De oudheidkenner

Part 5

Chapter 53,632 wordsPublic domain

Wij hebben reeds vroeger gezegd, dat de heer Oldbuck weinig omging met de edellieden uit den omtrek, één enkel slechts uitgezonderd. Deze was Sir Artur Wardour, een Baronet van zeer oude afkomst, en van een groot, maar bezwaard vermogen. Zijn vader, Sir Anthonius, was den huize Stuart toegedaan, anders gezegd, een Jacobiet geweest, en had de meeste geestdrift voor die partij aan den dag gelegd, zoo lang deze maar met woorden te dienen was. Niemand kon een Oranjeappel met zulke veelbeteekenende gebaren uitpersen, [10] of behendiger een gevaarlijken toast instellen, zonder vat op zich te geven voor een openlijke aanklacht, en vooral dronk er niemand met langer en smakelijker teugen op het welgelukken van de goede zaak. Maar, bij het naderen van het Hooglandsche leger, in het jaar 1715, scheen het, dat de ijver van den waardigen Baronet eenigzins begon te bedaren, juist toen zijn vuur zijn partij het meest te baat zou zijn gekomen. Hij sprak inderdaad zeer veel van te veld te trekken voor de rechten van Schotland en van Karel Stuart; maar zijn ruiters zadel paste slechts op één zijner paarden, en dat paard was bij geen mogelijkheid in het vuur te krijgen. Wellicht deelde zijn edele meester den angst van het sluwe ros, en begon hij te bedenken, dat hetgeen het paard zóó afschrikte, den ruiter zeer slecht zou kunnen bekomen. Hoe het zij, terwijl Sir Anthonius Wardour pochte, dronk en aarzelde, trok de dappere Provoost van Fairport, (die, zoo als wij reeds vermeld hebben, de vader van onzen oudheidkenner was,) aan het hoofd eener bende Whigsgezinde burgers, uit het oude stadje op het onverwachts op, en maakte zich eensklaps, in naam van Koning George II, meester van het Kasteel van Knockwinnock, van de zich aldaar bevindende vier koetspaarden en van den eigenaar zelven. Sir Anthonius werd kort daarop, benevens zijn zoon Arthur, toen nog een jongeling, op schriftelijk bevel van het ministerie, naar den Tower te Londen vervoerd. Vader en zoon herkregen nochtans weldra hun vrijheid, want niets deed zich tegen hen voor, dat naar een openlijke daad van hoogverraad geleek, en beiden keerden naar hun Kasteel van Knockwinnock terug, waar ze op nieuw toasten met volle bekers dronken, en verder den mond vol hadden van hun lijden voor de koninklijke zaak. Dit werd zulk een stokpaard van Sir Arthur, dat zelfs, na den dood van zijn vader, de onbeëedigde [11] huiskapelaan geregeld placht te bidden voor het herstel van den rechtmatigen souverein, voor den val van den overweldiger, en voor de verlossing van hun wreede en bloeddorstige vijanden, hoewel zelfs het denkbeeld van eenig verzet tegen het Huis van Hannover reeds lang verdwenen was, en dit verraderlijke formulier eerder uit gewoonte gebezigd werd, dan dat men er eenig bepaald denkbeeld aan hechtte. Dit was zoo stellig het geval, dat de edele ridder, omstreeks het jaar 1770, ter gelegenheid van een betwiste verkiezing in het graafschap, plechtig den eed van getrouwheid aan de nieuwe dynastie aflegde, om een vriend, waarvoor hij zich in de bres stelde, te dienen; – verzakende dus den vorst, wiens herstelling hij wekelijks van den Hemel vroeg, en den overweldiger erkennende, om wiens onttrooning hij nooit nagelaten had eveneens te smeeken. En om ons dit droevig voorbeeld van menschelijke omstandigheid nog treffender te maken, ging Sir Arthur voort met voor het huis van Stuart te bidden, zelfs nadat het geslacht uitgestorven was, en terwijl hij, hoezeer hij het in zijn theoretische koningstrouw als nog aanwezig beschouwde, zich overigens in al zijn daden en bedrijven wezenlijk een allerijverigst en toegenegen onderdaan van George III betoonde.

