Part 2
De eerste Oldenbuck, die zich kort na de Hervorming in Schotland neêrzette, stamde, naar hun verzekering, af van een der eerste Duitsche boekdrukkers, en had zijn land verlaten, wegens de vervolgingen, waaraan de belijders van den hervormden godsdienst blootgesteld waren. In de stad, in welker nabijheid nu zijn nageslacht woonde, had hij des te gemakkelijker plaats gevonden als martelaar voor de zaak der Protestanten, omdat hij geld genoeg medebracht, om het kleine landgoed Monkbarns te koopen, dat hem toen werd aangeboden door een te grond gerichten edelman, aan wiens vader men het, benevens andere kerkelijke goederen, gegeven had, bij de opheffing van het groote en rijke klooster, waartoe het behoord had.
De Oldenbucks betoonden zich dus getrouwe onderdanen bij alle oproeren; en, daar ze in goede verstandhouding met de stedelingen leefden, werd een der heeren van Monkbarns, in het noodlottige jaar 1745, provoost der stad. Hij trok ook vurig partij voor Koning George, en deed daarbij uitgaven, die hem, overeenkomstig het mild gedrag van het toenmalige Gouvernement jegens zijn vrienden, nimmer vergoed werden. Met veel moeite verkreeg hij echter een plaats bij de ontvangsten der in- en uitgaande rechten, en daar hij een zuinig en oppassend man was, gelukte het hem, zijn vaderlijk vermogen aanzienlijk te vermeerderen.
Hij had slechts twee zonen, van wie, zoo als wij te kennen gaven, de tegenwoordige heer van Monkbarns de jongste was, en twee dochters, van welke de oudste nog steeds ongehuwd leefde, terwijl de andere, veel jeugdiger, uit genegenheid een kapitein van het twee-en-veertigste regiment trouwde, die niets bezat dan zijn officiers-patent en een Hooglandschen stamboom. De armoede verbitterde een huwelijk, dat de liefde anders gelukkig zou gemaakt hebben; en kapitein M’Intyre had zich, om den wille van vrouw en kinderen, verplicht gevoeld, zijn geluk in Oost-Indië te zoeken. In een tocht tegen Hyder Ali werd de afdeeling, waartoe hij behoorde, afgesneden, en zijn ongelukkige vrouw kreeg nimmer de zekerheid, of hij in den slag gebleven, dan wel in de gevangenis vermoord was, of steeds nog in een gevangenschap versmachtte, welke de gewoonten van de Indische dwingelandij hopeloos maakten. Ze bezweek onder de dubbele kwelling van smart en onzekerheid, en liet één zoon en één dochter na, ten laste van den tegenwoordigen heer van Monkbarns.
De geschiedenis van dezen heer zelven is kort. Daar hij, zoo als wij zeiden, een tweede zoon was, bestemde hem zijn vader tot deelgenoot in een handelszaak, van een zijner naastbestaanden van moederszijde gedreven. Hiervan had Jonathan een onoverwinnelijken afkeer; en hij werd daarom als leerling geplaatst, om tot het beroep van notaris of procureur opgeleid te worden, en slaagde daarin zoo goed, dat hij zich alle leenheerlijke formaliteiten eigen maakte, en vond er zulk een vermaak in, om de bronnen daarvan op te sporen en haar oorsprong na te gaan, dat zijn meester in hem een bekwamen practizijn te gemoet zag. Maar hij bleef op den drempel der wetenschap staan; en ofschoon hij eenige kennis verwierf van den oorsprong en het stelsel der wetten van zijn land, kon men hem toch nooit overhalen, om die, als een bron van winst voor zich zelven te beoefenen. Niet, dat hij door zijn verblinding voor de voordeelen van het geld zijn meester te leur stelde. „Ware hij onnadenkend, of lichtzinnig, of rei suae prodigus,” zei zijn onderwijzer, „ik zou wel weten, wat van hem te maken. Maar hij geeft nooit één stuiver uit, zonder zorgvuldig de kans te berekenen, om van zijn duitje meer partij te trekken dan een andere jongen van een daalder, en hij zal liever dagen lang over een oude, met gothische letter gedrukte kopij eener parlements-akte peinzen, dan éénmaal naar de kolfbaan of de kroeg gaan; en toch wil hij geen enkele dier vrije dagen aan eene kleine practijk besteden, die hem een aardigen winst in den zak zou jagen; hij is een zonderlinge mengeling van zuinigheid, van vlijt en slordige onverschilligheid; – ik weet niet, wat ik er van maken moet.”
