De oudheidkenner

Part 18

Chapter 183,635 wordsPublic domain

De regeerende Hertog van Brunswijk had al de Duitsche edellieden van hooge en roemrijke afkomst openlijk doen uitnoodigen op een plechtig steekspel; en Marten Waldeck had de onbeschaamdheid, om, schitterend gewapend, vergezeld door zijne twee broeders en een prachtig uitgerust gevolg, onder de ridderschap der provincie te verschijnen, en te vragen om tot het strijdperk toegelaten te worden. Dit beschouwde men als het toppunt van verwaandheid. Duizend stemmen deden zich hooren: „Wij willen geen kolenbrander in onze ridderspelen!” Razend geworden, ontblootte Marten het zwaard, en velde den wapenheraut ter neder, die, aan het algemeen verlangen toegevende, hem het binnentreden in het strijdperk beletten wilde. Dadelijk zag men een honderdtal zwaarden ontbloot, om eene misdaad te wreken, die men te dien tijde slechts als iets minder dan heiligschennis en koningsmoord beschouwde. Waldeck, na zich als een leeuw verdedigd te hebben, werd gegrepen, staandsvoets door de scheidsrechters ondervraagd, en veroordeeld, omdat hij den landvrede van zijn vorst verbroken en geweld gepleegd had aan de heilige persoon van een wapenheraut, de rechterhand te verliezen, voorts uit den adelstand, dien hij onwaardig was, ontzet en uit de stad verdreven te worden. Nadat men hem zijne wapenrusting afgerukt, en hij de verminking volgens het wreede vonnis ondergaan had, gaf men het ongelukkig slachtoffer der eerzucht aan het gemeen prijs, dat hem met bedreigingen en scheldwoorden vervolgde, – beurtelings tegen den heksenmeester en onderdrukker, zoo als men hem noemde, uitvoer, tot men eindelijk tot gewelddadigheden overging. Zijne broeders (want zijn gevolg was gevlucht en verstrooid), slaagden ten laatste, om hem uit de handen van het gemeen te redden, toen het, na zijne wreedheid verzadigd te hebben, hem half dood door bloedverlies en de geleden mishandelingen had laten liggen. Het werd hun nochtans niet vergund, zoo groot was de wreedheid van hunne vijanden, om zich van eenig ander vervoermiddel voor den ongelukkige te bedienen, dan juist van eene van die kolenbranderskarren, welke zij vroeger zelven plachten te gebruiken: daarin plaatsten zij dus hun broeder op een bos stroo, nauwelijks hopende dat zij eenige schuilplaats vinden zouden, eer de dood hem van zijne ellende bevrijd had.

Toen de Waldeck’s op deze rampzalige wijze voorttrekkende, hun geboorteland genaderd waren, zagen zij, in een hollen weg tusschen twee bergen, eene gestalte op hen toekomen, die op het eerste gezicht op een ouden man geleek. Maar, naar mate de gedaante naderde, werden de ledematen en de gestalte grooter, de mantel viel van de schouders, de pelgrimsstaf werd een omgekeerde pijnboom, en de reusachtige gestalte van den Hartzgeest vertoonde zich in al zijne verschrikkelijkheden. Tegenover de kar gekomen, waarop zich de ongelukkige Waldeck bevond, vertrokken zich zijne ontzagwekkende gelaatstrekken tot eene grijns van onbeschrijfelijke verachting en boosaardigheid, terwijl hij den lijder vroeg: „Hoe vindt gij het vuur, dat mijne kolen aangestookt hebben?” De geestkracht, die met den schrik zijne twee broeders verlaten had, scheen Marten zelven op nieuw te bezielen. Hij verhief zich op de kar, fronste de wenkbrauwen, en, de vuist ballende, schudde hij die tegen het spook, met een afzichtelijken blik van haat en tergende bedreiging. Het spook verdween, naar zijne gewoonte, met een ijselijken en minachtender lach, en liet Waldeck uitgeput door de laatste poging der bezwijkende natuur.

De verschrikte broeders wendden de kar naar de torens van een klooster, dat in een dennebosch naast den weg verrees. Zij werden liefderijk door een barrevoetschen, langgebaarden kapucijner ontvangen, en Marten leefde slechts lang genoeg, om zijne eerste biecht te doen sedert den dag van zijnen onverwachten voorspoed, en absolutie te bekomen van denzelfden priester, dien hij, juist op dien dag drie jaren te voren, uit het gehucht Morgenbrodt had helpen verdrijven. De drie jaren van zijn schijnbaren voorspoed beschouwde men als in geheimzinnig verband met het getal zijner gangen naar het vuur op den heuvel.

