De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 8

Chapter 83,548 wordsPublic domain

De beide deelen van de Bullewijk liggen zeer vermaaklijk ter wederzijden van de ongemeen schoone rivier de Amstel, en aan het water, Bullewijk genoemd; de Binnen-Bullewijk is voor een gedeelte een rijweg, met eenige buitenplaatsen vercierd, als Hoofdenburg, Kerkzicht, enz.; zij strekt zig uit tot aan de Abcouder meir: de Buiten-Bullewijk ligt in de polder de Ronde hoep, als mede de Rijke Waver, en de Waardhuizen, welke polder begroot wordt op 1526 morgen, en 472 roeden gronds: men wil, dat dezelve van ouds eene bosschaadje zoude geweest zijn, die afgekapt en tot land gemaakt is; voords stellen onze ingewonnene berichten het voor niet onmogelijk, dat die landen eertijds van slechten aart geweest zijn; dat men er daarom bullen op geweid heeft, en dat daarvan het gehucht de Bullewijk zijnen naam zoude ontleend hebben: wat betreft dat de polder voorheen een bosch zoude geweest zijn, daarvan geeft men, niet ongepast, ten bewijze, dat de landlieden aldaar nog jaarlijks boomwortels uit den grond haalen, die telkens naar boven werken: thans is de Ronde Hoep één der beste polders; niet alleen wegens het land dat zeer goed voor het melkvee is, maar ook wegens de schoone bedijking die rondsom de polder ligt: zij heeft drie watermolens, welken het overtollige polderwater in den Amstel overmaalen: het getal der huizen, onder de geheele Bullewijk betrokken zijnde, kunnen wij niet bepaalen.

Met de bestuuring en verzorging van Weezen en Armen gaat het hier als in de voorgemelde buurten onder deeze banne behoorende; de inwooners zijn voor het grootste gedeelte den Roomschen Godsdienst toegedaan, gelijk zij er dan ook een zeer goede en zelfs aanzienlijke statie hebben, een quartier uurs van het dorp gelegen, die bediend wordt door den Wel-Eerwaarden Heere Hyronimius van der Dorp, behoorende onder het Aartspriesterdom van Holland: de Gereformeerden, welken onder hun gevonden worden, moeten te Ouderkerk te kerk gaan, gelijk de Roomschgezinden in dat Dorp in de Bullewijk behooren: de kinderen uit dat gehucht gaan ook te Ouderkerk voornoemd, school.

De bewooners van de Bullewijk geneeren zig voornaamlijk met de melkerij, waartoe, gelijk gezegd is, de landen aldaar zeer geschikt zijn.

De Jooden hebben hier een groot kerkhof; zie onze beschrijving van Ouderkerk.

Herbergen worden er geene anderen gevonden, dan de Voetangel [7], alwaar men ook de reisgelegenheid van de passeerende Utrechtsche schuit van en naar Amsteldam en Utrecht heeft.

Rechtuit over den Voetangel voornoemd gaande, heeft men een rij- en gaan-weg, langs den Amstel, naar Abcoude: maar den Voetangel aan de linkerhand, begint de

RIJKE WAVER,

Mede, gelijk wij reeds gezegd hebben, in de Ronde-hoeper polder gelegen: het is een rijweg tot dat men aan de Waarthuizen komt, van waar men weder naar Ouderkerk gaat.

Van de Rijke Waver is niet veel anders te zeggen, dan dat het er in den zomer zeer aangenaam is; men ziet er veele buitenplaatzen, tot dat men komt aan de Stoppelaars brug, een gehucht van eenige huizen, (Stichts gebied;) daardoor gaande komt men, over een brug, wederom op Hollandsch gebied, naamlijk te Botshol: zie onze beschrijving van Waver enz.

De bewooners der Rijke Waver bestaan mede meestal van de melkerij, behalven eenige geringe lieden, die de baggerij ter hand houden.

Gezegde bewoonen verhaalen, dat dit gedeelte van de Ronde hoep, weleer, bepaaldlijk vóór en tot den jaare 1672, den naam van Schamele Waver droeg, en dat het den naam van Rijke Waver bekomen heeft, bij gelegenheid dat de Franschen, ten gezegden jaare, aldaar en in den omtrek brandschatting uitschrijvende, dezelve op geen pleksken zo in haar geheel opgebragt werd als alhier, waardoor het zig, in de plaats van den naam van arm te verdienen, betoonde rijk te zijn, en derhalven toen ook dien naam verkreeg; doch onze medegedeelde berichten spreeken zulks volstrekt tegen, verzekerende dat er geenige aantekening voorhanden is, waaruit zoude kunnen blijken, dat de Franschen in 1672 de Rijke Waver een bezoek gegeven hebben.

