De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 6
Die verdienstelijke gezelschappen, welken in spijt van allen dwingelandschen tegenstand, zig onderling hadden bezig gehouden, met plannen tot eene revolutie te formeeren, of met de beste schikkingen bij eene voorvallende revolutie te beraamen; deeze gezelschappen oordeelden het nu tijd te zijn om het voorneemen ter uitvoer te brengen; zij vergaderden in het logement het wapen van Embden, op den nieuwen dijk, en zonden, van den geest des volks, over ’t algemeen overtuigd, van daar (des middags ten 2 uuren,) eene Commissie aan den President-Burgemeester Straalman, met verzoek van de weldenkende Ingezetenen wapens te willen doen geeven, dat men anders voor de geduchtste gevolgen niet konde instaan, want dat het volk over ’t algemeen niet zoude wachten met de hun schandelijk ontroofde rechten van mensch en burger krachtdaadig wederteëisschen; dat hij Straalman verzekerd konde weezen, dat de revolutie op het uitbarsten stond; deeze begeerde eerst zijne amtgenooten te spreeken, en beloofde derhalven tegen 4 uuren rapport; maar ten half 5 uuren kwam reeds een Fransch Officier in de stad, met eene sommatie; des verzochten deeze de commissie voornoemd, tegen half 9 uuren.——Intusschen was de toegevloeide menigte volks naar ’t Wapen van Embden onbegrijpelijk talrijk, en de vreugde die men er bedreef, met zingen, dansen, en elkander geluk te wenschen met de vrijheid, onvoorbeeldig: terwijl dit voorviel kwam de burger Krayenhoff als Adjudant van den Generaal Daendels, in de stad, met eene Commissie aan Burgemeesteren en aan den Commandant Golofkin, tevens tijding brengende van de hulp die de burgerij van de Franschen stonden te genieten, zo zij zig zelven wilden vrij maaken; zo dra dit bekend geworden was, weêrgalmde de lucht van Vrijheid! Vrijheid! lang leeve de Franschen! lang leeve de Republiek! de vergaderde menigte in het Wapen van Embden werd nu nog veel talrijker, het gejuich veel luidruchtiger, en het dansen zo algemeen, dat geheel het gebouw daverde: den gantschen nacht bragt men aldaar en elders, ja zelfs op de straaten, met gejuich en vrolijkheid door; de ruiterij nam hun patrouilles waar; doch, (dit was hun door den Commandant Golofkin reeds bevolen,) deed niemand leed, en werd ook van niemand leed gedaan; zelfs waren er verscheidene patrouilles die mede riepen: lang leeve de Franschen! lang leeve de Republiek! en ook Vivat de Vrijheid! het was of ’t nationaal lint over de stad regende, en ieder versierde er zig mede.
Tegen 12 uure des avonds werd van de waag afgelezen dat Golofkin den volgenden morgen van zijn amt ontzet was, en de burger Krayenhoff hem alsdan daarin stond optevolgen.
Met de aankomst van den dag, verhief de algemeene vrolijkheid zig op nieuw, en men zag voor het stadhuis weldra dien Vrijheidsboom planten, van welken wij onze Landgenooten eene juiste afbeelding mededeelen, en die ten eeuwigsten dage bij de Nederlanders eenige voorkeur zal verdienen boven alle anderen (hoeveel prachtiger ook) die daarna gezet zijn, of nog gezet mogen worden: onbegrijpelijk was de vreugde die bij en na dit planten bedreeven werd; weldra was de boom in een gladde mast veranderd; want ieder scheurde er een takjen af, (ja men klom ten dien einde tot in den top toe,) om er zig mede te vercieren, als met een onwaardeerbaar teken van Vrijheid; het dansen rondsom den boom was onophoudelijk, en met de streelendste blijken van égaliteit, alle deeze vreugdebetooningen duurden bijna drie dagen lang, en werden door het diepst van den nacht naauwlijks afgebroken.
Voords werd de oude regeering afgezet, en Volksrepresentanten verkozen: de gevangene Heeren (wegens het bekende request tegen de Inundatie) werden uit hunne gevangenis gehaald; vervolgends ook de onderdrukte en gevangene burgers Verlem, Harger en anderen; allen werden zij met koetsen naar ’t Stadhuis gereden, (na een tour rondsom den Vrijheidsboom gedaan te hebben,) vergezeld van duizende juichende medeburgers.
Deeze regels, waarde Landgenooten! oordeelen wij u bij de nevenstaande afbeelding te moeten aanbieden.
