Part 19
Lovel had intusschen zijn zakboek genomen, en na er een brief uitgezocht te hebben, nam hij dien uit het couvert en gaf hij het schrijven aan M’Intyre over. „Gij kent naar alle waarschijnlijkheid de hand van den Generaal; – ik beken, ik moest die overdreven uitdrukkingen van onderscheiding en achting, waarmede hij mij vereert, niet toonen.” De brief bevatte zeer verplichtende en hoffelijke uitdrukkingen van den bedoelden Generaal, wegens onlangs verrichtte krijgsdiensten. Kapitein M’Intyre, kon toen hij hem doorzien had, niet ontkennen, dat hij door den Generaal geschreven was; maar merkte droogjes aan, terwijl hij hem terug gaf, dat het adres ontbrak. „Het adres, kapitein M’Intyre,” antwoordde Lovel op denzelfden toon, „zal te allen tijde tot uw dienst zijn, als gij verkiest, er naar te komen vragen.”
„Ik zal zeker niet in gebreke blijven om dat te doen,” antwoordde de jonge krijgsman.
„Kom, kom!” riep Oldbuck uit, „wat moet dat alles beteekenen? – Is Hiras onder ons verschenen? – Wij verlangen hier geen zwetsen, jonge heeren! Zijt gij uit den oorlog gekomen, om in ons vreedzaam land huiselijken twist te stoken? Wilt gij als de jonge bulhonden, wanneer de stier weggevoerd is, elkander aanvallen, verscheuren, en de brave lieden, die er bij staan, in de beenen bijten?”
Sir Arthur vertrouwde, zoo hij zeide, dat de heeren zich zelven niet zoo zeer vergeten zouden, om in twist te geraken over zulk een nietig voorwerp als de omslag van een brief!
De beide twistenden loochenden eenig voornemen van dien aard, en verzekerden, met eene kleur als vuur en fonkelende oogen, dat zij nooit in hun leven bedaarder geweest waren, dan op dat oogenblik. Maar er was eene blijkbare verlegenheid onder het gezelschap ontstaan; het gesprek was verder te zeer afgepast, om gezellig te zijn, en Lovel, voelende dat hij door het overige gezelschap met een koel en wantrouwend oog beschouwd werd, en dat hij, door zijne onduidelijke antwoorden, het recht gegeven had tot zonderlinge vermoedens te zijnen opzichte, nam het kloekmoedig besluit om het geluk op te offeren, dat hij zich voorgesteld had door den dag op Knockwinnock door te brengen.
Hij klaagde dus over erge hoofdpijn, veroorzaakt door de hitte van het weder, waaraan hij, sedert zijne laatste onpasselijkheid, niet was blootgesteld geweest, en verschoonde zich beleefd bij Sir Arthur, die, eerder gehoor gevende aan zijne tegenwoordige verdenkingen, dan aan de dankbaarheid voor vroegere diensten verschuldigd, niet meer bij hem aandrong, om zijn gegeven woord te houden, dan de stijfste wellevendheid vereischte.
Toen Lovel afscheid van de dames nam, scheen Isabella Wardour ongeruster, dan hij tot nog toe had opgemerkt. Zij gaf hem de oorzaak daarvan te kennen door een blik, alleen voor hem verstaanbaar, dien zij op kapitein M’Intyre wierp, en hoopte, met eene stem, die veel aandoenlijker klonk dan anders, dat het geene minder aangename partij was, die hen allen van het vermaak van Lovels gezelschap beroofde. „Er was volstrekt niets,” verzekerde hij haar, „tusschenbeide gekomen; het was slechts een nieuwe aanval eener ongesteldheid, waaraan hij sedert eenigen tijd onderhevig was.”
„De voorzichtigheid is zeker in zulke gevallen het beste middel, en ik, – en elke vriend van den heer Lovel zal gaarne zien, dat hij die in acht neemt.”
