De Nederlandsche stad- en dorpbeschrijver, Deel 3 (van 8)

Part 3

Chapter 33,763 wordsPublic domain

Het Burger weeshuis, was weleer het St. Lucie klooster in 1580 daartoe vervaardigd; vóór dien tijd was het fraai herbouwd Logement de Keizers kroon, het Burger weeshuis: dit huis is groot, aanzienlijk, en ook zeer rijk.

Het Diaconie weeshuis in de Zwaanenburgerstraat, is een gebouw van den jaare 1656; dit is mede ongemeen groot; heeft niet alleen zijn eigen Apotheek, maar ook artzenijtuin.

Het Diaconie-oude Mannen- en Vrouwen-huis, staande op den Binnenamstel, doet ieder wegens zijne grootte verbazen; maar meer nog als men het van binnen bezichtigt, door zijne inrichting en de orde die er over het algemeen in heerscht: het geheele ligchaam der Amsteldamsche Diaconie is bewonderens waardig, vooral wegens de onbedenkelijke sommen die het jaarlijks tot onderhoud noodig heeft.

Achter dit huis ontmoet men het Korvers hofjen, in 1722 gesticht uit eene ervenis van den Heere Jan Corver, Oud-Schepen en Raad der stad; het staat onder bestuur van de Gereformeerde Diaconie, wordende er geene anderen dan gehuwde oude lieden zonder kinderen in geplaatst: zo één van beiden overlijdt moet de nablijvende in het Diaconie Oude mannen- of vrouwen-huis, bovengemeld, overgaan—een dergelijk hofjen is daar nabij nog onlangs gebouwd, uit eene ervenis van den Heere Van Mekeren.

Doet de Diaconie hier ter stede zo veel aan haare Ledemaaten, de Huiszittenarmen, dat is die geene ledemaaten zijn, worden mede niet vergeten; de ruime uitdeelingen aan dezelven geschieden thans op twee plaatsen, beiden mede overbezienswaardig; naamlijk in het Oude zijds huis-zittenhuis, en in dat aan de Nieuwe zijde; het eerste staat op de Korte houtgraft, op den grond van den Leprozen tuin, en het andere op de Prinsegraft bij de Lelijgraft; dit laatstgemelde heeft in de stad drie ruime turfschuuren.

De Huiszittenmeesters hebben ook nog een Huiszitten weduwen Hof, in 1650 op den grond van ’t Oud Karthuizers Klooster gebouwd: het is almede ongemeen groot: in hetzelve worden niet dan weduwen en hoogbejaarde dochters onderhouden: de kinderen der weduwen mogen bij hunne moeders woonen, tot dat de meisjens agttien, en de jongens negentien jaaren bereikt hebben.

Schoon de gezegde gebouwen, ieders aandacht trekken, door hunne grootte en talrijkheid van huisgezinnen, zij allen worden nog overtroffen door het Aalmoeseniers Weeshuis, staande op de Prinsegraft bij de Leidsche straat, in den jaare 1663 aldaar aangelegd, en naderhand nog vergroot; ’t is bijna 300 voeten breed, en drie verdiepingen hoog; en er worden bijna 2000 zielen in onderhouden: het is geschikt voor weezen, wier ouders geene burgers of ledemaaten der Gereformeerde Gemeente geweest zijn, als mede voor vondelingen, enz.

De Fransche of Waalsche Gemeente, heeft te Amsteldam mede een zeer aanzienlijk weeshuis, dat ook voor het onderhouden van oude mannen en vrouwen dient; ’t staat op den hoek van de Vijzel- en Prinse-graften, en is een gebouw van den jaare 1669: vóór dien tijd hadden de Waalen hun Weeshuis in de Laurierstraat: het gezin in dit huis wordt ongemeen ruim onderhouden, en in de daad vrij beter dan menig ordentelijk Amsteldamsch burger in staat is zijne kleine huishouding te doen.

De Engelschen hadden weleer een Weeshuis aan de zuidzijde van de Loojers graft; doch hetzelve was van weinig betekenis: thans hebben zij een tamelijk fraai Weeshuis op de Oudezijds achterburgwal, bij de Stoofsteeg, gesticht in den jaare 1782.

