De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 5
In en omtrent den jaare 1530 was de onverdraagzaamheid in het stuk van den Godsdienst hier nog zo groot, dat onder anderen het drukken van ’t Nieuwe Testament naar de vertaaling van Luther verboden werd, op straffe van ooguitsteeking en handafkapping; ook maakten de Wederdoopers op verscheidene plaatsen van Nederland groote beroerten, wegens Godsdienstige verschillen; te Amsteldam liepen er vijf met ontblotene zwaarden door de stad, den zegen over de rechter en den vloek over de linker zijde derzelve uitroepende, weinig tijds daarna liepen zij moedernaakt door de stad, (zij hadden hunne klederen verbrand,) wee en ach! uitroepende, en de straf die sommigen van hen ondergingen, van onthoofd of verdronken te worden, konde hen echter van hunne krankzinnige dwaaling niet terug brengen; integendeel gingen zij daarin zo onvoorbeeldig voord, dat zij in den jaare 1535 een’ aanslag smeedden om Amsteldam te overvallen; den toeleg werd wel ontdekt doch konde niet geheel gestuit worden; zij overrompelden het stadhuis, het geen echter door de gewapende burgerij hun weder ontweldigd werd; een eisselijke straf ondergingen de geenen die men gevangen kreeg; onder hen bevond zig zekeren Jacob van Kampen, die zig Bisschop van Amsteldam had laten noemen; hem werd eerst de tong uitgesneden, en hij zelf voords leevendig verbrand—onlusten van minder belang door eenigen om verscheidene redenen misnoegden, voorbijgaande, naderen wij het tijdperk waarin onze stad niet weinig had te lijden door den hevigen twist over Roomsch en Onroomsch; de Amsteldammers waren zo sterk tegen de Onroomschen gekant dat deezen het nog niet hadden durven waagen er te prediken; doch daartoe gingen zij echter eindelijk over, met dit stoute gevolg dat zij in 1566 de beeldstorming in de Oude kerk begonnen, en zig zo ontzachlijk wisten te maaken dat de Wethouderschap hun het vrij buitenprediken toestond; doch daarmede niet voldaan, ondernamen zij het plonderen van twee kloosters, en gedroegen zig zo onrustig dat men moest goedvinden in 1567 een verdrag met hun te tekenen——na eene en andere tusschengebeurtenis, waaronder zelfs die, en welke geen geloof verdient, dat sommige weeskinderen eene bezetenheid trof, waarbij zij grouwelijke gezichten trokken, tegen de wanden opvlogen, en ook (NB.) uitheemsche taalen spraken, en lispende vertelden wat op ’t zelfde oogenblik elders in de Vroedschap geschiedde, trof in 1570 Amsteldam een deerlijk lot door een zwaaren watervloed; een zelfd lot trof haar in 1593, waardoor zij ontzaglijke schaden in haaren scheepvaart leed; geduurende deeze en andere tusschen gebeurtenissen, zeggen wij, kwam de bloedhond Alva in ’t Land, en de vervolgingen om het geloof werden ten allergrouwelijksten, vooral binnen Amsteldam voordgezet: hij eischte eene schatting van de stad die zij niet konde opbrengen, en zij werd deswegen in eene boete van 25,000 guldens verwezen; desniettegenstaande bleeven de Amsteldammers de zijde der Spaanschen houden, waardoor zij niet weinig van de Staatschen hadden te lijden: Alva, te zeer met schulden bezwaard, verliet haar heimelijk, en bragt daardoor veelen der rijkste inwooneren tot den bedelzak: in 1577 lagen de Staatschen het toe om de stad bij verrassing te bemagtigen; doch die toeleg mislukte, evenwel werd zij ten volgenden jaare gedwongen zig bij verdrag overtegeeven: hier over ontstond echter weder zo hoog een verschil dat de Onroomschen zig verstoutteden, (25 Mei 1578) het stadhuis te overweldigen, en de Wethouderschap met eenige Geestlijken ter stad uittedrijven: in 1581 en vervolgends had Amsteldam niet weinig deel in het ontwerp om de Graaflijkheid aan Willem den Eersten optedraagen, zij maakte er naamlijk zwaarigheid in, en ’s Prinsen onverwachte dood deed geheel de zaak achterblijven: in 1585 werd met eene tweede vergrooting der stad een aanvang gemaakt, en in hetzelfde jaar, trachtte de