De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 7
„De natte en doorweekte grond van Ouderkerk, als ook de menigte grachten en slooten, verhinderden dat men uit den Duivendrechtschen polder iet van belang kon verrichten: de bruggen waren veelal afgebroken, aan veele toegangen doorsnijdingen gemaakt, eenige anderen waren met geschut bezet, zo dat de Pruissen alhier eene hevige verdediging te gemoet zagen, en de uitslag deed zien dat zij hier niet mis gerekend hadden, want deeze voorpost van Amsteldam werd met veel dapperheid en beleid door de Patriotten verdedigd.”
„Met het seinschoot namen ook hier de onderscheidene aanvallen eenen aanvang, en de bezettelingen die terstond toonden dat zij deeze vijandlijkheden te gemoet zagen, gaven den Pruissen een zeer gevoeligen morgengroet terug.”
„De Colonel Kokeritz, kon van den kant van den Uithoorn niets verrichten; waarom een Capitein, wiens naam niet gemeld wordt, uit overdrevenen ijver, met eenige manschappen uit dit detachement voordrukte om te recognosceeren, wordende hij door een cardoezenkogel doodgeschoten.”
„In de Ouderkerker polder, alwaar de compagnie van den Capitein Ledebur stond, en hoewel alleen geschikt tot eenen valschen aanval, verdedigde deeze zig echter met zo veel manmoedigheid, uit het klein geweer, dat deeze compagnie eenen wezenlijken lof verdiende.”
„Op den weg van Abcoude naar Ouderkerk, alwaar de Capitein Tschock, de Ritmeester Zuizow, en de Luitenant der Artillerij Jacobi met hunne onderhoorige Manschappen, en drie stukken geschut stonden, werd van beiden de zijden een allerlevendigst en hevigst vuur gegeven: aan de zijde der Pruissen werden alle houwitsers, granaten en kogels gebruikt, zonder echter de bezetting veel nadeels toetebrengen, en de vijand was genoodzaakt meerder ammunitie te doen aanvoeren, hoewel hij door de smalte van den weg geene stukken geschut meer konde plaatsen: na dat het gevecht eenen geruimen tijd geduurd had, en bijna geheel op ’t laatst, rukte aan de zijde van den Duivendrechtschen polder, op den weg naar de Bullewijk eenige manschappen met een stuk geschut aan; deeze manschappen, waren op bevel van den Capitein Tschock met schuiten overgevaaren, en plaatsen hun stuk geschut recht tegen over eene batterij der bezetting, om dezelve te dwingen; doch de verdedigers deeden eenen zo hevigen uitval, dat de vijand terstond de vlugt nam, en het stuk geschut bijna in handen van de bezettelingen gevallen was.”
„Gemelde Capitein rukte daarop onverschrokken naar de batterij, en bij aldien de manschappen, die aan de overzijde van den Amstel post hielden, hem behoorelijk hadden kunnen ondersteunen, ware het niet onmogelijk geweest, denzelven te veroveren; doch dit ondoenlijk zijnde, en de Patriotten als leeuwen vechtende voor hunne zaak, was hij genoodzaakt te wijken, met achterlaating van eenige dooden en gekwetsten, de Major Diebits, hoewel meer geschikt tot een aanval tegen Duivendrecht, dit ziende, deed alle mogelijke moeite om uit den Ouderkerker polder, hem ter hulpe te komen, en vuurde met zo veele hevigheid en onverschrokkenheid, als wilde hij eenen etna bestormen, doch het mogt hem almede niet gelukken den moed der Vaderlanderen te bedwingen, en de batterij inteneemen.”
„Ondertusschen duurden deeze gevechten wederzijds van des morgens 5 tot 8 uuren, waarna de Pruissische troupen genoodzaakt waren van voor Ouderkerk de wijk te neemen, doch omtrent ten elf uuren, kwamen de gevlugte manschappen van Amstelveen [4] te Ouderkerk aan, waarop men,” (nog den moed niet verloren geevende, in tegendeel, met eene waare krijgsmans beraadenheid,) „eene batterij tegen den weg, langs welken zij gekomen waren, deed opwerpen; voords ging men met alle magt de batterij versterken tegen eenen nieuwen aanval; welk werk tot één uure op den middag werd voordgezet; doch toen kwam er bevel uit Amsteldam dat het volk van Van Salm, naar de Kalfjeslaan moest trekken, alwaar mede eene batterij was opgeworpen, zijnde toen de wegen, welken van Amstelveen op den Amstel uitkwamen, bezet.”