In andere opzichten leefde Sir Arthur, zoo als de meeste landedellieden in Schotland; – hij jaagde en vischte, – gaf en bezocht maaltijden, – woonde wedrennen en kiesverzamelingen bij, – was vice-gouverneur van de graafschap en koninklijke commissaris voor de straatwegen. Maar toen hij, bij toenemende jaren, te traag of te onbehendig werd voor de jacht en andere dergelijke vermaken, verving hij die door nu en dan in de Schotsche geschiedenis te lezen, en na langzamerhand eenigen smaak voor oudheden verkregen te hebben, die echter niet zeer gevormd, noch zeer fijn was, werd hij gemeenzaam met den heer Oldbuck van Monkbarns, en diens medehelper in zijn oudheidkundige navorschingen.

Er bestonden nochtans tusschen deze twee zonderlingen eenige punten van verschil die soms aanleiding gaven tot oneenigheden. Het geloof van Sir Arthur, als oudheidkundige, was onbegrensd, terwijl de heer Oldbuck (in weêrwil van het geval het Praetorium in het kamp van Kinprunes), veel huiveriger was om oude overleveringen voor echte, gangbare munt aan te nemen. Sir Arthur zou zich schuldig gevoeld hebben aan de misdaad van hoogverraad, als hij het bestaan wezenlijk betwijfeld had van één der honderd en vier koningen van Schotland, wier beeltenissen noch steeds in de galerij van Holyrood grimmig van de muren staren en welke de geduchte lijst vullen, (door Boethius aangenomen en door Buchanan klassiek gemaakt,) waarop Jacobus VI de aanspraak grondde, om over zijn aloud koningrijk te heerschen. Oldbuck echter, een slim en achterdochtig man, en geenzins een eerbiediger van het goddelijke erfrecht, was geneigd om op die gewijde lijst te vitten, en te verzekeren, dat de optocht van het nageslacht van Fergus in de Schotsche geschiedrol even onecht en verdicht was, als de reeks van Banquo’s nakomelingen, die in den heksenspelonk, in Macbeth optreden.

Een ander teeder punt was de goede naam van Maria Stuart welken de baronet op het ridderlijkst handhaafde, terwijl de heer Oldbuck dien, in weêrwil van Maria’s schoonheid en wederwaardigheden, hevig bestreed. En kwamen ze ongelukkig op de gebeurtenissen van nog latere tijden, dan leverde bijna elk blad der geschiedenis stof op tot oneenigheid. Oldbuck was, uit grondbeginsel, een echte Presbyteriaan, een ouderling van de kerk, de beginselen der omwenteling en der protestantsche erfopvolging genegen; Sir Arthur, daarentegen, juist het tegenovergestelde. Zij stemden, wel is waar, overeen, in plichtmatige liefde en trouw voor den souverein, die nu den troon bekleedde; maar dit was ook het eenige punt van overeenstemming. Er ontstond dus dikwijls een woordenstrijd tusschen de heeren, en dan kon Oldbuck niet altijd zijn scherpen, spotachtigen luim bedwingen; terwijl het den baronet soms toescheen, dat de afstammeling van een Duitschen boekdrukker, wiens voorouders verachtelijken omgang met geringe burgers hadden, te ver ging, en zich te veel vrijheid in het redetwisten veroorloofde tegenover iemand van zijn rang en van zijne afkomst. Dit en de vroeger gepleegde vijandelijkheden met de koetspaarden, en het gewelddadig innemen van zijne residentie en burg, door den vader van den heer Oldbuck kwamen wel eens bij hem op, en deden ter zelfder tijd zijne wangen en sluitredenen gloeien. De heer Oldbuck eindelijk, beschouwde zijn waardigen vriend en makker, in sommige opzichten, als niet veel beter dan een dwaas, en gaf hem deze ongunstige gedachte wel eens duidelijker te kennen, dan de regels der hedendaagsche beleefdheid gedoogen. Bij zulke gelegenheden, scheidden zij dikwijls hevig verbitterd, en met het besluit, om voortaan elkanders omgang te mijden:

„Maar de morgendauw bracht kalmte in de ziel;”

