niets schenen aan te bevelen, dan door den roest en de oudheid, welke ze kenmerkte. Te midden dezer verwarde mengeling van oude boeken en gereedschappen, zat, ernstig als Marius op de puinhoopen van Karthago, een groote zwarte kat, die in het oog van een bijgeloovig mensch zeer goed den genius loci, den beschermgeest van het vertrek zou hebben kunnen voorstellen. De vloer, zoo wel als de tafel en alle stoelen was door hetzelfde mare magnum van oude vodden overstroomd, waaronder het even onmogelijk zou geweest zijn, eenig benoodigd artikel te vinden, als om het te gebruiken, wanneer men het gevonden had.

Het viel dus niet gemakkelijk, door dezen verwarden boel den weg naar een stoel te vinden, zonder over een foliant te struikelen, of nog meer gevaar te loopen van het een en ander stuk Romeinsch, of oud Engelsch aardewerk omver te werpen. En als men eindelijk den stoel bereikt had, moest men dien nog voorzichtig ontlasten van plaatwerken, die licht te beschadigen waren, en van oude sporen en gespen, die den onvoorzichtigen bezoeker zelven beschadigd zouden hebben. De oudheidkenner maakte den heer Lovel vooral hierop opmerkzaam, er bijvoegende, dat zijn vriend, de heer Professor Zwaar-op-de-hand, uit de Nederlanden, zich eens ernstig bezeerd had, door zich onvoorzichtiglijk neder te zetten op drie oude scherpe ijzeren angels, uit het moeras bij Bannockburn opgedolven, die Robert Bruce gebruikt had, om over den grond te strooien, en de paarden der Engelsche ruiterij dus kreupel te maken, en op boven beschreven wijze ook voorbestemd waren om een geleerden Utrechtschen professor gevoelig te kwetsen.

Lovel kwam eindelijk te recht, en veilig op zijn stoel gezeten, betoonde hij zich niet minder begeerig, om de vreemde voorwerpen die hem omringden nader te leeren kennen, dan zijn gastheer, om ze hem te verklaren. Hij toonde hem eerst een groote knots, van onderen met een ijzeren pen voorzien, welke voor eenigen tijd gevonden was op het goed van Monkbarns, nabij een oude begraafplaats. Deze knots geleek bijzonder veel op een van die knuppels, waarvan zich de Hooglandsche maaiers, bij hun jaarlijksche tochten uit hun bergen, bedienen. Maar de heer Oldbuck was zeer geneigd te gelooven, daar ze een eenigszins vreemden vorm had, dat ze een dier knotsen was, waarmede de monniken hun boeren, in plaats van met andere wapenen, plachten uit te rusten; om welke reden merkte hij aan, men die lieden colve carles of kolf-kerels, dat is, clavigeri, noemde. Ter staving hiervan, haalde hij de Kronijk aan van Antwerpen en van St. Martijn, waartegen Lovel niets in te brengen had, daar hij die werken thans voor het eerst hoorde noemen.

De heer Oldbuck vertoonde vervolgens eenige duimschroeven, die men in vroegere dagen ter bestraffing der Covenanters gebruikt had, als ook een halsband met den naam van een roover er op, dien men tot straf, zooals het opschrift luidde, in eigendom toegekend had aan een naburigen edelman. „Een andere wijze van straffen,” zei de heer Oldbuck, „dan die van onze hedendaagsche Schotsche wet, welke dergelijke schelmen het land uit zendt, om Engeland door hun arbeid, en zich zelven door hun behendigheid te verrijken.” Veelvuldig en verscheiden waren de zeldzaamheden, die hij verder liet zien; maar vooral was hij trotsch op zijn boeken, en zijn gast naar de volgepropte en stoffige boekenkasten geleidende, zei hij met een zeker welgevallen de verzen van den ouden Chaucer op:

„Want hij verkoos bij ’t bed veeleer Een twintig zwarte of roode banden Van Aristot’les leer voorhanden, Dan psalter, lier of rijke kleêr’.”

De maat van deze schoone regels, gaf hij door een beweging van het hoofd aan, en hij sprak alle keelletters met den echt Angelsaksischen tongval uit, die nu in het zuidelijke gedeelte van Schotland bijna verloren gegaan is.