De Roomschen hebben een jongens Weeshuis, staande aan de zuidzijde van de Laurier-graft; het is een vrij goed gebouw; maar komt niet in vergelijkinge met het Maagdenhuis van deeze Gemeente, op het Spui, en dat eerst voor weinige jaaren, in de plaats van het oude, gebouwd is; dit huis gelijkt veel eer naar een paleis dan naar een weeshuis—Voorheen had deeze gemeente haar uitdeelings comptoir, op den Nieuwezijds achterburgwal, bij het Spui, doch thans is hetzelve verplaatst, op den grond van den afgebranden Schouwburg op de Keizersgraft bij de Huidestraat; alwaar ’t mede eene zeer aanzienlijke vertooning maakt—Op het voor weinige jaaren bebouwde Weesperveld, hebben de Roomschen ook een ruim huis voor arme oude lieden aangelegd: de pracht waarmede het gebouwd is, doet duidelijk zien dat deeze gemeente eene ruime beurs moet bezitten.

Aan de noordzijde van de Lauriergraft, ontmoet men het Weeshuis der Luthersche Gemeente, zijnde hetzelve na het midden der voorgaande eeuw gebouwd; het is een zeer goed gebouw, en is voor weinige jaaren nog aanmerkelijk verbeterd—dezelfde Gemeente heeft niet verre van dat weeshuis, naamlijk in de Konijnenstraat, een Hofjen voor oude Vrouwen, alwaar de inwooners mede zeer goed onderhouden worden—maar van ongemeen veel meer aanziens en ruimte is het Nieuwe bestedelingshuis, door deeze Gemeente gebouwd op het reeds meergemelde Weesperveld; het is een groot en aanzienlijk gebouw, waarin de oude lieden ook ongemeen wèl onderhouden worden.

Het weeshuis der Vereenigde Vlaamsche en Waterlandsche Doopsgezinden, gemeenlijk het Mennonieten Weeshuis genoemd, staat op de Prinsegraft, tusschen de Vijzelstraat en Reguliersgraft, en is gesticht in den jaare 1676; zijnde in alle deelen een aangenaam en luchtig gebouw, waarin de kinderen ook met allen mogelijken zorg, gevoed, gekleed, en geleerd worden.—Vooraan in de Elandsstraat had dezelfde Gemeente weleer haar Oude Vrouwenhuis; doch hetzelve is in 1759 geplaatst, in de Kerkstraat, achter het Weeshuis voornoemd.

Die van de Collegianten, hebben hun Weeshuis, van ouds de Oranje appel genoemd, ter plaatse alwaar zij hunne vergadering houden, zie hier vóór.

Onder de godsdienstige gestichten ter deezer stede kunnen ook nog de volgende geteld worden, als,

Het Stads zijdewindhuis, geplaatst op den Cingel boven het stads magazijn: hier worden jonge meisjens van 8 tot 14 jaaren, en wier ouders van de Huiszittenmeesters, of gelijk men zegt, van de stad, en ook die, wier ouders van de Diaconie trekken, met het winden van zijde aan werk en geld geholpen, maar middelerwijl ook in het leezen, schrijven, en de gronden van den Godsdienst onderwezen.

Het Begijnen-hof, in de Kalverstraat, alwaar, gelijk wij reeds zeiden, de Engelschen hunne Kerk hebben: ’t is reeds een gebouw van den jaare 1389: in 1393 werd het door Hertog Albrecht in bescherminge genomen: ’t is bebouwd met wooningen voor een zeker tal Begijnen, die er hunne eigene kerk en Priester hebben: de dochterkens geneeren zig met allerlei kundig naaldwerk, waarin sommigen van haar zeer ervaaren zijn.

Het Lazerus of Leprozen-huis, staande bij de St. Anthonies of Jooden breestraat: sedert de lazerij genoegzaam geheel uit deeze Landen verdweenen is, dient het Leprozen-huis, voor eenige proveniers, en sommige simpele lieden.