„Daarna vertrok ook de Geldersche brigade, en toen ook moest de Lieutenant Colonel De Wilde, hoewel de Pruissen geweeken waren voor zijn beleid en het gedrag der Patriotten, tot zijn grievendst leedwezen aan de Amsteldamsche burgers en de overige manschappen bevel geeven om mede optebreeken; dit geschiedde, hoewel onvergenoegd, echter met veel bedaardheid, zo dat alle de ammunitie tot de minste kleinigheid toe, mede naar Amsteldam gevoerd werd, waarmede zij omtrent ten vier uure in den middag, in de stad aankwamen, gelijk ook alle de manschappen der andere ontruimde voorposten, welken van het overgaan van Amstelveen, en het verlaaten van Ouderkerk, in tijds bericht bekomen hadden;” zij weeken, ja maar zij weeken als helden, als Batavieren nog niet ontaart van den voorvaderlijken moed: niet te onrecht zongen wij elders die helden dus toe:
Ja gij zwichtet——met uw zwichten, Zwichtte ook ’t magtig Amsteldam; Amsteldam, waaruit u voorraad, Voorraad en versterking kwam:
Ja gij zwichtet, niet uit lafheid! Lafheid! des waart ge onbekwaam; Onbekwaam scheent ge ook als helden. [5] Helden echter blijft uw naam.
Wierd gij nooit weêr opgeroepen, Opgeroepen tot den strijd! Strijd, waarbij geheel ons Neêrland, Neêrland en zijn burgers lijdt,
Vrede is tog der ziele hoofdstof, Hoofdstof van Civilis kroost; Kroost, dat om den lieven vrede, Vrede en rust zig moeite troost.
God blijv’ met u, dappre helden! Helden! eer van Nederland! Nederland! God houde u lange. Lange nog in vasten stand.
„Hoewel de Pruissen daarna geheel Holland overstroomden, en voor Amsteldam, zo wel als in andere plaatsen, in bezetting gelegd werden, zal het echter onwaardeerbaar zijn voor de Patriotten, dat zij ten allen tijde zullen kunnen aantoonen, hoedanig zij voor Ouderkerk de magt van Fredrik Wilhelm, het hoofd geboden, en in den krijgsdienst volleerde benden, genoodzaakt hebben, met verlies van een aantal dooden en gekwetsten, welk eerst getal de vijand zorgvuldiglijk heeft getracht te verbergen, terug te wijken: de braave Vaderlanders, wier stelzel het hier de plaats niet is te onderzoeken, maar die echter in deeze en nog andere aanvallen, zelfs door hunne vijanden geroemd zijn, toonden hier allerduidelijkst, dat zij onder een wèlbestuurd beleid, nog niet ontaart waren, van den roem hunner voorvaderen, welke schandvlek hunne tegenpartij hun heeft zoeken aantewrijven.”
Dat het Ouderkerk verder altijd zal geheugen in de handen der Pruissen gevallen te weezen, is eene waarheid die zonder getuigenissen geloofd kan worden; de triumpheerende soldaat is tog niet te rangschikken onder de bedaarden en barmhartigen onder de kinderen der menschen—voeg hier bij, gelijk wij ook wegens Amstelveen gezegd hebben, het haatelijke denkbeeld dat den Pruissen van den Nederlandsche Patriotten ingeboezemd was geworden; [6] ook hadden zij te veel van de moedige verdediging van deezen moeten ondergaan, om geheel vrij te blijven van den trek tot bijzondere wraakneeming.
BIJZONDERHEDEN.
De Kerk zal men zekerlijk niet vergeeten te gaan bezichtigen, en ook niet de Pruissche kogels, welken in den muur daarvan zitten, zo wel als die in den muur van het rechthuis: (zie Bladz. 5.) in de oude pastorij is mede zulk een kogel te zien.
Aan de eene zijde van het dorp, ligt een laantjen, waarin de wandeling verrukkelijk is, en dat het Ouderkerker hemeltjen genoemd wordt.
De Droogmaakerij, waarvan wij boven (Bladz. 10.) en ook in ons blad over Amstelveen spraken, kan men uit dit dorp ook gaan bezichtigen.