De verzameling was inderdaad zeldzaam, en geschikt om den nijd van een liefhebber op te wekken. Nochtans was die niet aangekocht tegen de ongehoorde prijzen der hedendaagsche tijden, die den vurigsten zoo wel als den eersten der bibliomanen afgeschrikt zouden hebben van wie wij ooit hoorden, – namelijk niemand anders dan den beroemde Don Quichot de la Mancha, van wien zijn geloofwaardige geschiedschrijver, Cid Hamet Benengelie, onder andere blijken van zijn krankzinnigheid, aanvoert, dat hij landerijen en pachthoeven tegen ridderboeken in folio en kwarto verruilde. In deze heldendaden wordt de goede dolende ridder door onze hedendaagsche baronnen en graven nagevolgd: ofschoon wij nog niet vernomen hebben, dat iemand hunner een herberg voor een kasteel aanzag, of zijn lans tegen een windmolen richtte.

De heer Oldbuck nam deze kunstverzamelaars en hun buitensporige uitgaven niet tot voorbeeld; maar daar hij vermaak in den arbeid vond zelf zijn boeken te zoeken, spaarde hij zijn beurs ten koste van tijd en moeite. Hij was geenszins een aanmoediger van die doortrapte, peripatetische bemiddelaars, die zich als makelaars tusschen den onbekenden boekhandelaar en den gretigen liefhebber opwerpen, en ter zelfder tijd hun voordeel vinden bij de onwetendheid van den één, en de duur verkregen kunde en den smaak van den ander. Als men van dergelijke lieden in zijn bijzijn sprak, toonde hij gewoonlijk aan, hoe noodzakelijk het was, de voorwerpen zijner begeerte bij de eerste ontdekking in beslag te nemen, en verhaalde dan zijn lievelingsgeschiedenis van den Snuifneus-David en Caxton’s Schaakspel. – „David Wilson,” – „David Wilson,” zei hij, „in de wandeling genaamde Snuifneus-David, wegens zijn verslaafdheid aan zwarte rappé, won het allen af in het doorsnuffelen van donkere holen, kelders en stalletjes, waar zeldzame boeken te vinden waren. Hij had den neus van een speurhond, mijnheer, en was vasthoudend als een bulhond. Hij kon een oude ballade, in Gothische letter, uit een drom staatspapieren halen, en een editio princeps onder het masker van een schoolboek ontdekken. Snuifneus-David kocht het Schaakspel, 1474, – het eerste boek, dat in Engeland gedrukt werd, – in een Hollandsch winkeltje voor ongeveer drie stuivers. Hij verkocht het aan Osborn voor twintig pond sterling, en deze deed het weder aan Dr. Askew over voor zestig guinjes. Maar op de verkooping van Dr. Askew’s bibliotheek,” vervolgde de oude heer met steeds toenemend vuur, „blonk dit onschatbaar kleinood in zijn vollen luister uit, en werd door een koninklijken liefhebber zelven voor honderd-zeventig pond gekocht! Deed er zich nu slechts een exemplaar op!” riep hij, met een diepen zucht en gevouwen handen, uit: „God alleen weet, wat het gelden zou, en nochtans kreeg men het oorspronkelijke door kennis en navorsching, voor de geringe waarde van nog geen dubbeltje in handen! Gelukkige, dikwerf gelukkige Snuifneus-David! en gezegend de tijd, toen uw vlijt zoo mocht beloond worden!” [5]