Van het Dol- of Krankzinnig huis hebben wij reeds gesproken: (zie boven Bladz. 10).

Het St. Joris hof, staande tegen de oude Waals Kerk: was eertijds het Pauliniaanen klooster; ’t is nu een Proveniers huis, schoon ’t voorheen ook voor Leprozen gediend hebbe.

Behalven alle de gemelde gebouwen vindt men hier ter stede nog eene menigte hofjens en Godsdienstige gestichten, door bijzondere persoonen van verscheidene Gezinten, met Godsdienstige oogmerken, aangelegd: de voornaamsten zijn:

Het Deutzen Hofjen, op de Prinsegraft tusschen de Spiegel- en Vijzel-straat, in 1695 gesticht door Vrouwe Agneta Deutz; er worden oude vrouwen op geplaatst, die, behalven vrije wooning, 36 guldens aan geld, 40 mand turf, 20 pond boter, 20 pond rijst, en 20 pond kaarsen jaarlijks genieten.

Venetia of Maarloops hofjen, naar zijnen stichter Maarloop dus genoemd, gelijk ook veelen der volgenden den naam naar hunne stichters draagen: dit hofjen staat in de Elandstraat: behoeftige Vrouwen van allerleie Gezinten, uitgenomen die van den Roomschen Godsdienst zijn, genieten er vrije wooning, 50 manden turf, en nog eenig geld in ’t jaar.

’T Raapen hofjen aan de Noordzijde van de Braak, wordt mede door behoeftige vrouwen bewoond: zij genieten ieder jaarlijks 25 tonnen turf.

De Huisjens van Bosch staan naast het laatstgemelde Hofjen; in dezelven wordt alleenlijk vrije wooning genoten.

’T Roeters hofjen, op de Linde graft, is mede gesticht voor behoeftige vrouwen van den Gereformeerden Godsdienst, die er ook alleenlijk vrije inwooning genieten.

Het Okkers hofjen in de kromme Palmstraat, bijna geheel herbouwd zijnde, moet er een gering geld op verwoond worden.

’T Claas Reiniersz. Hofjen op de Keizersgraft, tusschen de Beeren- en Run-straat, behoort aan de Roomschgezinden, en voert ter spreuke, Liefde is ’t Fundament; ’t is aangelegd voor Vrouwen die bij ’t inkomen, voor ééns, honderd guldens moeten geeven.

’T Hamershofjen, is mede voor oude Roomschgezinde Vrouwen.

’T St. Andries Hofjen op de Egelantiersgraft; hier is een kapelletjen in ’t welk ééns ter week dienst gedaan wordt, door den Capellaan van ’t Begijnehof.

De Brouwers huisjens in de Wijdesteeg op de Bloemmarkt, behooren ook aan de Roomschen; als mede

Het Otters hofjen, in de Vinkestraat, en

De Zeven keurvorsten in de Tuinstraat.

Het Suiker hofjen op de Lindegraft, behoort aan de Lutherschen; en is aangelegd voor oude vrouwen, en vrijsters boven de 50 jaaren: ieder bewoonster geniet boven vrije wooning, jaarlijks 40 manden turf, 10 pond rijst, en drie dukatons aan geld—aan dezelfde Gemeente behoort ook

Het Grillen hofjen, in de Weterings dwarsstraat.

Het Brantzen hofjen, op de Nieuwe Keizersgraft bij de Weesperstraat.

Het Linden hofjen, op de Lindengraft, behoort aan de Doopsgezinden, als mede

De Hoeksteen in de Lojerstraat, ook

Het Rijpen- of Roozen-hofjen op de Roozegraft.

Zie daar alleenlijk de hoofdtrekken van een schilderij van Godsdienstigheid, barmhartigheid en menschenliefde, waarop de Amsteldammers met reden roem mogen draagen.

WERELDLIJKE GEBOUWEN.