De reiziger neeme dit ons blaadjen in de hand, zoeke de plaatsen op, alwaar wij hem verhaalden dat de Patriotsche batterijen gelegen hebben, en zo hij de bekwaamheid van geregeld te kunnen denken heeft, zal hij, dat doende, een aangenaam uurtjen in den omtrek van Ouderkerk kunnen doorbrengen.
Hij vergeete ook niet het Portugeesche Jooden Kerkhof, hier voor Bladz. 5 aangehaald, te bezoeken: het ligt ten zuiden van het dorp, en strekt met drie morgen lands, langs het water de Bullewijk; onder de zarken vindt men die van overheerlijk marmer, zeer prachtig gehouwen, en met Hebreeuwsche opschriften versierd zijn: de sijnagoge houd hier een’ doodgraaver, of oppasser die er een vrije woning heeft.
Hier meent men stond weleer het Lusthuis der Heeren van Amstel, Reigersbroek, of Reigersbosch geheeten: in den zoen deezer Heeren met Graaf Floris, hebben zij dit huis aan hem opgedragen: de Graaven waren gewoon hier eenen Amptenaar aantestellen, met den tijtel van Meester en Bewaarder van den Reigerbossche: sommigen meenen dat deeze plaats door den grouwzaamen Elisabeths vloed van den jaare 1421, mede is vernield geworden.
In het dichtstukjen De Amstelstroom, leest men desaangaande het volgende couplet; Ouderkerk toegezongen.
Toen pronkte nog uw Reigershof, Voorheen om uwen luister te achten, Daar Hollands Graaven, met veel lof En roem, zig te verlusten plagten, In veel doorluchtig tijdverdrijf, Van snelle jagten, schutterijen, Om strijd, of daar ’t vermoeide lijf, Behaalde een reeks van lekkernijen; Daar elk om prijs den reiger schoot, En ridderlijk de lansie boodt.
Eene wandeling naar Amstelveen, is mede niet onvermaaklijk.
REISGELEGENHEDEN.
Met de Schuiten op Bladz. 6 genoemd, vindt men telkens gelegenheid om na en van dit dorp te komen.
LOGEMENTEN.
Brugzicht, dit was weleer De oude Prins; maar het volk van Van Salm, (dat getrouwe volk!) heeft dat uithangbord niet kunnen dulden, en het derhalven doen wegneemen. Paardenburg. De jonge Prins.
Voords eenige weinigen van minderen rang.
De drie eerstgemelde zijn mede Uitspanningen.
BUURTEN ONDER DE BANNE VAN OUDERKERK BEHOORENDE.
DE BUURT AAN DEN OMVAL.
Van deeze buurt, die niet zeer groot is, kan niets aantekeningswaardig gezegd worden: Zij bestaat intusschen uit verscheidene huizen, eenige molens en buitenplaatsjens: de ringsloot, wordt mede in dezelve gevonden.
DUIVENDRECHT.
Deeze buurt spant de kroon boven alle de anderen in de banne van Ouderkerk gelegen, naamlijk wegens haare grootte, en aanzienlijkheid, niettegenstaande er geen breed getal van huizen in gevonden worde.
Haare LIGGING is in de polder van den zelfden naam, en die onderscheiden wordt in Groot- en Klein-Duivendrecht, hebbende ten noorden de Diemermeir, ten oosten de Bijlemermeir, ten zuiden Ouderkerk, en ten westen den Amstel: de buurt ligt voords zeer vermaaklijk: door dezelve stroomt nog een watertjen, ’t Gat genoemd, waarin een kleine Overtoom ligt.
Wegens den
NAAMSOORSPRONG,
Is het volgende bericht bij ons ingekomen:
„De Duivendrechtsche brug, in de buurt over de Ringsloot liggende, en die ook den naam van Kuipertjes brug draagt, ter oorzaake dat nabij dezelve een groote kuipers werkplaats was,” (waarvan straks nader,) „werd in vroegere dagen aldaar niet gevonden; maar er was ter dier plaatse, eene schouw, of overvaart over gezegde rivier: iemand daar nabij woonende, (men zegt een knecht van den kuiper voornoemd,) was voords een ongemeen groot liefhebber van duiven, die hij dan ook in eene verbazende menigte nahield, het geen gelegenheid gaf dat men de gezegde overvaart, of kleine veer, in vroegere dagen Tricht of Trecht genoemd,” (gelijk wij in onze beschrijving van Dordrecht reeds aantekenden,) „Duiventrecht, of veer, overvaart naar de duiven, of het Duivenveer genoemd heeft; de veel vermogende klankverbastering heeft voords van trecht, drecht gemaakt,” (gelijk zulks met den naam Dordrecht ook plaats heeft,) „en alzo heeft deze buurt den naam van Duivendrecht bekomen.”
