De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)
Part 4
Weleer waren in Amsteldam drie Doolhoven; doch twee derzelven zijn te niet geraakt; het Oude is nog aanwezig op de Prinsengraft bij de Loojersgraft: ’t heeft een zeer schoon waterwerk; ook vertoont men er eenige aloude geschiedenissen door beweegende beeldjens: er is een houten reuzenbeeld van ongemeenen grootte, en bewonderenswaardig fraai gewerkt.
Behalven de kerktorens, en die welken op de poorten, het stadhuis, enz. gevonden worden, pronkt de stad nog met den Jan roodepoorts toren, op het Cingel: hij draagt den genoemden naam om dat aldaar weleer het Jan rooden poortjen stond: op denzelven is de gevangenplaats der stads militie—de Regulierstoren, aan het einde van de Kalverstraat en Cingel; hij is alzo genoemd om dat de Regulierspoort aldaar weleer stond: in 1672 werd onder denzelven, om reden van de omstandigheden van dien tijd, een munt aangelegd; waarom men ook den toren nog de Muntstoren, en de daaraan gebouwde voornaame herberg, de Munt noemt: in deezen toren is een schoon klokkespel——De Haringpakkers toren, van ouds de Heilige kruistoren genaamd, staat aan den Y-kant, en wordt Haringpakkers toren genoemd, om de Haringpakkerij, die er nabij is; ook houden de keurmeesters van den haring in deezen toren hunne vergadering——de Schreiers toren, staat mede aan den Y-kant, en draagt zijnen naam, naar eene vrouw, die het schreiend t’scheep gaan van haaren man zo zeer ter harte nam, dat zij er krankzinnig van werd, welk voorval ook nog in een’ steen uitgehouwen, en in den torenmuur geplaatst, vertoond wordt—de Montalbaans toren staat op de Oude schans; de oorsprong van deezen naam is onzeker—de burgerij heeft hier ook eene wachtplaats.
Drie Jagthavens die in Amsteldam gevonden worden, kunnen wij mede onder dit artijkel betrekken: de eene is bij de Oude stads herberg, de tweede aan den Amstel, voor de hooge sluis, of breede en aanzienlijke steenen brug, en de derde bij ’t burgerwachthuis, Keerweer genaamd, ten einde van Kattenburg; uit de twee eerstgemelden zeilt jaarlijks nog een vloot van kleine vaartuigen, alhoewel zulks thans mede niet met den ouden luister geschiedt.
Van de stads Kraanen zouden wij, vereischte ons bestek die naauwkeurigheid, nog iet kunnen zeggen, thans gaan wij dat point met stilzwijgen voorbij; van de schutsluizen hebben wij reeds met een enkel woord gewaagd, en zouden meenen derhalven ons artijkel Wereldlijke Gebouwen hier mede te kunnen sluiten, ware het dat wij daaronder niet betrokken, de stads tuchthuizen en schoolen, waarvan wij nog een enkel woord moeten spreeken.
Het eerste gebouw dat ons hierin voorkomt, is het Rasphuis, gemeenlijk het Boevenrasphuis, ook het Tuchthuis geroemd: hetzelve wordt gevonden op den Heiligen weg, en was weleer het Clarissen Klooster: in 1595, werd het tot een tuchthuis voor de mans bekwaam gemaakt: ’t is een gebouw allezins der bezichtiginge waardig, vooral wegens de orde welke er in heerscht, die te aanmerkelijker wordt, wanneer men nagaat dat de bewooners, eene talrijke hoop dier wezens zijn, welken op eene der uiterste grenzen van de vatbaarheden van den mensch staan, tot de ergste grouwelen in staat zijn, en echter binnen de muuren van dit huis, in behoorelijken tucht gehouden, ja zelfs tot Godsdienstoefening genoodzaakt worden.