schelmsche Leicester, een Gezant van Engeland, zig van eenige voorstanders der vrijheid meester te maaken; doch de waakzaamheid der Wethouderschap en Burgerij deed hem in dat gevloekte oogmerk niet slaagen: zo zeer nam Amsteldam, niettegenstaande alle de gemelde folteringen, in bloei en volkrijkheid toe, dat haare muuren in 1593 nogmaals, ook andermaal in 1612, en nog eens in 1658 uitgezet werden; sedert is de stad alleenlijk binnen haare muuren meer en meer bebouwd: in 1595 was er zo groot eene schaarsheid van graan, dat Burgemeesteren zig onderling met eeden verbonden, de waare gesteldheid daarvan voor de ingezeten verborgen te houden: in 1602 gevoelde men zo hier als elders eene zwaare aardbeeving; het zelfde gebeurde in 1692. De bekende onlusten tusschen de Remonstranten en Contra-Remonstranten, ten tijde van het bestand, stortten onze goede stad weder in grouwzaame beroeringen, ja zelfs tot plondering toe: in 1629 werd een veroverde zilvervloot binnen haare muuren gebragt, en, niet zonder groote opschudding onder het bootsvolk verdeeld; in 1650, ontstond er verschil tusschen de stad en Prins Willem den Tweeden, waarom deeze dorst besluiten en ook onderneemen Amsteldam te bemagtigen, en naar zijne hand te zetten, doch zijn aanslag mislukte hem, en hij moest terug keeren, na op deeze wijs zijn’ stamhuis een onuitwischbaare schandvlek aangewreven te hebben: verscheidene maalen is Amsteldam ook door de pest aangetast geworden, en wel allerhevigst in den reeds gemelden jaare 1602, toen er in één week meer dan 700 menschen aan stierven; in 1663 en 1664, sleepte die geduchte bezoeking eene ontzachlyke menigte van inwooners ten grave; in 1610 was er weder zulk een hoogen watervloed, dat het water door de Warmoesstraat bruischende heen liep: in 1619 ontstond er een oproer over de boterpacht, doch dezelve was van geen groot gevolg, en in 1625 was er weder zo hoog een vloed dat het water op den Dam stond; het zelfde lot tastte de stad in 1637, en andermaal allergeweldigst in 1640 en 1651 aan: ten volgenden jaare verbrandde het stadhuis, zo dat er alleenlijk de muuren, en een gedeelte van den toren staan bleeven: in 1653 was het verval van koophandel alhier zo groot, dat er, volgends sommigen wel 3000 huizen ledig stonden; in 1654 werd alhier den vrede met den beruchten Cromwel afgekondigd, en met alle tekenen van vreugde werd geheel den dag doorgebragt: om het gemeen te behaagen deed men de trompetters het bekende deuntje Wilhelmus van Nassouwe blaazen, doch zorgvuldig hield men voor den volke verborgen dat de vrede eerst zijn beslag gekregen had, na de overlevering van de acte van Seclusie of uitsluiting van den Prinse van Oranje, bekend onder den naam van ’t Eeuwig Edict: na dien tijd zijn er te Amsteldam verscheidene maalen grouwzaame branden ontstaan, gelijk het ook te meermaale door vreeslijke watervloeden geteisterd is geworden: alle de kruidstooven die in haaren omtrek of nabijheid gestaan hebben, zijn de eene voor en de andere na in de lucht gesprongen, tot merkelijk nadeel en verschrikking der goede inwooneren; de aanmerkelijkste zwaare brand binnen de stads muuren voorgevallen is die van den Hollandschen Schouwburg, in den jaare 1772; deze indedaad was allerijsselijkst, niettegenstaande de ongeloovelijke vigilantie in het aanvoeren van alle de stads brandspruiten; en deeze allerbeschreienswaardigste gebeurtenis deed weldra zien, bij het in ’t licht verschijnen van zekere versen, dat Amsteldam binnen haare muuren nog zulke lieden huisvestte, die, niettegenstaande de stad een tempel van kunst en weetenschap genoemd moge worden, en veele fraaje vernuften er zig bezig houden met het loflijk werk van de verlichting des menschdoms; zulke lieden zeggen wij, die, desniettegenstaande, het akelige afbranden van den schouwburg hielden voor eene rechtvaardige bezoeking Gods, voor eene kasteiding van zijne hand, ja voor eene wraak zijner vleklooze heiligheid over