Lovel boog diep en met een hoogen blos, en Isabella Wardour, alsof zij gevoelde, dat zij te veel gezegd had, keerde zich om, en ging naar het rijtuig. Lovel was nu gereed om afscheid te nemen van Oldbuck, die intusschen met behulp van Caxon, zijne gehavende pruik had hersteld, en den rok afgeborsteld, die eenige teekens droeg van het ruwe pad, waar langs zij gegaan waren. „Hoe, man!” zeide Oldbuck, „gij gaat ons toch niet verlaten wegens de dwaze, onbescheidene nieuwsgierigheid en drift van Hector? – Wel! hij is een onbezonnen jongen, – altijd een baloorig kind geweest, sedert hij in de armen zijner min was; – hij smeet mij zijne bel en koralen naar het hoofd, omdat ik hem wat suiker weigerde, – en gij hebt te veel verstand, om u aan dien twistzieken jongen te storen; æquam servare mentem is de spreuk van onzen vriend Horatius. Ik zal Hector straks de les oplezen, en alles terecht brengen.” Maar Lovel volhardde in zijn voornemen, om naar Fairport terug te keeren.
De oudheidkenner nam nu een ernstiger toon aan. „Jonkman! pas op uwe tegenwoordige gevoelens. Het leven is u tot nuttige en waardige doeleinden gegeven, en moet bewaard blijven, om de letterkunde op te luisteren, als gij niet opgeroepen wordt, het ter verdediging van het vaderland, of ter redding der onschuld te wagen. Het tweegevecht, een gebruik bij de beschaafde ouden onbekend, is van al de ongerijmdheden, die ons de Gothische horden aanbrachtten, de grootste, de meest goddelooze en de wreedste! Laat mij niets meer van deze ongerijmde twisten hooren, en ik zal u het vertoog tegen het tweegevecht laten zien, dat ik opstelde, toen de stadsklerk en de rechter Mucklewame zich het voorrecht aanmatigden elkander uit te dagen. Ik wilde mijne verhandeling, die ik Pacificator onderteekende, laten drukken; maar het was niet noodig, daar de stedelijke raad zich de zaak aantrok!”
„Maar ik verzeker u, waarde heer, dat er tusschen kapitein M’Intyre en mij niets is, dat zulk eene eerbiedwaardige tusschenkomst noodzakelijk zou maken.”
„Het zij zoo! want anders zal ik beide partijen tot secondant dienen.”
Dit zeggende, klom de oude heer in den wagen, waarnaast Mary M’Intyre haren broeder aan de praat hield, uit het beginsel, dat den eigenaar van een twistzoekenden hond hem aan zijne zijde doet houden, om hem te beletten op iemand anders aan te vallen. Maar het gelukte Hector, aan hare voorzorg te ontsnappen; want, daar hij te paard zat, draafde hij achter de rijtuigen, tot zij werkelijk den weg ingeslagen hadden naar Knockwinnock, en toen, rechtsomkeerd makende, gaf hij zijn ros de sporen in de tegenovergestelde richting.
Weinige minuten brachten hem bij Lovel, die, wellicht zijn oogmerk gissende, stapvoets voortreed, tot de hoefslagen achter hem kapitein M’Intyre aankondigden. De jonge krijgsman, wiens natuurlijke drift door de snelheid der beweging nog meer opgewekt was, hield zijn paard plotselijk en met geweld stil naast Lovel’s zijde, en vroeg toen, even den hoed aanrakende, op een zeer hoogen toon: „Wat moet ik begrijpen, mijnheer, uit uw gezegde, dat uw adres tot mijn dienst was?”
„Eenvoudig, mijnheer, dat mijn naam Lovel, en dat mijn verblijf voor het oogenblik te Fairport is, – zoo als gij zien zult op dit kaartje.”
„En dit zijn al de inlichtingen, welke gij geneigd zijt mij te geven.”
„Ik zie niet, dat gij het recht hebt, meer te vragen.”
„Ik vind u, mijnheer, in gezelschap van mijne zuster, en ik heb het recht, te weten, wie in het bijzijn mijner zuster toegelaten werd.”