Het lichaam van Marten Waldeck werd in het klooster ter aarde besteld, waar hij den geest had gegeven, en in hetwelk zijne broeders, na het ordekleed aangenomen te hebben, leefden en stierven, onder het uitoefenen van liefdadige en vrome plichten. Zijne landerijen, waarop niemand eenige aanspraak maakte, bleven onbebouwd liggen, tot zij door den Keizer, als een vervallen leen, opgeëischt werden; en de bouwvallen van het kasteel, dat Waldeck naar zijn eigen naam genoemd had, worden nog steeds door de mijnwerkers en kolenbranders gemeden, als de woonplaats van booze geesten. Aldus zag men de ellende, welke plotseling verkregen en slecht besteede rijkdommen aankleeft, levendig voor oogen gesteld in de lotgevallen van Marten Waldeck.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK

Hier had eene onstuimige ontmoeting plaats, Tusschen mijn neef den kapitein, en dezen krijgsman, Over ik weet niet wat! een niets voorvaar; Mededinging, rang en vergelijkingen Van krijgsroem! –

Een eerlijke twist.

De aandachtige toehoorders bedankten de schoone schrijfster van bovenstaand volksverhaal met de de noodige beleefdheid. Oldbuck alleen haalde den neus op, en merkte op, dat de behendigheid van Freule Wardour eenigszins geleek op die der goudzoekers, daar het haar gelukt was, om eene nuttige zedeles te trekken uit een zeer ijdel en belachelijk sprookje. – Men zegt, dat het de mode is dergelijke ongerijmde verdichtsels te bewonderen, – maar

– mij is een Engelsch hart verleend: Het schrikt voor spook, noch rammelend gebeent!”

„Met uw verlof, mijn goeden heer Oldenbuck!” zeide de heer Dousterswivel, „Freule Wardour heeft deze geschiedenis, even als alles, wat het haar behaagt in handen te nemen, zeer verfraaid; maar de geheele historie van den Hartzgeest, en hoe hij over de woeste bergen gaat met een grooten denneboom tot wandelstok, en met groote groene kransen om hoofd en lijf, – dat is even waar, als dat ik een eerlijk man ben!”

„Eene stelling, die zoo gewaarborgd wordt, is niet te betwisten,” antwoordde de oudheidkenner droogjes. Maar hier werd het gesprek gestoord door de aankomst van een vreemdeling.

Deze was een schoon jonkman van ongeveer vijfentwintig jaren, als militair gekleed, en die in zijn blik en zijne manieren zeer veel van den krijgsman had; zelfs wellicht iets meer dan den volmaakt fatsoenlijken man geheel en al betaamt, in wiens manieren zijn beroep nooit doorstralen moet. Hij werd door het grootste gedeelte van het gezelschap begroet. „Mijn waarde Hector!” riep Mary M’Intire, terwijl zij opstond om hem de hand te geven.

„Hector, zoon van Priamus! van waar komt gij?” vroeg de oudheidkenner.

„Van Fife, mijn leenheer!” antwoordde lachende de jonge krijgsman, en vervolgde, na het overige van ’t gezelschap en vooral Sir Arthur en zijne dochter beleefd gegroet te hebben: „ik vernam van één uwer bedienden, terwijl ik naar Monkbarns reed, om u mijne opwachting te maken, dat ik het gezelschap hier zou vinden, en ik nam deze gelegenheid waar, om aan zoo vele vrienden tegelijk mijne hulde te brengen.”

„En tevens aan een nieuwen, mijn Trojaan!” zeide Oldbuck. „Mijnheer Lovel, zie hier mijn neef de kapitein M’Intyre. – Hector, ik beveel mijnheer Lovel in uwe vriendschap aan.”

De jonge krijgsman vestigde nu zijn scherp oog op Lovel, en groette hem eerder met terughouding, dan met hartelijkheid; en daar onze vriend die terughouding bijna aanmatigend vond, was hij even koud en stijf in zijne beantwoording van den groet, en dus scheen er, zelfs bij de eerste kennismaking, iets vijandigs tusschen hen te bestaan.