Maar, met den tijd kreeg zijn leerling de middelen, om te doen wat hij zelf verkoos; want zijn vader stierf, en de oudste zoon overleefde hem niet lang. De laatste, een aartsvisscher en jager, scheidde van dit leven ten gevolge van een verkoudheid, bij het jagen op eendvogels in het Kittlefitting-moeras opgedaan; hoewel hij nog den nacht voor zijn dood een geheele flesch brandewijn gedronken had, om de koude uit zijn maag te houden. Jonathan erfde dus de landerijen, en daarmede de middelen van bestaan, zonder dat hij den gehaten arbeid van een practizijn op zich behoefde te nemen. Zijn wenschen waren zeer matig; en daar de inkomsten van zijn kleine bezittingen met de verbetering van het land vermeerderden, gingen die weldra zijn behoeften en uitgaven ver te boven; en hoewel hij te onverschillig was om geld te verdienen, was hij echter geenszins ongevoelig voor het genot om zijn vermogen door spaarzaamheid te vermeerderen.
De burgers der stad, in welker nabijheid hij leefde, beschouwden hem met een soort van afgunst, als iemand, die hun maatschappelijken omgang verzaakte, en wiens studiën en vermaken hun onbegrijpelijk voorkwamen. Maar zekere ongeërfde hoogachting, die zij de heeren van Monkbarns toedroegen, verhoogd door de bewustheid, dat de tegenwoordige heer een bemiddeld man was, die alles baar betaalde, hield hem in aanzien bij deze klasse zijner buren. De landedellieden waren over het algemeen, wat rijkdom betreft, zijn meerderen; maar aan verstand en kennis zijn minderen, en gingen, enkelen uitgezonderd, met wie hij gemeenzaam en vertrouwelijk verkeerde, weinig met den heer Oldbuck van Monkbarns om. Intusschen bleef hem de gewone toevlucht over; het gezelschap van den predikant en van den geneesheer, als hij het goed vond hen bij zich te verzoeken; en dan ook had hij zijn eigen studiën en tijdkortingen daar hij in briefwisseling stond met de meeste geleerden van zijn tijd, die, gelijk hij, vervallene verschansingen en verwoeste kasteelen opnamen, onleesbare opschriften ontcijferden, en verhandelingen schreven over penningen, in de evenredigheid van twaalf bladzijden voor elke letter van het opschrift. Hij was uit gewoonte eenigzins driftig en opvliegend, gedeeltelijk, zoo als men in de stad Fairport zei, ten gevolge van een vroegere ongelukkige liefde; waarmede zijn vrouwenhaat, gelijk hij het noemde, begonnen was; maar veel meer nog door de nederige onderdanigheid zijner ongehuwde zuster en ouderlooze nicht, die gewoon waren hem voor den grootsten man ter wereld te houden, en van wie hij placht te roemen, dat zij de eenige vrouwen waren, die hij ooit goed afgericht en aan gehoorzaamheid gewend, ontmoet had; ofschoon men bekennen moet, dat mejufvrouw Grizelda Oldbuck wel eens geneigd was te steigeren, als hij de teugels te straf aantrok. De overige bijzonderheden van zijn karakter moeten opgemaakt worden uit het vervolg onzer geschiedenis, en wij ontslaan ons gaarne van de lastige taak der herhaling.
De heer Oldbuck, gedreven door dezelfde nieuwsgierigheid, die zijn reisgenoot te zijnen opzichte gevoeld had, deed onder den maaltijd, eenige pogingen, welke hem zijn ouderdom en stand meer rechtstreeks veroorloofden, om met den naam, de bestemming en den rang van zijn jongen reisgezel bekend te worden.
Zijn naam, zei die heer, was Lovel.
„Hoe! „de kat, de rot en Lovel, onze hond?” – Kent gij het oude gezegde? stamt gij af van koning Richard’s gunsteling?”
„Hij maakte geen aanspraak”, zei hij, „om zich een afstammeling van dat geslacht te noemen. Zijn vader was in het noorden van Engeland te huis. Hij reisde thans naar Fairport”, (de plaats, in welker nabijheid Monkbarns gelegen was,) „en indien hem de stad beviel, zou hij er misschien eenige weken vertoeven.”