Dat in de tuin van Nederland, nog lang die boomen groeijen, Dan zal de zinkende Amstelstad weêr als voorheenen bloejen, Verlost van ’t schaadlijk ongediert, dat leeft van ’t sap der bloemen; Dan zal nog ’t laatste nageslacht den moed der Franschen roemen.
HET DORP OUDERKERK AAN DEN AMSTEL.
’t Vermaaklyk OUDERKERK, in ’s Lands historieblaên, Gedacht; werd wel als schoon geprezen; Maar nu ’t den Pruis heeft wederstaan, Zal de eernaam voortaan DAPPER weezen: Werd eertyds van dit dorp gemeld, Nu wordt er WONDER van verteld.
Dit Dorp behoort in den breeden rang dier Nederlandsche dorpen van welken men kan zeggen dat zij zeer aangenaam gelegen zijn: Ouderkerk ligt in Amstelland, anderhalf uur van Amsteldam, ten oosten van den breeden rivier de Amstel, welke de tuinen of erven der huizen van achteren bespoelt: de environs van het dorp zijn zeer grasrijk en vermaaklijk, met veelvuldige wateren doorsneden: die environs moeten weleer echter nog veel aangenaamer geweest zijn, naamlijk boschachtiger, want tusschen dit dorp en Abcoude, zijn meermaals, eenige voeten onder den grond, veele boomen gevonden; men weet hoe winden en vloeden het eertijds houtrijk Nederland van veele zijner bosschen beroofd heeft—de grond is in geheel den omtrek van Ouderkerk veenachtig en moerassig—te recht noemt de zoetvloejende Willink hetzelve, ’t luchtig dorp
Daar de Amstelstroom, al even prat, Gevoerd op een kristallen wagen, Zo glorierijk door heenen snelt, En doet de zilvren baartjens vloejen Om met een zacht en deun geweld, Zijn groene boorden te besproejen; Zijn boorden door geen mensch gewraakt....
NAAMSOORSPRONG.
Het geen wegens dit artijkel aangetekend wordt, is gelijk ten deezen opzichte meermaals het geval is, met twijfelingen doorweeven: in vroegere dagen droeg het den naam van Ouder-amstel, om dat het onder Ouder-amstel behoort, men wil dat het den naam van Ouderkerk, in de plaats van dien van Ouder-amstel zoude verkregen hebben, bij gelegenheid van het stichten van een Nieuwer kerk in Amstelland, het geen zekerlijk aanneemelijk is, schoon men verschille in de bepaaling welke die Nieuwer kerk moge geweest zijn; sommigen houden er de tegenwoordige Oude kerk te Amsteldam voor, om dat deeze weleer den naam van de Kerk in Nieuweramstel, of Niër-Kerk gedragen heeft; ’t geen anderen ongerijmd voorkomt, het voor aanneemelijker houdende dat er de Kerk te Amstelveen door verstaan zoude kunnen worden, om de benaaming van Nieuwer-amstel, welke dat ambacht draagt: weder anderen meenen dat men voor die Nieuwe Kerk te houden hebben die van Nieuwerkerk, sedert lang in de Haarlemmer-meir verdronken—hoe het zij, uit het een en ander is de naamsoorsprong des dorps nagenoeg te gissen; althans nagenoeg voor zo verre ons oogmerk gaat; dit alleen moeten wij er nog bijvoegen, dat dit dorp gemeenlijk Ouderkerk aan den Amstel genoemd wordt, ter onderscheidinge van een ander dorp Ouderkerk, dat aan den Yssel ligt.
STICHTING EN GROOTTE.
Wegens de stichting van Ouderkerk kan niets gezegd worden, alzo het waarschijnelijk, met veele andere Nederlandsche dorpen eenen toevalligen oorsprong zal hebben, die meesttijds gezocht moet worden in de ligging, welke aanleiding gegeven zal hebben dat sommige lieden zig op zulk eenen grond met er woon hebben nedergezet.
Wat de grootte betreft; het ambacht van Ouderkerk, bestaat in vijf voornaame polders, zamen groot bijna 3505 morgen lands, waarvan voor Ouderkerk met Waardhuizen, en Duivendrecht, van ouds niet hooger zijn geteld, dan op 1542 morgen, 380 roeden; zijnde sedert 30 morgen en 400 roeden daaraf vergraaven voor de bedijking van de Diemermeir.
