De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 9

Chapter 93,630 wordsPublic domain

Tot het bestuur der Polderzaaken, wordt volgends octrooi van keizer Karel den Vijfden, dato 31 December 1520, een Dijkgraaf- en Hoog-Heemraadschap opgericht, dat met en benevens het Gerecht van Amstelveen het opzicht zoude hebben, over de dijken, bruggen, dijkslooten en andere polderwerken; volgends deeze handvest, zouden van de vijf Landrijksten, vier Heemraaden, en de oudste dier vijf, tot Dijkgraaf verkoozen worden: de Keizer noemde hen Dijkgraaf en Heemraden van de Landen en Dorpen van Amstelveen, doch hedendaags noemt men dat Collegie Dijkgraaf en Heemraaden van Nieuwer-Amstel; het aanstellen van dat opzicht is zijne geboorte verschuldigd aan de klagten die eenigen der Landrijksten bij den Keizer inbragten, daarover dat de vloeden der Zuiderzee, dagelijks aanwiessen, en die van het sticht van Utrecht hunne wateren ook dagelijks door molens uitwierpen, en deeden loopen op de landen van Amstelveen, waardoor de opgezetenen aldaar, indien er niet in voorzien werd, scheenen te zullen bedorven worden, en ten eeuwigsten dage verloren blijven, verzoekende derhalven dat hetzelve door het aanstellen van het bovengemelde Collegie, om desaangaande de noodige voorzorgen te doen neemen, mogt voorgekomen worden; de Keizer het gewigt deezer klagten inziende, willigde hun verzoek in.

De verkiezing van deeze Dijkgraaf en Heemraaden geschiedde weleer door de Rekenkamer der Graaflijkheids Domeinen, doch thans geschiedt het door Gecommitteerde Raaden van de Staaten van Holland, op aanschrijving van Burgemeesteren van Amsteldam.

VOORRECHTEN.

Deeze Ambachtsheerlijkheid is, in voorige eeuwen, door de Graaven met verscheidene voorrechten beschonken; van daar heeft het nog een vrij halsgerecht; ook mag, volgends privilegie van Graaf Albrecht, in geheel Amstelland, geen beroep van vonnisse gedaan worden—zij die eenig denkbeeld van het district, waarvan wij hier spreeken, kunnen maaken, zullen zig in gevolge van het eerstgemelde der bovengenoemde voorrechten, niet meer verwonderen dat er te Amstelveen zo dikwijls halsrecht gedaan wordt.

Amstelveen heeft ook het recht om die van Amsteldam, nalaatig bevonden wordende in het onderhouden van de sluizen „op ten Middeldam, en op St. Anthonies-poorte,” te beslaan in de boete van zes goudguldens dagelijks, tot duizend goudguldens toe, doch niet hooger.

BEZIGHEDEN.

Deezen bestaan onder de bewooners van deeze Ambachtsheerlijkheid in het weiden van vee, maaken van melk, boter en kaas, en het veenen, of baggeren van turf, enz.

GESCHIEDENISSEN.

Hoe de Heerlijkheid Amstelland, en gevolglijk ook dit dorp Amstelveen aan de Graaven van Holland gekomen is, hebben wij boven, (bladz. 2.) gezien; en in onze beschrijving van Sloterdijk, tekenden wij aan dat dezelve naderhand in het huis van Brederode zijn overgegaan, alwaar wij ook zeiden, dat niet naauwkeurig bepaald konde worden, langs welken weg (zie aldaar bladz. 2); doch, onder het naslaan van eenige andere dan de toen geraadpleegde schrijvers, vinden wij dat men dien overgang dus opgeeft: Graaf Jan van Holland, die zijn’ Vader den omgebragten Graaf Floris den Vijfden opvolgde, kwam derhalven ook in het bezit van de verbeurd verklaarde goederen van Van Amstel; en deeze, in 1299, zonder kinderen komende te overlijden, is hem, als naast in den bloede, tot erfgenaam opgevolgd, Jan van Avennes, welke in ’t begin zijner regeeringe de Heerlijkheden van Amstel en Woerden schonk aan zijnen broeder Guy; na den dood van deezen, en van Graaf Jan heeft ’s Graaven zoon Willem (1317,) die Heerlijkheden weder benaderd en aan de Graaflijkheid gehecht.