„Ik zelf, mijnheer,” ging hij voort, „hoewel ver beneden dien grooten man in vlijt, doorzicht en tegenwoordigheid van geest, kan u eenige weinige, zeer weinige voorwerpen toonen, waarmede ik mijn verzameling verrijkte, niet door kracht van geld, zoo als sommige vermogenden doen, – die, naar het zeggen van mijn vriend Lucianus, dikwijls slechts hun goudstukken wegwerpen, om hun onwetendheid aan den dag te leggen; – maar verkregen op een wijze, die u zal doen zien, dat ik op dit stuk ook niet onervaren ben. Beschouw dezen bundel Balladen, waarvan niet één van lateren tijd is dan 1700, en ettelijke er van honderd jaren ouder zijn. Ik heb ze uit de handen eener oude vrouw gekregen, die ze liever had, dan haar psalmboek. Wat rook- en snuiftabak, mijnheer! en het werkje: „de Volmaakte Sireen,” waren de koopprijs! – Om dit weinig verminkte exemplaar van „de Klachte van Schotland” meester te worden, heb ik twee dozijn flesschen sterke ale gedronken met den laatsten geleerden eigenaar er van, die het mij, uit erkentelijkheid, bij uitersten wil vermaakte. – Deze twee Elzeviers zijn de gedenkteekens en trofeën van menige wandeling ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat door het Cowgate, het Canongate en het Bow, door St. Mary’s Wynd, in ’t kort, overal, waar ik maar gissen kon, dat uitdragers en kooplieden in ’t klein in allerlei zeldzame en belangrijke dingen, te vinden waren. Hoe dikwijls heb ik niet een stuivertje staan afdingen, – uit vrees dat, door een te snel berusten in den gevraagden prijs, de koopman de waarde vermoeden zou, die ik aan het voorwerp hechtte! – hoe heb ik niet gesidderd bij de gedachte, dat de een of ander voorbijganger binnenkomen en mij overbieden zou! In elken armen student in de godgeleerdheid, die stil hield, om de uitgekraamde boeken te bekijken, geloofde ik een mededingenden liefhebber, of verkleeden, hebzuchtigen boekhandelaar te zien. – En dan, mijnheer Lovel, het stille genoegen, waarmede men het bedongene betaalt, en de gekochte zeldzaamheid, schijnbaar onverschillig, in den zak steekt, terwijl de hand van blijdschap beeft! – Ook om het oog van onze rijkere en ijverzuchtige mededingers te verblinden, wanneer men hun zulk een schat als dezen, („een klein zwart berookt boekje, ter grootte ongeveer van een spaboekje, opnemende”) laat zien, – wanneer men hun verwondering en afgunst beschouwt, terwijl men onder den sluier der geheimzinnigheid zijn eigene meerdere kennis en behendigheid verbergt, – dit, mijn jonge vriend, dit zijn de zalige oogenblikken des levens, die den arbeid, de moeite en de onafgebroken oplettendheid vergoeden, welke ons beroep, meer dan eenig ander, zoo bijzonder eischt!”

Lovel schiep er niet weinig vermaak in den ouden heer dus te hooren doordraven, en, hoewel onbekwaam, om de geheele waarde van hetgeen hij zag te erkennen, bewonderde hij nochtans, boven verwachting, de onderscheidene schatten, die Oldbuck hem aanwees. Hier stonden uitgaven, hoog geschat omdat ze de eerste, – daar anderen, weinig minder in aanzien, omdat ze de laatste en beste waren. Hier had een boek waarde, omdat het de laatste verbeteringen van den schrijver bevatte; daar was een ander (zonderling genoeg) gezocht, omdat die er aan ontbraken. Het één was kostbaar als foliant, het andere als duodecimo; eenige boekdeelen hadden bijzondere waarde, omdat zij lang, anderen, omdat zij kort waren. Van het één bestond de verdienste in de titelplaat, van het tweede in de letters, waarmede het woord Finis gedrukt was. Er was, naar het scheen, geen bijzonderheid, hoe gering en nietsbeduidend ook, welke het boek geen waarde bijzette, mits het slechts het onvermijdelijk vereischte bezat van „zeldzaam” of „schaarsch” te zijn.

