De oudheidkenner

Part 20

Chapter 203,872 wordsPublic domain

„Waarom zegt gij niet liever ronduit loop naar den drommel! mijnheer Lovel. Dat zou meer gepast zijn, dan op die ongeduldige wijze van den hemel te spreken.”

„Maar ik heb hier dringende zaken met den luitenant Taffril af te doen.”

„Wel, wel, alles op zijn tijd, – ik mag een weinig vrijheid nemen met mijnheer Daniel Taffril; ik heb lang geleden veel houten dingen voor hem gemaakt; want ik arbeidde in hout en was ook ketellapper er bij.”

„Gij zijt gek, Adam, of zoekt mij dol te maken.”

„Geen van beide,” zeide Adam, eensklaps zijne slepende bedelaars dreun in een korten en beslissenden toon veranderende; „de Sheriff zond om zijn klerk, en daar de jongen vrij los van tong is, vernam ik, dat het was ter uitvaardiging van een bevelschrift, om u te vatten; – ik dacht wegens schulden; want iedereen weet, die heer laat niemand gaarne de hand in zijn zak steken. – Maar nu mag ik wel zwijgen; want ik zie den jongen M’Intyre en mijnheer Lesley aankomen, en ik gis, dat Monkbarns oogmerk goed was, en dat het uwe veel slechter is, dan het behoorde te zijn.”

De partijen naderden thans, en groetten elkander met de ernstige beleefdheid, die de omstandigheden eischten. „Wat doet deze oude knaap hier?” vroeg M’Intyre.

„Ik ben wel een oude knaap,” antwoordde Adam; „maar ik ben ook een oud soldaat van uw vader; – want ik diende met hem bij het 42ste regiment.”

„Gij moogt gediend hebben waar gij wilt, gij hebt geen recht om u hier op te dringen,” hernam M’Intyre, „of” – en hij hief den stok op om hem te verschrikken, ofschoon zonder het oogmerk, om den ouden man aan te raken. Maar Ochiltree’s moed was door de beleediging gaande gemaakt. „Houd uw stokje maar voor u, kapitein M’Intyre! Ik ben een oud soldaat, zoo als ik u zeide, en ik zal veel van uw vaders zoon verdragen; maar raak mij niet aan met uw rotting zoo lang mijn eigen stok heel is!”

„Wel, wel, ik had ongelijk; – ik had ongelijk,” zeide M’Intyre; „hier is een daalder voor u, ga maar weg – maar wat is er nu te doen?”

De oude man verhief zich tot zijne volle buitengewone lengte, en geleek, in weêrwil van zijne kleeding, die inderdaad meer had van die eens pelgrims, dan van een gewonen bedelaar, door zijne gestalte, manieren, en de waardigheid zijner stem en gebaren, veeleer op een grijzen monnik, of preekenden kluizenaar en raadgever der jonge lieden, die in het rond stonden, dan wel op een voorwerp van hunne liefdadigheid. Zijne taal was, wel is waar, ongekunsteld en eenvoudig als zijne kleeding; maar even stout en vrijmoedig, als zijne houding deftig en vol waardigheid was. „Jongelingen! waarom kwaamt hij hier?” sprak hij, zich tot de verwonderde toehoorders wendende; „zijt gij gekomen te midden van de liefelijkste werken van God, om daar zijne wetten te schenden? – Hebt gij daarom de werken der menschen verlaten, de huizen en steden, die slechts klei en stof zijn, gelijk zij, die ze oprichtten; en zijt gij hier gekomen te midden der vreedzame bergen, en bij de rustige wateren, – die duren zullen zoo lang het aardsche bestaat, – om elkander het leven te benemen, dat in den loop der natuur toch zoo kort duurt, om er eene lange rekenschap van te geven, als het eenmaal uitgebluscht is?”

„O, heeren! hebt gij broeders, zusters, vaders, die u verzorgden, en moeders, die voor u hebben geleden, – vrienden, die u als een stuk van hun eigen hart beschouwen? En is dit de weg, dien gij inslaat, om hen kinderloos en broederloos te maken, en hen van hunne vrienden te berooven? – Och! het is een slechte strijd, waarin hij, die overwint, de ongelukkigste is. Bedenkt dit, kinderen! – Ik ben een arme man; – maar ik ben ook een oud man, en wat mijne armoede aan het gewicht van mijn raad beneemt, wordt twintigmaal vergoed door grijze haren en een oprecht u toegenegen hart. – Gaat naar huis, gaat naar huis! – De Franschen zullen eerstdaags komen, om ons uit te plunderen, en gij zult genoeg te vechten hebben; en misschien sukkelt de oude Adam zelf nog meê, als hij eenig geschikt steunpunt kan vinden, om er zijn geweerloop over te leggen, – en moge hij het dan nog beleven, te verhalen, wie van u zich het best gekweten heeft, als het eene goede zaak gold.”