Naderhand heeft Albert van Beiëren, als Graaf van Holland, de Ambachtsheerlijkheid Amstelveen, nevens de gevolgen van dien, ter Ouder- en Nieuwer-Amstel (1399,) tot een onstervelijk leen gegeven, aan Coen van Oosterwijk, voor de somma van 3100 schilden; deeze droeg dat zijn eigendom (1402) weder op aan Margaretha van Cleef, des Hertogs tweede Gemaalinne; hier door geraakte na haar overlijden, Amstelveen, en de geheele nalaatenschap der Graavinne aan haare Moeder, mede Margaretha genaamd, die de Heerlijkheid tot 1434 bezat; in welk jaar Hendrik van Borselen, Heer van ter Veere, uit krachte van aanhoop, daarmede verleid is geworden; en door het huwelijk van Margareta van Borsselen, met Walraven van Brederode, ging Amstelveen dus in dat geslacht over, zijnde hetzelve in 1529, door Heer Walraven aan de stad Amsteldam verkocht, gelijk wij in ons blad, over Sloterdijk handelende, reeds gezegd hebben.

In de woede der hervorming heeft Amstelveen denkelijk gedeeld; want in de sententiën van Alba, vindt men een banvonnis, tegen zekeren Cornelis van Amstelveen, welke daarin ten laste gelegd wordt, dat hij de kerkplonderaars te drinken gegeven, den Pastoor voor eenen verleider des volks uitgemaakt, en gezegd zoude hebben, dat men van de klokken der kerken roers en geschut zoude gieten.

Wat Amstelveen in onze jongstledene beroerten heeft moeten lijden, is bij ieder bekend; aldaar tog was om zo te spreeken voor een gedeelte het tooneel des oorlogs.

In den nacht van den 30 September, rukte de Hertog, met zijne Pruissen reeds tot nabij de Hand van Leiden gekomen zijnde, nader derwaards; doch eene Patriotsche patrouille vertelde hem weldra met snaphaanskogels, dat zij onversaagd waren: deezen echter waren door de overmagt genoodzaakt zig te bedwingen; de Hertog posteerde vervolgens zijn geschut op den dijk naar Amstelveen, waarop de aanval zoude geschieden; reeds ten 5 uuren in den morgen hoorde men het signaalschot, en terstond daarop begonnen de Pruissen te Ouderkerk hunne opgeworpene Batterijen te laaten speelen; hunne jaagers gingen op het verlaat los, doch bemagtigden hetzelve niet dan ten koste van veele koppen; want de Hollanders vochten als leeuwen, als lieden die bij den oorlog opgevoed waren, welke lof de Hertog zelf hun niet heeft kunnen weigeren—nog herinneren wij ons, met siddering, het geluid der schoten aan welke ’t behoud of verlies van geheel Amsteldam afhing; nog hooren wij de hartlijke beden aan den hemel om overwinning.... doch liever staaken wij dien toon.