Wat de
GROOTTE
Betreft: Duivendrecht in ’t algemeen beslaat eene zeer ruime uitgestrektheid gronds, begroot op 1327 morgen, 300 roeden lands, gelijk de polders, waarin de buurt gelegen zij, onderscheiden worden in Groot- en Klein-Duivendrecht, alzo onderscheidt men ook de buurten van dien naam; zijnde de buurt, eigenlijk Klein-Duivendrecht, landwaards in gelegen: een gedeelte van Groot-Duivendrecht, tegen over den Weesperweg aan den Amstel gelegen, noemt men het eiland; eigenlijk zoude men het drie eilanden kunnen noemen, om dat het door twee slooten in drie afzonderlijke deelen, rondsom van water omgeven, verdeeld is—Op den gezegden uitgebreiden grond, bevat Duivendrecht, het eiland niet mede gerekend, niet meer dan 32 of 33 huizen, want dezelven staan zeer wijd van elkander gebouwd, voornaamlijk ter wederzijde van eenen zuidelijken straatweg; ieder huis staat op eene werf waarbij veel weiland gelegen is: er zijn ook twee buitenplaatsen of tuinen; de eene, Welmeer genoemd, is nog in stand; doch de andere in 1787 zodanig door de Pruissen gehavend, dat dezelve thans niet meer dan een optrek is; meer anderen worden op het eiland bovengemeld gevonden, op hetzelve staan, behalven dat, nog vier molens, naamlijk twee die witloot, één die snuif, en één die steen maalt: de beide polders worden voords door twee molens van het overtollig water ontlast.
In het buurtjen eigenlijk Klein-Duivendrecht genoemd, staan nog eenige weinige huizen, en één snuif-molen; voords is aldaar ook geplaatst de porcelein-fabriek, die weleer in Loosdrecht geweest is, gelijk wij in onze beschrijving van dat Dorp aantekenden: deeze fabriek, zegt men, dat alhier veel beter opneemt dan zij weleer in de Loosdrecht gedaan heeft; er worden vorstelijke servisen gemaakt, die ten duursten prijze worden verkocht; ook wordt wel, als de fabrikeurs eene genoegzaame hoeveelheid van porceleinen in voorraad hebben, een loterij van dezelven aangelegd, gemeenlijk in het rechthuis van de Diemer- of Watergrafts-meir.
Onder het gezegde tal van huizen, behoort ook de woning van den brugman; zijnde een tamelijk goed huis, waarin hij niets verwoont, gelijk hij ook geene pacht voor de brug behoeft optebrengen, en beiden, wooning en brug, worden door Amsteldam onderhouden: met dit postjen wordt thans deezen of geenen gunsteling begiftigd, ofschoon het indedaad een wettig eigendom zij van het manlijke oir des kuipers bovengemeld, en door het welk zijn huis aan die brug gelegen, en thans een herberg, (’T huis de hoop,) zijnde, nog wordt bewoond: de historie van dit ontvreemde eigendom is deeze: de kuiper voornoemd, of wel deszelfs gezegde woning, had het recht van de pont of het veer van overvaart, waarvan wij mede reeds gesproken hebben: nu stond hij aan Amsteldam een gedeelte gronds van zijn erf af, ten einde den algemeenen weg voorbij zijn huis heen te kunnen leggen; maar die afstand geschiedde op voorwaarde, dat de stad, voor haare rekening, in de plaats van zijne pont, eene brug zoude leggen en onderhouden, de inkomsten van welken ten eeuwigen dage aan het manlijke oir van hem zoude verblijven; het bruggeld zoude bepaald blijven op 2 duiten de persoon, gelijk men voor het overvaaren met de pont ook moest betaalen: dit accoord werd wel getroffen, maar is niet gemaintineerd; want voor eenige jaaren is, bij het afsterven van den werkelijken bezitter der brug, in het geslacht van den geenen die ’t accoord gemaakt had behoorende, dezelve, gelijk gezegd is, als een amtjen weggegeven; de tegenwoordige bewooner van het huis zoude thans, nu alle broodwinningen, vooral het herberghouden, geweldig achter uit gaan, met ernst zijn recht vervorderen, dan, hem ontbreeken de noodige papieren, die hem in de woelingen in 1787, waarin hij bovenmaatig gedeeld heeft, ontvreemd zijn, of liever zijn zij door schendende handen vernield: zo veel heeft hij nog bij request verkregen, dat de geenen die zig tot zijnent komen verpoozen, of ververschen, en de brug moeten passeeren, vrij van de tol zijn, mits evenwel dat zij uit zijn huis ook weder de brug over terug gaan, maar vervorderen zij hunnen weg, naar Abcoude of Ouderkerk, dan moeten zij de gewoone 2 duiten betaalen: deeze tol wordt ook alleenlijk betaald door den voetganger; paarden, hoornvee, of andere beesten die over de brug gedreven worden, betaalen niets, ook niet de rijtuigen, ja zelfs niet de geenen die er in zitten, alleenlijk moet men, gelijk gezegd is, betaalen, als men te voet gaat.