„Was de heer Lovel’s uitstap enkel tot vermaak?”
„Niet geheel en al.”
„Misschien om zaken met eenige der kooplieden te Fairport?”
„Het was gedeeltelijk om zaken, maar die geen betrekking hadden tot den handel.”
Hier zweeg hij; en daar de heer Oldbuck zoo ver gegaan was met zijn navorschingen, als de wellevendheid gedoogde, vond hij zich verplicht het gesprek te veranderen. De oudheidkenner, ofschoon geenszins een vijand van goede sier, had echter, op reis, een bepaalden afkeer van alle onnoodige verteringen, en hing, toen zijn reisgenoot van een flesch Portwijn sprak, een verschrikkelijk tafereel op van het ellendige mengsel, dat gewoonlijk onder dien naam verkocht werd, en verzekerende, dat een glas punch zuiverder was en beter te pas kwam in dien tijd van het jaar, legde hij de hand aan de schel, om het benoodigde daarvan te bestellen. Maar Mackitchinson had zelf anders bepaald, en verscheen, met een buitengewoon groote dubbele flesch, of magnum, zoo als men die in Schotland noemt, bedekt met zaagsel en spinnewebben, die van oudheid getuigden.
„Punch!” zei hij, toen hij het aangename woord bij het binnentreden der kamer opving, „de drommel weet, dat gij hier geen droppel punch krijgt vandaag, Monkbarns! Daar kunt gij staat op maken!”
„Wat bedoelt gij, onbeschaamde schelm?”
„Ei, ei, dat komt er niet op aan; – maar heugt u de poets, die gij mij de laatstemaal, dat gij hier waart, gespeeld hebt?”
„Ik u eene poets gespeeld?”
„Wel ja, gij zelf, Monkbarns! De Heer van Tamlowrie, Sir Gilbert Grizzlecleugh, de oude Rossballoh en de Baljuw waren toen juist hier, om den namiddag door te brengen; en gij, met een uwer historiën uit de oude wereld, waartegen niemand bestand is, hebt hen ik weet niet waarheen weggesleept, om de oude Romeinsche legerplaats te zien. – Och, mijnheer!” zich naar Lovel wendende, „Hij zou de vogels uit de boomen lokken met hetgeen hij van de oude volken, verhaalt, – en verloor ik er niet het gelag bij van zes flesschen goeden wijn? Want de drommel weet, dat zij geen van allen opgestaan zouden zijn, voor zij ten minste zoo veel gedronken hadden!”
„Gij zijt een onbeschaamde bedrieger!” riep Monkbarns, al lachende; „wel nu, gij kunt ons een flesch Port zenden.”
„Port, neen, neen! Port en punch moogt gij voor ons geringe lui overlaten; de Fransche wijn is het, die u, heeren, voegt; en ik durf zeggen dat geen der volken, waarvan gij zoo veel spreekt, ooit hiervan geproefd heeft.”
„Hoort gij hoe beslissend de schelm spreekt? Welnu, mijn jonge vriend! dan moeten wij vooral het Falernum boven het vile Sabinum verkiezen.”
De dienstvaardige waard had dadelijk de flesch ontkurkt, goot den wijn zorgvuldig over, en betuigende, dat de geheele kamer er door geparfumeerd was, liet hij zijn gasten alleen, om den kostelijken drank te genieten.
Mackitchinson’s wijn was inderdaad goed, en werkte zoo op den geest van den oudsten gast, dat hij eenige lustige historiën vertelde, ettelijke kwinkslagen uitte, en eindelijk in een geleerde uitweiding trad over de oude tooneelschrijvers, – een punt waarop hij zijn nieuwen vriend zoo sterk vond, dat hij eindelijk begon te vermoeden, dat zijn reisgenoot wellicht het tooneel tot zijn beroep gekozen had. „Een reiziger gedeeltelijk voor zaken, gedeeltelijk voor vermaak? Wel nu, het tooneel levert het een en ander op; het is een bezigheid voor de spelers, en vermaakt, of wil ten minste de toeschouwers vermaken. In manieren en rang schijnt hij wel verheven boven de meeste jonge lieden, welke dien weg inslaan; maar ik herinner mij gehoord te hebben, dat bij de opening van den kleinen schouwburg van Fairport, een welopgevoed jonkman van goeden huize optreden zou. Als hij het ware! Lovel? – Ja! Lovel, of Belville, zijn juist de namen, die eerstbeginnenden bij zulke gelegenheden plegen aan te nemen. – Inderdaad, het spijt mij om den jongen!”