Eenige honderden schreden achter het gezegde verlaat, lag eene Patriotsche verschansing, door eene welbepalissadeerde gracht van den dijk afgezonderd; deeze werd vervolgends aangetast en veroverd, doch mede ten duuren prijze: ondertusschen was het dag geworden: de dappere Colonel De Porte die de Patriotten te Amstelveen commandeerde, en het dorp ongemeen versterkt had, liet toen met vier stukken geschuts den dijk beschieten, en deed veele Pruissen vallen; de Hertog echter hield stand, zond zijne jaagers, over de grachten, naar de nabijgelegene hooibergen, ten einde van achter dezelven zijnen vijand te beschieten; de onzen maakten een allerhevigst vuur, en betwistten elkander de eer van de meeste en best gerichte schoten gedaan te hebben: ligtlijk begrijpt men dat de Pruissen van hunnen kant mede hun best deeden, waardoor het benaauwde Amstelveen zig in ’t grootste gevaar bevond, staande ten prooje van de vijandlijke kogels, die echter niet zodanig neder kwamen dat er eenig huis of schuur in de brand geschoten werd: de onzen onvermoeid met schieten aanhoudende, en nu ziende dat men hun van achter de hooibergen bestookte, hadden moeds genoeg om op de Pruissische Jaagers, aldaar verstoken liggende, los te gaan, de hooibergen in den brand te steeken, en vooral door hunne welgeoefende scherpschutters, de jaagers voornoemd te verdrijven, niet alleen, maar ook zag de Hertog zig genoodzaakt met al zijne manschap naar de Hand van Leiden te retireeren, alwaar de Lieutenant Generaal Van Knobelsdorf eene batterij geformeerd had, om Amstelveen op zijde te beschieten.

De Hertog verwachtte alle oogenblikken dat de onzen van achteren geattaqueerd zouden worden, en hij daardoor gelegenheid bekomen van weder te kunnen avanceeren, want dit was zijn plan, maar dit secours bleef vier en een half uur uit, het geen hun veel volks kostte, die door het vuur der patriotten vielen.

Tegen tien uuren des morgens kreegen de onzen op den dijk van Ouderkerk nieuwe versterking van voetvolk, want hoe heet het ook reeds toeginge, brandde men echter van verlangen, vooral te Amsteldam, om zig tot versterking derwaards te mogen begeeven; men hield zig van eene volkomene overwinning verzekerd—dan God had het anders besloten——wij weeten niet waarbij het toegekomen is, dat de Pruissen verscheidene geretrancheerde posten van de onzen op den dijk naar Amstelveen en elders veroverden, de moedige Patriotten aan het wijken bragten, en tot binnen het dorp dreeven; ’t welk aldaar geene geringe schrik veroorzaakte—eene en andere omstandigheden waren dringend genoeg om den Colonel De Porte te doen besluiten, zig naar Ouderkerk te begeeven, ’t geen met zo veel spoeds geschiedde dat de Pruissen nu, gereed zijnde hen met hun eigen geschut te beschieten, hen niet meer berijken konden.

Te Ouderkerk had men zig tot nu toe even manlijk gedragen; de gelegenheid van het plaatsjen had den Hertog belet het te naderen, des zag hij ook geen kans om het tot de overgaaf te dwingen; onvoorbeeldig kloekmoedig betoonden de Patriotten zig aldaar, doch door de aankomst van De Porte, uit Amstelveen, werden zij geintimideerd, als nu te wel beseffende hoe zij thans langs den zelfden weg (’t zogenaamde groote loopveld, of de Kerkweg,) op de zijde, door de Pruissen genaderd konden worden: de Colonels Corkel en Leville, hadden hier het bevel, en beslooten de wijk naar Amsteldam te neemen, liever dan door eene wanhoopige verdediging den Vaderlande nog meer burgers te ontrukken—een ware held weet op zijnen tijd te wijken: de aftogt geschiedde met alle mogelijke stilte, en men kwam behouden te Amsteldam aan.

Nog dien zelfden avond werd het plaatsjen zo wel als Amsteldam door de Pruissen bezet, waardoor de inwooners, in de uiterste droefheid gedompeld, nu den overlast des soldaats moesten draagen—dat deeze overlast niet gering geweest is bevestigen honderden van getuigen; en te geloofwaardiger worden dezelven, als men beseft, welk haatelijk denkbeeld den Pruissen van de Nederlandsche Patriotten ingeboezemd was geworden; ook hadden zij te veel van de moedige verdediging van deezen moeten ondergaan, om geheel vrij te blijven van den trek tot bijzondere wraakneeming.