De opmerkingen, welke Lovel gedurende het overige gedeelte van den dag maakte, waren niet geschikt, om hem met deze vermeerdering van het gezelschap te verzoenen. Kapitein M’Intyre betoonde zich, met de beleefdheid, die men van zijne jaren, en van zijn beroep verwachten mocht, zeer opmerkzaam jegens Isabella Wardour, en had voor haar bij elke gelegenheid die oplettendheden, welke Lovel, met opoffering van zijn leven, zou hebben willen bewijzen, en die alleen de vrees van haar te mishagen hem belette haar te betoonen. Beurtelings met wanhopige neêrslachtigheid, en met scherp geprikkelde gevoeligheid, zag hij den schoonen jongen krijgsman al de voorrechten uitoefenen van een cavalier servente. Hij overhandigde Isabella Wardour de handschoenen, hielp haar bij het omdoen van haar doek, begeleidde haar op de wandeling, had eene hand gereed, om elke hindernis van haar pad te weren, en een arm, om haar te ondersteunen, waar het pad ruw of moeielijk was; zijne woorden waren tot haar gericht, en telkens als de omstandigheden toelieten, tot haar alleen. – Lovel wist zeer goed, dat dit alles slechts die soort van zelfzuchtige hoffelijkheid kon zijn, waarop sommige jonge lieden zich heden ten dage toeleggen, om de opmerkzaamheid van de schoonste vrouw in het gezelschap uitsluitend op zich te vestigen, alsof anderen haar blik niet waardig zijn. Maar hij meende in het gedrag van kapitein M’Intyre eene genegenheid te bespeuren, die geschikt was, om de ijverzucht van een minnaar gaande te maken. Isabella Wardour liet zich ook zijne oplettendheid welgevallen, en ofschoon Lovel bekennen moest, dat de aard er van niet toeliet, om die zonder eenigen schijn van gemaaktheid af te wijzen, zoo verbitterde het hem toch, dat zij het niet deed.

Het hartverscheurende gevoel, door deze gewaarwordingen opgewekt, maakte hem zeer onverschillig voor de drooge oudheidkundige betoogen, waarmede Oldbuck, die op zijne bijzondere aandacht aanspraak maakte, hem onophoudelijk vervolgde, en hij verduurde met een ongeduld, dat bijna op walging geleek, eene reeks van verhandelingen over klooster-gebouwen, van allerlei aard, in den deftig Saksischen, of den sierlijk Gothischen bouwtrant opgericht, of soms zelfs in den gemengden en zamengestelden stijl van de tijden van Jacobus I, toen, volgens Oldbuck, alle bouwordes verward, en zuilen van onderscheidene soorten naast elkander geplaatst of opeen gehoopt werden, als ware alle symmetrie en verhouding tusschen de onderdeelen en het geheel vergeten, en de eerste grondbeginselen der kunst tot de oorspronkelijke verwarring teruggebracht moesten worden. „Wat kan hartverscheurender zijn, dan het gezicht van onheilen,” zeide Oldbuck met geestdrift, „die wij genoodzaakt zijn te aanschouwen, zonder de middelen te hebben, om ze te verhelpen?” – Lovel antwoordde met een onwillekeurigen zucht. – „Ik zie, mijn waarde jonge vriend in u een alleszins met mij nauw verwanten geest, en dat gij deze ijselijkheden even diep gevoelt als ik. Hebt gij die ooit kunnen aanschouwen, zonder dat de wensch bij u opkwam, om al wat zoo, onteerend is, te verscheuren en te vernielen?”

„Onteerend!” herhaalde Lovel, „in welk opzicht onteerend?”

„Ik meen schandelijk voor de kunst.”

„Waar? Hoe?”

„Op het Portico, bij voorbeeld, van de Hoogeschool te Oxford, waar de barbaarsche, grillige en onwetende bouwmeester, met onmetelijke onkosten, verkozen heeft, al de vijf ordes der bouwkunst in den gevel van één gebouw te vereenigen!”

Met zulke aanvallen, noodzaakte Oldbuck, onbewust hoezeer hij hem kwelde, Lovel om eenigszins op hem te letten, – even als de behendige visscher met de hengelroede door middel van de lijn zijne gekwelde prooi houdt, en zijne macht, in weêrwil van hare wanhopigste pogingen doet gevoelen.

Zij waren nu op den terugweg naar de plaats, waar zij de rijtuigen gelaten hadden; en het is moeielijk te begrijpen, hoe dikwijls gedurende die korte wandeling Lovel, uitgeput door het onophoudelijk gebabbel van zijn waardigen medgezel, heimelijk wenschte, dat een gedienstige geest hem verlossen mocht van al de ordes en al de wanorde der bouwkunst, ooit uitgevonden of bedacht sedert het stichten van Salomo’s tempel. Eéne kleine omstandigheid nochtans stortte eenige lavende droppels geduld over zijne koortsachtige onrust uit.