’T gewezene Ursulen klooster heeft jaaren lang gediend voor een vrouwen Tucht- of Spin-huis; doch bij den aanbouw van een groot stads Werkhuis op ’t Weesperveld, is hetzelve ten onbruike geraakt, in zo verre het tuchtigen van vrouwlieden betreft; thans dient het tot inquartiering van militie; de schuldige vrouwen worden nu in het algemeene Werkhuis voornoemd geplaatst.
Het Willige rasphuis voor vrouwlieden, dat weleer aan den Y-kant stond, en ter weeringe van bedelaarij diende, niet alleen, maar ook ter gevangenplaatse van vrouwen, wier gedrag opsluiting verdiende, en wier naastbestaanden de kosten van een bijzonder Beterhuis niet konden draagen, almede door den aanleg van het voornoemde algemeene Werkhuis, ten onbruike geraakt zijnde, werd de grond daarvan bebouwd, met het allen lof verdienende Kweekschool voor de Zeevaart; eene instelling die Amsteldam eere aandoet, en ons ’t ons voorgeschreven bekrompen bestek doet betreuren; want gaarne weidden wij ten breedsten over het aanleggen van die lofwaardige schoole uit.
Het Verbeterhuis, staat op de schans niet verre van het Weteringspoortjen; ’t was weleer een huis dat diende ter genezinge van die met schurft of kwaadzeer besmet waren; het huis dient voor particuliere opsluitingen, echter moet zulks geschieden op verlof van de Regeering, die ook den Vader van hetzelve aanstelt.
Men heeft in Amsteldam voords een zeer aanzienlijke Doorluchtige schoole, (Athenæum illustre,) ’t gebouw was weleer een kerkjen van ’t Agnieten klooster, naderhand een pakhuis voor de Admiraliteit, waartoe de onderste verdieping nog gebruikt wordt; boven de leesplaats, is eene aanzienlijke stads boekerij, die eenmaal per week voor ieder openstaat; alle de boeken zijn met koperen kettingjens aan de kassen vastgemaakt.
Voorheen waren in deeze stad twee Latijnsche schoolen, thans is er maar één, staande op de Cingel tusschen de Munt en den Heiligen weg: ’t is een gebouw dat allezins aan het oogmerk beantwoordt: naast hetzelve staat de wooning van den Rector.
De Huiszitten- of Stads-schoolen verdienen hier ook aangemerkt te worden: zij zijn aangelegd voor de kinderen dier behoeftigen welke geene ledemaaten der Gereformeerden zijn, en derhalven niet door de Diaconie onderhouden worden, deeze heeft haare eigene schoolen.
Boven de Vleeschhal in de Nes, is de vergaderplaats van de Opzieners over het Genootschap der Geneesmeesteren—de aanzienlijke stads Kruidtuin is in de Plantaadjen aangelegd.
Na het aanstippen van alle deeze kweekschoolen der geleerdheid, waarbij wij veele andere particulieren zouden kunnen noemen, boven al het beroemde Vergaderingshuis der Maatschappy Felix Meritis, waarvan nader ons art. Bijzonderheden, zoude het niet onvoegelijk zijn hier vervolgends iet te zeggen van de geleerde mannen die de wereldberoemde stad Amsteldam uit haaren schoot heeft zien geboren worden; dan, het getal derzelven zoude eenige bladzijden vorderen die wij echter van ons bestek niet kunnen missen; ten allen tijde hebben de kunsten en weetenschappen in deeze stad gebloeid, en het welk te bewonderenswaardiger is, daar Amsteldam eigenlijk den troon des koophandels genoemd mag worden; ja nog heden, nu zij de gevaarlijkste verdeeldheid in haare ingewanden voelt wroeten; nu het gezicht van duizende krijgsknechten haar dagelijks verschrikt; nu zij telkens voor de gevaarlijkste uitbarstingen beeft, nu nog werkelijk tellen de Amsteldammers onder zig zulk een groot aantal geleerden, als zij mogelijk nimmer onder zig hebben kunnen tellen: vooral vindt men die loflijke voorwerpen in den achtingwaardigen burgerstand.
KERKLIJKE REGEERING.