BIJZONDERHEDEN.

Hier onder behoort weder in de eerste plaats de kerk, met het graf van Broekhuizen (zie boven bladz. 5.)

De droogmaakerij, (zie bladz. 3.)

Eene wandeling naar Ouderkerk, geeft ook bijzonder vermaak.

Voords zijn hier en daar nog eenige plaatsen en dingen in oogenschouw te nemen, welken nagedachtenissen van het voorbeschrevene dapper gevecht tegen de Pruissen draagen.

REISGELEGENHEDEN.

Met de Utrechtsche en andere schuiten die Ouderkerk passeeren, kan men van Amsteldam tot daar, en terug medevaaren; voords gaat men verders te voet naar Amstelveen: des zondags vaart langs dien weg een Kerkschuit.

LOGEMENTEN.

Het Nieuwe dorstige Hart. Het Oude dorstige Hart. Het Land van belofte. De Paauwen.

BUURTEN ONDER DE BANNE VAN AMSTELVEEN.

DE OVERTOOMSCHE, OF HEILIGE WEG.

Van deeze zeer volkrijke en digtbetimmerde buurt, die gedeeltelijk mede tot een voorstad van Amsteldam aan die zijde verstrekt, is de

LIGGING

Ten westen van Amsteldam, aan wederzijde van een tamelijk breede graft, de Overtoomsche Vaart genaamd, die uit de stads vest naar den Overtoom loopt: de eene zijde der buurt is geheel digt betimmerd en bestraat, de andere de Smalle of Stille zijde genoemd, is niet bestraat, en ook op verre na zo aanzienlijk en digt niet betimmerd; de eerstgemelde zijde is aan beide kanten met boomen beplant, waardoor eene wandeling langs dezelve zeer vermaaklijk is.

NAAMSOORSPRONG.

Die van den eenen naam, welken deeze weg draagt, naamlijk Heilige weg, hebben wij onder onze beschrijving van Amsteldam, bladz. 7, reeds opgegeven; de andere naam, Overtoomsche weg, draagt zij, om dat men langs dezelve van Amsteldam naar den Overtoom gaat.

AANLEG EN GROOTTE.

Wat de aanleg betreft, door het veelvuldig gebruik dat van dien weg gemaakt werd, om de Heilige stede te Amsteldam te gaan bezoeken, zijn ongetwijfeld eenige winkels van benodigdheden of ververschingen aldaar aangelegd; deezen in getal toegenomen zijnde, hebben weder anderen, als handwerkslieden, enz. aldaar noodzaakelijk gemaakt, en op die wijze zal deeze aanzienlijke buurt haare tegenwoordige gedaante bekomen hebben: zij strekt, gelijk gezegd is, ter wederzijde van de vaart, van den gebiedpaal van Amsteldam af [9] tot den Overtoom of Amstelveenschen weg toe; en bevat veele huizen, waaronder eenige plaisiertuinen.

De bewooners deezer buurt zijn van den Gereformeerden of Roomschen Godsdienst, eenige weinige zijn Luthersch. De eerst- en laatst-gemelden gaan gemeenlijk naar Amsteldam ter kerk: de Gereformeerden echter ook wel te Amstelveen, waaronder zij kerklijk behooren; de Roomschen gaan op den Amstelveenschen weg, in de Buitenvelderschen polder of te Buitenveldert.

Kerklijke of godsdienstige gebouwen zijn derhalven in deeze buurt niet voorhanden; er zijn wel schoolen in, doch dezelven zijn van particulieren: voords is aan den Overtoom mede een school: de armen en weezen, die er zijn worden door Amstelveen verzorgd.