Isabella Wardour en haar zelfbenoemde ridder gingen de anderen in het nauwe pad vooruit, toen de jonge dame, waarschijnlijk wenschende zich met het overige gezelschap te vereenigen, en haar tête-à-tête met den jongen officier af te breken, plotseling bleef stilstaan, tot de heer Oldbuck haar inhaalde. „Ik wenschte u eene vraag te doen, mijnheer Oldbuck, omtrent de dagteekening van deze belangrijke bouwvallen.”

Men zou te kort doen aan het savoir faire van Isabella Wardour, met te veronderstellen, dat zij niet begreep, hoe op deze vraag een antwoord van onmetelijke lengte volgen moest. De oudheidkenner, opgewekt als het strijdros door het geluid van de trompet, verdiepte zich dadelijk in de verschillende bewijsgronden vóór en tegen de dagteekening van 1273, die men aan het klooster van St. Ruth, in een onlangs verschenen werk over de Bouwkundige Oudheden van Schotland had toegekend. Hij noemde de namen op van al de abten, die het gesticht bestuurd hadden, van al de edelen, van wie zij goederen gekregen hadden, en van de koningen, die in de vervallen kerk eene laatste rustplaats gevonden hadden. Even als een hoeveelheid buskruid, die vuur vat, niet nalaat eene andere in de nabijheid in brand te steken, begon de Baronet, (den naam van één zijner voorouders, door Oldbuck genoemd, opvangende), een verhaal van diens oorlogen, overwinningen en zegepralen; en de waardige Dr. Blattergowl werd, door de melding van eene gift in landerijen, cum decimis inclusis, tam vicariis quam garbalibus, et nunquam antea separatis, bewogen, om eene lange verklaring te beginnen van de uitlegging, door het Tiendgerecht aan eene dergelijke clausule gegeven, bij gelegenheid van een rechtsgeding over de laatste vermeerdering zijner bezoldiging. De redenaars streefden, gelijk drie wedrenners, elk naar zijn doel, zonder zich veel te bekommeren, hoe de een den ander in den weg liep en hinderde. De heer Oldbuck harangueerde, de Baronet declameerde, de heer Blattergowl betoogde en verklaarde de wet, terwijl Latijnsche phrases, uit middeleeuwsche officiële stukken, vermengd werden met de vreemdklinkende uitdrukkingen der heraldiek en de nog barbaarscher taal van het Schotsche Tiend-gerecht. „Hij was,” riep Oldbuck uit, sprekende van den abt Aldemar, „voorwaar een voorbeeldig prelaat; en wegens de nauwgezetheid van zijne zeden, de stipte naleving der boetregels, gevoegd bij zijn liefderijken gemoedsaard en de ongesteldheden, waaraan hij door zijne hooge jaren en vroome kloosteroefeningen leed, –”

Hier moest hij toevallig hoesten, en Sir Arthur viel in, of liever vervolgde, – „werd gemeenlijk de Geharnaste Duivel genoemd; hij voerde een rood schild met een zwarten dwarsbalk, wat wij sedert afgelegd hebben, en viel in den veldslag van Verneuil in Frankrijk, nadat hij zes Engelschen met eigen hand gedood had. –”

„Dekreet tot aanvoering van bewijs,” vervolgde de geestelijke op dien dralenden, bedaarden betoogtrant, welke, hoewel in het begin door de heftigheid van zijne mededingers overschreeuwd, nochtans op de lange baan, in deze soort van wedstrijd, de overhand behaalt; „dekreet tot aanvoering van bewijs gepronuntiëerd zijnde, en partijen daarvan gediend hebbende, scheen de quaestie uitgemaakt te zijn, toen hun zaakwaarnemer, in plaats van verder te renuntiëren, integendeel daarop aanhield, tot grond aanvoerende, dat hij getuigen had, om te bewijzen, dat zij altijd de lammerentiend van het tiendvrije land geheven hadden, wat echter slechts eene uitvlucht was; want, –”

Maar, de Baronet en de heer Oldbuck, weêr tot adem gekomen, begonnen hier hunne verscheidene redevoeringen te vervolgen, en de drie draden, zoo als men ze naar touwslagers stijl zou kunnen noemen, werden op nieuw in eene onoplosbare streng van verwarring samen gehaspeld.