Ingevolge onze gewoonte in het reeds afgewerkt gedeelte van ons uitgebreid plan, bepaalen wij ons hier ook weder alleenlijk tot de Gereformeerde, of Heerschende kerk in Amsteldam: deeze gemeente dan wordt bediend door 29 Predikanten, één van welken in de Hoogduitsche taale moet prediken: de Gasthuiskerk had weleer haar afzonderlijken Predikant; doch thans predikt deeze ook op zijn beurt in de andere kerken, gelijk de overige Predikanten ook de Gasthuiskerk op hunne beurt moeten waarneemen: de gewoone kerkenraad bestaat voords uit gemelde Predikanten, een gelijk getal Ouderlingen, waarvan jaarlijks de helft afgaan, gelijk ook van de Diaconen, die 42 in getal zijn, en een afzonderlijk Collegie uitmaaken, doch van den grooten kerkenraad ook leden zijn: den Diaconen zijn 12 Diaconessen toegevoegd, die voor al het vrouwlijke in dat groote ligchaam zorg draagen; voorheen zond de Wethouderschap twee Gemagtigden in den kerkenraad; doch sedert eenige jaaren vindt zulks geen plaats meer: in gevalle van eene vacature onder de Predikanten, worden Burgemeesteren om handopening tot het doen van een beroep verzocht; na bekomen verlof, maakt de gewoone kerkenraad een nominatie van drie, het zelfde doet het Collegie van Diaconen: deeze dubbelde nominatie wordt in den grooten kerkenraad tot een drietal gebragt, en daaruit wordt bij meerderheid van stemmen één verkozen, op welke verkiezing vervolgends de goedkeuring van Burgemeesteren verzocht wordt.
WERELDLIJKE REGEERING.
Deeze bestaat uit een Collegie van 36 Raaden, of Vroedschappen, 4 regeerende Burgemeesters, 9 Schepenen, en één’ Schout: eigenlijk zijn er 12, zo afgegaane als regeerende Burgemeesteren, die den Oud-raad uitmaaken, en hunne bijzondere functie hebben: de Vroedschappen behouden hunne post levenslang, doch Burgemeesteren en Schepenen worden jaarlijks, op Vrouwendag, veranderd: bij ’t afsterven van één’ der Raaden, wordt in de opengevallene plaats door het Collegie zelve eenen anderen verkozen: de Schout wordt door Burgemeesteren, na voorgaand besluit der Raaden, aangesteld, en blijft aan tot hij bedankt of overlijdt: er zijn nog vijf Onderschouten, waartoe de Hoofdprovoost van ’t Aelmoesseniershuis, en de Waterschout, of Bailluw van ’t watergerecht, behooren: ieder deezer Onderschouten, gelijk ook de Hoofdschout hebben eenige gewapende dienaars onder zig; de laatstgenoemde heeft ook een’ Secretaris; de gemelde jaarlijksche verandering van regeerende Burgemeesteren geschiedt uit den Oud-raad voornoemd, (of zo die niet voltallig is, ook wel buiten dezelven,) door dien Raad zelven en door Oud- en regeerende Schepenen, bij meerderheid van stemmen: drie Burgemeesteren worden op gezegde wijze verkozen, en deezen verkiezen uit de vier van het voorgaande jaar een vierden tot President, welke post hij drie maanden bekleedt, vervolgens is ieder andere van drie tot drie maanden President: langer dan twee jaaren mag geen van hun dienen: van de 9 Schepenen, waarvan één President en één Vice-president is, gaan jaarlijks 7 af: tot het benoemen van 7 anderen vervaardigt de Raad een nominatie van veertien persoonen, waaruit door den Stadhouder 7 benoemd worden: een President en Vice-president worden vervolgends uit de Oud-schepenen verkozen.