HOLENDRECHT.

Is eene polder onder dezelfde banne van Ouderkerk; zij wordt begroot op 419 morgen, 363 roeden: hier en daar is dezelve bewoond; doch niet anders dan door melkboeren, die er zeer goede landen hebben.

WAARDHUIZEN EN DE NES, IN ZO VERRE ZIJ TEN OOSTEN VAN DEN AMSTEL GELEGEN ZIJN.

Deeze buurten of gehuchten zijn redelijk digt bebouwd, en zijn ook vrij volkrijk; de bewooners geneeren zig voornaamlijk met den landbouw; ook worden er veele visschers gevonden: er is een’ goede sluis, de Nesser sluis genaamd: de liefhebbers van visschen, vooral die van Amsteldam, gaan des zomers gemeenlijk alhier hunne uitspanning neemen, het geen de inwooners nog al eenig voordeel aanbrengt: deezen zijn voor het grootste gedeelte van den Roomschen Godsdienst, en gaan aan de eene zijde te Waver, en aan de andere in de Zwaluwe buurt te kerk.

In de Nes is ook een school.

HET DORP AMSTELVEEN.

AMSTELVEEN, zo wel gelegen, Mild bedeeld met Godes zegen, Leed om Gysbrechts overmoed, Leed door Spanjes dwingelanden, Onlangs viel ’t in Pruisens handen, Laatstlijk heeft er ’t vuur gewoed. (1792.)

Zo ons werk niet van dien aart ware, dat wij geene keuze konden doen in de veele plaatsen welken in ons Vaderland voorhanden zijn, (want ons plan vordert dat wij die allen, van hoe grooten aanzien, of hoe gering ook moeten beschrijven;) zo wij deeze of geene plaats ten voorwerpe van onze beschrijving konden verkiezen, ongetwijfeld zouden wij het dorp Amstelveen de eer van den voorrang geeven; want in veelerleie opzichten verdient het de aandacht van elk Nederlander: niet alleenlijk is het aangenaam en wèl gelegen; maar ook is het op verscheidene andere wijzen aanmerkenswaardig: het is reeds een voorwerp van de gunst der Graaven geweest, en tevens een voorwerp der blinde woede ten tijde dat Spanje bloedmiddelen aanwendde, om de vrije harten en halzen van de wereldberoemde Batavieren door en onder zijn juk te knellen; en wat het in onze laatstvoorledene beroeringen, door het verschillen over de denkbeelden van recht, gerechtigheid en vrijheid, heeft moeten lijden, is nog in verscher geheugenis; ’t heeft ondervonden dat de Nederlanders, spijt alle verbastering nog niet geheel van hunne voorvaderlijke deugd ontaart zijn.... dan, daar van zullen op de volgende en meer andere bladzijden van dit ons werk overtuigende bewijzen genoeg gevonden worden, om er hier van te kunnen zwijgen; wij twijfelen niet of men zal onze beschrijving van dit dorp met genoegen leezen.

LIGGING.

Het vermaaklijk Dorp Amstelveen, (of Amsterveen, zo als het doorgaands genoemd wordt,) eene Ambachtsheerlijkheid van Amsteldam, is gelegen in Amstelland, omtrent twee uuren gaans ten Zuid-westen van Amsteldam, hebbende ten Oosten de Haarlemmer-meir, ten Westen het dorp Ouderkerk, en ten Zuiden, Tamen of Uithoorn: deszelfs ligging is zeer aangenaam; de weg die van Amsteldam, of wel van den Overtoom, derwaards gaat, verschaft eene verrukkelijke wandeling tusschen twee reiën lommerijken boomen, achter welken, op verscheidene plaatsen, ruime boerderijen, en aanzienlijke tuinen gelegen zijn: te recht zegt de zoetvloejende Willink, dat de gemelde aangenaame weg loopt,

Langs ijpeboomen, even glad, En net geschoren; welker kruinen, Zo tierig groejen bij het nat, Dat eeuwig wenscht, dien weg te omtuinen: Alwaar het toverend gezicht Den zachten wandelaar verpligt.