Er was iets in de onverschrokken en onafhankelijke wijze van handelen, in de stoute gevoelens en manhaftige, ruwe welbespraaktheid van den grijsaard, dat diepen indruk op de partijen maakte, en voornamelijk op de secondanten, die niet door hun trots aangespoord waren, om den twist tot eene bloedige beslissing te brengen, en die integendeel, hartelijk naar eene gelegenheid verlangden, om op eene verzoening aan te dringen.

„Op mijn woord, mijnheer Lesley,” zeide Taffril, „de oude Adam spreekt als een orakel. – Onze vrienden hier waren gisteren zeer driftig, en dus natuurlijk zeer dwaas. – Vandaag behoorden zij koelbloedig te wezen, of wij, ten minste, moesten het voor hen zijn. Mij dunkt, alles moest van weêrszijden vergeven en vergeten wezen; wij zullen elkander allen de hand geven, onze schoten in de lucht doen, en naar huis gaan, om samen in de herberg te soupeeren.”

„Dat raad ik ook aan,” zeide Lesley; „want, met zeer veel drift en knorrigheid van weerskanten, beken ik mij niet in staat, eenigen redelijken grond van twist te ontdekken.”

„Heeren!” zeide M’Intyre, zeer koel, „dit alles had men van te voren moeten bedenken. Naar mijn begrip, zouden menschen, die eene zaak van dezen aard zoo ver doorgedreven hebben als wij, en dan uit elkander gingen zonder ze verder door te zetten, zeer vroolijk in de herberg kunnen gaan eten; maar den volgenden morgen zouden zij met een naam opstaan, even gehavend als de kleeding van onzen vriend hier, die ons verplicht heeft met eene vrij onnoodige tentoonspreiding van zijne welsprekendheid. Ik spreek voor mij zelven, maar ik gevoel mij gedrongen, u te verzoeken, zonder langer verwijl een einde aan de zaak te maken.”

„En,” zeide Lovel, „daar ik nooit eenig uitstel gewenscht heb, moet ik ook deze heeren verzoeken, de noodige schikkingen zoodra mogelijk te maken.”

„Kinderen, kinderen!” riep de oude Ochiltree; maar merkende, dat men niet langer naar hem luisterde, – „dolkoppen, moest ik zeggen, – maar uw bloed kome op uwe eigene hoofden!” – En de oude man verwijderde zich van den grond, die nu door de secondanten afgemeten werd, en ging voort bij zich zelven te pruttelen en zijne verontwaardiging en angst te uiten, die met een diep gevoel van pijnlijke nieuwsgierigheid vermengd waren. Zonder verder op zijne tegenwoordigheid en vertoogen acht te slaan, maakten de heer Lesley en de Luitenant de noodige beschikkingen voor het tweegevecht, en men kwam overeen, dat beide partijen vuur zouden geven, zoodra de heer Lesley zijn zakdoek liet vallen.

Het noodlottige teeken werd gegeven, en beide vuurden bijna op hetzelfde oogenblik. De kogel van den kapitein M’Intyre vloog dicht langs de zijde van zijne tegenpartij, maar zonder hem te raken. Die van Lovel ging juister naar het doel; M’Intyre wankelde en viel. Terwijl hij zich op den arm verhief, was zijn eerste uitroep: „Het is niets; – het is niets; – geeft ons de andere pistolen!” Maar op hetzelfde oogenblik zeide hij op zachteren toon „Ik geloof dat ik genoeg heb, en wat nog erger is, ik vrees dat ik het verdien. Mijnheer Lovel, of hoe uw naam ook zij, vlucht, en red u; – getuigt gij allen, dat ik de aanleiding gaf tot alles.” Toen op nieuw op zijn arm steunende, voegde hij er bij: „Geef mij de hand, Lovel! – ik houd u voor een fatsoenlijk man, – vergeef mijne lompheid, en ik vergeef u mijn dood. – Mijne arme zuster!”