De wereldlijke Regeering van Amsteldam, bestaat voords in het Collegie van Thesaurieren Ordinaris, zamengesteld uit vier Oud-burgemeesteren; zij hebben opzicht over stads gelden, doen aanbestedingen, enz.—Thesaurieren extraordinaris: deezen ontvangen verpondingen, buitengewoone lasten, enz.—Weesmeesteren, zijnde Oud-schepenen, meestijds 8 in getal—Commissarissen van huwelijkszaaken—van de Rekenkamer—van de Assurantiekamer—Commissarissen van de Wisselbank, die van Kleine Zaaken, zittende over verschillen die beneden de ƒ 600 gaan.—die van de Kamer van Zeezaaken—van de Desolate boedelkamer—Commissarissen van den grooten Excijns, dat is op graanen, gemaal, wijnen, azijn, bier, turf en koolen—voords Commissarissen over den honderdsten en tweehonderdsten penning; wij zwijgen nu van onderscheidene boden, secretarissen, clerken en verdere mindere bedienden: de Regeering van Amsteldam heeft voords twee Pensionarissen, waartoe gemeenlijk geleerde lieden, verkozen worden.
Wegens de Colecten voor de armen, enz. is de Stad ook in eenige wijken verdeeld, en in iederen wijk zijn twee Wijkmeesters aangesteld, die hunne bijzondere diensten doen, vooral in het afgeeven van getuigschriften, waarvoor zij eene vrije bank in de kerken hebben.
SCHUTTERIJ, enz.
De Amsteldamsche Schutterij, is verdeeld in 5 Regimenten, ieder van 12 Compagniën of Vendels, naamlijk het blaauwe, ’t oranje, het witte, ’t geele en ’t groene regiment; ieder regiment heeft 5 compagnien, en iedere compagnie bestaat uit 100 man, derhalven zijn er 6000 wakende Schutters, in 60 wijken verdeeld: behalven dat zijn er nog 4 compagnien buiten de stads poorten doch binnen derzelver vrijheid: ieder der gezegde compagniën, (in drie Corporaalschappen verdeeld) heeft een Capitein, een Lieutenant, een Vendrig, drie Serganten, enz.: over het geheele ligchaam der schutterij zijn twee Colonellen aangesteld, die met de 60 Capiteinen, en 60 Lieutenants den vollen krijgsraad uitmaaken, welke op het stadhuis hunne vergaderplaats heeft: van ouds, en dat billijk was, had de gewapende schutterij verscheidene voorrechten, ook werd zij, als ’t ligchaam der Gemeente verbeeldende, in gewigtige gevallen, den welvaart der stad betreffende, door Burgemeesteren geraadpleegd; doch dat loflijk gebruik is door den tijd geheel te niet gelopen. Sedert de gezegende omkeering van zaaken moet de gewapende burgerij oranje cocarden draagen.
Behalven deeze gewapende schutterij, houdt de stad nog eenige compagniën soldaaten in dienst, die dag en nacht de poorten en andere posten bezetten, als mede een corps kanonniers: thans, bij gelegenheid van de gezegende omkeering, en tegenwoordige vrees voor het uitbarsten van de morringen des volks, heeft zij bestendig een talrijk garnisoen binnen haare muuren.
De Stad wordt boven dat alles des nachts door eene omgaande gewapende ratelwacht bewaakt: deeze heeft vier wachthuizen, of corps de garden: op alle de torens waaken des nachts ook trompetters, die als er brand ontstaat zulks terstond ontdekken, en er door hun trompet, enz. de ratelwachts kennis van geeven, welken vervolgends ieder in zijne wijk brand moet roepen, na den ratel buitengewoon lang geslagen te hebben; zij moeten ook de lieden die tot het brandwezen behooren wekken: er zijn eene menigte brandspuiten zo in als buiten om de stad voorhanden, tot welken een toerijkend getal brandmeesters, en mindere brandgasten aangesteld zijn: alle deeze lieden verdienen den lof van zo onvoorbeeldig vigilant te zijn, dat bij geen menschen geheugen, in gevalle van brand, meer dan het erf waarin het ongeluk ontstaan is, ten prooje der vlamme is geworden.