de boosheid welke in zulk een gebouw gepleegd wordt—grouwelijke, god-onteerende gedachten! zo verfoejelijk als dom! intusschen was door de vlam eene overgroote somme gelds vernield, terwijl de bestuurderen nog bezig waren veele duizenden te vertimmeren, of liever te verspillen; want eerst van binnen eene geheel andere schikking van plaatsen gemaakt hebbende, was nu kortlings alles weder op den ouden voet gebragt: ter oorzaake van welke omstandigheid, of mogelijk, (en dit zouden wij liever gelooven,) om dat de brand ontstond onder het speelen van eene Vlaamsche troup tooneellisten, aan wien het gebouw toen voor het zomer- of zogenaamd stilstaand saisoen, verhuurd was, zeker vernuft, bij gelegenheid van den brand, deeze twee regels uit zijne scherpe penne liet vloejen:
De hommels rooven hier het eêlste van de beiën, Daar de oude stok om zucht; de weezen om staan schreien;
Hij zinspeelde op het onderschrift, onder het blazoen van den kunsttempel:
De beiën storten hier het eêlste dat zij leezen, Om d’ouden stok te voên, en ouderlooze weezen.
In 1672, de Staat in oorlog met Frankrijk gewikkeld zijnde, hield onze stad, onder anderen allen vredehandel met dat Rijk tegen; dit gaf door de aannadering des vijands gelegenheid, dat Amsteldam rondsom onder water gezet, en in staat van tegenweêr gebragt werd: in 1681 kwamen ter oorzaake van de Geloofsvervolgingen in het gemelde Rijk, eene groote menigte Fransche vlugtelingen herwaards, die allen wèl ontvangen, en zelfs met vrijdom van stads excijns voor den tijd van drie jaaren beschonken werden: vijftien jaaren daarna, (in 1696) ontstond er een geweldig oproer over zekere keure bij de Wethouderschap op ’t begraaven der dooden gemaakt, en ’t welk van dat gevolg was dat de keure ingetrokken moest worden, niettegenstaande men eenige der belhamels strafte: in de drie volgende jaaren, 1697, 1698 en 1699, was er te Amsteldam weder eene nijpende schaarsheid van graan, zodanig dat Burgemeesteren den uitvoer zelfs tot buiten den boom verboden: in den jaare 1720 had Amsteldam niet weinig te lijden door een verregaande zucht voor den actiehandel, waardoor duizenden zig totaal ruineerden, en waaruit groote beroeringen ontstonden: wij behoeven niet aantevoeren wat er in Amsteldam wegens de verkiezing van Willem den Vierden Prins van Oranje, tot het Erfstadhouderschap is voorgevallen, hetzelve is overgenoeg bekend: de stad echter heeft daarover minder geleden dan veele andere Nederlandsche steden; doch de verandering in ’t begeeven der Amten was voor haar van groter gevolg; men begeerde dezelven aan de Staaten van Holland opgedragen te hebben, waartoe de Stads Raad, om het voordeel dat er de stad van trok, niet wilde verstaan; de beruchte Porceleinkooper Daniel Raap, begon nu eenen hoofdrol te speelen; hij ontwierp een request aan de vroedschap, ter ervelijkverklaaring, (in de manlijke en vrouwlijke linie,) van het Stadhouder- Capitein- en Admiraalschap-Generaal, het verkoopen der amten ten voordeele van den Lande, een vrijen krijgsraad, en het herstel der gilden in hunne voorrechten; Raap nam alle mogelijke middelen ter hand om in zijn oogmerk te slaagen, doch hij vond overal grooten tegenstand, tot op zijne besteeking een menigte volks op den Dam vergaderde, het raadhuis instooven en geen gering geweld gebruikten; onder anderen stak het gespuis, in de plaats van de roede van justitie een ragebol ten venstere uit; zij lagen op de regeeringskussens in dezelven; doch zodra zij door eenige gewapende schutters aangevallen werden, namen zij in aller ijl de vlugt, evenwel volgde de toestemming tot het Erfstadhouderschap eenige dagen daarna: in 1648 verhief zig een dergelijken storm tegen de pachters, en in denzelven werden eenige huizen deerelijk geplunderd, op welke schenddaad ook eene voorbeeldige strafoefening volgde, waarbij eene oproerige beweeging ontstond, die een groot getal der zamengevloeide aanschouweren het leven kostte.