Maar, hoe nietig deze wartaal ook schijnen moge, was het nochtans klaarblijkelijk Isabella’s voornemen om er naar te luisteren, liever dan den kapitein M’Intyre gelegenheid te geven om hun gesprek te hernieuwen; zoodat hij, na een korten tijd gewacht te hebben met een ongeduld, dat zijne fiere gelaatstrekken slecht verbergen konden, haar overliet aan het gesprek, dat zij den slechten smaak had boven het zijne te verkiezen, en zijne zuster onder den arm nemende, leidde hij haar op een kleinen afstand van het overige gezelschap.

„Naar ik bemerk, Mary, is de buurt noch levendiger, noch minder geleerd geworden gedurende mijne afwezigheid.”

„Wij hebben uw geduld en uwe wijsheid gemist; om ons te onderrichten, Hector!”

„Wel verplicht, waarde zuster! Maar gij hebt een wijzer, zoo al geen levendiger man ter vermeerdering van uw gezelschap gekregen, dan uw onwaardigen broeder. Zeg me toch wie is deze heer Lovel, dien onze oude oom zoo dadelijk lief voor zich gewonnen heeft? – hij placht niet zoo genaakbaar te zijn voor vreemdelingen.”

„De heer Lovel, Hector, schijnt een zeer fatsoenlijk jonkman te zijn.”

„Zoo? dat wil zeggen: hij maakt eene buiging als hij in de kamer komt, en draagt een rok, die gaaf aan de ellebogen is?”

„Neen, broeder, het beteekent vrij wat meer. Het beteekent, dat zijne manieren en woorden de gevoelens en opvoeding der hoogere klassen uitdrukken.”

„Maar ik wenschte te weten, wat zijne geboorte en de rang is, dien hij in de maatschappij bekleedt, en welke aanspraak hij heeft om in den kring te verschijnen, waarin ik hem gemeenzaam opgenomen vind?”

„Indien gij bedoelt, hoe hij op Monkbarns gekomen is, dan moet gij dat aan oom vragen, die waarschijnlijk zal antwoorden, dat hij in zijn eigen huis zulk gezelschap verzoekt, als hem goeddunkt en als gij met uwe vraag Sir Arthur bedoelt, moet gij weten, dat mijnheer Lovel aan hem en aan Isabella Wardour een zeer gewichtigen dienst bewezen heeft.”

„Hoe! die romantische geschiedenis is dus waar? – En eilieve! dingt de dappere ridder, volgens de aangenomen gewoonte, naar de hand van de jonge dame, die hij uit het gevaar verloste? – Ik weet, dat zoo iets in alle opzichten naar de regels van een roman is; en ik vond haar buitengewoon droog toen wij samen wandelden, en zij scheen van tijd tot tijd als bezorgd, om haren dapperen ridder geen aanstoot te geven.”

„Mijn waarde Hector, indien gij nog wezenlijk eenige genegenheid voor Isabella Wardour koestert, –”

„Indien, Mary? wat beteekent indien?”

„Ik beken, dat ik uwe volharding als hopeloos beschouw.”

„En waarom hopeloos, mijne wijze zuster?” vroeg kapitein M’Intyre; „Freule Wardour kan, zoo als haar vaders zaken staan, geen aanspraak maken op een groot vermogen; en, wat geboorte betreft, geloof ik dat de naam van M’Intyre niet minder, –”

„Maar, Hector,” vervolgde zijne zuster, „Sir Arthur beschouwt ons nog altijd als leden van de familie Monkbarns.”

„Sir Arthur mag ons beschouwen uit welk oogpunt hem goeddunkt; maar iedereen, die zijn gezond verstand bezit, zal weten; dat de vrouw den rang aanneemt van haren man, en dat mijns vaders stamboom van vijftien kwartieren, waarop niets te zeggen valt, mijne moeder geadeld moet hebben, al stroomde er niets anders dan boekdrukkersinkt door hare aderen.”

„Om Gods wil, Hector, neem u in acht! – Eene enkele uitdrukking als deze, door eenigen onbescheiden of baatzuchtigen luisteraar aan mijn oom overgebracht, zou u voor altijd zijne gunst doen verliezen, en de kans vernietigen van hem ooit in zijne bezittingen op te volgen.”

„Ook goed! Ik heb een beroep gekozen, dat onmisbaar is, en ook nog, ten minste voor de eerste halve eeuw, onmisbaar zal blijven; en mijn goede oude oom mag, als het hem belieft, zijne erfenis en zijn burgerlijken naam aan uw boezelaar hangen, Mary, en gij kunt, als het u belieft, dezen zijn nieuwen gunsteling trouwen, en dan kunt gij beiden gerust, vreedzaam en geregeld leven, als het den Hemel behaagt! Mijn besluit is genomen, – ik zal niemand om een erfenis vleien, die mij door geboorterecht toekomt!”