„Ik zal de vrijheid nemen, u dat recht te betwisten. Gij vindt mij in een gezelschap, dat tevreden is met de inlichtingen, die ik voegzaam oordeelde ten aanzien mijner zaken te geven, en gij, geheel vreemd, hebt geen recht, om meer te vragen.”
„Mijnheer Lovel, indien gij gediend hebt, zoo als gij gezegd hebt, –”
„Indien!” antwoordde Lovel. – „Indien ik gediend heb, zoo als ik gezegd heb?”
„Juist, mijnheer, dat zijn mijne woorden, – indien gij gediend hebt, moet gij weten, dat gij mij satisfactie verschuldigd zijt, op de eene of op de andere wijze.”
„Als gij het zoo begrijpt, zal ik niet nalaten u die te geven, kapitein M’Intyre, op de wijze, waarop dat woord gewoonlijk onder fatsoenlijke lieden gebezigd wordt.”
„Zeer wel, mijnheer!” hervatte Hector, en, zijn paard omkeerende, galoppeerde hij weg om zijne vrienden weêr in te halen.
Zijne afwezigheid had hen reeds verontrust, en zijne zuster, die het rijtuig had laten stilstaan, lag met het hoofd uit het portier, om te zien waar hij bleef.
„Wat nu te doen?” zei de oudheidkenner, „gij rijdt heen en weêr, alsof uw nek er meê gemoeid was? – waarom blijft gij niet bij het rijtuig?”
„Ik had mijne handschoenen vergeten,” zeide Hector.
„Uwe handschoenen vergeten! – Gij wilt, veronderstel ik, zeggen, dat gij gingt om den handschoen neder te werpen; – maar ik zal maatregelen omtrent u nemen, jonge heer! – gij zult heden avond met mij naar Monkbarns terugkeeren!” Dit zeggende, beval hij den voerman door te rijden.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK
– Indien gij de eer veracht, Vermeet u niet haar verder dan te dienen; Roem niet meer op onbevlekte wapenen; En de eervolle naam van wakker krijgsman Ontvalt u, als der eere lauwerkrans, Dond’rend van een onwaardig hoofd geslagen!
Een eerlijke twist.
In den vroegen morgen van den volgenden dag liet zich een heer aanmelden bij den heer Lovel, die op en gereed was, om hem te ontvangen. Het was een officier, een vriend van kapitein M’Intyre, voor het oogenblik te Fairport om rekruten te werven. Lovel kende hem eenigermate. „Ik veronderstel, mijnheer,” zei de heer Lesley, (want zoo heette zijn bezoeker), „dat gij de reden gissen zult, waarom ik u zoo vroeg kom lastig vallen.”
„Eene boodschap, zoo als ik veronderstel, van kapitein M’Intyre?”
„Juist: – hij houdt zich beleedigd door de wijze, waarop gij gisteren geweigerd hebt eenige vragen te beantwoorden, tot welke hij zich gerechtigd oordeelt ten aanzien van iemand, dien hij in gezelschap met zijne naastbestaanden vond.”
„Mag ik u vragen, mijnheer Lesley, of gij u zoudt geneigd gevoeld hebben, om vragen te beantwoorden, die u op zulk een hoogen en onbeleefden toon gedaan werden?”
„Misschien niet; en daarom, daar ik de drift van mijn vriend M’Intyre bij dergelijke gelegenheden ken, wenschte ik zeer als vredestichter op te treden. Daar de heer Lovel alleszins het voorkomen heeft van een fatsoenlijk man, zou het iedereen natuurlijk alleraangenaamst zijn, als hij die soort van dubbelzinnigen schijn wilde vermijden, welke degene pleegt te volgen, van wien men niet volledig weet, wie hij is. Indien hij mij dus, als aan een gemeenschappelijken vriend wilde veroorloven, zijn wezenlijken naam aan kapitein M’Intyre mede te deelen; – want wij moeten opmaken, dat die van Lovel aangenomen is, –”
„Vergeef mij, mijnheer! ik kan die gevolgtrekking niet goedkeuren.”