De gezegde huizen, waaruit deeze uitgestrekte buurt bestaat, worden bewoond door ongeveer 160 menschen.
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
De bewooners der buurt zijn voor het grootste gedeelte den Roomschen Godsdienst toegedaan, eenige weinige van hun zijn Gereformeerd, en slechts vijf of zes Luthersch; deezen moeten naar Amsteldam te kerk gaan; de Gereformeerden gaan naar Diemen of Ouderkerk, maar de Roomschgezinden hebben te Duivendrecht een mooi zindelijk kerkjen, dat bediend wordt door den Wel-Eerwaarden Heere Joannes Meylink, behoorende onder het Aartspriesterdom van Holland; de Roomschgezinden uit de Bijlemer, en sommigen in de Diemermeir woonachtig, komen ook alhier te kerk.—De pastorij is vrij aangenaam gelegen.
Wees- of arm-huis wordt in deeze buurt niet gevonden, wanneer de ouders ledematen zijn van den Gereformeerden Godsdienst, worden de kinderen door de Diaconen van Ouderkerk van die gemeente, besteed en verzorgd; wanneer zij geene ledematen zijn, komen ze ten laste der zoo genaamde gemeene armen; wanneer vader of moeder lidmaat was, komen de kinderen voor de eene helft ten laste der Gereformeerde Diaconen, voor de andere ter zorge van de gemeene armen, en voor deeze zijn ook de Roomsche weezen.
Er is een school, dat echter alles behalven eenig aanzien heeft; het wordt van wege het Ambacht begeeven, en dient voor de kinderen van alle drie de gezegde Gezinten in ’t algemeen.
Wereldlijke gebouwen worden in deeze buurt niet gevonden.
BEZIGHEDEN:
De bewooners geneeren zig meestal met de melkerij, er liggen geene moestuinen; er worden voords eenige gewoone Ambachten geoefend—er is ook een Chirurgijn.
In de geschiedenis deezer buurt, zoude geheel niets aantekeningswaardig gevonden worden, ware het niet, dat zij, met groote voorkeur ten getuige verstrekte, van de elende waarmede het lieve Vaderland in den jaare 1787, door den geessel des binnenlandschen oorlogs, geteisterd geworden.