In de eerste plaats komt hier ongetwijfeld voor het vorstlijke Stadhuis, dat met recht den naam draagt van ’t agtste wereldwonder: het staat op den ruimen dam, meer achterwaards dan het oude Stadhuis in 1652, door de vlamme vernield, aldaar gestaan heeft: in 1648, (des vier jaaren vóór gezegden brand,) begon men de grondslagen van het tegenwoordige te leggen; ruim een jaar en negen maanden bragt men door met het heien van de paalen, die ten getale van dertien duizend, zes honderd negen en-vyftig werden ingeslagen, des niettegenstaande werd de bouwing zo spoedig voordgezet, (vooral na het oude huis, gelijk gezegd is, verbrand was,) dat de wethouderschap reeds op den 1 Augustus 1655 er haare zitting in nam; evenwel had het gebouw toen nog geen dak, en er werdt nog eenigen jaaren lang aan gearbeid, eer gezegd kon worden, dat het geheel voltooid was; alles onder opzicht van de ontwerpers, de beroemde Jacobus van Campen, en Daniel Stalpert.

Aan dit overheerelijk Stadhuis zijn de krachten der Bouwkunde uitgeput, waarvan de beschouwing zelve alleen kan overtuigen; het heeft, behalven de onderste verdieping, waarin de Wisselbank, gevangenplaatsen, en eenige kelders zijn, drie steenen verdiepingen en verwelfsels: de breedte bedraagt een tal van ruim 282 voeten, en de grootste diepte, naamlijk tusschen het voorste en achterste middenste uitsteeksel, bedraagt omtrent 236 voeten, de kleinste of zijdelijke diepte omtrent 200½ voeten: zonder den toren is het gebouw weinig minder dan 117 voeten hoog: alles wat boven den grond is, is zamengesteld uit witte Breemer en Bentheimer steen, aan alle kanten met eene toereikende hoeveelheid van glasraamen voordien: in ’t middenste uitsteekzel van den voorgevel zyn negen ronde boogen, zeven van welken tot ingangen dienen, de twee overigen zijn met ijzerene traliën gesloten; met vier steenen trappen gaat men tot deeze boogen op: in ’t middenste uitsteeksel van den achtergevel, heeft men eenen langwerpig vierkanten ingang naar welken men langs zes steenen trappen, voorwaards en ook van beide zijden opgaat: boven deezen opstal staan rondsom het gebouw negentig Romeinsche Colommen, ieder, met de cieraadjen, ruim 36 voeten hoog: boven deeze rij staat een gelijke talrijke rij Corinthische Colommen; alles met cierlijke festonnen tusschen beiden: op ieder’ hoek van het dak staat eenen koperen vergulden kroon, die door vier arenden gedragen wordt; langs de daken zyn twintig dakvensters en agttien schoorsteenen geplaatst: de middenste uitsteekzels van de voor- en achter-gevel, zijn ieder met een kap gedekt, waarin overheerelijke levensgroote marmeren beelden geplaatst zijn; op de lijst van den voorkap staan drie koperen beelden, naamlijk dat der Vrede, tusschen die der Voorzichtigheid en Rechtvaardigheid: op de achterkap staat tusschen de beelden der Maatigheid en Wakkerheid een Atlasbeeld, den hemelkloot torschende; de toren die rond en met agt halve Corinthische Colommen omringd is, staat in ’t midden boven den kap van den voorgevel op een vierkanten voetstuk, en is ruim 66 voeten hoog: op denzelven staat voor windwijzer het oude wapen der stad: de toren is met festonnen en andere sieraaden der bouwkunde getooid; ook heeft hy een kunstig uurwerk en klokkespel, op ’t welk driemaal ter week een uur gespeeld wordt; de ton van het werk weegt 4474 ponden.

Het zoude ons bestek te veel gevergd weezen, wilde men eene beschrijving van het inwendige des gebouws van ons vorderen, wij kunnen er slechts iet weinigs van zeggen; de talrijke vertrekken, welken er in zijn, zijn allen der bezichtiginge overwaardig; eenigen van dezelven zijn vercierd met overheerelijke schilderstukken, en beschilderingen van de voornaamste oude meesters; de vroedschapskamer munt daarin boven alle anderen uit: op de wapenkamer zijn ook veele bijzonderheden te zien, voornaamlijk van oude wapenen, harnassen, enz.