Amstelland, dat wij boven noemden, was weleer met het steedjen, ’t welk, na nog geen twee honderd jaaren, tot de wereldberoemde koopstad Amsteldam aangewassen is, eene bijzondere Heerelijkheid, niet behoorende onder de eigendommen van de Hollandsche Graaven, maar aan het geslacht der Heeren van Amstel: toen Heer Gijsbrecht, van dien naam, als deelgenoot van den bekenden moord aan Graaf Floris, het Land moest ruimen, werden zijne goederen verbeurd verklaard, en werden deezen gevolglijk een volstrekt eigendom van den Graaf; volstrekt, zeggen wij, want Gijsbrecht was reeds vroeger, voor zekere handelwijze van hem omtrent den Bisschop van Utrecht, door den Graaf gestraft, daarmede, dat hij zijne goederen, waaronder ook Amstelland, aan den Graave moest opdraagen, waarna hij dezelven weder als een Leen van deezen ontving: Amstelland is volgends sommigen daarna een Leen van de Utrechtsche Kerk geweest, doch ook weder aan de Graaflijkheid gehecht; anderen ontkennen zulks geheel of ten deele.

De uitgestrektheid van deeze gewezene Heerlijkheid is aanmerkelijk groot; zij wordt door den Amstel in twee deelen gescheiden, en aan de West-zijde Nieuwer-Amstel genoemd, in tegenstelling van de andere zijde die den naam van Ouder-Amstel draagt; zij bevat de dorpen, Slooten, Slooterdijk, Amstelveen, Ouderkerk, Diemen met Diemerdam, Loenen en Loosdrecht, Duivendrecht, Waver, Waverveen, Oostdorp, en meer andere vlekjens; ook zelfs Amsteldam, dat men de hoofdstad van deeze Heerlijkheid zoude kunnen noemen: de grond van dezelve is over ’t algemeen laag, week, moerassig en brakachtig; des vindt men er weinig bouwland, in vergelijking van den gras- en veen-grond die er voorhanden is: de laage ligging vereischt groote kosten aan watermolens, om het water geen overhand te laaten neemen; integendeel zijn onder de voordeelen van Amstelland te tellen, de veenen en ook zelfs de waterplassen welken er zijn, beiden groote winsten aanbrengende, de laatstgemelden door keur van allerleie smaaklijke riviervisch: voor weinige jaaren is boven Amstelveen, een diep uitgebaggerde veengrond droog gemaakt, en is thans reeds weder tot goed land geworden—dat weleer binnen den omtrek van deeze Heerlijkheid zwaare bosschen, (waarvan geheel Holland toen rijklijk voorzien was [8]) gestaan moeten hebben, en in de zo bekende boomstortingen gevallen zijn, blijkt van tijd tot tijd daaraan dat onder het graaven zwaare boomen gevonden worden; aan sommigen van dezelven heeft men vinden hangen, nooten en andere vruchten, die nog zeer goed waren—ons bestek laat niet toe breeder over deeze anders zo aangenaame taak, zo weinig als over Amstelland op zig zelf, te spreeken; des keeren wij tot Amstelveen weder.

NAAMSOORSPRONG.

De naam welke dit aangenaame dorp draagt, verklaart tevens deszelfs afkomst; betekenende naamlijk het veen dat aan den Amstel ligt, of Amstels Veen; waarom de eigenlijke naam niet Amsterveen, gelijk wij zeiden dat het doorgaands genoemd wordt, maar Amstelveen is.

STICHTING EN GROOTTE.

Wat de stichting betreft, daarvan kan, gelijk van veele andere dorpen, enz. niets gezegd worden; zeer waarschijnelijk zijn dezelven hunnen oorsprong verschuldigd aan ’t verblijf van eenige lieden, visschers, landbouwers, of baggerders, welken hunne nooddruft uit de grondsgelegenheid aldaar vonden, en bij wie misschien, door hunnen welvaart van tijd tot tijd uitgelokt, zig veele anderen gevoegd, en zo een buurt gemaakt hebben, welke, na verloop van tijd, in een dorp veranderd kan geworden weezen.

Wat de grootte van Amstelveen betreft, het geheele Ambacht wordt in de oude verpondings lijsten gesteld op 2670 morgen en 766 roeden; in andere opgaven vindt men er 4076 morgen voor, welk verschil ontstaan kan door eene andere bepaaling van het district, of liever van den grond die onder de opgave betrokken is; thans wordt het wel 6000 morgen groot geschat: in oude lijsten staan voor Amstelveen 251 huizen aangetekend; in nieuwere 1167 huizen en één molen; welk verschil weder op de gemelde wijze kan ontstaan zijn, althans de laatste opgaave, bepaalt zig niet binnen den omtrek van het eigenlijke dorp zelf, maar gaat ook over de buurten welken daaronder behooren, liggende aan den Amstel, den Veendijk, de zogenaamde Zwaluwenbuurt, en de Nes, ook de geheele Amstelveensche weg, aan de hand van Leiden, enz.