Aantrekkelijk vooral was het oorspronkelijk geschriftje: „De laatste Woorden, de Bloedige Moord, of het Wondervolste Wonder der Wonderen,” den oorspronkelijken, gehavenden omslag, zoo als het door de straten gevent en voor den goedkoopen en geringen prijs van een stuiver verkocht werd, ofschoon het thans tegen goud opwoog. Over deze en soortgelijke werken weidde de oudheidkenner met geestdrift uit, en las, vol verrukking, de uitvoerige titels voor, die even veel overeenkomst hadden met den inhoud, als de geschilderde afbeeldsels vóór een beestenspel met de dieren, die er binnen vertoond worden. De heer Oldbuck was bijzonder ingenomen met het bezit van een boekje, dat hij eenig in zijn soort noemde, en waarvan de titel luidde: „Seldsaem ende miraculeus Beright uit Shipping-Morton, in het Graefschap Oxfort, van zeekere verschrickelijcke apparitiën, die daer in de lucht gezien zijn op den 26 Julij A.D. 1610, des middags te half tien ueren, ende voortgheduert hebben tot elf ueren, in welken tussenteit men gesien heeft meinighte vlammende swaerden, vremde bewegingen in den boven Atmospheer, met ongewone fonkelingen der sterren, ende verdere verschrickelijke gevolgen: alsmede een verhael van het openen des hemels ende der vremde verschijnselen, die sich daer in vertoont hebben, met vele andere prodigieuse circumstantiën, nooit gesien ofte gehoort, tot groote verbasinghe der toeschouwers, so als het beschreven staat in een epistel aen seeckeren heer Colley, wonende in West-Smithfield, ende veroircond wordt door Thomas Brown, Elizabeth Greenaway, ende Anna Gutheridge, die ooggetuighen geweest sijn van deze verschrickelijcke apparitiën, – ende indien iemant sich verder soude willen overtuighen van de waerheit van dit verhael, die kan sich vervoeghen ten huise van den heere Nightingal, in de herberg de Beer, in West-Smithfield, waar hij volkomen gecontenteerd sal worden.” [6]

„Gij lacht hierom,” zei de eigenaar der verzameling, na het eindigen van dezen ellenlangen titel; „maar ik vergeef het u. Ik beken, dat de bekoorlijkheden, waarop wij verliefd zijn, de jeugd niet zoo zeer in de oogen vallen, als die van een schoone dame; maar gij zult wijzer worden en juister leeren zien, als gij een bril draagt. – Maar wacht een oogenblik: ik heb nog één gedenkstuk der oudheid, dat gij misschien beter zult weten te waardeeren!”

Met deze woorden, opende de heer Oldbuck een schuiflade, en nam er een bos sleutels uit: vervolgens schoof hij een stuk tapijt weg, dat de deur van een kast in den muur bedekte, waarin hij langs vier steenen trappen neêrdaalde, en bracht, na eenigen tijd tusschen flesschen en kannen gerammeld te hebben, twee hooge wijnroemers te voorschijn, zoo als men die op de stukken van Teniers ziet, en een kleine flesch met hetgeen hij echten, besten Canarie-sec noemde, benevens een stukje koek op een klein zilveren presenteerblad van zeer oud en buitengemeen fraai maaksel. „Ik zal niet spreken van het blaadje,” zei hij, „ofschoon men zegt, dat het door dien dollen ouden Florentijner, Benvenuto Cellini, gemaakt is. Maar, mijnheer Lovel, onze voorouders dronken Canarie-sec, – gij, die een bewonderaar zijt van de tooneelkunst, zult weten, waar dat geschreven staat. Nu, op het welslagen uwer ondernemingen te Fairport!”

„En u, mijnheer, wensch ik een rijke vermeerdering van uw schat, met slechts zoo veel moeite van uw kant, als noodig is om uw aanwinsten waarde bij te zetten.”

Na deze versterking, die geheel strookte met het genoten vermaak, stond Lovel op, om afscheid te nemen, en de heer Oldbuck maakte zich gereed, om hem een eind op zijn wandeling naar Fairport te vergezellen, en hem onderweg iets merkwaardigs te toonen.

VIERDE HOOFDSTUK

De listige Karel kwam me over de weide Met buigende groeten eerbiedig ter zijde En sprak: beste heer! och wees toch zoo goed, En huisvest eenen armen, ouden bloed.

De oude bedelaar.