en daar beiden gevoelden, dat het gezelschap van den andere, door gewoonte hem onmisbaar was geworden, herstelde zich de vrede weldra. In zulke gevallen toonde Oldbuck, die de ontevredenheid van den Baronet even als het pruttelen van een kind opnam, gewoonlijk zijn meerder gezond verstand, en deed mededoogend de eerste stappen ter verzoening. Maar een paar maal was het gebeurd, dat de aristocratische trots van den oudadellijken ridder het eergevoel van des boekdrukkers naneef diep beleedigd had; en toen zou misschien de vredebreuk tusschen deze twee zonderlingen onherstelbaar geworden zijn, zonder de vriendelijke pogingen en de tusschenkomst van des Baronets dochter, Isabella Wardour, die, benevens een zoon, thans buitenslands in krijgsdienst, de eenige overblijvende spruiten van zijn geslacht waren. Zij wist zeer goed, hoe onmisbaar de heer Oldbuck voor haren vader was, en zelden mislukten hare pogingen, als hare tusschenkomst noodzakelijk geworden was door de spottende schalkachtigheid van den een, en de aangematigde meerderheid van den andere. Onder Isabella’s zachten invloed, werd het onrecht Koningin Maria aangedaan, door haren vader vergeten, en de heer Oldbuck vergat de lastertaal, die de nagedachtenis van Koning Willem beleedigde. Maar daar zij bij dergelijke geschillen steeds lachende de partij van haren vader nam, placht de heer Oldbuck Isabella zijne „schoone vijandin” te noemen; ofschoon hij inderdaad meer werk van haar maakte, dan van iemand anders van hare sekse, die, zoo als wij zagen, hij niet uitermate vereerde.

Nog eene andere betrekking vereenigde en verwijderde beurtelings de vrienden. Sir Arthur wenschte altijd geld op te nemen; de heer Oldbuck was niet altijd geneigd te leen te geven. De heer Oldbuck, daarentegen, wenschte steeds geregeld betaald te worden; Sir Arthur was niet altijd, en zelfs niet dikwijls, in staat, om aan dit rechtmatig verlangen te voldoen; en bij het regelen van zulke verschillende belangen, ontstonden er nu en dan kleine twisten. Over het geheel nochtans, heerschte er tusschen hen een geest van onderlinge verdraagzaamheid, en zij gingen hun weg, even als gekoppelde honden, eenigzins lastig, soms knorrende, maar zonder tot een bepaalden stilstand te komen, of elkander te worgen.

Een klein misverstand van dezen aard, aan geldzaken of staatkundige twisten toe te schrijven, had juist tusschen de geslachten van Knockwinnock en Monkbarns plaats gehad, toen de bode van den laatstgemelde aankwam, om zijn last op Knockwinnock te volbrengen. Hier, in zijne oude Gothische huiskamer, welker vensters aan den eenen kant op den golvenden oceaan, en aan den anderen op de lange, rechte laan van het kasteel uitzagen, zat de Baronet, nu eens in een foliant te bladeren, en dan eens droevig de zonnestralen waar te nemen, schitterende op het loof en de stammen der breedgetakte lindebomen, waarmede de weg bepoot was; toen hij eindelijk, tot zijne vreugde, een levend wezen ontdekte, dat tot de gewone vragen noopte „Wie is dat? en wat mag hij te doen hebben?” – De oude, witachtig grijze rok, de strompelende gang, de half in de oogen gedrukte schuinstaande hoed, kondigden den eenigen pruikmaker aan, en liet slechts de tweede vraag ter beantwoording over. Deze werd dan ook weldra opgelost door een knecht, die de kamer binnentrad met de woorden: „Een brief van Monkbarns, mijnheer!”

Sir Arthur nam den brief met gemaakte deftigheid aan.

„Breng den ouden man in de keuken en geef hem eenige verfrissching,” zei Isabella, wier deelnemend oog reeds het grijze haar en den vermoeiden gang opgemerkt had.

„De heer Oldbuck, mijne lieve, verzoekt ons te eten, op Dinsdag den 17den,” zei de Baronet na een kort stilzwijgen; – „waarlijk! hij schijnt te vergeten, dat hij zich laatst niet zoo beleefd jegens mij gedragen heeft, als men wel zou hebben mogen verwachten.”

„Gij hebt, lieve vader,” antwoordde zijne dochter, „zoo veel vooruit op den goeden heer Oldbuck, dat het niet te verwonderen is, zoo het hem tusschenbeiden eenigzins verdrietig maakt; maar ik weet, dat hij uw persoon en uw omgang zeer hoog schat; niets zou hem meer grieven, dan wanneer hij in wezenlijke beleefdheid ten uwen opzichte te kort schoot.”

„Dat is waar, Isabella, en men moet toegeeflijk zijn wegens zijne afkomst. Er stroomt nog steeds in zijn bloed iets van de Duitsche lompheid; iets van van de Whigsche, stijfhoofdige tegenkanting tegen erfelijken stand en voorrechten. Gij zult opgemerkt hebben, dat hij, in onze twisten, nooit eenig voordeel op mij behaalt, dan wanneer hij zich bedient van zijne nietsbeduidende kennis van dagteekeningen, namen en beuzelachtige daadzaken; een vervelend, ijdel, kleingeestig en werktuigelijk geheugenwerk, enkel de vrucht van zijne gemeene afkomst!”