In 1756 gevoelde men hier weder eene aardbeeving, die geen geringe ontsteltenis veroorzaakte: in 1762 ontstond er brand in het stadhuis, welke echter nog gelukkig bij tijds gestuit werd: omtrent den jaare 1758 had de Nederlandsche Koophandel, waarvan de Amsteldamsche beurs de voornaamste zuil is, niet weinig te lijden door het onredelijk gedrag der Engelschen, die het niet genoeg was, weerlooze schepen optebrengen, te plonderen, verbeurd te verklaaren, maar ook ontzagen ze der Staaten vlagge niet, het geen, onder anderen, de Amsteldamsche kooplieden noodzaakte zig, desaangaande, bij requeste aan ’s Lands vaderen te adresseeren; de Heeren Bewindhebberen van de Westindische Compagnie, voegden hunne klagten bij die der kooplieden; ter staavinge van alle de klagten werden drie lijsten van genomene, geplonderde of onrechtmaatig gecondemneerde schepen, allen te Amsteldam in ’t bijzonder t’huis behoorende, ingeleverd, op de eerste lijst stonden
21 Schepen ter schade van ƒ 3:557.500:-:- 2de lijst 35 ——— ——— ——— 5:144.000:-:- 3de lijst 100 ——— ——— ——— 439.191:6:- --------------- Dus 156 Schepen ter schade van ƒ 9:140.691:6:-
Met reden was des het geroep om redres zeer groot, evenwel kwam het niet, het geen bij veelen den lust tot den koophandel geheel deed verflaauwen, tot merkelijk nadeel van Staat en stad: de gezamentlijke kooplieden van Amsteldam, Dordrecht en Rotterdam, leverden hunne klagten desaangaande in bij Mevrouwe de Gouvernante, maar kreegen wel verzoek om uitstel van verdere klagten, doch geene hulp: meermaals werdt in ’t vervolg over het zelfde ongelijk geklaagd, doch telkens zonder eenig wenschelijk succes niet alleen, maar zelfs kreegen de klaagers het grievend antwoord, dat het voor de Vrouwe Gouvernante een point d’honneur geworden was, te stemmen in de vermeerdering van landmagt, (dit was toen een tweede zaak in verschil,) en zonder de voldoening daarvan te erlangen, voor geene vermeerdering van zeemagt konde stemmen; dat men voords de kooplieden niet zoude vleien, met de teruggaven der schepen en goederen door de Engelschen genomen.... dan, dus voordgaande zouden wij niet alleenlijk te breedvoerig worden, maar ook de afzonderlijke geschiedenis van onze stad te buiten treeden; wij hebben dit alleenlijk tot dus verre willen boeken, om onzen Leezer eenigzins te doen beseffen, hoedanig Amsteldam ten dien tijde in de zenuw van zijn bestaan verdrukt werd.