„Of ten minste,” zeide Lesley voortgaande, „dat het niet de naam is, onder welken de heer Lovel zich altijd onderscheiden heeft. Als de heer Lovel de goedheid wilde hebben, om deze omstandigheid op te helderen, wat hij, ook naar mijn gevoelen, behoorde te doen ter rechtvaardiging van zijn eigen karakter, zoo neem ik de vereffening van deze onaangename zaak op mij.”
„Dat wil zeggen, mijnheer Lesley, dat, wanneer ik toestem, om op vragen te antwoorden, die men geen recht heeft mij te doen, en welke nu geopperd worden, op straf van kapitein M’Intyre’s ongenoegen, kapitein M’Intyre zoo goed zal zijn, om voldaan te zijn? – Mijnheer Lesley, ik heb maar één woord over dit onderwerp te zeggen: ik twijfel niet, of mijn geheim, indien ik er een had, zou veilig aan uwe eer kunnen toevertrouwd worden maar ik gevoel mij niet geneigd, om de nieuwsgierigheid te voldoen van wien het ook zij. Kapitein M’Intyre ontmoette mij in een gezelschap, dat reeds op zich zelf mij bij iedereen, en vooral bij hem, als fatsoenlijk man moest aanbevelen. Hij heeft, naar mijn begrip, geen recht, om verder te gaan, of naar den stamboom, den rang of de omstandigheden van een vreemdeling te vragen, die, zonder eenige nauwere betrekking tot hem of de zijnen te zoeken, toevallig bij zijn oom komt eten, of met zijne zuster gaat wandelen.”
„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre u in aanmerking te nemen, dat uwe verdere bezoeken op Monkbarns zoo wel als alle omgang met jufvrouw M’Intyre moeten gestaakt worden, daar die hem onaangenaam zijn.”
„Ik zal zeer zeker,” zeide Lovel, „mijnheer Oldbuck gaan bezoeken, zoo dikwerf het mij gelegen komt, zonder in het minst acht te slaan op de bedreigingen en de gevoeligheid van zijn neef. Ik eerbiedig den naam van de jonge dame te zeer (hoe weinig ik haar ook ken), om dien in een dergelijken twist te mengen.”
„In dat geval, verzoekt kapitein M’Intyre, dat de heer Lovel, als hij niet wenscht te worden bekend gemaakt als iemand op wien zeer ergerlijke verdenkingen rusten, hem te willen begunstigen met eene ontmoeting heden avond, tegen zeven ure, bij den doornboom in het kleine dal, dicht bij de bouwvallen van St. Ruth.”
„Ik zal hem zeker opwachten. Er is slechts ééne zwarigheid: – ik moet een vriend vinden, om mij te vergezellen, en waar er een te zoeken binnen deze korte tijdruimte, daar ik geene kennissen te Fairport heb, weet ik niet; – ik zal mij echter op de plaats bevinden, kapitein M’Intyre kan er op rekenen.”
Lesley had den hoed genomen, en was reeds aan de deur van het vertrek, toen hij, als getroffen door de eigenaardigheid van Lovel’s toestand, terugkeerde, en hem weder aansprak: „mijnheer Lovel, er is in dit alles iets zoo zonderlings, dat ik niet over mij verkrijgen kan, niet nog ééns op de zaak terug te komen. Gij moet zelf op dit oogenblik gevoelen, hoe lastig het voor u is om uw incognito te bewaren, voor hetwelk ik overtuigd ben, dat geen onteerende reden bestaan kan. Intusschen maakt deze geheimzinnigheid het moeielijk voor u, den bijstand te verkrijgen van een vriend op een beslissend oogenblik, waarop die zoo noodzakelijk is; – ja, vergun mij er bij te voegen, dat zeer velen het zelfs als een blijk van overdreven eergevoel in M’Intyre zullen aanmerken, dat hij u eene ontmoeting geeft, terwijl uw karakter en uwe omstandigheden zoo raadselachtig schijnen.”