„Hij moet ze toch zeker nuttig vinden in zijne historische navorschingen, vader!”

„Het brengt hem tot eene onbeleefde en beslissende wijze van redetwisten, en niets komt mij onredelijker voor, dan hem zelfs Bellenden’s kostelijke overzetting van Hector Boecius, die ik bezit, – een foliant met Gothische letter van zeer groote waarde, te hooren afkeuren, op het gezag van een oud perkament, dat hij onttrok aan zijne bestemming, toen het tot een kleêrmakers maat stukgesneden zou worden. En, buitendien, die lastige nauwkeurigheid in kleinigheden geeft hem de gewoonte, om alle zaken op zijn koopmans te behandelen, wat beneden de waardigheid is van een landeigenaar, wiens familie reeds sedert twee of drie geslachten hier gevestigd is. – Ik twijfel zeer, of er wel één winkelier te Fairport is, die beter eene interestrekening kan opmaken, dan Monkbarns.”

„Maar gij zult zijne uitnoodiging toch aannemen, vader?”

„Wel ja – ja! wij hebben toch nergens anders ons woord gegeven, voor zoo ver ik weet. Maar wie kan die jonkman zijn, van wien hij spreekt? Hij maakt zelden nieuwe kennissen: en ik hoorde nooit, dat hij eenige bloedverwanten had.”

„Waarschijnlijk een naastbestaande van zijn zwager, kapitein Mac Intyre.”

„Zeer mogelijk! Ja, wij zullen de uitnoodiging aannemen; de Mac Intyres zijn van een zeer oud Hooglandsch geslacht. Gij kunt de uitnoodiging aannemen, Isabella! Ik zelf heb geen tijd, om „waarde vriend enz.” te schrijven.”

Deze gewichtige zaak dus geregeld zijnde, berichtte Freule Wardour, met hare eigene en Sir Arthurs groeten, dat zij de eer zouden hebben den heer Oldbuck volgens zijne uitnoodiging te bezoeken. Zij voegde er schertsende, bij, dat zij zich van deze gelegenheid zou bedienen, om hare vijandelijkheden met den heer Oldbuck te hervatten, uithoofde zijner lange afwezigheid van Knockwinnock, waar zijne bezoeken zoo aangenaam waren. Met dit placebo besloot zij haar briefje, en de oude Caxon, thans uitgerust en verkwikt, begon daarmede zijn terugtocht naar het Hospitium van den oudheidkenner.

ZESDE HOOFDSTUK

Bij Wodan, bij der Saksen God, Van waar de Woensdag komt, – dat is de Wodansdag, – Trouw is een deugd, die ’k altijd aan zal kleven Tot aan den laatsten dag, dat ik ten grave daal! –

Cartwright.

Onze jonge vriend Lovel, die eene dergelijke uitnoodiging ontvangen had, nam het bepaalde uur nauwkeurig in acht en kwam den 17den Juli ongeveer vijf minuten voor vier, te Monkbarns aan. Het was zeer zoel in de lucht, en van tijd tot tijd waren er groote regendruppels gevallen, ofschoon het dreigende onweder thans overgetrokken was.

De heer Oldbuck ontving hem bij de Palmerspoort, in zijne bruin lakensche kleeding, grijze zijden kousen, en eene gepoederde pruik, waaraan de oude Caxon, die het middagmaal geroken had, al zijne behendigheid had besteed, terwijl hij wel zorg gedragen had om zijne taak niet te voleindigen, eer het etensuur gekomen was.

„Welkom in mijn huis, mijnheer Lovel! Laat ik u nu mijne Clogdogdo’s, zoo als Thomas Otter haar noemt, mijn ongelukkig en tot niets nuttig vrouwvolkje voorstellen, – maliae bestiae, mijnheer Lovel!”

„Ik zal zeer teleurgesteld zijn, mijnheer, als ik niet bevind, dat de dames uwe spotredenen niet verdienen.”

„Praatjes, mijnheer Lovel, praatjes zeg ik; geene beleefdheden! Gij zult haar slechts zeer alledaagsche vrouwen vinden. – Maar hier zijn zij, mijnheer Lovel! Ik stel u dus, in behoorlijken vorm, mijne zeer bescheidene zuster Grizelda voor, die de eenvoudigheid zoowel als het geduld versmaadt, welke deugden anders met den goeden naam van Grizelda gepaard gaan; en mijne zeer voortreffelijke nicht Maria, – wier moeder Mary, soms ook Molly genaamd werd.”