De bezigheden der bewooneren van deeze buurt zijn veelerleie, en veelal dezelfden als in de steden over het algemeen ter hand genomen worden; er zijn verscheidene fabrieken, onder anderen een pottebakkerij, kogelgieterij, kaarsgieterij, maar vooral glanzers en catoendrukkers; de laatstgemelden zijn echter sedert eenigen tijd merkelijk verminderd, gelijk die voorbodens van den ondergang onzes Lands, ook elders uit hetzelve verdweenen zijn: voorheen werden in deeze buurt ook meer dan één kruidstoof gevonden, doch dezelve zijn allen voor en na gesprongen; de laatste, Sollenburg, nog onder Amsteldam behoorende, (thans een behangsel fabriek,) voor ruim dertig jaaren: te recht noemt de Dichter Willink dit verdervelijk voordbrengsel van ’t menschlijk vernuft, eene stof

Die kracht geeft aan de dwinglandij, En ’t menschdom doet ten grave daalen, Wanneer het zwaare donders braakt, Een vlam spouwt uit metaale monden, Dat al het aardrijk loeit en kraakt, En zucht door doodelijke wonden: Een stof van aarde en zee betreurd, En die haar’ vinder heeft verscheurd.

Deeze vinder was zekere Barthold Zwarts, een Duitsche Monnik, die omtrent den jaare 1380 geleefd heeft: het mengsel, volgends zijne gedachten toebereid hebbende, wilde hij deszelfs kracht beproeven, lag eene genoegzaame hoeveelheid daarvan onder eenen zwaaren zerk, was dom of onvoorzichtig genoeg van er boven op te gaan staan, stak het kruid in brand, en vloog met den steen in de lucht: „’T is”, zeggen wij desaangaande elders, „als of God niet heeft gewild dat de Monnik eenig eerbewijs voor zijne uitvinding zoude ontvangen, het geen hem anders waarschijnelijk ten deele gevallen zoude wezen: zijn omkomen was als eene wraak van de Voorzienigheid, om de uitvinding met den uitvinder te begraven; want het liefderijk Opperwezen kan tog geen behaagen scheppen in het moorden der geenen, die hunne overheersching met menschenbloed staande houden,” enz.

De vreemdeling, die deezen weg bewandelt, zal zig ongetwijfeld verwonderen over het onbegrijpelijk groot aantal herbergen en schoenmaakers, welken hier gevonden worden, en die er intusschen allen een ordentelijk bestaan vinden: de eerstgemelden wegens de veele wandelaars, welken des zomers hunne wandelingen langs deezen weg beginnen of eindigen: ook wegens de steedsche gasten, van onderscheidene rangen, die zig alhier in de herbergen komen verlustigen: de vischmarkt, die des zomers zondags morgens aan den overtoom gehouden wordt, trekt als dan ook veele duizenden stedelingen na zig, allen moeten deezen weg passeeren, en daar de marktgang eene uitspanning is, wordt er niet zelden drok gepleisterd, de veele fabrieken, welken, gelijk wij gezegd hebben, weleer in deeze buurt gevonden werden, hebben ook veele herbergiers derwaards gelokt.

Wat de schoenmakers betreft, deezen hebben zig hier nedergezet, ter verkoopinge van het bekende goedkoop werk dat in de Langestraat gemaakt wordt, en niet binnen het gebied van Amsteldam gebragt mag worden: daar het intusschen door de koopers bij duizenden enkelde paaren ingevoerd wordt, zijn bij het schoenmaakers gild in Amsteldam van tijd tot tijd hevige klagten daarover ontstaan; doch men heeft de invoer, op gezegde wijze, niet willen, of niet kunnen beletten—Sedert zijn er ook veele dergelijke baazen binnen het gebied der stad, ja binnen de stad zelve, komen woonen, die wel geen Langestraats werk verkoopen, maar echter tegen denzelfden goedkoopen prijs eigen werk leveren.

GESCHIEDENISSEN.