In de oude lijst der verpondingen van 1632, stonden voor Ouderkerk, 162 huizen, en in die van 1732, reeds 249 huizen en 4 molens: men rekent dat er onder Ouderkerk omtrent 750 ingezetenen zijn, zo mannen, vrouwen als kinderen en dienstboden, zijnde in deeze telling twee kinderen, onder de agt jaaren, voor één persoon gesteld.
’T WAPEN.
Dit is even als dat van Amstelveen, met dit onderscheid dat voor Ouderkerk op den ondersten balk twee kruisen staan, daar Amstelveen op dien balk slechts één kruis heeft.
KERKLIJKE EN GODSDIENSTIGE GEBOUWEN.
Weleer had dit dorp een ruime en luchtige Kerk, met een groot choor, waarvan het dak verre boven dat der Kerk uitrees: de toren was vierkant, en pronkte tot in den jaare 1674 met een hoogen spitsen kap, die op den eersten Augustus van dat jaar, tot op het muurwerk des gebouws nedergeslagen werd: de spits werd naderhand weder opgebouwd, echter niet zo hoog, hoewel zij zig nog vrij verre vertoonde; doch het gebouw geheel bouwvallig geworden zijnde, werd in den jaare 1774 afgebroken, en op dezelfde plaats eene geheel nieuwe en nette Kerk gesticht: zijnde den eersten steen daarvan gelegd door den Heer Balthazar Nolthenius, Zoon van den Heere Mr. Jeronimus Nolthenius, toen Secretaris van Ouder-amstel: deeze Kerk heeft van binnen niets bijzonders, hoewel zij van buiten eene zeer aangenaame vertooning maakt.
Ten tijde dat de Roomsche Godsdienst in deeze landen de heerschende was, was de Kerk van dit plaatsjen toegewijd aan den Paus en Martelaar Urbanus, wordende de Pastorij door de Hollandsche Graaven begeven; het inkomen van den Priester bestond uit 39 rhijnlandsche guldens van zekere landvruchten, als mede uit de voordbrengzelen van 6 morgen lands onder Abkoude, en evenveel anderen onder het ambacht Ouderkerk.
Toen de Hervormde Godsdienst de heerschende was, werden de Kerken van Amstelveen en Ouderkerk door een zelfden Predikant bediend; doch omtrent den jaare 1595, viel desaangaande eenige verandering voor, zodanig dat Ouderkerk zig in het kerklijke met Diemen vereenigde, wordende deezen beide gemeenten bediend door den Leeraar Lucas Ambrosius; naderhand Predikant te Amsteldam: toen beide plaatsen in getal van inwooners merkelijk toegenomen waren, ontving ieder eenen eigen Leeraar; gelijk ieder gemeente ook nog door éénen Leeraar bediend wordt: beiden staan onder de Classis van Amsteldam.
Een Weeshuis is op dit Dorp niet; de weezen en geallimenteerden worden onder de ingezetenen besteed.
De Roomschen, die onder Ouderkerk zeer talrijk zijn, hebben er twee Kerkhuizen.
WERELDLIJKE GEBOUWEN.
Onder dit artijkel kan alleen het Rechthuis gebragt worden, zijnde voor een dorp-gebouw, vrij ongemeen; vóòr hetzelve staat, 1656, waarschijnlijk het jaar van deszelfs bouwing: in een der muuren zitten drie kogels door de Pruissen daarin geschoten.
REGEERING.
Deeze bestaat, wat het crimineele betreft, uit den Bailluw, en in het civile uit Schout, zeven Schepenen en een Secretaris: vier Buurmeesters hebben, met Schout en Schepenen, ’t bewind over de gemeene zaaken van ’t ambacht.
De Ambachtsheer kan onder dit artijkel niet ongenoemd blijven, en des kunnen wij ter deezer gelegenheid ook voegelijk aantekenen dat de stad Amsteldam deeze Ambachtsheerlijkheid in den jaare 1731 aangekocht heeft voor eene somma van 25.100 guldens: de sterfheer is gemeenlijk een der Burgemeesteren van Amsteldam, zijnde thans de Wel Ed. Achtb. Heer Mr. Nicolaas Faas; de Ambachtsheer oefent echter het gezach niet uit zig zelven, maar alle zaaken, raakende het ambacht, worden hem aangediend, en door het collegie van Burgemeesteren afgedaan, gelijk zulks ook omtrent alle andere heerlijkheden, de stad toebehoorende, plaats heeft: weleer was de Bailluw zelf Ambachtsheer, en de goedkeuring of afkeuring van een’ Predikant stond aan hem alleen, zijnde dit amt tot den jaare 1715, door de oudste geslachten van Holland bekleed.