De heer Oldbuck was uit gewoonte spaarzaam, maar geenszins karig; zijn eerste gedachte was dus, om zijn reisgenoot een gedeelte te besparen van de gemaakte verteringen, die hij veronderstelde, dat hem in zijn omstandigheden meer of minder ongelegen moesten komen. Hij nam alzoo een gelegenheid waar, om afzonderlijk met den heer Mackitchinson af te rekenen. De jonge reiziger verzette zich bescheiden tegen deze mildheid, en verklaarde ten laatste alleen daarin te zullen berusten uit eerbied voor de jaren en achtbaarheid van den ouden heer.
Het genoegen, dat zij in elkanders gezelschap vonden, deed den heer Oldbuck voorstellen, en Lovel dadelijk goedvinden, dat zij verder den weg te zamen zouden afleggen. De heer Oldbuck wenschte twee derden te betalen van de huur van een postwagen, zeggende, dat hij voor zijn gemak een geëvenredigde groote ruimte noodig had; maar dit sloeg de heer Lovel stellig af. Zij reisden dus op gelijke kosten, uitgezonderd dat Lovel tusschenbeide een schelling in de hand van een morrenden postiljon liet glijden; want Oldbuck, die zich aan zijn oude gewoonte hield, wilde nooit zijn drinkgeld boven de achttien stuivers voor elk station brengen. Dus vervolgden zij hun weg, tot zij den volgenden dag tegen twee uur te Fairport aankwamen.
Lovel verwachtte waarschijnlijk, dat zijn reisgenoot hem, bij hun aankomst, ten eten zou genoodigd hebben, maar de bewustheid, dat men bij hem op onverwachte gasten niet voorbereid was, en misschien nog eenige andere redenen, beletten Oldbuck hem deze beleefdheid te bewijzen. Hij verzocht hem alleen, zoodra hij het schikken kon, hem ’s voormiddags te komen bezoeken, beval hem een weduwe aan, die kamers verhuurde, en iemand, die een fatsoenlijke tafel hield. Deze beide waarschuwde hij echter afzonderlijk, dat hij den heer Lovel slechts kende als een aangenaam reisgenoot, en geenszins wilde aangemerkt worden als aansprakelijk te zijn voor eenige schuld, die hij gedurende zijn verblijf te Fairport zou maken. Het voorkomen en de manieren van den heer Lovel echter, om niet te spreken van een welgevulden koffer die weldra over zee aan zijn adres te Fairport besteld werd, deden misschien meer af tot zijn voordeel, dan de halve aanbeveling van zijn reismakker.
DERDE HOOFDSTUK
Hij had een’ hoop vermolmd gebeent, En ongediert met stof vereend, En oude scherven, zoo men meent, Uit alle hoeken; En roestig tuig, en vreemd gesteent, En oude boeken.
Burns.
Toen de heer Lovel zijn woning te Fairport betrokken en in orde gebracht had, besloot hij bij zijn reisgenoot het beloofde bezoek te gaan afleggen. Hij had dit niet eerder gedaan, omdat hij, in weêrwil van de vriendelijkheid en behulpzaamheid van den ouden heer, van tijd tot tijd, in diens gesprekken en manieren jegens hem, een veel grootere aanmatiging van meerderheid bespeurd had, dan waartoe het onderscheid der jaren recht gaf. Lovel wachtte dus de aankomst van zijn zaken uit Edinburg af, ten einde zich naar den smaak te kunnen kleeden, en zijn voorkomen te doen overeenkomen met den rang, welke hij meende, of gevoelde, dat hem in de samenleving toekwam.