Onze beide vrienden gingen langzaam door een kleinen boomgaard, welks oude, rijk beladen appelboomen bewezen, wat men in de nabijheid der meeste kloosters gewoonlijk opmerken kan, namelijk dat de monniken hun tijd niet altijd in ledigheid doorbrachten, maar dikwerf ook aan boom- en tuinteelt toewijdden. De heer Oldbuck verzuimde niet Lovel te doen opmerken, hoe de toenmalige planters het hedendaagsch geheim bezaten, om door het plaatsen van steenen onder den boom, hem te beletten te diep wortels in den grond te schieten, en ze dus te dwingen, een zijdelingsche richting te nemen. „Deze oude boom,” zei hij, „die verleden zomer omver woei, en nog, ofschoon half ter aarde gebogen, met vruchten bedekt is, heeft, zoo als gij ziet, zulk een steenlaag er onder. Van dezen anderen boom verhaalt men eene geschiedenis: de vrucht er van heet de abtsappel, waarin de echtgenoote van een naburigen baron zoo veel smaak vond, dat ze dikwijls Monkbarns bezocht, om het genoegen te smaken zelve van die vrucht te plukken. De baron, waarschijnlijk een ijverzuchtig man, vermoedde, dat een smaak, die zoo veel overeenkomst, had met dien van moeder Eva, ook een dergelijken val voorspelde. Maar, de eer van een adellijk geslacht is er in betrokken; en ik zal er dus niets meer van zeggen, dan dat de goederen van Lochard en Cringlecut nog jaarlijks een bepaalde schatting in gerst moeten opbrengen, om de misdaad van hun roekeloozen eigenaar te boeten, die den abt en zijn biechtdochter met zijn wereldsche vermoedens en hartstochten durfde lastig vallen. Het kleine klokkenhuisje, dat zich boven het gindsche met klimop bedekte portaal verheft, verdient uw opmerking; – er was hier een hospitium, hospitale, of hospitamentum, (want het komt in de oude geschriften en akten dus verschillend geschreven voor), waarin de monniken de pelgrims plachten op te nemen. – Ik weet wel, onze dominé zegt, in zijn „Statistiek bericht,” dat het hospitium gelegen was op de landerijen van Haltweary, of op die van Halfstarvet; maar dat is niet juist, want, – maar dit is de poort, die nog steeds de Pelgrimspoort genoemd wordt, en mijn tuinman vond, toen hij den grond voor de winterselderij omspitte, nog vele gehouwen steenen, waarvan ik eenige als proeven gezonden heb aan mijn geleerde vrienden, en aan de verschillende oudheidkundige genootschappen, van welke ik een onwaardig lid ben. Maar ik wil daar nu niet verder over uitweiden, ik bewaar iets voor een volgend bezoek, en wij naderen hier een voorwerp, dat wezenlijk belangrijk is!”

Terwijl hij dus sprak, gingen ze door een paar schoone weiden naar een open heidevlakte, en vandaar kwamen zij op den top van een geringe hoogte. „Dit,” zei hij, „mijnheer Lovel, is een waarlijk merkwaardige plek.”

„Ze levert een schoon gezicht op, antwoordde zijn makker, in het rond ziende.

„Dat is zoo: maar daarom was het niet, dat ik u hier heen bracht; ziet gij niets anders opmerkingswaardigs? – Niets op de oppervlakte van den grond?”

„Wel ja! ik zie iets, dat half en half op een gracht gelijkt.”

„Half en half! – Vergeef mij, mijnheer, dat moet aan uw oogen liggen, – niets kan duidelijker zijn! – een echte agger of vallum, met de gracht, of fossa. Onduidelijk! wel, mijn hemel! die deerne, mijn nicht, zulk een lichtzinnig gansje als maar alleen onder het vrouwenvolk te vinden is, heeft dadelijk de sporen der gracht herkend! Onduidelijk! Ja, de groote legerplaats te Ardoch, of die te Burnswark in Annandale kan men zonder twijfel duidelijker zien, omdat ze vaste verschansingen zijn, terwijl deze legerplaats hier slechts tijdelijk was. Onduidelijk! maar gij dient te begrijpen, dat dwazen, boeren en domkoppen het land omgeploegd, en als stomme dieren en onbeschaafde wilden twee zijden van den vierhoek verbroken, en de derde zijde voor een groot gedeelte beschadigd hebben; maar de vierde zijde, zoo als gij zelf ziet, is nog volkomen in haar geheel!”