De wondarts kwam, om zijne rol in het treurspel te verrichten, en Lovel stond met een ontroerd en verwilderd oog te staren op de ellende, waarvan hij de werkdadige, hoewel de onwillige oorzaak geweest was. Eindelijk werd hij uit zijne verbijstering gerukt door den bedelaar, die hem bij den arm pakte. – „Waarom staat gij te gapen op hetgeen gedaan is? – Wat beslist is, is beslist! – Gedane zaken hebben geen keer! Maar weg, weg met u, indien gij uw jong bloed van een schandelijken dood wilt redden. – Ik zie de lieden ginds, die te laat komen, om u te scheiden; – maar toch, meer dan vroeg genoeg, om u in de gevangenis te sleepen!”

„Hij heeft gelijk! – hij heeft gelijk!” riep Taffril; „gij moet niet beproeven den straatweg te houden; – blijf tot van nacht in het bosch. Mijn brik zal tegen dien tijd onder zeil zijn, en om drie uren in den morgenstond, als het getij gunstig is, zal ik de boot bij de Mosselklip zenden, om u te wachten.”

„O ja, vlucht, vlucht!” herhaalde de gewonde, terwijl stuipachtige snikken zijne woorden belemmerden.

„Kom met mij,” zei de bedelaar, Lovel meêsleepende; „het plan van den kapitein is het beste; – ik zal u naar eene plaats brengen, waar gij inmiddels veilig zoudt zijn, al zochten zij u met speurhonden.”

„Ga, ga!” herhaalde de luitenant Taffril dringend; „hier te blijven zou loutere dwaasheid zijn.”

„Het was erger dan dwaasheid, hier te komen,” zeide Lovel, hem de hand drukkende. – „Maar vaarwel!” en hij volgde Ochiltree in het dichtste van het bosch.

EENENTWINTIGSTE HOOFDSTUK

– De heer Abt heeft een’ geest, Scherpzoekend, slim, doordringend gelijk vuur! Diep als de hel daalt hij langs toovertrappen, En, heeft de duivel goud in zijn bezit, Hij haalt er iets van af; – het licht in holen, Die niemand kent, dan ik. –

Het wonder van een koninkrijk.

Lovel volgde bijna werktuigelijk den bedelaar, die met haastigen maar vasten stap den weg insloeg door bosch en braamstruiken, terwijl hij de gebaande paden vermeed, en zich dikwijls omkeerde, om te luisteren, of er ook eenig teeken van vervolging achter hem te hooren was. Soms daalden zij tot in het bed zelf van de beek, soms hielden zij een nauw en gevaarlijk pad, dat de schapen (die, met de groote onachtzaamheid, welke in Schotland algemeen omtrent eigendommen van deze soort heerscht, in het kreupelhout omzwerven mochten) op den uitersten rand van de overhangende steilten gemaakt hadden. Van tijd tot tijd, wierp Lovel een blik op het pad, dat hij den vorigen dag, in gezelschap van Sir Arthur, den oudheidkenner, en de jonge dames bewandeld had. Neêrslachtig, verlegen, en door duizenderlei zorgen geplaagd, als hij toen was, wat zou hij thans niet gegeven hebben, om het gevoel van onschuld terug te krijgen, dat alléén tegen duizend rampen opwegen kan? „Zelfs toen,” zoo waren zijne vluchtige en onwillekeurige gedachten, „zelfs toen, onschuldig en geëerd door allen die mij omgaven, gevoelde ik mij ongelukkig. Wat ben ik nu, bezoedeld met het bloed van dezen jongen man? – Het gevoel van trots, dat mij tot deze daad dreef, is geweken, even als men zegt, dat ook de booze geest dengenen verlaat, die hij in het verderf stortte.” Zelfs zijne genegenheid voor Isabella Wardour bezweek in dit oogenblik onder de knaging van fijn geweten, en hij zou, naar het hem scheen, al de zielskwellingen eener versmade liefde kunnen te gemoet gaan, om, vrij van bloedschuld, zijne zielerust terug te hebben.