Ten noorden paalt het rechtsgebied van Amstelveen onmiddelijk aan dat van Amsteldam, waarvan de Heer Wellekens, in zijne Visschers en Jagersgezangen, dus zingt:

Juist daar de Mijlpaal staat, uit blaauw arduin gehouwen, Die ’t land en halsrecht scheidt, de beken en Landsdouwen, Van ’t prachtig Amsteldam, en ’t nedrig Amstelveen, Gelijk van stam en naam, maar nu met lotgemeen.

’T WAPEN.

Dit is een rood Schild, met twee zwarte dwarsbalken doorsneden; op den bovensten balk drie, en op den ondersten één witte kruisen.

KERKLIJKE GEBOUWEN.

Onder deezen kunnen geene anderen geteld worden dan de Kerk zelve, het Diaconie-Weeshuis, en ’t algemeene Armehuis; in het Diaconie-Weeshuis zijn niet meer dan twintig kinderen, en weinige oude lieden, en het Armehuis is in tweeën gescheiden; zijnde het voorste gedeelte ten dienste der Gereformeerden, en het achterste voor de Roomschen en Lutherschen, als mede voor de oude lieden van beide gezindheden: voor het Armehuis leest men:

Den armen wees tot nut, bragt men dit huis tot stand, Den ouden tot een stut, in Nieuwer Amstelland.

Boven den ingang van het Diaconiehuis staan de volgende woorden in een vierkanten steen uitgehouwen: „Door de weldaadigheid van Nieuweramstel en Amsteldam, is dit Diaconie Weeshuis gebouwd, in het jaar 1765.

„De Heere houdt de Weezen en Weduwen staande: Ps. 126 vs. 9.”

Weleer stond boven de poort of ingang, naast het zelve huis nog een versjen, ’t welk door ’t schilderen daarvoor van daan geraakt is: dus luidde het:

De liefde omhelst ’t verlaten weesken alhier, Om z’in haar schoot te voên en te onderwijzen, Verkwikt, versterkt met wijs bestier, De Oude, Arme, en afgewerkte grijzen: O Amstelland! wie roemt en volgt u niet, Als men dit huis met zijn bewooners ziet!

De Kerk staat op een bemuurd kerkhof, dat met schoon geboomte beplant is; het gebouw pronkt met een aartig spits torentjen, waarin slag en uurwerk is: onder de weinige sieraadjen van binnen munt zeer uit het eeregraf van den beroemden Nederlandschen Dichter, Johan van Broekhuizen, zijner nagedachtenisse geschonken door den Wel Ed. Heer, Mr. Abraham Calkoen, Heer van Kortenhoef, ten tijde der oprichting (1767) Baljuw en Dijkgraaf van Amstelland, naderhand Hoofdofficier der Stad Amsteldam: hetzelve bestaat in eene aloude lijkbus van blaauw arduinsteen, rustende op een dergelijk voetstuk, voor hetwelk een Latijnsch vers van den Hoogleeraar Burman, op een wit marmer tafreel is uitgehouwen, zijnde van deezen inhoud:

„Ter gedachtenisse van Johan van Broekhuizen, Overleden in het Jaar 1707.

„Gij alle die de Dichtkunst en Wapenoefening bemint, strooit lauren, mirten en veil op dit gewijde graf: Broekhuizen, wiens gedichten die van Propertius evenaarten, ligt hier in de Amstelveensche Kerk begraven; op dat hij ruste in dien zelfden oord, waarin hij, ontslagen van zijne krijgsamten, die hij met eere bekleed had, zig, in stilte, met geleerde oefeningen bezig gehouden heeft: de erkentenis die men aan zijnen asch, waarvoor men zo schandelijk verzuimd had eenig gedenkteken opterichten, na zestig jaaren verloops, de verschuldigde eer bewijst, hebbe haaren verdienden lof, en verstrekke ten treffelijken voorbeelde voor de dankbaare nakomelingschap; doch schoon dit grafteken, gelijk alle anderen, zelfs zulken die uit het kostbaar marmer gehouwen zijn, eindelijk vergaan moet, zullen nogthans de werken van zo groot eenen geest alleen zijnen naam onstervelijk maaken.”