Mary M’Intyre legde de hand op den arm van haren broeder, en bad hem zijn drift te beteugelen. „Wie anders,” zeide zij, „beleedigt u, of zoekt u te beleedigen, dan uwe eigene onstuimigheid? – Welke gevaren tart gij, dan die, waaraan gij u zelf verkiest bloot te stellen? – Onze oom was tot nog toe altijd goedig en vaderlijk in zijn gedrag jegens ons, en waarom zouden wij veronderstellen, dat hij in de toekomst anders zou zijn, dan hij altijd geweest is, sedert wij als weezen aan zijne zorgen overgelaten werden?”

„Hij is, dat moet ik bekennen, een voortreffelijke oude heer,” hernam M’Intyre, „en ik word woedend op mij zelven, als ik hem soms beleedig; maar zijne eeuwige redeneeringen over dingen, die geen duit waard zijn; – zijne navorschingen over potten en pannen en onbruikbare pijpenkrabbers; – dit alles put mijn geduld uit. Ik ben, ik moet het bekennen, wat driftig van aard, zuster!”

„Maar al te driftig, lieve broeder! In hoe veel gevaren – en, vergeef mij dat ik het zeg, eenige daarvan weinig eervol van aard, – heeft deze opvliegende en geweldige drift u niet gebracht! Laat zulke wolken de oogenblikken niet bederven, die gij in ons midden zult doorbrengen; laat liever onzen ouden weldoener zijn bloedverwant zien zoo als hij is: – edelmoedig, vriendelijk en levendig, zonder woest, stijfhoofdig of driftig te zijn.”

„Wel,” antwoordde kapitein M’Intyre, „ge hebt me nu de les gelezen; – de beleefdheid zal mijn streven zijn! Ik zal mij beleefd jegens uw nieuwen vriend gedragen; ik zal den heer Lovel aanspreken.”

Met dit besluit, dat voor het oogenblik zeer oprecht was, voegde hij zich weêr bij de partij, die vóór hen uitwandelde. De driedubbele verhandeling was nu geëindigd, en Sir Arthur sprak over het buitenlandsch nieuws en den staatkundigen toestand van het land; onderwerpen, waarover iedereen zich bevoegd acht zijn gevoelen mede te deelen. Toen men bij toeval sprak over een gevecht, het vorige jaar voorgevallen, gaf Lovel, die zich toevallig in het gesprek mengde, eenig bericht dienaangaande, van welks nauwkeurigheid kapitein M’Intyre niet scheen overtuigd te zijn, hoezeer hij zijne twijfelingen zeer beleefd te kennen gaf.

„Ditmaal, Hector, moet gij bekennen ongelijk te hebben,” zeide zijn oom, „ofschoon ik weet, dat niemand dat zoo ongaarne doet als gij; maar gij waart te dien tijde in Engeland, en mijnheer Lovel was zeer waarschijnlijk in de zaak betrokken.”

„Ik spreek dus tot een militair,” zeide M’Intyre; „mag ik vragen, tot welk regiment de heer Lovel behoort?” – De heer Lovel gaf hem den naam op van het regiment. – „Het is vreemd, dat wij elkander nooit te voren ontmoet hebben, mijnheer Lovel. Ik ken uw regiment zeer goed, en heb er op verschillende plaatsen, lang mede gediend.”

Een blos bedekte voor een oogenblik Lovel’s gezicht. „Ik ben een tijd lang niet bij mijn regiment geweest,” antwoordde hij, „ik was in den laatsten veldtocht bij de staf van den Generaal –”

„Wel! dat is nog vreemder; want ofschoon ik niet onder den Generaal – diende, had ik nochtans gelegenheid, om de namen der officieren van zijn staf te kennen, en kan mij dien van Lovel niet herinneren.”

Bij deze opmerking bloosde Lovel op nieuw, zoo sterk, dat hij de aandacht van het geheele gezelschap tot zich trok, terwijl een spottende lach de zegepraal van kapitein M’Intyre bekrachtigde. „Daar is iets vreemds in,” zeide Oldbuck bij zich zelven; „maar ik zal niet licht mijn fenix der reismakkers opgeven, – al zijne daden en woorden en zijn geheele gedrag zijn die van een fatsoenlijk man!”