Deze smartelijke beschouwingen werden niet afgebroken door eenig gesprek met zijn leidsman, die het kreupelhout vóór hem wegruimde, terwijl hij nu eens de takken terughield om zijn pad gemakkelijk te maken, hem dan eens vermaande, zich te haasten, dan weêr bij zich zelven sprak, volgens de gewoonte van den eenzamen grijsaard, woorden, die wellicht aan Lovel zouden ontsnapt zijn, ook als hij er naar geluisterd had, of die, opgevangen en onthouden, te afgebroken waren, om eenige samenhangende gedachte te geven, – iets dat dikwijls eigen is aan oude en praatzieke lieden.

Toen eindelijk Lovel, verzwakt door zijne vroegere ongesteldheid, en uitgeput, zoowel door de hartverscheurende gevoelens, die hem ontroerden, als door de inspanning om zijn gids te volgen, reeds begon te dralen en achter te blijven, brachten hem een paar zeer gevaarlijke schreden op den rand van een afgrond, met struiken en hakhout behangen. Hier duidde eene kleine opening in de rots, bedekt door de vooruitstekende takken van een ouden eikenboom, die met zijne dikke en knoestige wortels in het bovenste gedeelte der rotsen groeide, een hol aan, bij den ingang niet breeder dan een vossengat, en dat, dus verborgen, de opmerking zelfs van hem had kunnen ontgaan, die er vlak bijstond. In dit uiterlijk weinig verleidelijk verblijf, begaf zich nu de bedelaar. Maar inwendig was de spelonk hooger en ruimer, in twee afgezonderde gangen verdeeld, die, elkander in rechte hoeken snijdende, het zinnebeeld van het kruis vormden, en de voormalige schuilplaats van een kluizenaar uit oude tijden aanwezen. Men vindt vele dergelijke grotten in verschillende deelen van Schotland. Ik behoef slechts die van Gorton bij Roslin te noemen, eene plek, zeer bekend bij de bewonderaars der romantische natuur.

Het licht in het hol was slechts eene duistere schemering bij den ingang, en ontbrak geheel en al van binnen. „Er zijn er maar weinigen, die deze plaats kennen,” zei de oude man, „naar mijn weten slechts twee buiten mij, namelijk, de Klinkende Jan en de Lange Linker. Ik heb dikwijls zoo bij mij zelven gedacht: wanneer ik eenmaal oud en afgeleefd ben, en Gods gezegende lucht niet langer genieten kan, wil ik mij hier naar toe slepen met wat havermeel in mijn zak, en zie, daar is nog eene schoone bron, die zomer en winter water geeft; – en mij hier neêrleggen als eene oude hond, die in een bosch of hol sterven gaat, waar de menschen zijn lijk niet vinden kunnen. – En dan, als de honden van eene eenzame pachthoeve blaften, zou de huisvrouw roepen: „Stil! hoor, het is zeker de oude Adam!” en de kinderen zouden naar de deur loopen, om den ouden Blauwrok wat in den zak te stoppen; – Maar de oude Adam zou er niet zijn, en men zou nooit meer iets van hem hooren!”

Toen bracht hij Lovel, die hem gewillig volgde, in een der gangen van de spelonk. „Hier,” zeide hij, „is een trap, die naar de vervallen kerk boven ons voert. Sommigen zeggen, dat deze plaats in oude tijden door de monniken uitgehouwen werd, om er hunne schatten in te verbergen, en anderen zeggen, dat zij die gebruikten, om langs dezen weg bij nacht dingen in het klooster te brengen, die zij er niet goed onder de oogen der menschen, en bij dag in konden brengen; – en anderen zeggen, dat een van hen een heilige werd, (of ten minste daarvoor wilde gehouden worden,) en zijn intrek nam in de cel van St. Ruth, zoo als men het in oude tijden noemde, en dat hij dezen trap heeft laten maken, om er mede naar de kerk te gaan, als er dienst was. De heer van Monkbarns zou u daar veel van weten te zeggen, even als van meer andere dingen, als hij de plaats maar kende. Maar ze mag ten dienste van menschen of van God gemaakt zijn, ik heb er in mijne dagen meer dan te veel kwaad in zien begaan, waaraan ik ook meer deel had dan behoorde, – ja ja, in deze zelfde donkere schuilplaats. Menige huismoeder is verwonderd geweest, dat zij haren rooden haan ’s morgens niet had hooren kraaien, als de arme vogel reeds hier, in dit donkere hol, gebraden was. – En, och! dat dit en dergelijke kleinigheden het ergste ware! Als gij het geraas gehoord hadt, dat wij in de ingewanden der aarde maakten, toen Sanders Aikwood, die boschwachter was, (hij is de vader van Ringan, die het nu is,) de bosschen afliep, om op het wild te passen, – en soms het licht uit den ingang van het hol zag flikkeren op de hazelstruiken aan de tegenoverliggende hoogte, – en dan wat hij uitkraamde van heksen en spoken, die zich ’s avonds in de oude bouwvallen ophielden, en van de lichten, die hij gezien had, en het geschreeuw, dat hij gehoord had, als allen sliepen, behalve hij alleen; en – och! als hij dat steeds van voren af aan, ’s avonds bij het vuur, aan mij en mijns gelijken verhaalde, en als ik den ouden mallen vent woord om woord, en vertelsel om vertelsel terug gaf, hoewel ik veel meer van de zaak afwist, dan hij. Ei, ei! – dat waren dolle dagen, die – maar ze waren ijdel en slecht, en het is billijk, dat hij, die een lichtzinnig en los leven geleid heeft en de liefdadigheid misbruikte, toen hij jong was, ze misschien missen zou, als hij oud wordt.”