Vooral zijn bewonderenswaardig de beelden, waarmede de openbaare vierschaar, die in de onderste verdieping gevonden wordt, pronkt: men ziet er in door drie boogen, die half met gehouwene steenen toegemetseld, en half met getakte koperen tralien afgesloten zijn: de ingang ter zijde is door twee zwaare metaalen deuren gesloten; slangen, zwaarden, bliksems, als mede het oude en nieuwe wapen der stad, vercieren dezelve: het binnenwerk, zijnde een rechterstoel, bank, trappen, colommen, beeldwerk, enz. is genoegzaam alles van wit marmer gehouwen: onder het beeldwerk vertoonen zig Salomon’s gerecht, Seleucus, die zig ’t oog laat uitsteeken, en Brutus, die zijne zoons doet onthalzen, alles overkunstig gehouwen.

Op de tweede verdieping munt uit de burgerzaal, over welken men tot alle de op die verdieping zig bevindende kamers, gaat; deeze zaal, die met twee zwaare koperen deuren gesloten wordt, is 120 voeten lang, en omtrent 57 voeten breed: te recht is van deeze zaal gezegd: „Alles blinkt hier van marmer, en andere kostbaare steen, zo kundig bewerkt, dat de mans- en vrouwe-beelden niet slechts, maar ook het fruit- en loofwerk, de bloemen, de korenschoven, de vogeltjens, het zeegedierte en duizenderleie aartigheden meer, den aanschouwer op ’t levendigste toelagchen:” midden op den marmersteenen grond, waren twee platte halve aardklooten van gekleurden steen en geel koper kunstig ingelegd, doch dezelve zijn door het beloopen reeds geheel verdweenen; een halven hemelkloot, mede kunstig van geel koper in denzelfden grond ingelegd, is nog heden te zien: het gewelfsel is fraai beschilderd; met één woord, deeze zaal doet op het eerste gezicht verstommen, en bij nadere beschouwing houdt zij de bewondering der kenneren onafgebroken bezig.

Na het stadhuis verdient de Beurs genoemd te worden: zij is gebouwd op vijf overwelfde boogen, die in den Amstel, aldaar Rokin geheten, gelegd zijn: de middenste boog diende weleer ter doorvaart, doch in 1622 werd er een vaartuig met buskruid onder gevonden, aldaar gelegd zijnde, zoo men zegt, met oogmerk om het gebouw, als de kooplieden vergaderd waren, in de lucht te laaten springen, en daardoor de stad eene onherstelbaare schade toetebrengen; want men moet zig miet verwonderen als men hoort dat de kooplieden op één’ beurstijd somtijds millioenen maalen millioenen schats aan papieren bij zig hebben: na dien tijd is de gezegde doorvaart gesloten: de Beurs bestaat uit een vierkant plein, omringd van breede gaanderijen, wier verwelfsels op 46 pilaaren van blaauwen arduinsteen rusten; aan de zuidzijde pronkt het gebouw met een cierlijk torentjen, voorzien van een uurwerk: ’t gebouw is binnenswerks 250 voeten lang, en omtrent 140 voeten breed; is in den jaare 1608 aangelegd, in 1613 volbouwd, en in 1668 merkelijk vergroot: boven de gezegde gaanderijen is een zogenaamde Prentekamer; welke naam zij draagt om dat er veele winkelkassen op gemaakt zijn, die meest door prentekoopers in huur gehouden worden, en welken er ook dagelijks hunne voorraad uitstallen; enkel de kassen worden ook door galanteriekramers in huur gehouden: op dezelfde verdieping vindt men mede het stads schermschool.