Vijf dagen waren alzoo verstreken, toen hij, na de noodige berichten omtrent den weg ingewonnen te hebben, zich naar Monkbarns begaf, om er zijn opwachting te maken. Een voetpad, dat over een met hei begroeiden heuvel en door een paar weiden ging, bracht hem naar het huis, dat aan den anderen kant van den heuvel lag, en een fraai uitzicht had op den zeeboezem en de schepen. Afgescheiden van de stad door de hoogten, welke haar tevens tegen den noordwesten wind dekte, scheen de woning eenzaam en toch aangenaam gelegen te zijn. Uitwendig beloofde ze overigens weinig. Het was een onregelmatig, ouderwetsch gebouw, waarvan één gedeelte tot een afzonderlijke pachterswoning behoord had, die tot verblijf strekte van den rentmeester, toen het landgoed nog in het bezit der monniken was. Hier pleegden dezen vroeger het koren op te stapelen, dat zij in plaats van huur van hun pachters ontvingen; met een eigenaardige voorzichtigheid lieten zij al hun inkomsten in voortbrengselen van den grond betalen; en vandaar, zoo als de tegenwoordige eigenaar gaarne verhaalde, de naam van Monkbarns of „Monniksschuur”. De latere, wereldlijke bezitters hadden de overblijfselen van de voormalige rentmeesters-woning langzamerhand vergroot, naar mate de inrichting hunner huishoudingen dit medebracht; en daar deze achtereenvolgende bijvoegsels met even weinig achting voor de bouwkunde, wat het uiterlijke, als voor het gemak, wat het inwendige van het huis betrof, gemaakt waren, leverde het natuurlijk een zonderling, onregelmatig, bont geheel op, dat geleek op een gehucht, welks huizen, door de tooverklanken van een Amphion of een Orpheus plotseling aan het dansen geraakt, op eens vast aan elkander waren blijven staan. Het was omgeven door hooge, geschoren heggen van ijpen- en hulstboomen, waarvan er eenige nog van de bedrevenheid van den Topiarischen kunstenaar getuigden [1], en wonderlijke leuningstoelen, torens in de gedaanten van St. Joris en den draak voorstelden. De smaak van den heer Oldbuck bracht mede, om deze overblijfsels van een thans vergeten kunst te bewaren, waartoe hij zich te meer geneigd voelde, daar het zeker den ouden tuinman het hart zou gebroken hebben, als men ze vernietigd had. Een groote, dichte hulstboom was intusschen aan de snoeischaar ontgaan, en het was onder diens schaduw, dat Lovel zijn ouden vriend vond, gezeten op een bank, met den bril op den neus en het brillenhuisje naast zich, aandachtig de Londensche courant lezende, terwijl het zomerkoeltje door de ruischende takken speelde, en men in de verte het bruischen der golven hoorde die op het strand braken.
De heer Oldbuck stond dadelijk op, en ging zijn reisgenoot te gemoet, om hem met een hartelijken handdruk te begroeten. „Op mijn woord”, zei hij, „ik begon te gelooven, dat gij uw voornemen vergeten, en het volkje van Fairport te onbeduidend gevonden hadt, om het met uw talenten te vereeren, en dus met de stille trom vertrokken waart, zoo als mijn oude vriend en mede-oudheidkenner Mac-Cribb deed, die met een mijner Syrische penningen verdween.”
„Ik hoop toch, waarde heer, tot zulke vermoedens geen aanleiding gegeven te hebben.”
„Het zou toch even erg geweest zijn, dat moet ik u zeggen, als gij verdwenen waart, zonder mij het genoegen te geven van u nog eenmaal te zien. De ontvreemding van mijn koperen Otto zelven zou mij niet meer gegriefd hebben. Maar kom, laat ik u den weg wijzen, naar mijn sanctum sanctorum, – mijn allerheiligste, – mijn cel, mag ik u zeggen; want, behalve een paar onnutte wijven”, (met deze verachtelijke uitdrukking, overgenomen van zijn mede-oudheidkenner Anthonius Wood, placht de heer Oldbuck de schoone sekse in het algemeen, en zijn zuster en nicht, in het bijzonder, te bestempelen), „die onder een ijdel voorwendsel van verwantschap, in mijn woning ingedrongen zijn, leef ik even eenzaam, als Jan van Girnell, wiens graf ik u straks toonen zal.”
Met deze woorden geleidde de oude heer, Lovel door een lage deur; maar toen hij op het punt stond om binnen te treden, hield hij eensklaps stil en wees hem eenige sporen van hetgeen hij „een inscriptie” noemde, en verklaarde met een hoofdschudden dat die geheel onleesbaar was. „Ach, mijnheer Lovel! als ge wist den tijd en de moeite, die mij deze vermolmde sporen van letters gekost hebben! Geen moeder in barensnood leed ooit zoo veel; – en alles te vergeefs; hoewel ik bijna zeker ben, dat deze twee laatste strepen de letters, of cijfers L. V. voorstellen, en wij daaruit de juiste en bepaalde oudheid van het gebouw, opmaken kunnen, daar het van elders bekend is, dat het gesticht werd door den abt Waldimir, omstreeks het midden der veertiende eeuw. Ook geloof ik zeker, dat betere oogen dan de mijne, misschien zouden kunnen ontdekken, wat het versiersel in het midden voorstelt.