„Ik begrijp, waar gij heen wilt, mijnheer Lesley,” hervatte Lovel; „en ofschoon ik mij zou kunnen beleedigd achten door uwe veronderstellingen; ben ik het echter niet, omdat ze welgemeend zijn. Maar, naar mijn oordeel, kan diegene aanspraak maken op al de voorrechten van een fatsoenlijk man, wien men, zoolang men hem kent, niets onbetamelijks of onfatsoenlijks kan te laste leggen. Wat een vriend betreft, ik hoop, dat ik den een of ander vinden zal, om mij den gevorderden dienst te bewijzen; en indien hij al minder ondervinding van dergelijke zaken moge hebben, dan wenschelijk is, zoo ben ik altoos verzekerd, dat ik door die omstandigheid niet verliezen zal als gij u op de strijdplaats, al is het ook aan de zijde van mijn tegenstanders, bevindt.”
„Dat vertrouw ik ook,” zeide Lesley; „maar daar ik voor mij zelven wenschen moet, zulk eene zware verantwoordelijkheid met een anderen bekwamen vriend te deelen, zoo vergun mij te zeggen, dat de oorlogsbrik van den luitenant Taffril op de reede aangekomen is, en dat hij zelf zich bij den ouden Caxon bevindt, waar hij logeert. Ik geloof, dat gij hem ongeveer zoo veel kent, als mij; en daar ik ongetwijfeld u denzelfden dienst gaarne zou bewezen hebben, als ik niet voor de andere partij in de zaak betrokken was, ben ik zeker, dat ook hij op uw eerste verzoek gereed zal zijn.”
„Dus bij den doornboom, mijnheer Lesley, heden avond te zeven ure: – de wapens, veronderstel ik, zijn pistolen?”
„Juist! M’Intyre heeft dit uur verkozen, omdat hij dan het best van Monkbarns ontsnappen kan. Hij was heden morgen om vijf uur bij mij, om terug te keeren en tegenwoordig te zijn eer zijn oom opstond. Ik wensch u goeden morgen, mijnheer Lovel” – en Lesley verliet het vertrek.
Lovel was zoo moedig als een mensch maar zijn kan; maar niemand kan bij zich zelven over zulk een beslissend oogenblik, als thans op handen was, nadenken, zonder een gevoel van ontzagwekkenden ernst. Binnen weinige uren kon hij in eene andere wereld zijn, om rekenschap te geven van eene daad, welke, bij bedaard nadenken, uit een godsdienstig oogpunt niet te rechtvaardigen was; of hij kon op aarde ronddolen als een Kaïn, met het teeken van den broedermoord op het voorhoofd. En dit alles kon hij voorkomen door het spreken van één enkel woord. Maar dan fluisterde de trots hem in, dat men, als hij dit woord nu uitsprak, dat aan eene beweegreden zou toeschrijven, die hem meer zou verlagen, dan de meest beleedigende verdenking, tot welke zijn stilzwijgen aanleiding kon geven. Iedereen, Isabella Wardour zelve, moest hem dan ook, dacht hij, voor een lagen en onteerden lafaard houden, die, door de vrees voor eene ontmoeting met kapitein M’Intyre gedreven, de opheldering gaf, welke hij aan de bedaarde en beleefde verzoeken van den heer Lesley geweigerd had. M’Intyre’s onbeschoft gedrag tegen hemzelven, de aanmatigende manieren, die hij zich omtrent Isabella Wardour veroorloofd had, en de alles te bovengaande onbillijkheid en onbeleefdheid zijner vragen omtrent iemand, die hem geheel vreemd was, schenen Lovel te rechtvaardigen in zijne weigering om aan zijne onrechtvaardige eischen te voldoen. In ’t kort, hij nam het besluit, dat men van zulk een jongen man kon verwachten, om, namelijk, de oogen zijner meer bedaarde rede te sluiten, en de ingeving van zijn beleedigden trots te volgen. Met dit voornemen zocht hij den luitenant Taffril op.
De luitenant ontving hem met al de beleefdheid van een fatsoenlijk man een al de rondborstigheid van den zeeman, en hoorde, niet zonder verwondering, de bijzonderheden aan, welke Lovels verzoek voorafgingen, dat hij hem bijstaan wilde bij zijne ontmoeting met kapitein M’Intyre. Toen hij geëindigd had, stond Taffril op; en wandelde een paar maal in het vertrek op en neêr.