Tot genoegen van onze Leezers, maar voornaamlijk tot genoegen van de bewooners van Amstelveen, zullen wij hier eene kleine schets van de levensbeschrijving diens voortreffelijken mans bijvoegen; ’t kan gezegde bewooners tog niet onverschillig zijn te weeten wie hij eigenlijk was die verdiend heeft, dat hun Kerkjen met zijn eereteken pronkt.

Johan van Broekhuizen, was dan een Amsteldammer, ter dier stede geboren den 20 November des jaars 1649; de zoon van een Hoedestoffeerder, die daarna ook klerk ter Secretarij van de Admiraliteit aldaar was; zijne moeder Eva Vos, was aan de aanzienlijke geslachten van Witsen en Hudde, vermaagschapt: Broekhuizen werd van jongs af der studie toegewijd; maakte groote vorderingen in de geleerde taalen, en betoonde al vroeg eene ongemeene zucht voor de dichtkunde der Latijnen; en deeze zucht was in onzen dichter zelfs zo brandend, dat hij, meer dan vijftig versen, in die taale gedicht, slechts één maal gehoord hebbende, dezelven van buiten kende; inderdaad een doorslaand bewijs van eene wonderbaare natuurgaaf, die zo vermaaklijk als in andere gevallen, (doch voor den dichter altoos hoogstwenschlijk,) lastig is; want Broekhuizen kon met geene mogelijkheid de regelen der Logica, eene drooge schoolsche studie, in zijn geheugen prenten; leevende voorbeelden zouden den man van ondervinding van deeze waarheid meer dan hij verlangde overtuigen: zo geheugt het mij, toen ik lessen in de Wiskunst gaf, meermaals leerlingen gehad te hebben, die uitmuntten in allerleie werken van genie, als daar is het maaken van tooneelspellen, en zamenstellen van romans, dat deezen, spijt alle mijne aangewende moeite, geen denkbeeld van eene rekening van proportie, of zogenaamde regel van drieën konden verkrijgen.

Van de schoole gekomen zijnde, besteedde zijn Oom, die hem na den dood zijns Vaders, tot tweeden Vader verstrekte, hem in een Apotheek, waarin hij eenige jaaren doorbragt, zonder echter de dichtkunde van zijne geliefde Latijnen te vergeeten: deeze slaafsche verbinding konde hem, zeer natuurlijk, niet lang behagen; hij kreeg er tegenzin in, en begaf zig tot een vrijer leven, tot den krijgsdienst naamlijk, waarin hij welhaast tot den rang van Vendrig bevorderd werd; hoe zou ook een lievelingskind der Natuur in allerleie standen geene bevordering verkrijgen! intusschen vergat hij zijne waarde Latijnen niet; ook niet toen hij vervolgends onder den dapperen De Ruiter, een togt ter zee deed, of toen hij, in 1673, in zijne geboortestad, Lieutenant werd over een Vendel van de stads bezetting: behalven dat woonde hij verscheidene veldtogten in Duitschland en de Nederlanden bij: hij zettede zig, na het sluiten van den vrede te Nijmegen, met er woon te Utrecht neder, en gaf zig aldaar geheel aan de boekoefening over: van daar kwam hij te Amsteldam, en had het geluk zijne studie voordtezetten in gezelschap van zijne beroemde tijdgenooten de Heeren Hulst, Huijdecooper, Heinck, Geelvink, en anderen: Burgemeester Hudde bezorgde hem de Capiteinsplaats van één der Vendelen van meergemelde stads bezetting: toen na het sluiten van den Rijswijkschen vrede, dat Vendel afgedankt werd, verkoos onze Broekhuizen een aangenaam buitenverblijf, onder het gebied van Amstelveen ter wooning, alwaar hij bij aanhoudendheid van de voornaamste Geleerden bezocht werd, en zijne studiën met onvermoeiden vlijt voordzettede; na lang gesukkeld te hebben, overleed hij aldaar den 15 van Wintermaand des jaars 1707, en werd op den vijfden dag na zijn overlijden, in gevolge van zijnen laatsten wil, in de Kerk te Amstelveen begraven.—Wat zijn arbeid betreft, Propertius en Tibullus, zijn fraai door hem verbeterd, in ’t licht gegeven, als mede de gedichten van Sanesarius en anderen: zijne eigene Latijnsche poëzij is door den beroemden David van Hoogstraaten in den jaare 1711 ter persse bezorgd, en weinige jaaren daarna ook zijne Nederduitsche gedichten, voor welken ’t verhaal van ’s dichters leven geplaatst is: kort na zijn overlijden deed de Hoogleeraar P. Burman eene redevoering daarop toepasselijk: welke eere ’s mans nagedachtenis is aangedaan, hebben wij boven gezien.