Terwijl Ochiltree dus zijne daden en streken van vroegere dagen verhaalde, op een toon, waarin beurtelings vroolijkheid en berouw heerschte had zijn ongelukkige toehoorder zich neêrgezet op de kluizenaars bank, die in de rots uitgehouwen was, en zich aan die uitputting van ziel en lichaam overgegeven, welke gewoonlijk op eene reeks van gebeurtenissen, die beide ontroeren, volgt. – „De arme jongen!” zei de oude Adam, „en hij slaapt in dit vochtig hol; hij wordt misschien nooit weêr wakker, of krijgt eene gevaarlijke ziekte; het is niet met hem als met ons gelijken, die ons gerust overal kunnen neêrleggen. Sta maar op, mijnheer Lovel! het zal wel schikken met den kapitein; – en in elk geval zijt gij de eerste niet, wien dat ongeluk overkomen is: ik heb menig man zien dooden, en zelf helpen dooden, ofschoon wij te zamen geen twist hadden, – en als het geen kwaad is, menschen te dooden, met wie men geen twist heeft, alleen omdat zij eene andere kokarde dragen en eene vreemde taal spreken, kan ik niet begrijpen, dat de man niet te verontschuldigen is, die zijn vijand doodt, die opzettelijk gewapend komt, om hem te dooden. Ik wil niet zeggen, dat het goed is! – of dat het geene zonde is, dat te ontnemen, wat men niet weêr kan geven, zoo als de adem van den mensch, – maar ik zeg, dat het eene zonde is, die vergiffenis vinden kan, als men er berouw over heeft. Zondige menschen zijn wij allen; maar, als gij een ouden grijzen zondaar gelooven wilt, die het slechte van zijne levenswijze heeft leeren inzien, dan bevatten de bladzijden van den Bijbel beloften genoeg, om den slechtsten van ons allen zalig te maken, als wij er maar aan gelooven willen.”

Met dergelijke troostgronden en blijken zijner godgeleerdheid ging de bedelaar voort, de aandacht van Lovel bezig te houden, tot de schemering van den ingang in de duisternis verdwenen was! „Nu,” zeide Ochiltree, „zal ik u naar eene meer geschikte plaats geleiden, waar ik menigmaal gezeten heb, om het krassen van den nachtuil te hooren, en het maanlicht door de oude vensterramen der bouwvallen te zien vallen. Op dezen tijd van den nacht kan niemand hier komen; en als de laffe gerechtsdienaren eenige vervolging beproefden, staakten zij die gewis reeds lang geleden. Geloof mij, zij zijn niet moediger dan anderen, met al hunne bevelschriften en machtspreuken. Ik heb hen, in mijn tijd, meermalen een schrik aangejaagd, als zij mij te nabij kwamen. – Maar, God dank! zij kunnen mij nu niet meer van eenig ander wanbedrijf betichten, dan dat ik een oud man en een bedelaar ben, en dan nog is Freule Wardour een krachtige steun, zoo als gij wel weet.” – (Lovel zuchtte) „kom, wees niet neêrslachtig – het zal wel eens weêr te recht komen, – geef de dame maar tijd om zich te bedenken: zij is de schoonste van het land en mijne goede vriendin. – Ik trek nu zoo gerust voorbij het tuchthuis, als Zondags naar de kerk; – ik geloof voor den drommel niet, dat iemand het nu wagen zou, om den ouden Adam slechts een haar te krenken. Ik loop langs ’s heeren straatweg, als ik naar de stad ga, en ik geef even weinig om een schout, als om een das!”