De oudste dame ruischte in zijden en satijnen stoffen, en droeg op het hoofd een maaksel, naar het fatsoen van het modejournaal van het jaar 1770, – een prachtstuk der bouwkunst, – niet veel kleiner dan een hedendaagsch Gothisch kasteel, terwijl de haarlokken de torens, de zwarte haarspelden de Chevaux de Frise, en de strooken de banieren voorstellen konden. Haar gezicht, even als dat van de oude Vestabeelden met torens bekroond, was breed en lang, met spitsen neus en kin, en geleek overigens zoo sterk op de gelaatstrekken van den heer Jonathan Oldbuck, dat Lovel, als zij niet even als Sebastiaan en Viola, in het laatste tooneel van Shakespeare’s „Twelfth Night” beide te gelijk verschenen waren, wellicht de gedaante, die hij zag voor zijn vriend in vrouwenkleederen zou gehouden hebben. Een ouderwetsch gebloemd zijden kleedje versierde de gestalte van het zonderling wezen, dat den hoofdtooi droeg, die, naar het gevoelen van haren broeder, eerder geschikt was tot tulband voor een Mahomedaan, dan om door een redelijk schepsel, of eene fatsoenlijke Christenvrouw gedragen te worden. Twee lange, schrale armen waren op de hoogte der ellebogen door driedubbele kanten randen omgeven, en geleken, kruislings over elkander geslagen, en met lange schitterend vermiljoenkleurige handschoenen uitgedost, eenigzins op een paar zeekreeften. Schoenen met hooge hakken, en een kort zijden manteltje, losjes, over hare schouders geslagen, voltooiden het uiterlijk van mejufvrouw Grizelda Oldbuck.

Hare nicht, dezelfde die Lovel bij zijn eerste bezoek in het voorbijgaan, gezien had, was een mooi jong meisje, bevallig naar den smaak van den dag gekleed; zij had iets schalkachtigs in den blik, dat haar zeer goed stond, en misschien zijn oorsprong ontleende aan de spotachtige luim, die het geslacht van haren oom bijzonder eigen, maar bij overgang, in haar getemperd was.

De heer Lovel maakte zijn compliment bij de dames, en werd door de oudste beantwoord met de langdradige en statige hoffelijkheid van het jaar 1760, het rechtschapen tijdperk,

„Toen ’t volkje een half uur lang Met bidden zich verheugde, Eer de vrijdagsche kapoen Vermeerderde ieders vreugde,”

door de jongste met eene buiging naar den nieuwen smaak, die, zoo tafelgebed der hedendaagsche geestelijken, veel korter duurde.

Onder dit weêrkeerig groeten, verscheen de Baronet, die zijn rijtuig weggezonden had, met zijne schoone dochter onder den arm, aan de tuinpoort, en begroette de dames plechtig.

„Sir Arthur;” riep de oudheidkenner, „en gij mijne schoone vijandin, vergunt mij, dat ik u bekend make met mijn jongen vriend, den heer Lovel, een jongen heer, die bij de besmettelijke scharlakenkoorts, welke thans in ons eiland heerscht, den moed en de bescheidenheid heeft, om in een rok van deftige kleur te verschijnen. Maar de modeverw, die gij in de kleeding mist, ziet gij daarentegen op zijne wangen. Sir Arthur, vergun mij, dat ik u een jongen heer voorstelle, dien gij, bij nadere kennismaking, zult bevinden ernstig, verstandig, beleefd te zijn; een vriend der geleerdheid, zeer fatsoenlijk, door en door belezen, grondig bekend met al de verborgene geheimen der coulisses en van het tooneel, van David Lindsay’s tijden af, tot die van Dibdin; – hij bloost op nieuw, wat mijn gezegde staaft!”

„Mijn broeder,” zeide mejufvrouw Grizelda, zich tot den heer Lovel wendende, „heeft eene luimige wijze van zich uit te drukken, mijnheer! niemand gelooft iets van hetgeen Monkbarns zegt; – dus bid ik u, niet verlegen te wezen over zijne ongerijmdheden. Maar gij zult het zeer warm gehad hebben bij deze brandende zonnehitte, – zult gij niets gebruiken? – een enkel glaasje bessenwijn?”