Deeze zijn, naar evenredigheid van het bevang der buurt, vrij aanmerkelijk: door het reeds gemeld springen van de kruidstooven, welken er weleer gevonden werden, werd de buurt niet weinig geteisterd; en het verval niet alleen, maar zelfs het verdwijnen van verscheidene catoendrukkerijen, heeft haar voords mede eene zeer gevoelige neep toegebragt: in 1732 onderging zij ook eene hevige schrik door het afbranden van het nabij zijnde pesthuis, het welk geheel door de vlamme verteerd werd, en welk onheil niet weinig in akeligheid toenam, door de krankzinnigen, welken er in opgesloten waren, gelijk het gebouw nog heden mede tot dat einde dient.

Omtrent den jaare 1750 had deeze buurt in haar bevang een Fransche schouwburg, (die echter uit de stad zijn bestaan moest trekken,) zij werd aangelegd ter plaatse alwaar men thans het bekende Fort de Eendragt ziet; doch na verloop van weinige jaaren werd zij door het vuur verteerd: op den grond werd het tegenwoordige zwaare gebouw gesticht; en diende als toen voor eene Porseleinbakkerij; doch deeze heeft mede niet veele jaaren stand gehouden; de aanleggers verstonden de kunst van Porceleinen te maaken niet genoeg om aan den kieschen smaak der Hollanderen, die gewoon zijn aan het allerfraaiste geen gebrek te hebben, al moest het ook van het andere einde der wereld hun toegebragt worden, te voldoen: sedert heeft het gebouw tot een ander einde gediend; voor weinige jaaren was er een groote behangsel fabriek, enz. in geplaatst, doch dezelve heeft op dien ongelukkigen grond almede geenen stand gegrepen; laatstlijk hebben eenige Amsteldamsche boekverkopers het in huur gehad, tot een magazijn, om er hunne bekende buitenverkoopingen van copijen in te houden; doch ook dat gebruik heeft niet aan de verwachting beantwoord, thans is het gekocht door den beroemden Menschenvriend Jan van Mekeren, die het ter zijner eeuwige eer tot een hofjen laat toebereiden.

Eindelijk hebben de bewooners van deeze buurt niet weinig geleden door de Pruissen, die zig bij hunne aanmarsch op Amsteldam, in hoedanigheid van overwinnaars, en derhalven niet weinig tot buitenspoorige gedragingen overslaande, moesten ontvangen: „allerschadelijkst”, zeggen wij desaangaande elders, „kwamen die lieden er af, welken op het gerucht, of liever de verzekering dat de vijand reeds te Ouderkerk, en Amstelveen, de gewapende burgers met Batavischen moed derwaards getrokken om hun te keeren, was aangevallen, en de toedragt der zaaken zodanig stond, dat de burgers zouden moeten wijken.” De huizen van deezen werden terstond opengebroken; waren het herbergen, zo moesten er flesschen en vaten aan; alle voorraad van spijs was een kostelijke buit, voor maagen die meer gewoon zijn honger te lijden, dan door overdaad bezwaard te worden; kisten, kassen, en banken werden voor brandhout gebruikt; de huizen, waarin bewooners gevonden werden, ondergingen wel niet zo erg een lot, maar de bewooners zelven hadden niet weinig te lijden; en men kan begrijpen met welke opene armen de uitgewekene bewooners, bij hunne terugkomst, (want eindelijk moesten zij toch weder t’huiswaards keeren,) ontvangen werden: de slagers, welken in deeze buurt gevonden worden, leeden geen kleinen overlast en schade; hunne winkels waren rasch ontledigd, zonder dat hunne beurzen er door gevuld waren geworden: bij sommigen ging de baldaadigheid zo verre, dat zij aardappelen in gesmolten boter gaar kookten, even als men gewoonlijk in water doet: maar weinig dat roofbaar was, tot het loot op de daken toe, werd op zijne plaats gelaten; elders hebben wij reeds aangemerkt, dat dit echter zo erg niet zoude geweest zijn, bijaldien men de Jooden van hun van daan gehouden hadde; als onkundige lieden verkochten zij menigmaal een goed horologie voor maar zeer weinige penningen: intusschen hebben de bewooners deezer buurte, als elders, op verre na hunne schade niet vergoed gekregen: hun werd, staande de inquartiering, voor iederen soldaat één gulden per week gegeven; doch daarvoor was weinig te doen, met nadruk voor zulke gasten: intusschen ontvingen die gasten ook nog eenig legeronderhoud, bij voorbeeld één of twee zesponders roggebrood in de week; doch het Hollandsch witbrood geproefd hebbende, waren zij op hetzelve tot zo verre verlekkerd, dat het legerbrood hun niet meer smaakte; waarom sommige bewooners, ten einde hun te verpligten, dat brood, vrij zeer tot hunne schade, tegen wit brood verruilden, of zulk een legerbrood, elders, voor 3 of 4 stuivers verkochten, er iet bijlagen, en wit brood t’huis bragten: uit het een en ander kan men gereedlijk besluiten, dat de bewooners deezer buurt hunne Pruissische gasten met vermaak hebben zien vertrekken.