Lovel trachtte zich te verontschuldigen en zijn eerste gezegde goed te maken, door gebrek aan ondervinding voor te wenden. Maar hij slaagde niet dadelijk. Zijn eerste antwoord was te gul en te natuurlijk geweest, om den oudheidkenner niet te verontrusten, en deze kon niet zoo spoedig den indruk vergeten, dien het op hem gemaakt had.

„Mijn waarde heer!” vervolgde hij, „uw oogen ontbreekt het niet aan ondervinding; gij kunt, veronderstel ik, een gracht wel van een vlakte onderscheiden? Onduidelijk! wel, het gemeene volk, zelfs de kleinste jongen, die een koe kan hoeden, noemt de plaats Kaim van Kinprunes, en als Kaim niet kamp beteekent, weet ik het niet.”

Daar Lovel dit toestemde, en eindelijk slaagde om de opgewekte en achterdochtige ijdelheid van den oudheidkenner in slaap te wiegen, vatte deze weder zijn taak van Cicerone op. „Onze Schotsche oudheidkundigen,” zei hij, „moet gij weten, zijn zeer verdeeld geweest omtrent de plaats van den laatsten veldslag tusschen Agricola en de Caledoniërs; – eenigen noemen Ardoch in Strathallan, eenigen Innerpeffrey, eenigen de Raedijken in Mearns, en eenigen brengen het krijgstooneel zoo ver noordwaarts als Blair, in Athole. En nu, na al dat onderzoek,” vervolgde de oude heer, terwijl hij een zijner slimste en meest zelftevreden blikken op Lovel wierp, „wat zoudt gij er van denken, mijnheer Lovel, – ik zeg, zoudt gij er van denken, – als deze gedenkwaardige slag voorgevalen ware hier, op deze zelfde plek, het kamp van Kinprunes genaamd, op de landerijen van den onbekenden, geringen persoon, die nu tot u spreekt?”

Hij zweeg een oogenblik, om zijn gast gelegenheid te geven, deze mededeeling in al haar gewicht te beseffen, en vervolgde dan, zijn stem verheffende: „Ja, mijn goede vriend, ik vergis mij zeer, als deze plaats niet overeenstemt met al de beschrijvingen van dat beroemde krijgstooneel. Het was nabij de Grampian-bergen; – eilieve! zie, hoe ze zich ginds aan den gezichteinder in de wolken verliezen! – het was in conspectu classis, in het gezicht van de Romeinsche vloot; en kon eenig vlootvoogd, Romein of Brit, een schoonere baai vinden, om er in te stevenen, dan die dáár, aan uw rechterhand? Men moet zich verwonderen, dat wij, oudheidkenners van beroep, soms zoo blind zijn. Sir Robert Sibbald, Saunders Gorden, de Generaal Roy, Dr. Stukely, wel nu, – het ontging hun allen! – Ik wilde er geen woord van reppen, vóór ik mij van den grond verzekerd had; want die behoorde aan den ouden pachter Jan Howie, hier in de buurt, en het heeft lang geduurd, eer wij het eens konden worden. Eindelijk, – ik schaam mij haast het te zeggen, – besloot ik, om akker tegen akker van mijn bouwland voor zijn dorre plek te geven. Maar het was een nationaal belang; en toen het tooneel van zulk een beroemde gebeurtenis mijn eigendom werd, was ik meer dan genoeg betaald. – Wiens vaderlandsliefde, zegt de oude Johnson, zou niet blaken op de vlakte van Marathon? Ik liet aanvankelijk den grond omspitten; en den derden dag mijnheer Lovel, vonden wij een steen, dien ik naar Monkbarns heb laten overbrengen, om er in gips een afgietsel van te maken. Men ziet er een offervaas op met de letters A. D. L. L., die zonder ver te zoeken, beteekenen: Agricola Dicavit Libens Lubens.”

„Gewis, mijnheer, want de Nederlandsche oudheidkenners verklaren Caligula voor den stichter van een vuurtoren, enkel op het gezag der letters C. C. P. F., welke zij uitleggen: Cajus Caligula Pharum Fecit.