VOORRECHTEN.
Hier onder behooren de twee bruggen die op het dorp gevonden worden; eene van dezelven ligt over den Amstel, naamlijk aan de noordzijde bij het Rechthuis, en de andere over het water de Bullewijk genaamd, aan de zuidoostlijke zijde van het dorp: aan beide die bruggen moeten de doorvaarende schepen, en de daarovergaande menschen, beesten en rijtuigen, tol betaalen, zijnde het zelve een inkomen voor de stad als bezitster van de Ambachtsheerlijkheid: in den jaare 1745, werd het bruggeld verpacht voor ƒ 3000 guldens; Amsteldam is natuurlijker wijze ook verpligt daarvoor de beide bruggen te onderhouden, niet alleen, maar ook de straat die aan derzelver vleugels ligt.
BEZIGHEDEN.
De aangenaame ligging van dit dorp verschaft hetzelve veel levendigheid, door de menigte wandelaars welken zig ter uitspanninge derwaards begeeven, maar nog meer door de onnoemelijk veele rijtuigen welken als onophoudelijk afgaan en aankomen: deeze levendigheid wordt niet weinig bevorderd door de veele kostbaare en aangenaame tuinen, welken langs den breeden Amstel gelegen zijn, en meest toebehoren aan voornaame Amsteldamsche Kooplieden, welken aldaar de handelzorgen vergeetende, de duffe comptoirlucht voor den frisschen adem der Natuur verwisselende, ook dikwijls Ouderkerk gaan bezoeken; al ’t welk het dorp geen gering voordeel aanbrengt; voeg hierbij het Portugeesche Jooden Kerkhof, ten oosten van de Kerk, aan de Bullewijk gelegen, ter oorzaake dat op hetzelve menigvuldige begraavingen geschieden: maar ook wordt Ouderkerk niet weinig verlevendigd en bevoordeeld door de gestadig doorvaarende schuiten van Amsteldam, naar Utrecht, den Haag, Delft, Rotterdam, Gouda, als mede verder nabijgelegene plaatsjens en terug; als mede door de turfschepen en ponten, die van alom de turf uit de veenen naar Amsteldam en elders heenvoerende, veelal den Amstel afkomen; wij zwijgen van eene menigte rijtuigen welken, om verder optetrekken, dit dorp passeeren: de som bovengemeld, waarvoor de tol te Ouderkerk verpacht wordt, bewijst genoeg dat het dorp op verre na niet onder de stille dorpjens geteld moet worden.
Er worden voords die handwerken en neeringen uitgeoefend en gedaan, welken voor het burgerlijke leven onontbeerelijk zijn; veelen opgezetenen geneeren er zig ook met den veeteelt, en de turffabriek.
GESCHIEDENISSEN.
Hoe weinig betekenend dit dorpjen, met betrekking tot het Land in ’t algemeen, of tot het nabij gelegen trotsch Amsteldam in ’t bijzonder, schijne te zijn, wordt het echter in de Vaderlandsche Historie dikwijls genoemd, en in het belangrijke fak, dat met onzen tijd begint, bekleedt het voorzeker eene hoofdplaats.
Hoe geheel Amstelland om zeker bedrijf van Gysbrecht van Amstel, door de Kennemers onder water gezet en verwoest werd, zullen wij breedvoerig moeten verhandelen als wij over Amsteldam in het bijzonder zullen spreeken, hier zij het derhalven genoeg aantetekenen dat Ouderkerk in dien vreeslijken nood mede niet weinig heeft moeten lijden, ’t geen ligtlijk te begrijpen is wanneer men nagaat dat alle de landerijen van geheel Amstelland, in eene openbaare zee veranderd werden: dit gebeurde omtrent den jaare 1204: eene vergoeding voor dien grouwzaamen nood was eene stille landlijke rust van ongeveer anderhalf honderd jaaren, want eerst in den jaare 1567 verschijnt Ouderkerk weder op het Nederlandsche Staatstooneel, naamlijk ten tijde van Hendrik van Brederode, die door het aanbieden van het bekende smeekschrift aan de Hertoginne van Parma, bij de Spaanschen verdacht geworden, en reeds uit zijne Heerlijkheid Viaanen verdreven zijnde, zig met eenige bende in of nabij dit dorp nedersloeg, en zig aldaar bleef oponthouden, tot hij naar elders den wijk nam: zes jaaren laater, wierpen de Spanjaarden eene schans op rondsom het Kerkhof en de Kerk van Ouderkerk, ter gelegenheid van de belegering van Haarlem: dit kleine dorpjen is verder (in 1577) het middel in de hand der Algemeene Staaten geweest om Amsteldam, toen de eenigste stad die nog Spaansch gezind was, aan de zijde van Oranje, of wel aan hunne zijde te brengen; want zij lagen in het dorp veel krijgsvolk, ter handhavinge van hunne bevelen om aldaar zwaare convoijen en licenten te vorderen, van alle de goederen welken uit Amsteldam gevoerd en derwaards gebragt werden; de stad reeds toen eenen wakkeren handel drijvende, vond zig daardoor ook zodanig bezwaard, dat zij, om zig van dit jok te ontheffen, besloot den Algemeenen Staaten te vergenoegen, en de zijde der Spanjaarden te verlaaten.