Bij deeze nachtlijke voorzorg, kunnen wij ook voegen dat de stad, zodra des avonds het duister valt, door eene groote menigte lantaarns op paalen gesteld verlicht wordt: voor weinig tijds heeft men eene nieuwe soort van lantaarns, die ongemeen veel lichts geeven, beginnen intevoeren, doch daarmede schijnt men niet verder voordtegaan: sommigen van deezen zijn aan uitsteekende ijzerene armen gehangen, anderen hangen aan gespannene touwen dwars over de straaten; het getal van deezen is echter maar gering.
De
GILDEN,
Die in Amsteldam gevonden worden, zijn weinig minder dan 50 waaronder, bij voorbeeld dat van de schilders, waarin meer dan 800 baazen zijn; de leden van het wijnkoopers gild zijn ongelijk veel meer; ieder heeft zijne Overlieden, bijzondere keuren en gildewetten; doch niet weinigen van deeze broederschappen klaagen dat zij naar behooren bij die hunne keuren en wetten niet gemaintineerd worden; althans maaken de Jooden er groote inbreuk op.
De
VOORRECHTEN
Der Amsteldammeren zijn veelen, alle welken echter door hen niet genoten worden: bij verscheidene Graaflijke privilegiën werden zij door gantsch Holland, Zeeland en Vriesland, vrijverklaard van de Graaflijke tollen, mits ze kunnen aantoonen jaar en dag poorters geweest te zijn: poorters van Amsteldam mogen, benoorden de Maaze ten platten lande, in persoon noch goederen bekommerd worden, ten ware zij op dieverij of vechterij betrapt wierden: van ouds konden zij voor niet meer dan honderd ponden uit hunne goederen verbeuren: Amsteldamsche poorters kunnen in verscheidene steden, volgends onderlinge overeenkomsten, ervenissen beuren zonder tot betaaling van Exu-geld gehouden te weezen, als te Dord, Haarlem, Delft, Leiden, Rotterdam, Schoonhoven, Briel, Alkmaar, en meer andere steden—In 1547 werd die van Amsteldam de vrijheid verleend van in de Zuiderzee te mogen visschen, mids zig bedienende van netten die de bepaalde wijdte hadden, en geen versmoorde visch aan land brengende, enz.
Wat zullen wij voords aantekenen van de
BEZIGHEDEN EN VERMAAKEN,
Die onder de Amsteldammers uitgeoefend, en genomen worden!—hunnen koophandel zouden wij vooral ten breedsten moeten beschrijven, ware het dat wij onzen leezer een voldoend denkbeeld van die bezigheden wilden geeven; dan hier staat ons bekrompen bestek ons weder in den weg: de handel der Amsteldammeren bestaat niet alleen in het vertier der waaren die in de stad gemaakt, bereid, gebragt en gebruikt worden, van welker menigte het groot getal hunner gilden ten voorbeelde verstrekt; maar ook komt daar bij het ontvangen en verzenden van goederen binnen deeze Landen, die men den binnenlandschen handel noemt; ten derden bestaat hun handel in het ontvangen en verzenden van alles wat de vier werelddeelen opleveren; voornaamlijk worden de beide eerste gedeelten van hunnen handel aangekweekt door de vrije jaar- en verscheidene week-markten, welken zij houden: de menigte van pakhuizen die alomme gevonden worden, getuigt mede van hunne uitgebreide commercie——van deeze in ’t algemeen genomen moeten als hoofdtakken beschouwd worden de O. en W. I. Compagniën, hunne vaart op Groenland en Straat Davids, en andere takken meer; zodat Amsteldam met recht den naam van wereldstad, als door geheel de wereld haaren handel uitbreidende, draagt; hoogstbeschreienswaardig is het intusschen, dat men, wil men de waarheid niet in het aanzicht hoonen, moet bekennen dat geheel haar uitgebreide handel in verval is, en vooral haare O. en W. I. Compagniën in zulk eenen deplorabelen staat zijn, dat desaangaande Amsteldam van voor ééne eeuw, hemelsbreedte verschilt met Amsteldam in onzen tijd.