Het Kerkjen is gesticht in den jaare 1594, heeft geen orgel, en is de eenigste die in de banne van Amstelveen gevonden wordt; ofschoon zij bijna 1100 ledemaaten kan tellen: daarentegen zijn er op het zelfde grondgebied wel vier Roomsche Kerken; een van dezelve staat op den Amstelveenschen Weg, tusschen den Overtoom, en de Kalfjeslaan, die geen van de kleinste is, een mooi orgel heeft, en door twee Pastoors bediend wordt: hij bevat onder zig wel 800 ledemaaten, behalven de menigte van vreemdelingen, welken des zomers aldaar ter Kerke gaan.

De eerste Predikant op dit dorp is (1586) geweest Gerard Pauli, zijnde hetzelve alstoen gecombineerd met Ouderkerk, doch in 1588 is die combinatie gescheiden—voor eenige jaaren heeft de zonderlinge Leeraar van der Zouw, door zijne wijze van den volke het Euangelium te verkondigen, dit dorp geen gering voordeel aangebragt, door de menigte van stedelingen, en omliggende bewooners, welken hem kwamen hooren prediken; zijn toon en wijze van verhandelen waren even zonderling; dikwijls brak hij zijne reden af, om de in- en uitgaande menigte te zeggen dat zij minder opschudding moesten maaken; om te zeggen dat men deezen of geenen vermoeiden boêr, welke te weinig begrips van zijne verklaaring konde maaken, en dien hij derhalven in de slaap gepredikt had, optewekken; om aan den koster te klaagen dat de zon, door de kerkglazen schijnende, hem geweldig hinderden, en dat derhalven de glasgordijnen toegeschoven moesten worden; om bij het verschijnen van een of ander gezelschap welgeklede lieden, uitteroepen: „Kijk, kijk! daar komen weêr Amsteldammers aan! maar met geen hart, hongerende en dorstende naar de geestelijke spijs en drank des Euangeliums,” of iet dergelijks—’t geheugt mij zijn Wel Eerwaarden eens het gebod der Wet, Gij en zult niet steelen, te hebben hooren verklaaren, en hem in die verklaaring hooren stellen, dat alle menschen, van wat staat en stand, van wat ouderdom, dieven waren; zijn Weleerwaarde begon bij de kinderen, die zig niet zelden schuldig maaken, zeide hij, aan het steelen van een appel of peer—tot de Diakens der Kerke gekomen zijnde, dacht ik, de Leeraar zoude evenwel deezen uit zijn algemeen vonnis uitsluiten, maar neen! zijn hoofd naar derzelver gewoone plaats in de Kerk keerende, schreeuwde zijn Wel Eerwaarde uit: Er wordt niet anders als koperen munt in ’t zakjen gevonden! hij liet de uitlegging van de betekenis der woorden aan Diakenen zelven over, en ging voord met zijne rol van dieven verder afteleezen.

Van de Wereldlijke Gebouwen, Amstelveen betreffende, daar het Rechthuis, even als dat op alle andere dorpen, niets bijzonders heeft, des juist niet in den rang van gebouwen geplaatst kan worden, hebben wij geene aantekeningen te maaken, niet anders als dat hetzelve een stads gebouw is; geapproprieerd tot eene wooning voor den Officier, met eenen grooten tuin daar achter, waar voor de Officier voornoemd jaarlijks eene zekere somme aan de stad Amsteldam moet opbrengen: het gebouw heeft anders geen aanzien als dat het in zijn gevel pronkt met het wapen van Amsteldam: om de drie weeken wordt er, donderdags, rechtdag gehouden.

REGEERING.

Deeze bestaat voor zo veel Amstelveen zelf aangaat, uit den Balliuw, Schout en zeven Schepenen: eene Ambachtsheerlijkheid van Amsteldam zijnde, is er ook eene Ambachtsheer over gesteld, die de zaaken, het Ambacht bijzonderlijk betreffende waarneemt; bestaande de crimineele rechtbank aldaar eigenlijk uit Bailluw en Schepenen voornoemd; welke eerstgemelde ook Bailluw van Amstelland is.