Sedert dien tijd bleef dit dorp wederom in rust tot op den 30 Julij des jaars 1650, toen het ten getuige verstrekte van eene daad die eenigen gaarne uit ’s Lands geschiedenissen gewischt zagen; dezelve is echter te dikwijls geboekt om ooit door de vergetenheid ingezwolgen te kunnen worden.
Willem de Tweede, Prins van Oranje, zig door de regeering van Amsteldam beledigd achtende, wegens den geweigerden toegang in den vollen raad, zowel als wegens andere Vaderlandlieve gedraagingen van dien kant, besloot de stad bij verrassching te overrompelen, welken gevaarlijke aanslag echter, door eene gunstige bestuuring van de Voorzienigheid, verijdeld werd, door het verdwaalen des krijgsvolks, wegens de donkerheid van den nacht, en eenen zwaaren stortregen: Graave Willem van Nassau, Stadhouder van Friesland, was het geheim bevel van deezen aanslag opgedraagen; gelijk deezen dan ook met zijne bende te Ouderkerk zijn hoofdquartier verkoos; wordende ten volgenden dage door eenig krijgsvolk, uit Nijmegen, Utrecht, Arnhem, Zutphen, Zwol en Doesburg versterkt, doch het dorp geraakte dien overlast weldra kwijt, doordien de Prins en de Regeering van Amsteldam tot een minnelijk verdrag kwamen, waaraan de waare Patriotsche Heeren Bicker echter de aanzienlijke waardigheden, welken zij in de stad bekleedden opofferden.
Van dien tijd af vinden wij wegens de geschiedenis van Ouderkerk niets bijzonders gemeld, tot op onzen tijd toe; maar nu heeft het zig eenen eeuwigen naam verworven, door de manlijke verdediging der Patriotten aldaar, tegen de als in de wapenrustinge geborene Pruissen, die op den 7 September des jaars 1787, „in ons land vielen, om der Prinsesse van Oranje voldoening te bezorgen, wegens voorvallen”, kunnen wij met zeker geacht schrijver onder onze tijdgenooten zeggen, „welke hier de plaats niet is om dezelve te onderzoeken”; wij blijven, met hem, „alleen staan bij de dapperheid der patriotten, die bij Ouderkerk zo duidelijk gebleken is, dat wanneer alle de posten tegen de Pruissen op eene zodanige wijze verdedigd waren geworden, de geëischte voldoening van dat hof, waarlijk zo spoedig nog niet zoude gevolgd zijn.”
Ofschoon wij in onze beschrijving van Amstelveen reeds, dat dorp betreffende, een genoegzaam breed verslag van deeze allergewichtigste omstandigheid gegeven hebben, kunnen wij echter niet nalaaten, bij deeze gelegenheid het volgende nog te voegen; zamen kan het dienen om een recht duidelijk denkbeeld van de aangelegenheid ter dier plaatse en tijde te kunnen vormen.——Dus vinden wij het bedoelde geboekt, „Na de Pruissische troupen dan op de grenzen van Gelderland en Holland de steden Gorcum, Nieuwpoort, Schoonhoven, en anderen, na weinig tegenstands, ingenomen hadden, rukten zij verder na beneden, om alle de posten te overmeesteren, en vervolgends Amsteldam, en andere steden, de zijde der Patriotten toegedaan, te bedwingen: eenige posten werden gemaklijk, anderen niet zonder groote moeite veroverd, en voor sommigen stieten de Pruissen, meer dan ééns, door den moed der Vaderlandsche burgerij, het hoofd; de Hertog ziende dat niet alles zo gemaklijk gaan zoude, en ook door berichten vernomen hebbende, dat er zeer veele posten sterk verdedigd zouden worden besloot tot eenen algemeenen aanval.”