„Dit is eene zonderlinge zaak,” zeide hij, „en inderdaad, –”
„Ik begrijp, mijnheer Taffril, hoe weinig ik gerechtigd ben tot het doen van mijn tegenwoordig verzoek; maar de drang der omstandigheden laat mij bijna geene keuze over.”
„Sta mij eene vraag toe,” zeide de zeeman; „is er iets, waarover gij u schaamt, in de omstandigheden, welke gij weigert mede te deelen?”
„Op mijn woord van eer, neen! er is niets in, dan wat ik vertrouw, dat ik binnen zeer korten tijd aan de geheele wereld zal kunnen openbaren.”
„Ik hoop, dat uwe geheimhouding niet ontstaat uit valsche schaamte over den nederigen stand van uwe vrienden, of betrekkingen?”
„Neen, op mijn woord!” hernam Lovel.
„Ik kan mij in zulke dwaasheden niet wel voegen,” zeide Taffril „inderdaad, men zou die bij mij niet veronderstellen kunnen, want ik ben, wat mijne afkomst betreft, zoo te spreken, van vóór den mast gekomen, en denk weldra eene verbintenis aan te gaan, die de wereld vernederend genoeg vinden zal, met een zeer beminnelijk meisje, dat ik leerde kennen toen wij buren waren, op een tijdstip, dat ik weinig dacht aan het geluk, dat mij in den dienst voorthielp.”
„Ik verzeker u, mijnheer Taffril, dat, welke ook de stand mijner ouders ware, ik nimmer er aan denken zou, om dien uit kleingeestigen trots te verbergen. Maar mijn toestand is van dien aard, dat ik de vrijheid niet heb, vooralsnog van mijne familie te spreken.”
„Dat is meer dan genoeg,” zei de eerlijke zeeman; „geef mij de hand; ik zal trachten u door deze zaak te helpen, zoo goed ik kan, ofschoon het altijd een zeer onaangenaam iets is – maar wat doet dat er toe? Onze eigen eer is ons, na die van ons land, het naaste; – gij zijt een flinke jongen, en ik beken, dat de heer Hector M’Intyre, met zijn langen stamboom en zijn familietrots, mij voorkomt zeer veel van een kwast te hebben. Zijn vader was een arme krijgsman, even als ik; – hij zelf, geloof ik, is weinig meer, als zijn oom hem niet voort helpt, – en of iemand het geluk ter zee of te land volgt, daarin, zou ik denken, is weinig onderscheid!”
„Volstrekt geen!” antwoordde Lovel.
„Kom,” zei zijn nieuwe bondgenoot, „wij zullen samen eten en het noodige voor de ontmoeting beramen. Ik hoop, dat gij u goed van het pistool weet te bedienen?”
„Niet bijzonder,” antwoordde Lovel.
„Dat doet mij leed, – M’Intyre, zegt men, schiet scherp.”
„Dat spijt mij,” zeide Lovel, „zoowel voor hem, als voor mij; – ik moet dus uit zelfverdediging mijn best doen.”
„Wel,” voegde er Taffril bij, „ik zal onzen chirurgijn medenemen; – het is een goede, knappe jongen om eene wond te kalefateren. Ik zal Lesley, die voor een soldaat een ronde vent is, doen weten, dat de dokter beide partijen ten dienste staat. – Is er nog iets, dat ik voor u doen kan, in geval van een ongeluk?”
„Ik heb slechts weinig, waarmede ik u lastig zal vallen,” zeide Lovel; „dit kleine briefje bevat den sleutel van mijne schrijftafel, en van mijn geheim; – er is één brief in de schrijftafel,” eene onwillekeurige opwelling onderdrukkende, „dien ik u verzoek de goedheid te willen hebben, eigenhandig af te geven.”