Nog eer Lovel antwoorden kon, kwam de oudheidkenner tusschenbeide: „Pak u weg, heks! wilt gij mijne gasten vergeven met uwe helsche kooksels? Herinnert gij u niet, hoe het dien geestelijke ging, dien gij verleidde om dezen bedriegelijken drank te proeven?”

„O foei, foei, broeder! – Sir Arthur, hebt gij ooit iets dergelijks gehoord? – Alles moet naar zijn zin gaan, of hij bedenkt zulke histories! – Maar daar begint Jenny aan de oude klok te trekken, om ons te waarschuwen, dat het eten op tafel is.”

De heer Oldbuck, die zeer zuinig in zijne huishouding was, had geene mannelijke dienstboden. Dit verontschuldigde hij onder het voorwendsel, dat het mannelijke geslacht te edel was, om gebezigd te worden tot dergelijke werken van persoonlijke dienstbaarheid. „Waarom,” zeide hij gewoonlijk, „plunderde de jonge Thomas Rintherout, – dien ik, op den wijzen raad van mijne zuster, even wijs als zij zelve, op de proef nam, – waarom plunderde hij de appelboomen, en waarom haalde hij vogelnesten uit, brak hij glazen, en stal hij eindelijk mijn bril, dan omdat hij de edele eerzucht gevoelde, die in ’t hart van het mannelijk geslacht gloeit, – die hem, het geweer op schouder, naar Vlaanderen deed trekken, en buiten twijfel hem tot den roemrijken hellebaard van den sergeant, of wel aan de galg zal brengen? En waarom verricht die deerne, zijne eigene zuster, hetzelfde werk met behoedzamen en bedaarden tred, – geschoeid of barrevoets, – zacht als de stappen van eene kat, en daarbij volgzaam als een jachthond; – waarom? Alleen omdat zij hare bestemming volgt. Dat zij ons dan bediene, Sir Arthur! – Laat de vrouwen dienen, zeg ik; – het is het eenigste, waartoe zij geschikt zijn. Alle oude wetgevers, van Lycurgus af tot Mohammed, bij verbastering Mahomet genoemd, komen overeen, om haar in dien eigenaardigen en ondergeschikten rang te plaatsen, en het zijn slechts de verwarde hersens onzer ridderlijke voorvaderen geweest, die hunne Dulcinea’s tot den rang van despotieke meesteressen verhieven.”

Freule Wardour verzette zich luide tegen deze onhoffelijke leer; maar nu riep de klok tot den maaltijd.

„Laat mij al de plichten der hoffelijkheid vervullen jegens zulk eene schoone tegenpartij,” zei de oude heer, haar den arm aanbiedende. „Ik herinner mij, Freule Wardour, dat Mohammed (gemeenlijk Mahomet) eenigzins aarzelde omtrent de wijze, om zijne volgelingen tot het gebed op te roepen. Hij verwierp de klokken, omdat de Christenen er zich van bedienden, de trompetten, als het sein gevende aan de Perzische Guebres, en bepaalde zich eindelijk tot de menschelijke stem. Ik heb eveneens rijp nagedacht over mijne oproeping ter maaltijd. De horens, nu werkelijk in gebruik, schenen mij eene nieuwigheid en van heidensche uitvinding, en de stem van het vrouwvolkje verwierp ik, als te scherp en wanluidend; ik heb mij dus, in tegenoverstelling van gezegden Mohammed, of Mahomet, weêr tot de klok bepaald. Zij is plaatselijk eigenaardig, daar zij het kloosterteeken gaf te dekken in de spijskamer, en zij heeft dit vooruit boven de tong van den eersten minister mijner zuster, Jenny, dat het gelui, ofschoon minder schel en scherp, ophoudt, zoodra men het touw loslaat; terwijl wij bij droevige ondervinding weten, dat elke poging, om Jenny te doen zwijgen, slechts het overeenstemmend klokkenspel van Mejufvrouw Oldbuck en van Mary Mac Intyre in beweging brengt, om zich daarmede te vereenigen.”

Met deze woorden geleidde hij het gezelschap in de eetkamer, welke Lovel nog niet gezien had. Ze was met hout beschoten, en versierd door eenige zeldzame schilderijen. De tafel werd door Jenny bediend; maar eene oude huishoudster, eene soort van hofmeesteres, stond aan de schenktafel, en moest menige scherpe berisping van den heer Oldbuck, en niet minder bijtende woorden van zijne zuster verduren.