„Bij het geven van het wachtwoord, op den 30 September, des gemelden jaars, beval hij dat alle Generaals en Commandanten, des avonds ten zes uuren zig bij hem zouden moeten vervoegen; dit geschiedde, en zijne Hoogheid deelde alstoen aan zijne Officieren de bevelen uit, op welke eene wijze de aanvallen den volgenden morgen, den eersten October, ten 5 uure eenen aanvang zoude moeten neemen.”
„Zodra de seinschoot,” waarvan wij onder Amstelveen gesproken hebben „gegeven was, geraakte alles in werking; alomme werden de patriotsche posten aangevallen, die gedeeltelijk genomen, en gedeeltelijk met de grootste dapperheid verdedigd werden; kunnende wij niet nalaaten hier nog bij te voegen, dat waar de verdedigers moesten bukken, zulks meer toeteschrijven was aan bedekt verraad, of onkunde hunner bevelhebberen, welken geen orde onder hun volk hielden, dan aan het volk zelf; dat dit waarheid is blijkt onder anderen uit den aanval op Ouderkerk.”
Om ons thans bij dit dorp afzonderlijk te bepaalen, zullen wij hier den stand der Pruissischen troupen, bestemd om Ouderkerk te attaqueeren, opgeeven.
„De Ritmeester Van Kleist, stond met een detachement ligte infanterij in de kleine Duivendrechtsche polder.”
„De Ritmeester Zuizow met zijne ligte infanterij, en de Capitein Tschok met eene compagnie Grenadiers van het regiment van Budberg stonden op den weg van Abcoude, naar Ouderkerk, bij zig hebbende een stuk geschut van zes, één van drie pond, en een houwitzer, benevens de lijfcompagnie curassiers tot hunne ondersteuning.”
„In de Ouderkerker polder moest de Major Ledebur met zijn compagnie en twee stukken zesponders geposteerd staan, doch deezen kon op den bepaalden tijd daar niet tegenwoordig zijn, doordien hij over Mijdrecht en Baamburg had moeten marcheeren.”
„Aan den kant van den Uithoorn stonden 30 Jaagers en twee Compagniën van Budberg, onder bevel van den Capitein Kokerits, zonder grof geschut, benevens een esquadron paardenvolk van den Major Kram.”
„Deeze troupen nu hadden bevel om Ouderkerk te overmeesteren welk plaatsjen tot zijne verdediging vier onderscheidene batterijen had, die aan het dorp lagen, en die het den Pruissen meer daar ééns te heet maakten; men zag daar dat zij deinzen en vallen konden.”
Dat de Patriotten dapper geschoten hebben, hebben de Pruissen zelven getuigd, daar zij zeiden: „De Patriotten vervolgden ons met hunne kanonnen onophoudelijk te beschieten; na veele vergeefsche onderneemingen, en na dat de hooibergen in brand gestoken waren, werden onze Jaagers door het geschut en door de vijandlijke scherpschutters, genoodzaakt zig te retireren.”
„De gemelde vier batterijen die zo wèl bestuurd werden, waren op deeze wijze gelegen: eene lag er bij de hooge brug, bij de droogmaakerij, welke brug afgebroken was, terwijl deeze batterij met een twaalfponder en twee zesponders verdedigd werd; recht tegen over dezelve lag eene andere bij den zogenaamden krommen hoek, gemonteerd met twee drieponders, een derde lag op den weg na den Voetangel, op dezelve waren twee zesponders geplaatst; en op de boerderij voor welke deeze batterij op den weg lag, had men achter het huis voor het molenvliet eenen drieponder geplaatst: eene vierde batterij was opgeworpen, op het zwarte weggetjen, en met twee stukken van zes ponden bewapend.”
„Zo wel het dorp als deeze batterij waren bezet door Amsteldamsche burgers, door eenigen uit de Geldersche brigade, door Friesche Auxiliairen en Jaagers, door een gedeelte van het corps van den beruchten Salm;” wiens gloriezon door een schandelijke en eeuwige eclips niet verdonkerd, maar geheel onzichtbaar geworden is! „en voords door eenige Kanonniers en Artileristen, uit Amsteldam en uit de Auxiliairen: het bevel over deeze zo gewigtige voorpost van Amsteldam was opgedraagen aan den Wel Ed. Manhaften Heer F. H. de Wilde, toenmaals Capitein der Burgerij van Amsteldam, en de Vaderlandsche bende aanvoerende, onder den tijtel van Lieutenant Colonel.”