Behalven met den koophandel geneert zig Amsteldam met allerleie fabrieken, kunsten, weetenschappen en handwerken, (’t getal der zagenmolens rondom de stad is 80,) zodanig dat men niet gemaklijk iet zoude kunnen bedenken het welk men in deeze stad niet kan bekomen; wat intusschen haare fabrieken betreft dezelven zijn mede in een allerjammerlijkst verval.
Alle stadsvermaaken die bedacht kunnen worden zijn die van de Amsteldammers.
GESCHIEDENISSEN.
Daar wij van de geheele beschrijving van het weleer zo magtige Amsteldam, maar een zeer kort uittreksel kunnen geeven, zullen wij ons althans in het spreeken over haare geschiedenissen, die zo wel in het kerklijke als wereldlijke zeer veelen zijn, ongemeen moeten bepaalen, en alleenlijk iet van de hoofdtrekken daarvan kunnen aanstippen—In de dertiende eeuw dan is Amsteldam reeds tot een tamelijk dorp of steedjen aangegroeid; jammerlijk werd het toen verwoest, ter wraake van den bekenden moord aan Graave Floris den Vijfden, waaraan Gijsbrecht, Heer van Amstel, medepligtig was: deeze echter bouwde het daarna weder op, en voorzag het van houtene vesten en bruggen, doch ook die zijn arbeid werd omtrent den jaare 1299, door de Kennemers en Waterlanders in koolen gelegd: in 1304 verviel ’t opkomend Amsteldam in ’s Graaven ongenade, ter oorzaake van ’t ontvangen van eenige ballingen, en het moest ter straffe alle zijne bruggen en vesten weder afbreeken, eene boete betaalen, en de vrijheid van te markten missen: in de eerstvolgende vijftig jaaren kwam het echter weder in groot aanzien, zodanig dat het reeds verscheidene voorrechten ontving: na het verdrijven van den Heere van Amstel, kwam het aan de Graaflijkheid, en vóór het einde der veertiende eeuw begon het door den koophandel reeds merkelijk te bloejen: in 1391 bezaten de Amsteldammers reeds een stuk lands op ’t eiland Schoonen in Deenemarken: in 1405 konden zij hunnen Graave reeds merkelijken dienst doen, en drie jaaren daarna, rustten zij met die van Kampen twee schepen uit, om hunne koopvaarders tegen de zeevaart te beveiligen: toen de Hoeksche en Kabbeljaauwsche factie, geheel het Land beroerde, kreeg Amsteldam een aanmerkelijk deel in de gevolgen van dien twist: in de maand April des jaars 1421, verbrandde ruim een derde gedeelte van de stad, met het Raadhuis, de Nieuwe Kerk en eenige andere Godsdienstige gestichten: het zelfde noodlot, echter niet zo geweldig, trof haar in 1452: in 1426 hielpen de Amsteldammers Filips den Goeden, Hoorn ontzetten, en niettegenstaande de teistering van den gezegden twistgeessel, nam hun bloei zo aanmerkelijk toe, dat zij in 1438 alleen twintig oorlogschepen in zee bragten; ook werden zij in den steeds voordduurenden krijg meer en meer geducht: in 1548 behaalden zij groote overwinning op de Utrechtenaars, waarvan de Kloveniers doelen nog getuigt: (zie hier voor, bladz. 20) ook werd omtrent dien tijd de stad aanmerkelijk uitgelegd, en met muuren en torens omringd: na in den Gelderschen oorlog geen gering deel gehad te hebben, was haar aanzien reeds zodanig toegenomen, dat verscheidene Vorsten haar veele voorrechten, allen den handel betreffende, toestonden, ook was omtrent het einde der vijftiende eeuw het getal der Graaflijke gebouwen binnen der stede vesten zodanig toegenomen dat er besloten werd geene nieuwen meer aanteleggen.