Daar de Pruissen aan dien kant zouden komen afzakken, werd de buurt weldra door gewapende burgers van Amsteldam en van elders bezet; en o! hadden wij ter hunner eere mogen hooren getuigen dat zij er zig niet schuldig gemaakt hadden aan die baldaadigheden, waarmede de loontrekkende soldaat gemeenlijk de oord, waarin hij ter bescherminge gelegen wordt, doet gevoelen dat hij er is! alrede door het woeste krijgsmans leven van het pad der beminnelijke burgerlijke bedaardheid en geschiktheid afgeleid, hebben zij ’er, in navolging van den bezoldeling, verscheidene merktekenen van hun daarzijn nagelaaten; intusschen moeten wij, naar ingewonnene berichten, ook bekennen, dat zij zig, toen ’t op een staan en vechten aankwam, als dappere helden gedragen hebben; zodanig, dat men verzekert, hadde men te Ouderkerk stand gehouden, de Pruissen zouden aan de Duivendrechtsche brug nimmer hun oogmerk bereikt hebben; vier batterijen, hadden de patriotten rondsom Het huis de hoop, meergemeld, opgeworpen, van dewelken zij de Pruissen bij hunne herhaalde aannaderingen, ook gelijke maalen, dapperlijk begroetteden, met dat gewenscht gevolg dat er veelen van hun vielen; de tekens hunner afgezondene kogels zijn nog hier en daar, met naame in de muuren van de poort der gemelde hofstede Welmeer, te zien: de overtoom waar van wij boven gesproken hebben, was weggebroken, zo ook de tolbrug; (men voer toen weder met eene schouw over,) en al het hinderend geboomte omgehakt, zo dat zij hunnen vijand op eene vlakte voor zig hadden; echter behoefden zij met hun geschut maar zeer smalle wegen te bestrijken, (het platte land, stond rondsom ruim drie à vier voeten hoog onder water;) het welk ook met zo veel moed en snelheid gedaan werd, dat er, gelijk gezegd is, veele Pruissen door hun ter nedergelegd werden; allerbenaauwdst zag ’t er toen in deeze oord uit, en die akeligheid vergrootte niet weinig toen de Vaderlanders, door dat Ouderkerk verlaten was, geraden vonden, of liever genoodzaakt werden, aftetrekken, en de geheele buurt derhalven door de Pruissische soldaaten overstroomd werd; zij kwamen er in; als raazenden vielen zij op alles aan, want de dappere tegenstand welke zij, zekerlijk buiten verwachting, ontmoet, en het volk dat zij verloren hadden, had hun verbitterd; meest moest de meergemelde herberg ’t Huis de Hoop lijden; want zij hadden hetzelve, wegens de batterijen waardoor het van rondsom beschermd, (in hunne oogen beschermd) werd, voor een of ander huis van aanzien, mogelijk wel voor een Dorps Raadhuis gehouden, en hadden ook alle mogelijke moeite gedaan om het zelve tot een puinhoop te schieten: dan, allerwonderbarelijkst werd dat huis bewaard; want de Pruissen pointeerden hunne stukken zodanig, dat zij telkens over hetzelve heen schooten, en als zij het raakten was het slechts aan de randen der hardsteenen waarmede de gevel gedekt is, gelijk men zulks dan nog werkelijk in oogenschouw kan neemen—de bewooner van dat huis, houdt die beklagenswaardige gebeurtenis voor de grondoorzaak van zijn onherstelbaar bederf, want behalven dat sedert dien tijd een algemeen verval in het land plaats heeft, en zijne herberg derhalven vrij schaarser dan weleer bezocht wordt, begroot hij zijne geledene schade, zo aan zijn huis als goederen, op ruim 1000 guldens, waarvan hem, in gevolge van groote daartoe aangewende moeite, naauwlijks 350 guldens vergoed zijn: de Jooden, (men weet welke rol deeze, in die tijdsomstandigheden, gespeeld hebben,) hadden verscheidene van zijne meubelen gekocht, die hij naderhand, waarschijnelijk ten dubbelden en driedubbelden prijze, weder heeft moeten inkoopen.
De
HERBERGEN
Welken in deeze buurt gevonden worden, zijn voornaamlijk, het meergemelde,
Huis de Hoop, dat ook eene goede uitspanning is; voords nog twee andere herbergen van minderen rang.
De
REISGELEGENHEDEN
Zijn naar Amsteldam, Muiden, Naarden en Weesp, met de gewoone schuiten welken op die steden vise versa vaaren, en de Duivendrechtsche, of Kuipertjes-brug moeten passeeren, men kan van daar ook naar Abcoude of Ouderkerk wandelen; nog passeert er de Kerkschuit uit de Diemer- of Watergrafts-meir.
Door Duivendrecht wandelt men over eenen zindelijken straatweg, tot aan en voorbij het Tolhek: van hier gaat men rechts af, langs de zoogenaamde Ouderkerker laan, naar Ouderkerk.
Een andere Buurt, of Gehucht, in de banne van Ouderkerk gelegen, draagt den naam van
DE BULLEWIJK,
Die onderscheiden wordt in de Binnen- en Buiten-Bullewijk.
Hier strekt zig de ban van Ouder-Amstel uit tot aan het tolhuisjen bij de Abcouder meir, welker bewooners nog onder het opzicht van den Predikant van Ouderkerk staan.