„Ik denk”, antwoordde Lovel, geneigd om den ouden heer te believen, „dat het iets heeft van een bisschopshoed.”
„Waarlijk, gij hebt gelijk! gij hebt volkomen gelijk! Dat is mij nooit ingevallen! – nu ziet men, wat een geluk het is jonge oogen te hebben! Een bisschopshoed! ja, het heeft alles van een bisschopshoed!”
Het geleek er intusschen niet veel meer op, dan de wolk van Polonius, in Shakespeare’s Hamlet, op een walvisch of een wezel; het denkbeeld was nochtans voldoende, om de verbeeldingskracht van den oudheidkenner op te wekken. „Een bisschopshoed, waarde heer!” vervolgde hij, terwijl hij hem den weg door een doolhof van ongemakkelijke en duistere gangen wees, en zijn aanmerkingen van tijd tot tijd door eenige noodige waarschuwingen afbrak, „een bisschopshoed, waarde heer, zal onzen abt even zoo goed passen, als aan een bisschop; hij had het recht om er een te dragen en stond boven aan de rol, – neem u in acht voor deze drie treden! – Ik weet wel, Mac-Cribb ontkent het; het is echter zoo zeker, als dat hij mijn Antigonus mede genomen heeft zonder het mij te vragen. – Gij zult den naam van den abt, van Trotcosey, Abbas Trottocosiensis, vinden aan het hoofd der parlementsrollen van de veertiende en vijftiende eeuwen. – Er is hier weinig licht, en dat verwenschte vrouwvolk laat altijd haar emmers in den weg staan, – wees voorzichtig daar bij den hoek, nu deze twaalf treden nog, en gij zijt veilig!”
De heer Oldbuck had intusschen den top van een wenteltrap bereikt, die naar zijn eigen vertrek leidde; en de deur openende, terwijl hij een stuk tapijt, dat die bedekte, ter zijde schoof, was zijn eerste uitroep: „Wat voert gij hier uit, gij sletten?” – Een morsige barrevoetsche meid betrapt op het wanbedrijf van het sanctum sanctorum in orde te brengen, wierp haar stoffer weg, en vluchtte door een andere deur uit het gezicht van haar vergramden meester. Een fatsoenlijk gekleed jong meisje, dat het toezicht over het werk voerde, bleef eenigzins beschroomd staan.
„Waarlijk, oom,” zei zij, „uw kamer was niet om te zien, en ik kwam juist om te zorgen, dat Jenny alles weêr neêrlegde, juist dáár waar zij het gevonden had.”
„En hoe durft gij, of Jenny u verstouten, om u met mijn bijzondere zaken te bemoeien? Ga naar uw naaiwerk, kind! en dat ik u hier niet weêr vinde, zoo gij uw ooren liefhebt! – Ik verzeker u, mijnheer Lovel, dat de laatste inval van deze zoogenaamde vriendinnen der reinheid bijna even noodlottig voor mijn verzameling was, als het bezoek van Hudibras [2] voor die van Sidrophel:
„Mijn almanak, mijn kopren platen, En meer, waar ’k mij op kon verlaten, Een maanhorloge, en Napier’s been, En meer dan één geleerde steen; Mijn kever, vloo en ook mijn luis Zijn zoek geraakt door dat gespuis,”
zoo als de oude Butler schrijft.”
De jonge dame had deze gelegenheid te baat genomen, en was na Lovel beleefd gegroet te hebben, onder het opsommen van deze verliezen ontsnapt. „Gij zult nu hier stikken in de stofwolken,” vervolgde de oudheidkenner; „maar ik verzeker u, het stof was zeer oud, en voor ongeveer een uur nog een zeer vreedzaam en rustig stof, en zou het nog een eeuw lang gebleven zijn, als deze heksen het niet gestoord hadden, zoo als zij ook alles ter wereld in rep en roer brengen.”