Onder het Stadhouderschap van Willem den Vijfden, die zijne moeder opvolgde, gedroegen de Engelschen zig niet beter; daarbij kwam nog de twist tusschen Engeland en zijne Americaansche Colonien, welke oorlog zo veel invloeds op den staat van ons Vaderland gehad heeft: in 1775 was er weder een grouwzaam hoogen watervloed, doch nu op zijn hoogst gekomen zijnde, bespeurde men zonderling de hand Gods ter verlossinge; want schoon het water tot des morgens ten 9 uuren 20 minuten had moeten rijzen, begon het des morgens ten 6 uur reeds te daalen, en Amsteldam werd daardoor van het ijsselijk dreigende gevaar verlost.
De voorgemelde schandelijke gedragingen der Engelschen gevoegd bij hunnen oorlog met America, hadden in 1780 hier ter stede een algemeene morring veroorzaakt; en alle de woelingen liepen uit op de bekende oorlogsverklaring van het Britsche Hof aan onzen Staat, in welken oorlog Amsteldam, in gevolge de voornaame plaats welke zij in de Republiek bekleedt, een aanmerkelijk deel had; de meesten van onze tijdgenooten hebben de akelige omstandigheden waarin Amsteldam sedert gedompeld geweest is, beleefd; ook kan de gezegde Engelsche oorlog de oorzaak genoemd worden, van alle de vorderingen van het Patriotismus tot herstel van de misbruiken in ’s Lands wettige constitutie, in welke vorderingen zij door eene tegengestelde partij bestendig gedwarsboomd werden: ieder weet dat Amsteldam in alle gevallen in de zaak des Vaderlands heeft uitgemunt; nergens is de wapenhandel met zo veel luisters geoefend; maar ook nergens heeft de omkeering van zaaken zulk een sensatie veroorzaakt; nergens zijn de Pruissische soldaaten met zo groot een bewondering als verbazing ontvangen; doch ook nergens heeft het hun zo veel gekost, eer zij zig konden doen gelden——wat nog dagelijks in Amsteldam voorvalt, is ons allen bewust—wij vinden goed desaangaande niet meer te zeggen:
Menig held, beroemd in ’t strijden, weet te vlugten op zijn’ tijd— Weet dan schrijver ook te zwichten, daar gij ook in ’t strijdperk zijt— Strijdperk waarin ook kan winnen, die de minste krachten heeft; Vaak ziet men bij u dat de oude, voor den zwakke zuigling beeft; Letterheld! gehard in ’t strijden, ga dan vlugten op zijn’ tijd, Toon dat gij ten nutt’ van veelen, in het letterstrijdperk zijt.
Ik herinner mij deeze regelen, en zwijg.
Wat ons artijkel
BIJZONDERHEDEN
Betreft, geheel Amsteldam verdient den naam van bijzonderheid, het geen den vreemdeling, zo hij kan zeggen de stad gezien te hebben, gereedlijk zal toestemmen: intusschen kunnen wij niet nalaaten het reeds gemelde gebouw der aanzienlijke Maatschappij Felix Meritis hier te noemen, als een kunsttempel van bijzondere lieden die de bewondering van de ervarenste reizigers en bouwkunstenaaren wegdraagt: deeze loflijke maatschappij, die boven alle anderen in het kunstkweekend Amsteldam uitmunt, heeft haaren aanvang genomen in 1777, op de Lelijgracht; vervolgends is zij verplaatst op de Flueele burgwal, bij de Illustre school, en sedert November 1788, in haar nieuw en reeds beroemd gebouw op de Keizersgracht, ’t welk zig thans in al deszelfs luister voor onzen geest vertoont, en dat wij gaarne breedvoeriger zouden beschrijven, alzo ’t zulks overwaardig genoemd mag worden; dan, niet alleen verbiedt ons bestek ons hetzelve; maar ook zouden wij andere Maatschappijen, even nuttig in haare inrichting, en in de daad nuttiger in haare uitwerkselen, ofschoon niet zo prachtig gehuist, daardoor schijnen te vernederen; wenschlijk ware het dat de uitwerkselen van de Maatschappij Felix Meritis zo verre boven die van andere Maatschappijen in Amsteldam verheven ware, als haar gebouw boven die van de bedoelde Maatschappijen uitmunt, dan zeker zoude het prachtige gebouw nog meer uitzondering verdienen; zo veel zij er dan van gezegd, dat het allezins trotsch en kundig is aangelegd: de concertzaal onder anderen met uitzondering, men getuigt van deeze dat zij in geheel Europa haare weêrgaê niet heeft.