Op het Water staat een afzonderlijke beurs voor de korenkopers, die weleer slechts van hout was, doch in den jaare 1767 is deeze weggebroken, en een fraaje steenen beurs in de plaats gezet; zij is gebouwd in den smaak der groote, of koopmans beurs voornoemd: niet verre van deeze beurs, op de kolk, staat het Korenmeeters huis, zijnde een sierlijk vierkant steenen gebouw—achter de Korenbeurs, aan de andere zijde van het Water, vindt men het Stads Exijnshuis, dat mede een groot gebouw is, en met hardsteenen gevels pronkt: ’t is in 1637 en 1638 merkelijk vernieuwd en vergroot—bij het zelve staat het Bierdragers huis van de oude zijde; dat van de nieuwe zijde staat op het Spui.

Amsteldam heeft drie waagen: de oudste, zijnde een gebouw van ’t jaar 1560, staat op den Dam, tegen over het stadhuis; boven deeze is de militaire hoofdwacht; de toegangen tot welke, zo wel als het bordes daarvoor, is in den jaare 1778 fraai van blaauw arduinsteen vernieuwd—De tweede waag staat op de Nieuwmarkt, en is de oude St. Anthonies poort, die in 1617 tot een waag bekwaam gemaakt werd: boven dezelve is de openbaare leerschool in de Anatomie, de Snijkamer genaamd; ook worden er veele vreemde dieren, gewassen, steenen, geraamten, enz. bewaard—de Heelmeesters hebben boven deeze waag ook hunne Gildekamer—De derde waag staat op de Botermarkt, en is de gewezene Regulierspoort, in 1668 tot een waag toebereid.

Voor weinige jaaren is er ook nog een Waterwaag aangelegd, naamlijk op den Buitenkant bij de Kraansluis.

Het Prinsenhof, of eigenlijker gezegd het Admiraliteits hof [3], was voorheen het St. Cecilien klooster, gesticht, naar het gevoelen van sommigen, tusschen den jaare 1342 en 1352; ’t gebouw pronkt nog met het torentjen van de kloosterkerk: in 1661 is het klooster bijna geheel weg gebroken, en op deszelfs grond het tegenwoordige prachtige hof gebouwd.

Het Admiraliteits of ’s Lands zeemagazijn, staat aan den IJ-kant, op den hoek van Kattenburg; ’t is een ruim gesticht van den jaare 1655, zijnde 220 voeten breed, en 200 voeten lang: in 1790 brandde het van binnen geheel uit, doch ’t werd weldra weder in die orde gebragt, waarin wij het heden beschouwen: voor dit magazijn ligt het scheeps hok, binnen het welk de oorlogschepen die onttakeld zijn, opgelegd worden: er leggen altoos fraaje pronkschepen in: nog werkelijk is men bezig met de onderneeming om aldaar een dok te maaken, doch veelen deskundigen twijfelen aan den goeden uitslag daarvan—bij ’t magazijn is ook ’s Lands timmerwerf, zijnde dezelve omtrent 1500 voeten lang—Op een vrij grooten afstand van het magazijn, is ’s Lands Lijnbaan, benevens die der Oostindische Compagnie; het Huis dier Compagnie, op der hoek van de Hoogstraat, was tot den jaare 1605 het stads magazijn: het zelve is van tijd tot tijd vergroot—Het Zeemagazijn derzelfde Compagnie is een geweldig groot gebouw, in 1660 aan den IJ-kant aangelegd; achter het zelve ligt ’s Compagnies werf; haare Lijnbaan is op Oostenburg.

De gebouwen der Westindische Compagnie, zijn het Huis, op de Garnaalsmarkt; haar pakhuis staat op Raapenburg, aan den IJ-kant: weleer hield deeze Compagnie haare vergadering in het gebouw op den Haarlemmerdijk, thans tot een Heeren Logement dienende: de gewapende Schutterij betrekt boven hetzelve des avonds eene wacht.

Onder de groote stads gebouwen munt niet weinig uit de Lombard, of Bank van leening, staande op den Fluweelen burgwal: in 1548 dat het huis aldaar gebouwd tot een magazijn voor de huiszittenarmen; doch in 1614 werd het tot een lombard bekwaam gemaakt, en in 1669 nog merkelijk vergroot: van de panden onder de ƒ 100 wordt slechts een’ penning van iederen gulden per week bepaald; van de panden boven de ƒ 100 tot ƒ 475 wordt 7¼ ten honderd, en van panden van ƒ 500 en daar boven, wordt 6 ten honderd ’s jaars betaald: door geheel de stad heen, woonen inbrengers of inbrengsters, die voor een bepaald loon, de panden, beneden de ƒ 100 aanneemen, en in de groote Lombard brengen.