„Ik begrijp u,” zei de zeeman; „neen, vriend, schaam u daarover niet – een liefderijk hart mag voor een oogenblik overloopen, als het schip voor den slag gereed is; – en verlaat u op mij, wat ook uw wensch zijn moge, Taffril zal dien beschouwen als den laatsten wil van een stervenden broeder. Maar dit is alles onzin: – wij zullen de wapens behoorlijk in orde brengen en gij eet om vier uur met mij en mijn kleinen chirurgijn in de herberg hier over de deur.”
„Afgesproken!” zeide Lovel.
„Afgesproken!” zeide Taffril; en de zaak was afgedaan.
Het was een schoone zomeravond, en de schaduw van den eenzamen doornboom verlengde zich op de groene oppervlakte der smalle vallei, die door de wouden omgeven was, waar binnen zich de bouwvallen van St. Ruth bevonden.
Lovel en de luitenant Taffril, met den wondarts, betraden de plaats met een doel, welks aard zeer in strijd was met de rust en den vrede, die er, vooral op dezen tijd van den dag, heerschte. De schapen, welke, gedurende de brandende hitte, in de kloven en diepten der rotsachtige hoogten, of onder de wortels der oude holle bomen, geschuild hadden, waren nu verspreid op de hellingen der bergen, om hun avondvoedsel te zoeken, en blaatten elkander toe met dat eentonig treurig geluid, dat te gelijk aan het landschap leven geeft, en de eenzaamheid doet gevoelen. Taffril en Lovel vervolgden, in een ernstig gesprek gewikkeld, hun weg, daar zij, uit vrees van ontdekt te worden, hunne paarden, met den knecht van den luitenant, naar de stad terug gezonden hadden. Hunne tegenpartij was nog niet op de kampplaats verschenen. Maar, toen zij er kwamen, zat er, op den wortel van den ouden boom, een man, zoo krachtig in zijne grijsheid, als de met mos begroeide, maar sterke en knoestige takken, die zich boven hem uitstrekten. Het was de oude Ochiltree. „Dit is lastig genoeg,” zeide Lovel „hoe komen wij van den ouden man af?”
„Hier, vader Adam!” riep Taffril, die den bedelaar van ouds herkende; „hier is een daalder voor u; – gij moet ginds naar de Vier Hoefijzers gaan, – de kleine herberg, die gij kent, en vragen naar den knecht met blauw en gele liverei. Als hij nog niet gekomen is, moet gij op hem wachten en hem zeggen, dat wij binnen een uur bij zijn meester zullen zijn. In elk geval blijft gij daar, tot wij terug zijn, – en nu pak op! – Kom, kom ligt je anker!”
„Dank voor uwe aalmoes,” zeide Ochiltree, het geldstuk in den zak stekende; „maar vergeef het mij, mijnheer Taffril, ik kan op dit oogenblik uwe boodschap niet doen.”
„Waarom niet man? Wat zou u beletten?”
„Ik wilde een woord met den jongen heer Lovel spreken.”
„Met mij?” vroeg Lovel; „wat hebt gij mij te zeggen. Kom, spreek maar op, en maak het kort!”
De bedelaar leidde hem eenige weinige schreden ter zijde. „Zijt gij aan Monkbarns iets schuldig?”
„Schuldig! – Wel neen! – Wat beteekent dat? – hoe komt gij op die gedachte?”
„Gij moet weten, dat ik vandaag aan het huis van den Sheriff was; want, de hemel helpe mij! ik dwaal langs den weg als een onrustige geest, – en wie denkt gij, dat daar aan kwam rijden in een wagen? Wel, Monkbarns geheel alleen! nu is het geene kleinigheid, die mijnheer Oldbuck een wagen en postpaarden doet nemen, twee dagen achter elkander!”
„Goed, goed; maar wat gaat mij dat alles aan?”
„O, gij zult het hooren, dadelijk hooren. – Wel, Monkbarns ging afzonderlijk met den Sheriff; al wat arm volk was, moest buiten blijven; – gij weet toch, hoe beleefd de groote heeren altijd onder elkander zijn –”
„Om ’s Hemels wil, mijn oude vriend!”