Den 31 October des laatstgemelde jaars (1788) wierd het gebouw ingewijd, in gezegde concertzaal, door den Hoogleeraar Van Swinden, met eene fraaje redevoering, en een overheerelijk expres daartoe vervaardigd muzijk, ’t welk door een ongemeen sterk corps van de voornaamste muzijkmeesters werd uitgevoerd: dan, daar intusschen de concertzaal, hoe ruim ook, niet ruim genoeg was, om alle de Heeren leden met hunne Dames te bevangen, werden ten gemelden dage de Heeren alleen genodigd, en ten volgenden dage, (den 1 November,) werd de inwijding, (met eenige toepasselijke verandering,) voor de Dames alleen herhaald.
De
LOGEMENTEN
In Amsteldam zijn te meenigvuldig om ze hier optenoemen; onder allen munten daaronder uit:
Het Wapen van Amsteldam. De beide Doelens. De beide Heere-logementen. De drie Liesveldsche Bijbels. De Zon. Het Wapen van Embden.
en meer anderen.
De
REISGELEGENHEDEN
Zijn in deezen stad naar alle plaatsen meenigvuldig.
NB. Onder ons art. Kerklijke en Godsdienstige Gebouwen, hebben wij vergeten te noemen de Roomsche kerk de Krijtberg, die, veele jaaren gesloten geweest zijnde, voor weinig tijds wederom tot het dienstdoen geopend is.
VERHAAL VAN HET GEBEURDE VÓÓR EN BIJ HET PLANTEN VAN DEN EERSTEN VRYHEIDSBOOM TE AMSTELDAM.
Heeft immer Amsteldam een blijden dag beleefd, ’Twas toen de dwinglandij haar loon ontvangen heeft; Toen ’t recht des volks herleefde op de aankomst van de Franken, Dien heel civilis kroost voor hun geluk zal danken; Als uit een diepen slaap verrees gantsch Nederland, Toen men de vrijheidsboom aan d’ Amstel heeft geplant.
L.V.O.
Heuchelijker dag heeft Amsteldam, en met het zelve reeds bijna geheel Nederland nooit gezien, dan die van den 18 Januarij deezes Jaars, (1795,) want op dien dag werd de hand geslagen aan de herstelling van ’s Lands Vrijheid:
Op dien dag sidderde gevloekte Dwinglandij, En riep het beste Volk, triumph wij zijn weêr vrij!
Van tijd tot tijd hadden de Amstelaars, (om ons bij deezen alleen te bepaalen,) hunne hoop op het eindelijke herstel der rechten van den mensch en van den burger gevoed, met den wonderbaaren voorspoed der Fransche wapenen, welken zo zichtbaar door het Opperwezen gezegend werden; die hoop werd brandender, toen men vernam, dat zij, (Neêrlands Verlossers!) hunnen voet reeds op den bodem der republiek gezet hadden; echter verflaauwde dezelve ook weder niet weinig door het besef dat de dappere redders nog breede rivieren hadden overtetrekken, aleer zij tot in ’t harte des lands konden doordringen, om door hunne verschijning onze onderdrukkers den Vorstlijken Scepter uit de hand te doen vallen; maar God betoonde allerzichtbaarst onze verlossing te willen; Hij sprak, en zie daar de gezegde rivieren met zwaar ijs bevloerd; dit zeker was niet alleen een werk van den Almagtigen, maar een bevel, om doortedringen; ’t zelve geschiedde, en de Provincie Utrecht gaf zig weldra aan de Franschen over.
Zo dra de tijding daarvan aan den Amstel gekomen was, zag men de vreugde op het gelaat der Vrijheidszoonen dartelen; zij verzekerden zig van hunne verlossing; doch begrepen tevens dat zij ook nu zelven de handen aan ’t werk moesten slaan, te meer daar de Franschen zulks reeds van hun gevorderd hadden.