Vijf vleeschhallen waren er voorheen in Amsteldam, twee in de Nes; doch de kleinste dier twee is voor eenige jaaren weggebroken, en de groote tevens een goed gedeelte verlengd: de eene was weleer een kerkjen, St. Pieter toegewijd, gelijk de St. Pieters poort er nog tegen over is; de andere ’t Margareten klooster; de overige hallen staan op de Westermarkt, (boven dezelve is de hoofdwacht der wakende Schutterij,) op de Heeremarkt, en op de Botermarkt: de Jooden hebben nog eene afzonderlijke hal voor zig.

Amsteldam heeft ook eene Laken- Zijde- en Saai hal, alwaar de lakens, baajen en karsaajen, gelood en gestaald moeten worden: zij staat in de Staalstraat, en was weleer de stads steenhouwerij.

In de Kalverstraat, over den Heiligen weg, staat een Schrijnwerkers, of Kistemaakers pand; ’t was weleer een kerkjen tot het oud Leprozenhuis behoorende: de stad verhuurt het aan eenige baazen van het Kastemaakers gild, die er allerlei schrijnwerk in te koop stellen.

De Vischmarkten zijn drie in getal, één aan de oude, en één aan de nieuwe zijde, (beiden voor zeevisch dienende,) en een rivier vischmarkt, in de Nes, ter plaatse alwaar weleer de kleine vleeschhal stond; zie boven.

De Colveniers doelen, alwaar men in vroegeren tijd met vuurroers naar het wit plag te schieten, is thans een aanzienlijk logement, en voor eenige jaaren van vooren fraai vertimmerd: ’t was weleer eene sterkte aan den Amstel tegen de Utrechtenaars; blijkens ’t geen men in een’ steen voor dezelve leest: naamlijk de woorden, Zwicht Utrecht.

Nog zijn er twee andere Doelens, of Schutters hoven: de Hand- en Voet-boogs, op de Garnalemarkt, thans geschikt tot het Westindisch huis, voornoemd, en een aanzienlijk logement—tusschen de laatstgemelde beide doelens is één der vijf stads wapenhuizen; ten einde van de Brouwersgraft is een ander, dat geweldig groot is, en tevens tot een korenmagazijn dient; voords zijn aan drie afgelegene hoeken van de stad drie anderen.

Vijf voornaame stadsherbergen zijn er in Amsteldam: De Nieuwe- en Oude-zijds heerelogementen, de Oude en Nieuwe herbergen aan het Y, en een in de plantaadje, die zeer vermaaklijk gelegen is, gelijk de plantaadje zelve een aangenaam oord is: voorheen waren in dezelve eene menigte kleine herbergjens voor den burger, doch deezen heeft men naderhand allen verboden; misschien oordeelde men dat de burger geene uitspanning noodig heeft—thans is ’t in de plantaadje intusschen veel ordentelijker, want het krielt er van bordeelen.

De stad heeft ook een eigen Timmertuin, Steentuin, Steenhouwerij, Scheepstimmerwerf, Geschut- en Klokgieterij, en Proefwerf.

De Nederduitsche Schouwburg stond weleer op de Keizersgraft, (zie hiervoor, bladz. 9.) doch zij werd in den jaare 1772 ten eenenmaale door de vlamme verteerd; een andere is kort na den brand op het Lijdsche plein aangelegd—op de Erwte markt is een fraaje Fransche Schouwburg, voor rekening van particulieren gebouwd; doch sedert eenigen tijd, mag dezelve niet gebruikt worden—in de Amstelstraat, bouwde men in den jaare 1790, een zeer goeden Hoogduitschen Schouwburg, doch dezelve heeft almede moeten sluiten: eerst door verloop van het fonds, thans ter oorzaake van de tijdsomstandigheden.