Terwijl de bedelaar dus sprak, hield hij zich bezig met de losse steenen in een hoek van het hol weg te ruimen, die den ingang van den trap, waarvan hij gesproken had, verborgen. „Er is hier frissche lucht genoeg,” zei de oude man, „de monniken zorgden daarvoor; want zij waren kort van adem. Zij hebben hier en daar openingen aangebracht, die frissche lucht genoeg binnen laten.”

Lovel vond den trap hoewel nauw, zeer luchtig, en noch vervallen, noch laag. Zij kwamen dus weldra in eene nauwe galerij, loopende langs den zijmuur van het koor, waaruit zij lucht en licht kregen door openingen, die behendig gemaskerd waren door de rijke versierselen der Gothische bouwkunst.

„Deze geheime gang,” – zei de bedelaar – „liep eens rondom een groot gedeelte van het gebouw naar de plaats, die ik Monkbarns het Refractorium,” (waarschijnlijk wilde hij Refectorium zeggen,) „heb hooren noemen, en zoo verder tot aan de woning van den Prior zelven. – Het is waarschijnlijk, dat hij er gebruik van kon maken, om te luisteren naar wat de monniken vertelden, als zij aan het eten waren, en dan kon hij ook hier komen en zien, of zij zich daar ginds beneden bezig hielden met hunne psalmen te schreeuwen, – en dan, als alles goed verzorgd was, kon hij aftrekken en daar beneden in het hol een mooi meisje binnen laten; want zij waren wonderlijke heiligen de monniken, – of men moet veel leugens van hen verteld hebben. Maar wij gaven ons jaren geleden veel moeite, om dezen gang op sommige plaatsen op te vullen, en om anderen af te breken, uit vrees, dat de een of ander onbekende er inkomen, en den weg naar beneden, naar de spelonk, vinden mocht; – dat zou een noodlottige slag geweest zijn, die, zoo als ik zeker weet, aan eenige van de onzen den nek had doen jeuken!”

Zij kwamen nu aan eene plaats, waar de galerij uitgebouwd was in een halfrond, groot genoeg, om eene steenen bank te bevatten. Eene nis, vlak daarvoor aangebracht, stak vooruit in het koor, en daar de zijden van opengewerkte steen waren, kon men daar door heen, van de bank, het geheele koor in alle richtingen overzien. Waarschijnlijk was deze plaats, zoo als Adam giste, gemaakt, om den Prior tot een geschikten schuilhoek te verstrekken, waaruit hij het gedrag der monniken kon gadeslaan, en zich met eigene oogen overtuigen omtrent het nauwgezet waarnemen der godsdienstige plechtigheden, waaraan hij, uit hoofde van zijn rang, geen deel behoefde te nemen. Deze nis was eene van de reeks, welke zich langs den muur van het koor uitstrekte, en, daar ze van beneden gezien in geenen deele van de anderen verschilde, kon men de geheime zitplaats, die nog bovendien gemaskerd was door het steenen beeld van St. Michiel en den draak, en door het rijk versierde metselwerk rondom de nis, volstrekt niet ontdekken. De galerij, tot hare eerste breedte teruggebracht, had zich oorspronkelijk verder uitgestrekt; maar de landloopers, die het hol van St. Ruth bezochten, hadden ze, uit voorzorg, met de omliggende steenen toegemetseld.

„Wij zullen hier beter zijn, dan dáár beneden,” zeide Adam, zich neêrzettende op de steenen bank en de slip van zijn blauwen rok er over uitspreidende, terwijl hij Lovel uitnoodigde, naast hem te gaan zitten, – „wij zullen hier beter zijn dan daar beneden; de lucht is zuiver en zacht, en de geur der muurbloemen en der struikgewassen, die op de bouwvallen staan, is vrij wat verkwikkelijker, dan de vochtige muffe reuk daar beneden. Zij rieken het aangenaamst bij nacht, die bloemen, en men vindt ze het meest op vervallen gebouwen; – welnu, mijnheer Lovel, kan een van uwe geleerden eene goede reden daarvoor geven?”