BIJZONDERHEDEN.

Deezen zoude men kunnen zeggen te zijn de fabrieken; voords zal een vaderlander in zijne wandeling langs deeze buurt wel een oog slaan op de werkplaats van den schilder Ruwel, waarin de Pruissische soldaten voornoemd, kerk gehouden hebben; want zij kenden nog Godsdienst, ten minsten nog de uitwendige oefening van denzelven—Voor weinige jaaren was er in deeze buurt eene zeer aanmerkelijke bijzonderheid voorhanden; bij zekeren smid, aldaar woonachtig, was naamlijk, zeide men, een afbeeldzel van den Zaligmaaker, door den Euangelist Lucas geschilderd te zien; groote beweeging maakte deeze zeldzaamheid, zo dat duizenden, vooral Amsteldammers derwaards vloeiden om die bijzonderheid, (tegen een zestehalf de persoon,) in oogenschouw te neemen; doch naauwlijks hadden de deskundigen ernstig hunne aandacht er op gevestigd, of zij verklaarden de zeldzaamheid voor een louter bedrog, het geen de smid met zijne schilderij en ontvangene penningen, zonder afscheid te neemen, deed vertrekken.

LOGEMENTEN,

Zijn in deeze buurt verscheidene; de voornaamsten zijn:

Het Leidsche wapen aan den Overtoom, en Bramenburg.

Uit het voorgaande blijkt, dat er voords veele herbergen van minder aanzien gevonden worden.

REISGELEGENHEDEN.

Aan den Overtoom voornoemd, vertrekt alle dagen een kaag op Leiden: Maandag, Woensdag en Vrijdag vertrekt van daar ook een schip naar Aalsmeer; alle dagen vaart een vragtschuit vise versa op Amsteldam, en des Zomers Zondags en Maandags, een volkschuit, heen en weêr, zo dikwijls er volks genoeg is, naar den stads buitencingel.

Achter de stille zijde van den Overtoomschen weg, liggen nog verscheidene paden, als het Jan Hansen, het Winslauer, het Nieuwe Tuinpad enz., die allen digt bebouwd zijn.

BUURT AAN DE SCHULPBRUG.

Deeze kan met recht, wegens derzelver uitgebreidheid, onder de aanzienlijke Buurten gesteld worden, als beslaande een zeer groote uitgestrektheid gronds: zij begint reeds op den Weesperweg aan den gebiedpaal van Amsteldam, en heeft verscheidene dwarspaden, naar den Outewaalerweg strekkende; derhalven is onder dezelve ook begrepen, het blokjen de Vierhuizen, op den Weesperweg, alzo genaamd, om dat het uit vier huizen bestaat; de buurt ligt voords, voor het grootste gedeelte zeer vermaaklijk, naamlijk aan de schoone rivier de Amstel, en nabij de verrukkelijke Diemermeir, gedeeltelijk zelfs langs de ringsloot derzelve.